Archief voor mei, 2008

MIJN TERUGKEER NAAR NEIL DIAMOND

Gepost in Zonder categorie op mei 26, 2008 door Harry Prenger

Nou, daar zit je dan op zondagavond 25 mei temidden van duizenden Neil Diamondfans in de Ahoy in Rotterdam. Neil Diamond. Mijn eerste en eigenlijk enige echte idool. Hij die mijn tienerjaren injecteerde met een dosis liedjesmelancholie waar ik nooit meer vanaf zou komen. Erg makkelijk maakte Neil Diamond het me niet. Begin jaren tachtig haakte ik zelfs zwaar teleurgesteld af. Zijn platen werden almaar softer en gepolijster, verschikkelijk gewoon; zwierig pakkende songs maakten in die tijd plaats voor mierzoete ballades. Dat was voor de nieuwsgierige muziekontdekkingsreiziger in mij net iets teveel van het goede. Het afhaken ging zo een poosje door. Neil Diamond werd een schim uit het verleden, wiens oude platen ik slechts draaide uit een weemoedig verlangen naar zoekgeraakte bewondering. Tot 2005. Toen volgde de Grote Ommekeer met 12 Songs, een introvert meesterwerkje van de man die zijn stem en oude stiel hervond. 12 Songs ontstond onder productionele dwangdrang van Rick Rubin, die eerder de carrière van Johnny Cash’ uit het artistieke slop had gehaald.

De wens Neil Diamond ooit nog een keer live te mogen aanschouwen begon ik sindsdien weer te koesteren. Afgelopen zondagavond ging hij in vervulling. Maar ik was niet de enige. Duizenden veertig- en vijftigplussers lieten zich eveneens meeslepen met Diamonds inmiddels legendarisch te noemen oeuvre, dat zijn artistieke zwaartepunt kent van 1966 tot 1976. Klassiekers van de Amerikaanse popmuziek: Solitary Man, I’m A Believer, Sweet Caroline, Cracklin’ Rosie en godzijdank speelde hij ook de zelfbekentenishymne I Am I Said, misschien wel zijn indrukwekkendste song. Grappig dat hij zijn jaren zestig hit Cherry Cherry aankondigde met “you wanna hear some rock n’ roll”, om er doodleuk een swingende salsaschwung aan te geven.

De blazerssectie speelde een opvallende rol tijdens dit concert. De meeste songs pompten ze op met elegante zwiepers, zoals in Pretty Amazing Grace, een werkelijk prachtig nummer van Diamonds recente Home Before Dark album. Ja verdomd, Neil is weer helemaal het mannetje. Aan niets viel te merken dat hij met 67 de op een na oudste in de zaal was. De Stem haalde zo ver uit dat hij vele momenten van ontroering sloeg. In Brooklyn Roads viel de autobiografische tekst samen met de op het videoscherm getoonde 8mm-filmpjes van een jonge Neil Diamond, dollend met zijn broertje en ouders in het Brooklyn van de jaren vijftig. Ontroering was er wat mij betreft niet bij de, daar waren ze weer, drakerige ballades Hello Again, You Don’t Bring Me Flowers en Love On The Rocks. Ontroerd was in elk geval wel de vermoedelijk oudste aanwezige in de Ahoy. Die zat naast me. Eerste ring, rij 13, stoel 23. Mijn moeder. 74.

DROOM

Gepost in Raar, Zonder categorie op mei 23, 2008 door Harry Prenger

Zo nu en dan droom ik over een platenzaak met uitsluitend zeldzame lp’s. Het paradijsje bevindt zich op loopafstand van mijn woning. Iedere dag wandel ik even naar binnen om de juweeltjes te bekijken. Ze liggen er bij alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Obscure bands als Open Mind, Second Hand, Igor Wakhevitch, Group 1850, mono-uitgaven van de Beatlesalbums, de eerste originele Residents-lp en meer curieuze exotica. Dat ligt hier zomaar te liggen. In mijn droom neem ik de hoezen ter hand, bekijk ze uitvoerig en, nu komt het ongelooflijke, leg ze keurig weer terug in de schappen. In mijn droom koop ik nooit een plaat. Verbazingwekkend genoeg verloopt de droom buitengewoon rustig, op het moment dat ik het vinylparadijs met lege handen verlaat schrik ik niet badend in het zweet wakker. Buitengewoon ontspannend is dit droomachtige visioen waarin alle handelingen normaal lijken en het ontwaken plezierig.

