Exile On Main Street: een kotsende Mona Lisa

dsc02208
Ahem (2000) Peter Saul

Ze zijn er nog: kunstenaars die de houvast negeren en de ontregeling omarmen. Dat geldt zeker voor het stelletje vrijbuiters waar het Bonnefantenmuseum een groots opgezette tentoonstelling omheen heeft gemaakt. Meer dan tweehonderd werken van Amerikaanse veteranen die sinds de jaren vijftig onbekommerd bezig zijn met het al dan niet opzettelijk uitstellen en negeren van de eigen kunstgeschiedschrijving. Desondanks vallen in een persbericht kapstokachtige termen als ‘outsider art’ en ‘bad painting’.

Het stempel is snel opgeplakt en moeilijk te verwijderen, zeker wanneer de kunstenaar onbekend is bij het grote publiek. In het ergste geval begint de kleving een eigen leven te leiden; het overheerst de werkelijke betekenis van de kunstenaar en de artistieke waarde van zijn werk. Maar de kunstenaars van deze tentoonstelling geven betekenis aan persoonlijke zieleroerselen. Bij hen is het vergeefs zoeken naar megalomane doeken, vage penseelstreken met een boodschap of installaties met gebruiksaanwijzing.

dancer-dream-2003-jt
Dancer Dream (2003) John Tweddle

Neem John Tweddle. Hij wil gevoelens uitdrukken en niet illustreren: “Outsider Art? Wat is dat voor een vreemd wezen? Bad or good Painting? Ik maak me niet druk om dergelijke labels, daar moeten anderen maar mee aan de gang gaan. Zal vast een leuk spelletje zijn om alles te categoriseren. Ik ben bezig met mijn eigen humor en spel om me daar mee bezig te houden.” Tweddle’s werk is een explosie van drukke figuurtjes in psychedelische contouren. Tijdens de persbijeenkomst praat Kentucky John uitgelaten over zijn werk: “Art is a fart in the dark!”. Evenals Tweddle scheerde ook Al Jensen langs de grote doorbraak. Tot voor kort noteerde Jensens palmares hoogstens zijn hechte vriendschap met Mark Rothko. Plus zijn deelname in 1955 aan een exhibitie met canvaskanjers Robert Rauschenberg en Willem de Kooning. De laatste jaren echter wisten zowel Jensens als Tweddle’s ferme doeken aan de cultmarge te ontsnappen. In een koepelruimte van het museum hangen Jensens diagrammen, die hun kracht ontlenen aan een vetbeschilderd, symmetrisch vernuft. Werken uit begin jaren zestig, zonder het te beseffen vooruitlopend op de Pop Art.

jt-h-1r
John Tweddle (Maastricht, 2009)

Reeds van ver zie je ze van de kraakwitte museummuren knallen. Vulgair en in meerdere opzichten kleurrijk zijn de acryl- met olieverfschilderijen van de 75-jarige Peter Saul. Volgens eigen zeggen werd hij beïnvloed door strips en het surrealisme. Sauls bijdragen zijn het meest uitgesproken. Zeggingskracht en beeldtaal ballen samen in humor, satire en de politiek van de provocatie. In eerste instantie lijken ze een uitvergroting van het cartoonmagazine MAD of herinneren ze aan de peetvader van de morbide strip, Robert Crumb. Verwarring alom dus. Zo ook Sauls variant op de Mona Lisa. Ze is een beetje misselijk. Haar ogen puilen uit, haar gelaat is groen en haar vervormde mond verorbert een stuk pizza dat ze ogenblikkelijk weer uitkotst. Dan zien we een andere bekendheid. Mickey Mouse met snelbewegende verfkwasten onder de tekst “I paint faster than Jackson Pollock”. Behoorlijk maf is The Art Lovers: een donkere suppoost die volgens het opschrift op de juiste plek op het goede moment ejaculerend zijn behoefte doet in Marcel Duchamps legendarische urinoir. In interviews ontkent Saul overigens het poneren van een kunststatement. Zo creëert hij een merkwaardig spanningsveld tussen wat hij zegt en wat de toeschouwer ziet.

