DADA AMERICANA VAN CAROLINER. MUZIEK DIE GEEN MUZIEK WIL ZIJN

Toen Frans Steensma mij begin jaren negentig benaderde met de vraag of ik voor OOR’s Popencyclopedie iets wilde doen met experimentele muziek, hoefde ik niet lang te na te denken. Het hoofdstuk Avantgarde siert sindsdien alle edities, mede dankzij de inbreng van OOR’s Jacob Haagsma. Voor mij was snel duidelijk dat één band absoluut moest worden vermeld met een zogenaamde sub-entry binnen het overkoepelende Avantgardehoofdstuk. De merkwaardigste, de raarste, de onnavolgbaarste band uit de popgeschiedenis, de band waar zelfs de meest doorgewinterde muziekfreak zijn neus voor ophaalt: Caroliner.

Puur door toeval leerde ik de muziek van deze band uit San Francisco kennen toen ik in dezelfde tijd een platenzaak in het Duitse Aken ontdekte waar uitsluitend obscure muziek werd verkocht. Erg lang hield de winkel het niet vol, hooguit een jaar of twee, ondanks dat geluidskunstenaar Christoph Heemann en de toen in Aken woonachtige Jim O’Rourke er de deur platliepen. De keren dat ik er was viel mijn oog telkens op de mafste hoes die ik ooit had gezien. Er zat van alles opgeplakt. Een haarbos, plakplaatjes, plastic, een openklapdeurtje van papier, een 78-toerenplaat waar een stuk van was afgebroken. Dit was geen hoes maar een kunstobject. Geen wonder dat ik bandnaam en songtitels niet kon ontdekken. Toen moest de muziek nog beginnen. Alleen al vanwege de extravagante hoes besloot ik de plaat te kopen.

Zonder het te beseffen haalde ik zo mijn eerste kennismaking met Caroliner in huis. Het heeft nog maanden geduurd voordat ik er achter kwam dat het een plaat van Caroliner was die ik in mijn bezit had. Iets te weten zien te komen over de band bleek al net zo uitzonderlijk als de muziek. Heel even veronderstelde ik dat Caroliner een hobbyclub was van The Residents, die andere zich in anonimiteit wentelende kunstgroep uit San Francisco. Omdat internet in die tijd nog niet in schwung was, haalde ik mijn informatie onder meer uit undergroundbladen als Forced Exposure. En warempel, daarin las ik wel eens een recensie over Caroliner, meestal geschreven door Byron Coley, een van mijn favoriete popjournalisten.

Algauw kwam ik erachter dat Caroliner geen gewone band was maar een collectief dat voortdurend van samenstelling veranderde. Vaste waarden waren lange tijd de heren Chris Cooper en Brandan Kearney. De muziek van Caroliner zou je kunnen omschrijven, en nu citeer ik mezelf uit de Popencylopedie, als een “hysterische mix van verwrongen etnische folk, vermengd met flarden geluidsbrijen, vervormde zang en hilarische lo-fi liedjes. Eenmaal de verbijstering voorbij blijken platen enorme verbeeldingskracht te bevatten.”

Ik zou het nu misschien anders hebben opgeschreven en laat dat van die liedjes ook maar zitten. Maken The Residents muziek over muziek, Caroliner maakt muziek die geen muziek wil zijn. Songs met kop en staart kun je het bepaald niet noemen. Het zijn min of meer assemblages van Amerikaanse crisisfolk uit de jaren dertig met het doe-het-zelf-anarchisme van de punk. Caroliner grijpt naar alles wat voorhanden is om een staat van naderende waanzin weer te geven. Klankcollages van patiënten uit een gesticht zonder toezicht, aangemoedigd door een fanfare die maar niet wil vertrekken. Caroliner doet denken aan niks en aan alles tegelijk, aan de ‘art brut’ van Jean Dubuffet met de ‘old-time’ banjoblues van Dock Boggs.

Op een van hun beste krankzinnigste albums Sell Heal Holler, met de geluidskwaliteit van een 78-toeren grammofoon, gaat een zangeresje uit het hiernamaals een duet aan met een orgel dat zelfs Tom Waits de stuipen op het lijf zou jagen. Teksten zijn amper te volgen. Het hoesontwerp refereert zoals altijd bij Caroliner aan legendes en mythologieën uit het Amerika van de 19e eeuw. Dit alles mist zijn uitwerking niet. Muziek die de irritatiegrens nadert en soms overschrijdt.