Godallemachtig, wat is er aan de hand Harry?

Word ik soms knettergek? Enkele dagen na de droom ga ik een kijkje nemen of de platenzaak met collectors items daadwerkelijk bestaat. Je weet het maar nooit. Kylie Minogue kan ook ieder moment aanbellen. Daarom. Verdomd, ik zie warempel mensen in- en uitlopen. Stel je voor, zou deze droom dan toch geen bedrog zijn? Ik merk dat ik een tikje nerveus word. Even later sta ik pal voor de etalage, ter plekke test ik het waarheidsgehalte van mijn droombeeld. Het ziet er precies zo uit als in de bewuste nacht, maar wat ik me van de droom niet herinner is de knalrode vloerbedekking.

Ik gluur door een van de ramen en zie hoe enkele dames kartonnen dozen uitpakken. Wat ze te voorschijn halen lijkt allerminst op het formaat van een grammofoonplaat. Een langwerpig voorwerp, verpakt in plastic, een centimeter of 17 schat ik. Weer een andere doos maakt een rinkelend geluid alsof twee stukken ijzertjes tegen elkaar kaatsen. Vreemd. Wat ik ook zie en hoor: geen platen, geen muziek. Mijn geest, toch al geen baken van rotsvast vertrouwen, raakt nu pas goed ontregeld. Wat dozen uitpakkende dames al niet kunnen bewerkstelligen. In plaats van platenschappen zie ik vitrines vol allerhande plastic gadgets. Plots komt een meisje op me af met in haar hand een rood zweepje. Ik doe net of ik haar niet zie en maak dat ik weg kom.

“BESCHILDER MIJN KUT MET VUURVLIEGJES”

Gepost in Kunst, Recensie op mei 22, 2008 door Harry Prenger

Coil – The Ape Of Naples/The New Backwards (4lp-box, Important)
Coil – The New Backwards (cd, Threshold House)

Het kost een paar euro’s maar dan heb je ook wat. Waarschijnlijk nu toch echt de allerlaatste postume releases van de legendarische groep Coil, scheppers van de muzikale verwarring, van het provocatieve en ondoorgrondelijke. Opgericht door Peter Christopherson en Jhonn Balance, zag Coil in 2004 de muzikale activiteiten abrupt een halt toegeroepen door het overlijden van Balance. In staat van vergaande dronkenschap verwisselde Balance de huiselijke wenteltrap voor The Anal Staircase en viel pardoes naar beneden. Min of meer als eerbetoon aan Balance is van Coil een bijzondere vinylversie verschenen van het album The Ape Of Naples. In een stevige, kartonnen schuifdoos bevinden zich vier lp’s met artwork van Balance’ voormalige partner Ian Johnstone.

The Ape Of Naples bevat in feite al dan niet herbewerkte kliekjes uit de Coil-archieven. Resten die toch maar mooi en tijdloos zijn blijven glanzen van visionaire verbeeldingskracht. Op de luxueuze vinylversie is The Ape Of Naples verdeeld over drie platen met op de a-kanten de muziek en op de keerzijdes een overigens niet al te bijzondere ets.

Ondanks de poging van Nine Inch Nails’ frontman Trent Reznor om Coil aan zijn Nothinglabel te binden, liep deze overeenkomst uiteindelijk op niets uit. Het eigenzinnige Britse tweetal had weinig trek in het zakelijke aspect, zoals vergaderingen met labelmanagers en advocaten. Toch nam Coil in 1996 een geheel volwaardig album op. Backwards is om onduidelijke, maar ik vermoed uit artistiek redenen, nooit verschijnen. Dus groeide Backwards uit tot de Smile van de avant-garde; indachtig het gemythologiseerde want nonexistente Beach Boysalbum. De aan The Ape Of Naples toegevoegde vierde plaat biedt onder de noemer The New Backwards een glimp van de originele opnamen. Overigens zond het radioprogramma NOS Supplement enkele jaren geleden een vier uur durende documentaire uit over Coil, waarin vier originele tracks van Backwards werden gedraaid. Onlangs hoorde ik de opname nog eens terug en moest wederom vaststellen dat Backwards zeker niet tot de doorwrochtere Coilalbums behoort.

