AMBER-HELENA REISIG: “SOMS VIND IK HET JAMMER OM MENSEN BETER TE LEREN KENNEN”

Haar naam alleen al is je reinste poëzie. Amber-Helena Reisig. In haar gedichten en korte verhalen is de woordenschat telkens rijk aan schakeringen die zomaar een onverwachte wending kunnen nemen, zonder aankondiging vooraf. “Waaien is niet oversteken”. Bij Reisig is de eenvoud verleidelijk, de melancholie soms rauw en realistisch. Spooklopen door een woud van woorden. Maar altijd is er de lust tot lezen en zoals dat gaat met de lust, tot herlezen.

Op het moment dat ze de deur opent, maakt kat Napoleon van de gelegenheid gebruik er tussenuit te knijpen. Dit tot toenemende zorg van de schrijfster die er niettemin op haar elegantst uitziet. Kort getailleerd jurkje in gebroken wit, zwarte kousen, naaldhakken. Parijs 1958. Haar woning is een knalfuif van spulletjes en speeltjes. Pas na het interview en de fotoshoot keert Napoleon veilig terug van zijn strooptocht door de buurt, dit tot grote opluchting van alle aanwezigen.

Amber-Helena Reisig (Heerlen, 1992) kwam er al snel achter dat haar leven anders zou worden. Buitenbeentje met talent voor het weelderig laten stromen van gesproken en geschreven woorden. De poëzie en het korte verhaal werden haar tweede natuur, waarin ze associërend op ontdekkingsreis gaat. Houvast om midden in het leven te blijven staan. “Mijn eerste verhaal schreef ik toen ik in groep drie zat. Ik weet nog dat ik toen dacht: dit is gewoon heel leuk om te doen. Op mijn twaalfde kwam ik erachter dat je met verhalen je eigen wereld kunt bedenken. Ik vind het moeilijk om een verhaal te schrijven dat echt over jezelf gaat. Met poëzie kon ik dat wel. In poëzie word ik gedwongen om eerlijk te zijn, in verhalen word ik gedwongen mijn eigen werkelijkheid te creëren. Het is ook een manier om mezelf te analyseren. Toen ik vijftien was stuurde ik op verzoek van mijn leraar een verhaal op naar Write Now!, een schrijfwedstrijd voor jongeren die ik toen won. Omdat ik altijd kritisch op mezelf ben vond ik het best fijn om die bevestiging te krijgen.”

“Ik ben door mijn ouders niet opgevoed zoals de meeste andere kinderen. Ik weet nog goed dat toen ik klein was, mijn moeder me wakker maakte omdat er sneeuw was gevallen. Midden in de nacht gingen we naar buiten om een sneeuwpop te maken. Alles was leuk bij ons thuis. Ik heb me ook nooit echt een kind gevoeld zoals alle andere kinderen. Ik vond kinderen eng. Ik wilde altijd bij de volwassenen zitten. Ik ben ook altijd bang geweest voor leeftijdgenoten. Ik kan daar niks mee. Ik heb mezelf bewust of misschien wel onbewust gedistantieerd van mijn leeftijdgenoten. Mensen van mijn eigen leeftijd schrikken me af, al gaat het de laatste tijd wel wat beter. Volwassen mensen vind ik interessanter; hoe ouder hoe beter. Ik kan ook helemaal niks met deze tijd en heb het gevoel alsof ik in de verkeerde tijd ben geboren. De muziek van nu vind ik niet leuk, eigenlijk vind ik niks van nu leuk.”

Na de finesses van haar eigen pen te hebben ontdekt en aangescherpt, begon Reisig gretig andermans werk te lezen. Vooral Nederlandse literatuur wekte haar interesse. Verhalen van Maarten Biesheuvel, waaronder diens De Angstkunstenaar en de romans van fenomeen Arnon Grunberg. Helden. Schrijvers. Mannen. Terwijl ze een Gauloise in de brand steekt, houdt ze er een uitgesproken mening op na over vrouwelijke auteurs.
“Ik vind vrouwelijke schrijvers over het algemeen irritant. Veel van die vrouwen praten nogal plat over neuken, blablabla, omdat ze op die manier grappig, provocerend en onconventioneel willen zijn. Neem dat boek Vochtige Streken van Charlotte Roche waar zoveel ophef over is geweest. De enige truc die ze uithaalde was om zo plat mogelijk zo veel mogelijk ordinaire dingen te zeggen. En dat wordt dan ontvangen als een baanbrekend boek! Toen ik dat boek las dacht ik, die vrouw kan helemaal niet schrijven, ze is alleen goed in het noemen van genitaliën. Wanneer een vrouw zoiets schrijft heb ik het idee dat ze het erom doet en niet omdat ze zich zo voelen of zich zo willen zien. Zulk werk lees ik liever van een mannelijke schrijver. Mannen kunnen daarin juist grappig zijn. Bij vrouwen komt dit over als een gekunsteld trucje om man te willen zijn. Ik heb het niet-feministische idee dat vrouwen gewoon niet moeten schrijven. Als je een boek openslaat van een vrouw dan is de hoofdpersoon ook meestal een vrouw en die vrouw vòèlt altijd heel veel. Dat leest lekker weg.”

