VERBORGEN LEED
Eigenlijk moet ik niet zeuren. Het leven is overzichtelijk. Misschien moet ik er zelfs dankbaar voor zijn. Neem nou het leven als muziekliefhebber schuine streep platenkoper. Je zou mijn leven in deze hoedanigheid uitermate simpel kunnen noemen. Platen zoeken, en ze ook nog vinden. De nieuwsgierigheid voeden, maar ze ook bedwingen. Een lp eens een keer laten liggen en er later spijt van krijgen.
Ach, ik geef het toe, mijn wereld is beperkt en zit vol verborgen ongerief en klein leed. De ware muziekliefhebber weet dit als geen ander. Soms twijfel ik wel eens hardop aan het vinylgedoe; aan het ongedurige bladeren door bakken met vinyl; aan het over de grond kruipen onder diezelfde bakken met vinyl; aan het geouwehoer van de platenverkoper, enfin, ad infinitum. De laatste tijd droom ik over platenzaken die er helemaal niet zijn. De droom illustreert de honger die nooit stilt, maar juist aanwakkert, omdat je ooit vinylmomenten van euforie zo intens beleefde dat je er de rest van je leven naar op zoek blijft. Zoals de aankoop van je eerste singletje. Voor de gewone sterveling een gebeurtenis zonder enige betekenis, voor muziekliefhebbers niet minder dan een emotionele zondvloed.
“Wat moet je anders”, zei onlangs een begripvolle platenverkoper tegen me. Daar denk ik vaak over na. Wat moet je anders? Geen flauw idee. Liefhebben kan omslaan in fundamentalisme, als gericht kopen eindigt in rücksichtslos verzamelen. Alle remmen los tijdens beurzen en rommelmarkten. Het verzamelen is voor de fundamentalist belangrijker dan de muziek, elke aankoop een hebbeding, ongeacht de reden. Vaak gaat het niet eens om de artistieke waarde, maar om twijfelachtige motieven zoals herkomst van de persing, hoesontwerp, een bekende gastmuzikant op blokfluit.
Toch is de scheiding tussen het kopen van een plaat puur om de muziek of een andere reden rekbaar. Misschien zou ik eens een andere maatstaf moeten gebruiken. Bijvoorbeeld het gedrag van het personeel in een platenwinkel. Er zijn immers verkopers die qua arrogantie en desinteresse niet onderdoen voor hun collega’s in de horecabranche. Zo bezocht ik niet zo lang geleden Get Records in Amsterdam. Daar had een medewerker gewoon geen zin. Slechts met grote moeite mompelde hij een antwoord op mijn vraag, terwijl hij doodleuk cd’s stapelde en strak voor zich uit keek.
Ook het personeel van het Utrechtse Da Capo hoef je niet op een feestje uit te nodigen, zo heb ik diverse keren proefondervindelijk vastgesteld. Er zit een man achter de toonbank, hij kijkt uit het raam, zegt weinig tot niks en beschouwt plaatjes verkopen waarschijnlijk als het ergste dat er is. Toch is het aanbod van Da Capo van dien aard dat je de stille man graag op de koop toe neemt. Zijn houding is namelijk niets vergeleken bij het stelletje moederneukers dat in de jaren tachtig menig bezoekje aan het hoofdstedelijke Boudisque verknalde. Als je al geholpen werd door het aanwezige personeel, gebeurde dit met een enorm vertoon van minachting. Lang heeft dit niet geduurd. In de platenwereld wil nog wel eens een sprankje gerechtigheid gloren. Boudisque ging over de kop en keerde in afgeslankte vorm terug tot wat het nu is: een patserig cd c.q. dvd-hol.

november 21, 2007 bij 10:35 pm
Ik zie mezelf ook meer als liefhebber en heb mezelf afgelopen weekend tijdens de beurs gedwongen nu eens de dure lp’s te laten liggen, kramen over te slaan en alleen datgene te kopen wat ik echt wilde hebben. Dus niet Shipwreck van The Sandy Coast voor 150 euro (die ik bovendien al heb) maar o.a. Nite Flights van The Walker Brothers voor 5 euro. Deze lp uit 1978 bevat op kant 1 een voorbode van de experimentele Scott Walker.