Backwards is desondanks typisch Coil. De muziek is een ritueel: bedwelmend en bezwerend, maar wordt in tegenstelling tot menig ander Coilalbum nooit meeslepend. Als vanouds zijn er opvallende teksten. In Paint Me As A Dead Soul heet het “paint my cunt with dragonflies”. Halverwege de jaren negentig varieerde Coil in toenemende mate op house en techno. De cd-versie van Backwards, dat los van de lp-box te koop is via de Coil-site Threshold House, laat horen hoezeer Christopherson en Balance destijds de dance omarmden. Met terugwerkende kracht is Backwards ter completering van de Coil-canon beslist een aanwinst. Wie weet groeit het de komende jaren zelfs uit tot mijlpaal met verreikende invloed, welke status immers ook veel andere Coil-platen stilaan hebben gekregen. Luister eens naar de recentste Radiohead-cd en hoor de overeenkomsten.

(deels eerder gepubliceerd op www.cut-up.com)

RAUSCHENBERG…

Gepost in Kunst op mei 20, 2008 door Harry Prenger

Op 82-jarige leeftijd overleed onlangs een van de grootste naoorlogse kunstenaars, Robert Rauschenberg. In het Stedelijk Museum zag ik van hem ooit de indrukwekkende collage getiteld Charlene 1954. Gelukkig ben ik zelf ook in het bezit van een originele Rauschenberg. In 1983 maakte hij voor de Talking Heads het hoesontwerp voor de lp Speaking In Tongues. De eerste oplage bestond uit 50.000 exemplaren, dat dan weer wel. Het transparante vinyl begint onderhand een beetje bruin te kleuren, ondanks de beschermende plastic klapenvelop met draaischijf. Deze kun je trouwens synchroon draaien met het artwork binnenin. Speaking In Tongues vond ik toentertijd de laatste echt goede Talking Heads lp, maar toen ik ‘m onlangs nog eens draaide viel ie me ontzettend tegen. Wat een volstrekt spanningsloze en nietszeggende plaat is het na al die jaren.  

IN DE NIEUWE REVU

Gepost in Raar op mei 15, 2008 door Harry Prenger

Hoe wonderlijk kan het leven soms zijn. Niet meedoen aan een prijsvraag en toch winnen. Enkele weken geleden kreeg ik een mail van een Nieuwe Revumedewerker met de mededeling dat een van mijn blogstukjes was uitgekozen tot winnende blogrecensie. Vermoedelijk kwam men met googlen van het woord hoeren op mijn stukje Rolling Hoeren, al wijzigde de Revu het in Escortbureaus. Welkom in de wereld van de weekbladen. Het winnen van de state-of-the-art, high-tech mobiele telefoon Sony Ericsson K810i Cybershot, houdt me voorlopig genoeg bezig om me druk te maken over die gewijzigde kop.

ROLLING STONES, AMSTERDAM ARENA ZOMER 2006

Gepost in Zonder categorie op mei 14, 2008 door Harry Prenger

Met een doffe plons lever ik een tamelijk unie­ke bijdrage aan de riolering van onze hoofd­stad. Je komt ze vooral tegen in Randstede­lijke hotelka­mers: toiletpotten waarin de grote bood­schap rechtstreeks, zonder haperen (lees: remsporen) in het watergat klettert. Gevolg: natte billen. Er zijn natuurlijk ergere dingen in het leven, maar billen die nat worden zonder dat ik dit wil is en blijft een vervelende inbreuk op mijn privacy. Je weet wat er staat te gebeuren wanneer je de onmetelijke diepte verkent van de wc-spelonk, het opspatgehalte inschat, waarna je al hurkend er maar het beste van hoopt.