“Ik ben een emotiemens. Ik probeer mensen te verzoenen. Het is niet aan mij voorbehouden om humoristisch te schrijven; ik ben gewoon niet humoristisch. Ik denk ook dat je daar een man voor moet zijn. Ik raak snel geïntrigeerd door mannen. Vrouwen vind ik niet interessant. Mannen hebben charisma. Ik heb een fascinatie voor de fragiele man, de denkende, getergde man. Bij vrouwen heb ik dat niet. Mannenvriendschap vind ik zo iets moois. Als ik in een tweede leven terug zou komen wil ik man zijn. Ik heb gemerkt dat ik mannen aantrek die een verhaal hebben. Zit ik in het café dan komt juist degene met een ingewikkelde en complexe persoonlijkheid op mij af. De zielige, net gescheiden man zeg maar die bij mij wilt uithuilen. Vaak leveren deze gesprekken inspiratie op.”

“Soms vind ik het jammer om mensen beter te leren kennen. De eerste ontmoetingen zijn altijd de leukste. Eigenlijk zou ik mensen maar een keer willen ontmoeten. Bij een eerste ontmoeting kun je de meest diepzinnige gesprekken voeren. Ik vind het juist mooi wanneer je met iemand in de trein drie uur praat en dat je elkaar daarna niet meer terugziet. Dan kun je alles zeggen wat je denkt. Van de week bedacht ik dat er een dag zou moeten zijn in je leven waarin je alles wat je doet terug kunt draaien. Dat ik een dag meemaak waarin ik alles kan zeggen wat ik wil.”

“Ooit ontmoette ik Remco Campert tijdens een voordrachtavond in het Theater in Heerlen. Ik stond me al de hele avond op te vreten om hem te ontmoeten maar wist niet wat ik moest zeggen. Hoe klein en oud hij ook is, hij heeft best een intimiderende uitstraling. ‘Meneer Remco, meneer Campert, meneer Remco Campert. Ja hoi, uh. Ik vind uw boeken heel mooi, ik heb er ooit eentje gestolen uit de bibliotheek’. Hij bleef me maar aankijken, en toen zei ik ‘Ik vind u echt een leuke man’. Mijn vriend stond naast me: ‘zeg dat je zelf ook een schrijft, daarvoor kwam je toch!’ ‘Oh, schrijf je ook’, zei Campert. ‘Ja, ik schrijf ook maar niet zo goed als u al zou ik dat wel willen, leuk hè, maar u deed het heel goed’. Campert zei verder niks, liep weg, pakte een kaartje met zijn adres: ‘als je iets voor me hebt stuur het maar op’. Ik stond naar dat kaartje te kijken en raakte helemaal emotioneel en begon toen te huilen waar Remco Campert bijstond. Hij sloeg een arm om me heen: ‘nou kind, ik hoor het wel’. Omdat ik zo moest huilen viel er een traan op zijn kaartje en kon ik zijn adres niet meer lezen, haha.’

Ik (fragment). Uit haar digitale dichtbundel Puntkomma.

maar ik ben slechts een schouder die steunt en schaduwt
ik ben slechts een mensenwerk van uitgewrongen handen
ik ben verloren voor de tijd die openrijt stof bijeenraapt

Wie de recentere gedichten van Amber-Helena Reisig leest ziet een ommekeer in toon en woordkeuze. Persoonlijker, emotioneler. Geen wonder. In 2010 overleed na een lang ziekbed haar moeder op 54-jarige leeftijd. “Momenteel kan ik niet over iets anders schrijven dan over mijn moeder. Mijn moeder was de mooiste persoon die ik ooit ontmoet heb. Nu ze er niet meer is voel ik me geamputeerd. Wij waren twee zielen, een gedachte. Mijn moeder was altijd vrolijk. Iemand die van het leven een kunstwerk maakte. Na haar overlijden kwam ik in een soort roes. Ik heb het gevoel dat ik niet meer compleet ben. Ik ben een bang iemand. Ik ben bang in het donker. Ik ben ook bang geweest in dit huis na het overlijden van mijn moeder.”

“Ik kan niet goed dingen loslaten. Ik ben altijd op zoek geweest naar plekken waar ik me thuisvoel. Het moeilijkste in mijn leven was het loslaten van mijn moeder. Ze heeft er heel erg tegen gevochten om niet te hoeven sterven, ze wou niet dood gaan. Ik ben boos op God omdat het onlogisch is dat op mijn achttiende mijn moeder doodgaat en dat ik haar heb moeten laten gaan. Ik heb het gevoel dat ik iets mis, nu mijn moeder er niet meer is. Ik ben nu op zoek naar geborgenheid, naar weer thuiskomen. Een maand nadat mijn moeder kwam te overlijden stapte ik uit op Amsterdam Centraal en begon ik te huilen. Van blijdschap! Ik voelde dat ik thuiskwam. Telkens als ik het station van Amsterdam nader voor een bezoek aan mijn familie krijg ik daar een goed gevoel bij, al is het rare dat ik me de laatste drie jaar nu ook in Heerlen begin thuis te voelen.”

Alles Staat Nog Op Zijn Plaats (bloemlezing met bijdragen van Amber-Helena Reisig, uitgeverij De Contrabas 2010)

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s