Menig doorgewinterde muziek- en avantgardeliefhebber wordt de strapatsen van Caroliner soms te machtig. Te weird, te onnavolgbaar, te ‘outsider art’. Caroliner is zijn eigen curiosum zoals ook blijkt uit de hoezen en bijlagen die door de bandleden met de hand zijn gemaakt en vastgeplakt aan soms niet meer dan een stuk karton of plastic tas. Een lp is gewikkeld in een colbertje, het debuut vind je tussen allerlei rommel in een pizzadoos. En dan heeft men ook nog eens de onhebbelijkheid per album de bandnaam te verlengen.

Dat hardnekkige bewaken van de anonimiteit, de weinige interviews, waar je meestal niet veel wijzer van wordt, hoezen als puzzelstukjes, onnodig te vertellen dat ik er weinig vertrouwen in had de obscuurste levende band aller tijden ooit live te mogen aanschouwen. Optreden deed Caroliner met name in eigen land. Maar opeens kwam er als spreekwoordelijke donderslag de aankondiging van een bezoek aan Europa, en wel voor een concert in hèt walhalla van de avantgarde, Kunstencentrum Zaal Belgie in Hasselt.

Op 12 maart 2005 stond ik op enkele meters van de band waarvan het bestaan gelijk stond aan een geheim genootschap, de band die ik koesterde als persoonlijke muziekmythe. Podium? Een groot fluorescerend decor. Bandleden? Speelden verstoppertje in maffe carnavalspakjes. Caroliner live was anders dan Caroliner op plaat. De sensatie was er niet minder om, maar met de muziekgekte viel het eigenlijk reuze mee op die zaterdagmiddag om vier uur. Caroliners hardcorepunk was opvallend toegankelijk, grappig, niet al te ingewikkeld. Af en toe denk ik er nog wel eens aan, word ik wakker midden in de nacht, van al die kleuren, het nerveuze wachten, de ontlading.

Discografie Caroliner:
Rear End Hernia Puppet Show (1985)
I’m Armed With Quarts of Blood (1986)
Rise of the Common Woodpile (1988)
The Cooking Stove Beast (1989)
Strike Them Hard – Drag Them To Church (1992)
The Sabre Waving Saracen Wall (1993)
Banknotes, Dreams and Signatures (1993)

Rings on the Awkward Shadow (1994)
Sell Heal Holler (1995)
Our American Heritage, Vol. 1 (1996)
Toodoos (1999)
Wine Can’t Do It, Wife Won’t Do! (2003)
1800 An Instrumental Revue (2004)
Transcontinental Pinecone Collector (2005)

Caroliner op Myspace



8 thoughts on “DADA AMERICANA VAN CAROLINER. MUZIEK DIE GEEN MUZIEK WIL ZIJN

  1. Caroliner was een puzzel die ik nooit opgelost heb. Ook al dreven fanzines me steeds weer hun richting op. Bananafish bijv. Stond ooit bij de distributeur voor een hele rij van die hoezen, maar ik durfde gewoon niet de Carolinerwereld in te stappen. Ik hield het bij de wat minder geschifte broertjes Thinking Fellers Union Local 282, met oa Kearney. Die trek ik nog regelmatig uit de kast.

  2. Wat eigenlijk niet onvermeld mag blijven is dat de bandnaam zo ongeveer per plaat verschilt: de ene keer heten ze voluit “Caroliner Rainbow Hernia Milk Queen” om zich weer vervolgens weer “Caroliner Rainbow Wire Thin Sheep Legs Baking Exhibit” of “Caroliner Singing Bull of The 1800 Memorial Band” te noemen.

    • Had ik toch aangestipt: “En dan heeft men ook nog eens de onhebbelijkheid per album de bandnaam te verlengen.” Alleen het noemen van elke naam apart ging me iets te ver. Al zijn die namen best hilarisch, ze verzinnen het waar je bij staat.

  3. ik heb hier al ettelijke jaren een 7-tal CAROLINER platen liggen – hoe die platen noemen weet ik niet want ik heb nooit de moeite gedaan om de titels te ontcijferen – hoeft ook niet: de anonimiteit van de groep maakt deel uit van haar impact – het concert negeerde ik dan ook uit schrik voor demystificatie – mooi stukje Harry!

  4. Zondermeer één van de mafste concerten die ik ooit heb gezien: Caroliner Rainbow (?) in De Garage, Den Haag, ergens halverwege 2005… hed er ‘gewoon gelukkig’ staan zijn, zolang het duurde.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s