Enkele uren later verlaat ik het American Ho­tel. Op naar de Arena voor een concert van The Rolling Stones. Sinds mijn vijftiende draai ik platen van de Stones, platen waarmee ik sindsdien ben opge­groeid. Vanavond zie ik ze eindelijk voor het eerst in levenden lijve. Ik verheug me als een klein kind. Wanneer Keith Richards het podium opdraaft en de openingsakkoorden van Jumping Jack Flash inzet, glijdt de spanning van het lange wachten van me af. Gelukkig ziet niemand hoe ik van ont­roering een traantje weg pink. Gedurende het twee uur durende optreden worden gevoelens van ontroering afgewisseld met toenemende bewon­dering. De Stones zijn gekomen om het dak er af te spelen, zoveel is duidelijk.


We horen een prach­tige uitvoering van As Tears Go By, een da­verend Brown Sugar. “The human riff” Richards laat hier en daar een steekje vallen, met name in Sway hapert het even, maar wat zou het, dit is rock-‘n-roll. En ze hebben er zin in. Mick Jagger staat geen minuut stil, druk gebarend galoppeert hij over het podium. Niet alleen is hij fysiek in top­conditie, als zanger overtreft hij zichzelf. Boven­dien blijkt Jagger de Nederlandse taal mach­tig. “Wat is het geweldig om hier te zijn, beter laat dan nooit”, roept hij na enkele nummers. Op het mo­ment dat de opzwepende beat van Miss You klinkt, schuift een deel van het podium het Arena­veld in. Vervolgens dendert Get Off Of My Cloud over het publiek. De Arena kolkt.

Eenmaal terug op mijn hotelkamer hoor ik in de verte, vlak voordat ik in een diepe, voldane slaap val, de trams rinkelen, kriskas rijdend langs het Leidseplein. Het is voor het eerst in vijf jaar dat ik weer eens in Amsterdam ben. De volgende ochtend bevalt de hernieuwde kennismaking bepaald niet mee. Wat een drukte, wat een chaos. Taxichauf­feurs zijn stugge Marokkanen die met zeventig km door de binnenstad scheuren. Toeristen komen uit alle hoeken en gaten tegelijk tevoorschijn. Eigenlijk vind ik er niet veel meer aan, aan Amsterdam. Het is één groot pretpark. Met riolering, dat wel.

Mick Jagger verlaat het Amstel Hotel


EEN BIJNA VERGETEN ZONDAG

Gepost in Kunst op mei 11, 2008 door Harry Prenger

Hartje zomer. Terwijl de zondag bezig was om van de ochtend over te gaan in de middag, maakten wij ons op voor een autorit naar Rotterdam. Daar zou namelijk de allereerste editie plaats vinden van het Worldportjazzfestival. Typisch zo’n dag waar je je van te voren op verheugt. Om dit gevoel te benadrukken leek het ons gepast de dag te beginnen met een ontbijt bij café Oppidom. De prijs van het volledi­ge ontbijt – slechts twee euro - moest het goede begin onderstrepen.

Onderweg was het rustig. Lange tijd hadden we de autobaan voor onszelf en in het lekkere vaartje waarop de auto over het asfalt rolde kon je merken dat ook hij het naar zijn zin had. Sjekkies hingen re­laxt tussen onze lippen, Miles Davis schal­de uit het dashboard.

Maar ter hoogte van Tilburg was het toch even schrikken gebla­zen. De zwarte rookpluimen die we in de verte al hadden zien opdoemen, bleken afkomstig uit een op de vluchtstrook ge­parkeerde auto. De aanblik van de meters­hoog uitslaande vlammen had iets onwe­zenlijks. Landerige zondagmiddag, auto in de fik. Toen we er langs reden voelden we hoe de intense hitte tegen onze wangen gloeide.

