A.H.J. Dautzenberg geeft de gezelligheid een nekschot

 

“Mijn moeder kwam uit Heerlen, mijn vader uit Kerkrade. Ze gingen er tussen in wonen, in Schaesberg. Heerlen en Kerkrade waren indertijd water en vuur. Waarschijnlijk probeerden beide steden een eigen identiteit aan te meten door zich te overschreeuwen – zeker tijdens carnaval. In mijn ogen gaat Kerkrade onder een groter gebrek aan zelfvertrouwen gebukt dan Heerlen. De middelbare school doorliep ik in Heerlen, Coriovallum College. Ik kwam in die tijd veel in Femina. Lekker donker.”

Wie net als A.H.J. Dautzenberg in Heerlen opgroeide, ontkwam niet aan een nog immer onuitroeibaar fenomeen: schlagermusik. In zijn eind 2010 verschenen verhalenbundel noemt de schrijver onder meer zangeres Katja Ebstein als inspiratiebron. “Ik keek als kind uiteraard veel Duitse televisie. ZDF Hitparade onder andere. Katja Ebstein herinner ik me als een struise dame met een stoute bips en spitse tietjes. Ik heb een nummer van haar gebruikt in een van mijn verhalen: Theater, Himmel und Hölle zuchleich”.

Ook elders in Vogels met zwarte poten kun je niet vreten rept Dautzenberg van zijn Heerlense oorsprong. Op gegeven moment ontvouwt zich een dialoog tussen hoofdfiguur Ralf die op bezoek bij zijn ouders opeens een mijnwerker in zijn kamer treft. ‘Luister jongen, je mist de sociale vermogens om in het licht te werken, dat lijkt me duidelijk. Duisternis, daarin ben je pas jezelf. Tussen gelijkgestemden’. Verderop in het verhaal komt de film Inland Empire van David Lynch ter sprake. Het is een tot in het absurde doorgetrokken vertelling waarin de loop van het verhaal steeds meer gaat buigen en knellen. Niets is wat het lijkt; de meest idiote gedachten leiden tot een amorfe droomwereld die bezit neemt van personages èn lezer. Het typeert de niet vast te pinnen A.H.J. Dautzenberg. Naast het schrijverschap voelt hij zich geroepen tot de ambachten econoom, dichter en communicatieadviseur. Je moet maar durven.

Voor de VPRO Gids mocht hij zijn held Arnon Grunberg interviewen. Tijdens de ontmoeting had Anton Dautzenberg (Heerlen, 1967) echter meer aandacht voor de meeëter van Grunberg, die hij maar al te graag tijdens het gesprek wilde uitknijpen. Allemaal verzonnen door de interviewer, vertelde Grunberg later op de radio. Niet verzonnen waren de boze briefschrijvers die zich verbolgen toonden over de door Dautzenberg gekozen interviewvorm. Afwijken, absurdisme, het kopje onder houden van het alledaagse. Het gesprek met Grunberg had niet misstaan in Dautzenbergs bundel.

Volgens de achterflap draait het bij de in Heerlen geboren auteur om personages ‘die wanhopig op zoek zijn naar andere werkelijkheden’. Lekker herkenbaar ook. Associatief dagdromen tot in het oneindige waarin het onaannemelijke aannemelijk wordt en het ongepaste in je smoel wordt gesmeten. Dit boek is niet voor de tere ziel. Gevoel voor inktzwarte humor is wel het minste dat je moet hebben om de canon van Dautzenberg te begrijpen. Nou ja, begrijpen. Behalve een podium voor het ongemak giet hij zijn verteltrant in een politiek incorrecte martelgang, waarbij hij raakvlakt met actuele, mediagevoelige gebeurtenissen. En ja, dat gaat dan wringen. Dautzenberg gooit vervolgens de werkelijkheid aan diggelen om te komen tot een tegengif voor het in zwang zijnde populisme en onderbuikgevoel. Gezelligheid, ook zoiets. Krijgt van A.H.J. hoogstpersoonlijk een nekschot.

Het ongemak voelt het hevigst of, naar gelang het morele incasseringsvermogen het prettigst, tijdens het lezen van Suikerfeest. In dit verhaal heeft een volwassen man seks met een meisje van dertien. Het ongemakkelijke zit hem in de heldere en openlijk gedetailleerde beschrijving van het fysieke van de gebeurtenis, hetgeen nog eens wordt versterkt doordat Dautzenberg porno en preekgestoelte links laat liggen. Achterin zijn boek noemt hij Roman Polanski als inspirator. En was het niet de Poolse filmregisseur die in de jaren zeventig tijdens een Hollywoodfeestje zich vergreep aan de toen dertienjarige Samantha Geimer? De media smulden er lustig op los toen bekend werd dat een Amerikaanse rechtbank Polanski opnieuw wil vervolgen.

Het lijkt wel of Dautzenberg indirect commentaar levert op de korte lontjes van mens en media. “Ik speel hier inderdaad mee, maar een ‘commentaar’ zou ik het niet willen noemen. Mijn werk is in mijn ogen amoreel, niet immoreel. Ik serveer per verhaal een taartpunt en de lezer kan daar een hele taart van maken – uiteraard naar eigen morele inzichten. Voor mij voelt het niet als politiek en cultureel incorrect. Sterker nog, voor mij voelen mijn verhalen natuurlijk, organisch. Dat ‘incorrecte’ projecteert de lezer er al dan niet zelf op. En dat is uiteraard een vrije keuze.”

In contrast hiermee is Bingo!, een meeslepend geschreven en ontroerend verslag van een bingoavond voor bejaarden. In een ander hoofdstuk neemt hij de Limburgse popjournalist Leon Verdonschot op de korrel, en is er natuurlijk het verhaal over een jongeman die verliefd is op een puincontainer. Zo gaat het maar door in de verhalen in Vogels met zwarte poten kun je niet vreten. Verhalen zo geeft de schrijver ronduit toe, dicht bij hemzelf staan: “Absoluut. Ik ben mijn verhalen.”

A.H.J. Dautzenberg – Vogels met zwarte poten kun je niet vreten (uitgeverij Contact 2010)

 

 

Een gedachte over “A.H.J. Dautzenberg geeft de gezelligheid een nekschot

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s