LEEGLOPER
Vlak voordat de man bij het meisje dat vertelde 17 te zijn maar in werkelijkheid 24 is, naar binnendringt, net op dat moment gaat de deurbel. Hij vraagt het meisje de bel te negeren en verder te gaan met het spel der liefkozingen. Maar de deurbel rinkelt hardnekkig. Tenslotte staat het meisje op uit bed, loopt naar het raam en ziet iemand, gemillimeterde coupe, grijze slapen, driedelig zwart pak, onderaan de deur staan. De man in bed bewondert intussen zijn fiere lid. Dan ziet hij het gelaat van het meisje van kleur verschieten. Ze bedenkt zich geen moment, raapt snel haar kleren op en kleedt zich aan. Ze werpt de naakte man een verwijtende blik toe. “Die vent aan de deur is je gevolgd. Ben jij er dus zo een, ik had het kunnen weten, klootzak.” “Wat bedoel je?”, vraagt de man verbaasd. “Ik had al zo’n vermoeden dat je een rare was, eerst dacht ik dat je van de politie was, maar nu weet ik het zeker. Je bent een platenverzamelaar! Viespeuk!” Ogenblikkelijk verschrompelt de fallus van de man tot een omvang waarbij een pincet nodig is om hem terug te vinden in de bos schaamhaar. Het bellen gaat over in een hard en dreigend gebonk op de deur.
“Ja, ik ben een platenverzamelaar. Nou en? Wie staat er in hemelsnaam beneden, is dat je vriend?” De platenverzamelaar merkt hoe hij deze vraag hoopvol maar met trillende stem uitspreekt. “Niks vriend”, roept het meisje, terwijl ze op het punt staat de kamer te verlaten. “Zal ik jou eens vertellen wie die vent daar beneden is, ja?” De platenverzamelaar is natuurlijk het een en ander gewend. Zou het familie zijn van die zielige opa wiens zeldzame sixtiesverzameling hij voor enkele euro’s aftroggelde? Het meisje wacht de smekende blik van de platenverzamelaar niet af. Ze schalt met overslaande stem: “Het is die fucking weblogger, je weet wel, hè, hoe heet ie ook weer?” De in zijn armetierige blootje liggende platenverzamelaar, die zijn hele leven nog nooit hyperventileerde en stotterde, begint spontaan te hyperventileren en te stotteren. “Maar welke web web weblogger bedoel je? Er zijn zoveel webloggers op het internet”. Het meisje maakt dat ze wegkomt. Op het moment dat ze de trap afrent roept ze: “Harry Prenger!”
Als door een bij gestoken springt de platenverzamelaar uit bed en begint zich als een idioot aan te kleden. “Daarboven zit ie!”, hoort de platenverzamelaar het meisje roepen. Dan wordt het stil. Heel stil. Het enige dat de platenverzamelaar nu hoort is zijn zenuwachtige ademhaling en de hartkloppingen in zijn keel. Hij merkt hoe tergend langzaam voetstappen de trap oplopen. ‘Mijn god, het is weblogger Harry Prenger. Wat wil hij van me, ik heb hem toch niks misdaan?’ En dat net nu, net op het moment dat de platenverzamelaar een lekkere meid van 17 te grazen dacht te nemen om zichzelf als het ware te belonen voor zijn slinkse aankoop, net op dat moment staat Harry Prenger voor de deur.
Godverdomme. Wegwezen. Nog even en hij staat oog in oog met de weblogger. De platenverzamelaar ziet het bloedbad al voor zich. Wat te doen? ‘Het raam, verdomme, door het raam’, flitst het door zijn hoofd. Meteen voegt de platenverzamelaar de daad bij het woord. Het knappende glas maakt een gigantisch lawaai, gevolgd door gerinkel, dan een doffe plof. Op straat ligt de platenverzamelaar in kreukels. Hij ziet nog net iemand handenwrijvend van bovenaf uit het raam kijken. ‘Het is hem, het is hem’, denkt de platenverzamelaar, ‘hij heeft me niet te pakken gekregen, loop naar de hel man’. De platenverzamelaar probeert zijn middelvinger omhoog te richten, maar dan klinkt een sissend geluid. Pfffieieiejoew. De platenverzamelaar blaast zijn laatste adem uit, hij loopt leeg als een lekke band. Ondanks zijn nauwsluitende aarshol is de lucht onverdraaglijk.