Eenmaal in Rotterdam reden wij pro­bleemloos de voor de gelegenheid opge­kalefaterde Wilhelminakade op, ooit op­stapplaats van de Holland-Amerika-lijn. Pakhuizen en vertrekhallen uit lang vervlo­gen tijden stonden nog fier overeind. Bij een hokje naast de ingang van het festival­terrein konden we onze perskaarten opha­len. Navraag over het al dan niet door­gaan van een interview met Archie Shepp, bleek een hele opgave voor de mevrouw in het pershokje. Archie Shepp, thans een krasse knar, maar ooit als jong, polemisch jazzsaxofonist verantwoordelijk voor de meesterwerken The Magic Of Juju en Bla­sé. Door haar grootformaat walkietalkie kondigde de medewerkster aan dat twee medewerkers van muziekblad Hea­ven waren gearriveerd voor een interview met Archie Shepp. Walkietalkies ruisten en kraakten. Even viel het ouderwets aandoende com­municatieverkeer stil. Na wat piepjes en gekraak gevolgd door een blik in het lucht­ledige werd ons meegedeeld dat meneer Shepp pas laat zou arriveren.

Hierdoor lieten wij ons niet ontmoedi­gen. Gemoedelijk kuierden we over het festivalterrein, een lange rechte straat met aan weerskanten de eerder genoemde ge­bouwen en voor de gelegenheid opgezette circustenten. Wie wel eens een festival be­zoekt wordt geconfronteerd met die ty­pisch Nederlandse kruideniersmentaliteit. Zo rekende de firma Pepsi liefst 3 euro voor een beker cola! Gelukkig konden wij met onze perskaarten om de nek lekker stoer de VIP-ruimte in- en uitlopen, waar zich immers de belangrijkste faciliteit van die dag bevond: gratis bier. Al snel bleken wij frequente bezoekers, wat overigens tot een toenemend feest der herkenning leid­de en de daaraan verbonden vanzelfspre­kendheid de tap maar meteen zelf ter hand te nemen. Aangezien het muziekaan­bod van dien aard was dat we niet alle bands hoefden te zien, werd van deze voor­ziening veelvuldig gebruik gemaakt.


Totdat Archie Shepp aantrad, een half uur later dan gepland, maar wel met kod­dig hoedje. Shepp vertroetelde het koper, scheerde de blues en liet bij wijze van lite­rair intermezzo een stokoude opa vage gedichten voorlezen. Solerend was Shepp voor iemand van 64 goed op dreef. Het hoedje bleef lekker op zijn plaats, het kaki­colbert ging ondanks de warmte steeds makkelijker om het ronde lijf zitten. Shepp ging zo op in zijn spel dat speeksel bij het mondstuk zich ophoopte tot een klodder zever van indrukwekkende omvang. Hier hadden wij goed zicht op, want als recht­geaarde muziekliefhebbers stonden wij er pal onder. De almaar groeiende klodder ging in sliertvorm onder Shepps kin hang­en en begon daar een eigen leven te lei­den. Dit was dus jazz, live op het podium. Het duurde een tijdje eer Shepp de sliert opmerkte. Als op dat moment het kampi­oenschap onverschilligheid had plaatsge­vonden, had Shepp op de wijze waarop hij zijn zakdoek pakte en de zever afveegde met gemak de overwinning behaald.

Intussen marcheerde zijn rituele blues­jazz voorwaarts. Een dame in het publiek werd het allemaal te veel. Wat haar part­ner ook probeerde om haar met omhel­zingen en knuffels tegen te houden, zoals het een vrouw betaamt bleek zij ontem­baar. Al een tijdje hadden haar dansbewe­gingen iets sensueels in petto, maar de kreten en gebaren die zij slaakte waren allesbehalve erotisch; eerder gaven ze haar een air van lichtzinnigheid, vermoedelijk veroorzaakt door overmatig drankgebruik. Op het moment dat Shepp een liedje be­gon te zingen kon zij zich zoals gezegd niet langer beheersen. Ze sprong op het podi­um en stootte bijna Shepp’s krukje met saxofoon omver. Wat volgde was een om­helzing met Shepp, die bepaald niet we­derzijds was. Erg verbaasd leek de vete­raanmuzikant overigens niet over de vrou­welijke aandacht. Na enkele minuten han­gen, bevrijdde Shepp zich uit de houtgreep en knikte haar goedaardig toe in de hoop dat het hierbij zou blijven. Hierna zette de dame haar enthousiasme elders voort, maar een merkwaardig soort precedent was inmiddels geschapen.