dsc02187

Ook Steve Gianakos’ (foto) papieren mixed media is verwant aan de cartoon. Van alle deelnemers is hij het meest expliciet en fantasierijk, om niet te zeggen surrealistisch in zijn voorliefde voor erotiek. Zijn tekeningen laten veel aan de verbeelding over maar zijn tegelijkertijd van een ontwapenende directheid. Volgens Gianakos is zijn werk lang niet zo aanstootgevend als de mensen die ernaar kijken. Zo is er meer bijzonders te zien. Joe Zuckers abstracte doeken zijn nog bezig met af- dan wel oprollen. Maar ook grootse zeildoeken met achter kanonskogels verstoppertje spelende doodskoppen en schepen. Als je er lang genoeg naar kijkt word je vanzelf een beetje zeeziek.

H.C. Westermann mag er ook wezen. De variatie is zijn tweede natuur. Open de deur naar zijn ruimte en je loopt pardoes tegen bizarre installaties: figuren die lijken weggelopen uit een sciencefictionfilm; een kruising tussen een wringer en een martelwerktuig; een verzameling handvegers en tot slot een kruis met mysterieuze deurtjes. Je staat erbij, je kijkt ernaar, zonder enig benul van clou of context, laat staan kapstok. Weg betekenis. Welkom bevrijding. En zo gaat het maar door.

Richard Artschwager 1

Richard Artschwagers Untitled uit 1995 weet simpelweg van geen wijken – een kist van tweeëneenhalve meter hoog waar je eerst langs moet wil je zijn andere werken, bijvoorbeeld de sensitieve Landscapes zien. Een van de merkwaardigste objecten van deze tentoonstelling. Statig en onoverwinnelijk. Bij wijze van contrast, bepaald tegenover de rauwe kost van zijn collega’s, zijn de drie doeken van John Wesley delicaat en gracieus. Qua beeld springen ze onmiddellijk in het oog dankzij de gelijkmatige, subtiel aangebrachte kleuren binnen sensueel lopende lijnen. Jammer dat van Wesley niet meer te zien is. Voor meerdere uitleg vatbaar, filosofisch bijna, lijkt William Copley iets te willen verbergen. Doordat diezelfde uitleg feitelijk achterwege blijft ontstaat er iets geheimzinnigs. Raadselachtig is de fraaie collage Says Me No. 6 uit 1957. Je hebt het gevoel alsof die dekselse Copley iets in zijn schild voert. Maar wat? En hoe? En waarom?

dsc02198
Sail # 33 Cannon Balls (2008) Joe Zucker

Deze avonturiers van de Amerikaans schilderkunst vertonen gedurende een half jaar hun kunsten op de wellustige rockblues van Exile On Main St. Niet zomaar een dubbel lp van de Rolling Stones. Volgens Bonnefantendirecteur Alexander van Grevenstein, tevens bedenker en samensteller, dienen titel en hoesontwerp als metafoor voor het isolement waarin deze kunstenaars soms decennia lang verbleven. De vraag is of zij zich kunnen vinden in de freakshow aan variété- en circusacts op de voorkant van de hoes. Treffender is de overeenkomst met de hoesontwerper. Fotograaffilmer Robert Frank ontwikkelde zich van chroniqueur van de zelfkant tot pionier van het Amerikaanse beeldicoon. Me dunkt een heel wat waardiger voorbeeld voor deze Exilekunstenaars.

En vooruit, als er dan toch een kapstokhouvast moet worden bedacht voor deze heerlijk ontvankelijke tentoonstelling, deze “feel good show in bad times” aldus Van Grevenstein, is er de constatering dat de kunstenaars nadrukkelijk de vrijheid nemen. Maar dan ook de volledige vrijheid. Bovendien zaten de heren “in hun jonge jaren veelvuldig achter de vrouwen aan”. En ook dat is te zien. Vrouwelijk naakt zindert door de museumzalen. Het schaamhaar toont zich ongegeneerd in kolderieke plukken en gekkigheden.

(Exile On Main St. tentoonstelling, Bonnefantenmuseum, Maastricht 2009, met Richard Artschwager, William Copley, Steve Gianakos, Al Jensen, Peter Saul, John Tweddle, John Wesley, H.C. Westermann en Joe Zucker)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s