Tijdens het concert was er iets moois gegroeid tussen de jazzmuzikant en een deel van de dames onder de toeschouwers. Dit alles onder het motto: als een vrouw eenmaal haar zinnen ergens op heeft gezet is er geen speld meer tussen te krijgen.

Ondanks de pogingen van de organi­satie het interview na het concert te laten plaatsvinden, bleek dit bij het betreden van de kleedkamer een illusie. En wat men in een oogwenk al niet kan overzien. Door de aanwezigheid van enkele zakjes wiet, minstens vier vrouwen, waarvan er een nadrukkelijk haar telefoonnummer aan Archie overhandigde, wist ik meteen dat ik het interview kon vergeten. Hier was mijn overtuigingskracht niet tegen opgewassen. Meneer Shepp had duidelijk andere ding­en aan zijn hoofd en ik kon hem geen ong­elijk geven. Na gedane arbeid is het vlees zo mogelijk nog zwakker voor de geneugten des le­vens.

Veel zei hij niet toen ik hem op de schouder tikte. ‘Be with you in a minute.’ Die minuut werd een kwartier, een half uur, enzovoorts. De vermoeienissen van een festivaldag eisten hun tol, de VIP-ruim­te was gesloten en een lange terugreis lag in het verschiet.

DE OVERDAAD

Gepost in Raar op mei 8, 2008 door Harry Prenger

Teveel muziek is vast niet goed. Hoeveel muziek kan een mens aan? Wordt een mens gelukkig van een goed gevulde platenkast? Het zijn vragen waar ik nog geen duidelijk antwoord op heb, maar ik vind het wel verdacht dat ik ze opschrijf. Twintig jaar geleden was ik er nooit opge­komen. Waarschijnlijk heeft het antwoord op deze levensvragen te maken met hoe je je voelt op de dag dat de vragen worden gesteld. Het gevoel bepaalt het antwoord en kan dus per dag verschillen. Toch zijn het interessante vragen. Vooral die ene: wordt een mens gelukkig van een kast vol platen?

Intussen vorderen de jaren en sta ik vaker minutenlang voor de goed gevulde kast. Dan wordt het stil. Heel erg stil. De ruggen van de hoezen staan stijf tegen el­kaar. De kast zwijgt. Kast en collectie wor­den liever niet minutenlang aan gestaard. Ze weten zelf ook wel hoe de zaken er voor staan. Wellicht is het antwoord het rigoureus opschonen van de verzameling, het kaf van het koren, u kent het wel. Wat moet je met lp’s die je niet meer goed vindt en waarvan je nu zeker weet dat je ze nooit meer goed zult vinden. Aaaaah, wacht eens even, voor de zekerheid toch eens even draai­en, je weet maar nooit. Niets is zo erg als een plaat verkopen die je jaren later bij toeval weer hoort en opeens toch wel verdomde goed blijkt. Shit. Natuurlijk is zo’n plaat inmiddels een zeer gewild collector’s item waarop de eBay-biedingen de honderd dol­largrens ruimschoots overschrijden.

Meestal is het omgekeerde het geval. Platen die je ooit goed vond, maar na herbeluistering reeds bij het tweede de naald subiet omhoog doet gaan. Weg ermee. Geplastifi­ceerde binnenhoes vervangen door een papieren binnehoes. Enkele dagen later sjouw ik een stapeltje naar de tweedehands platenwink­el. “Zo, aan het opruimen?”, klinkt het schamper vanachter de toonbank. De pla­tenboer annex aanstormend maatschappe­lijk werker beoordeelt, ervaren als hij is, mijn gemoed aan mijn van wanhoop door­trokken gelaatsuitdrukking en het sta­peltje ruk dat ik uit mijn tas haal. Een we­derzijdse blik is voldoende om er verder geen woorden aan vuil te maken. Wij we­ten: platen uit de kast betekent opruimen in je hoofd.

Dat mag ook best na decennia lang het hoofd te hebben volgepropt met muziek, muziek en nog eens muziek. En wie zegt dat je het allemaal moet bewaren? Het album Aja van Steely Dan kan ik dro­men. Zal ik Aja missen als ze er niet meer is? Als ze geen deel meer uit maakt van mijn religie? Aja, de verstotene, be­vindt zich niet meer in mijn hoofd en… uit de kast is uit het hoofd is uit het hart.

Twij­fel en weemoed strijden om voorrang, maar de opluchting wint op het nippertje. Aja hoef ik godzijdank niet meer te draaien c.q. te dulden. Weg schuldgevoel. Ruimte schep­pen. Orde op zaken stellen.


LEEGLOPER

Gepost in Zonder categorie op mei 6, 2008 door Harry Prenger

Vlak voordat de man bij het meisje dat vertelde 17 te zijn maar in werkelijk­heid 24 is, naar binnendringt, net op dat moment gaat de deurbel. Hij vraagt het meisje de bel te negeren en verder te gaan met het spel der liefkozingen. Maar de deur­bel rinkelt hardnekkig. Tenslotte staat het meisje op uit bed, loopt naar het raam en ziet iemand, gemillimeterde coupe, grij­ze slapen, driedelig zwart pak, onderaan de deur staan. De man in bed bewondert intussen zijn fiere lid. Dan ziet hij het gelaat van het meisje van kleur verschieten. Ze bedenkt zich geen moment, raapt snel haar kleren op en kleedt zich aan. Ze werpt de naakte man een verwijtende blik toe. “Die vent aan de deur is je gevolgd. Ben jij er dus zo een, ik had het kunnen weten, kloot­zak.” “Wat bedoel je?”, vraagt de man verbaasd. “Ik had al zo’n vermoeden dat je een rare was, eerst dacht ik dat je van de politie was, maar nu weet ik het zeker. Je bent een platenverzamelaar! Vies­peuk!” Ogenblikkelijk verschrompelt de fallus van de man tot een omvang waarbij een pincet nodig is om hem terug te vinden in de bos schaamhaar. Het bellen gaat over in een hard en dreigend gebonk op de deur.


“Ja, ik ben een platenverzamelaar. Nou en? Wie staat er in hemelsnaam be­neden, is dat je vriend?” De platenverza­melaar merkt hoe hij deze vraag hoopvol maar met trillende stem uitspreekt. “Niks vriend”, roept het meisje, terwijl ze op het punt staat de kamer te verlaten. “Zal ik jou eens vertellen wie die vent daar beneden is, ja?” De platenverzamelaar is natuurlijk het een en ander gewend. Zou het fa­milie zijn van die zielige opa wiens zeldza­me sixtiesverzameling hij voor enkele eu­ro’s aftroggelde? Het meisje wacht de sme­kende blik van de platenverzamelaar niet af. Ze schalt met overslaande stem: “Het is die fucking weblogger, je weet wel, hè, hoe heet ie ook weer?” De in zijn armetierige blootje liggende platenverza­melaar, die zijn hele leven nog nooit hy­perventileerde en stotterde, begint spon­taan te hyperventileren en te stotteren. “Maar welke web web weblogger bedoel je? Er zijn zoveel webloggers op het internet”. Het meisje maakt dat ze wegkomt. Op het moment dat ze de trap afrent roept ze: “Harry Prenger!”

Als door een bij gestoken springt de platenverzame­laar uit bed en begint zich als een idioot aan te kleden. “Daarboven zit ie!”, hoort de platenverzamelaar het meisje roepen. Dan wordt het stil. Heel stil. Het enige dat de platenverzamelaar nu hoort is zijn ze­nuwachtige ademhaling en de hartkloppingen in zijn keel. Hij merkt hoe tergend lang­zaam voetstappen de trap oplopen. ‘Mijn god, het is weblogger Harry Pren­ger. Wat wil hij van me, ik heb hem toch niks misdaan?’ En dat net nu, net op het moment dat de platen­verzamelaar een lekkere meid van 17 te grazen dacht te nemen om zichzelf als het ware te belonen voor zijn slinkse aankoop, net op dat mo­ment staat Harry Prenger voor de deur.

Godverdomme. Wegwezen. Nog even en hij staat oog in oog met de weblogger. De platenverzamelaar ziet het bloedbad al voor zich. Wat te doen? ‘Het raam, verdomme, door het raam’, flitst het door zijn hoofd. Meteen voegt de platenverzamelaar de daad bij het woord. Het knappende glas maakt een gigantisch lawaai, gevolgd door gerinkel, dan een doffe plof. Op straat ligt de platen­verzamelaar in kreukels. Hij ziet nog net iemand handenwrijvend van bovenaf uit het raam kijken. ‘Het is hem, het is hem’, denkt de platenverzamelaar, ‘hij heeft me niet te pakken gekregen, loop naar de hel man’. De platenverzamelaar probeert zijn mid­delvinger omhoog te richten, maar dan klinkt een sissend geluid. Pfffieieiejoew. De platenverzamelaar blaast zijn laatste adem uit, hij loopt leeg als een lekke band. Ondanks zijn nauwsluitende aarshol is de lucht onverdraaglijk.

FREMDKÖRPER

Gepost in Kunst, Raar op mei 2, 2008 door Harry Prenger

Nog geen vijf minuten sta ik bij de bushalte of een wildvreemde ziet mij aan voor een praatpaal. Moet mij weer overkomen. Vervang bushalte gerust door bakker, supermarkt, kiosk, whatever. Want er volgt hoe dan ook een niet aflatende stroom opmerkingen over het weer, de toestand in de rest van de wereld en het onvermijdelijke geweeklaag over het te laat zijn van de bus (dat laatste natuurlijk niet bij de bakker, supermarkt, kiosk, alhoewel, tegenwoordig weet je het maar nooit). Uit beleefdheid knik ik mijn hoofd en werp een veelbetekenende blik in de verte. De wildvreemde heeft het niet in de gaten, de wildvreemde is per definitie niet empathisch. Het liefst zou ik de wildvreemde een vuist in zijn gezicht planten, maar ja, mijn moeder heeft me netjes opgevoed en daarom vindt de vuistslag slechts in mijn gedachten plaats.

Het moge duidelijk zijn. Ik hou niet van wildvreemden die ongevraagd hun hele levensverhaal vertellen. Een levenswandel, dat zul je net zien, zonder ook maar een greintje rock & roll. En van het bestaan van de grammofoonplaat heeft de wildvreemde natuurlijk nog nooit gehoord. Jammer, had ik het tenminste over een belangrijk aspect van het aardse bestaan kunnen hebben met de wildvreemde, daar bij de bushalte, de bakker, etc. Zo wordt de wildvreemde in mijn ogen een wereldvreemde.

Mensen zonder platen, wat moeten we ermee? Aan de andere kant, een gesprek over muziek heeft sowieso weinig zin. Meestal weet ik meer van muziek dan mijn gesprekspartner, wereldvreemd of niet. Het is de makke van de muziekkenner. Vrijwel elk gesprek over muziek slaat een vroegtijdige dood wegens gebrek aan kennis bij de ander. Filmregisseur Martin Scorsese zei ooit dat hij met vrijwel niemand over film kan praten omdat hij meer films heeft gezien dan wie ook. Zo wordt op den duur ook de muziekkenner een beetje wereldvreemd.

En wat doet de muziekkenner om dit knellende stigma te ontlopen? Immers, wie wil er nou als wereldvreemd door het leven gaan? Laat hij zich abseilen in de Ardennen? Bezoekt hij alle hoerenkasten van Thailand? Ligt hij in een hangmat op het strand van de Malediven? Maakt hij het nachtleven van New Orleans onveilig? Niets van dit alles. Hij schaft zich platen aan die hij normaal gesproken nooit gekocht zou hebben. Dat is het. Zo, zo. Nou, nou. De muziekkenner gaat een avontuur aan dat zijn weerga niet kent. Hij treedt buiten de afbakening van zijn eigen smaak, kortom, de muziekkenner gaat eens lekker vreemd.

Met Bebel Gilberto, Dalida, Kylie Minogue, Chicks On Speed, Vive La Fête. Goede platen, hoor. Een nieuw begin? Een frisse doorstart? Of gewoon het begin van het einde?