Donya Saed: “ik moet iets doen wat afwijkt”

Donya Saed tijdens fotoshoot voor ZwartGoud, (terras filmhuis, Schunck* Heerlen)

Maar goed dat de kunstenares het bezoek opwacht in het trappenhuis van haar appartement in Berlijn. Elke deur in het gebouw is namelijk identiek versierd met pompeus houtsnijwerk, zonder vermelding van huisnummer. Donya Saed woont in Prenzlauer Berg, dat in de tijd van de DDR een vervallen arbeiderswijk was. Tegenwoordig struikel je er over de kunstenaars, winkeltjes en gemoedelijke eettentjes. Om de hoek bevindt zich een hippe galerie voor aanstormende jonge kunstenaars. Saed: “Toen ik voor het eerst in Berlijn kwam dacht ik: hier moet ik zijn”.

Achter haar bureau heeft ze, verdeeld over een wandrek, haar favoriete kunstboeken uitgestald. Een naslagwerk van Richard Prince trekt de aandacht, naast zeldzame ‘small press’ uitgaven. Speciaal voor het bezoek heeft ze naar eigen zeggen haar tweekamerappartement flink opgeruimd. Gelukkig werden enkele stapeltjes over het hoofd gezien. Verspreid over de houten vloer zien we wat haar zoal bezighoudt: tijdschriften, cd’s; de verstilde polaroids in Land 250, een fotoboek van Patti Smith; de kloeke biografie Sensational Fix over de kampioenen van de muzikale ontregeling Sonic Youth; Purple Fashion Magazine met acteur Vincent Gallo op de cover. Wanneer ze uit de keuken terugkeert met flesjes Bionade roept ze: “Ik heb iets met plaatjes!”

Niet helemaal toevallig dat Purple tot haar favoriete bladen behoort. Het kunst- en modetijdschrift staat bekend om zijn zinnenprikkelende mix van cult, museale kunst en intellectuele tegencultuur. Saed noemt een andere invloed: Guy Debord en zijn standaardwerk De Spektakelmaatschappij. Hierin constateert de Franse denker het ontstaan van een maatschappelijke vervreemding: alles wat waarneembaar is heeft plaatsgemaakt voor een reeks beelden die daar boven staan. De nadruk op eigendom is vervangen door imago. De nieuwe beelden gelden bij uitstek als het waarneembare. Saed spreekt van beeldfetisjisme. “Door die veelheid aan beeldcultuur wordt zelfs Justin Bieber een fetisj. Reclamebeelden en mode reageren op kunst en andersom, het is een wisselwerking.”

Geboren werd ze in 1976 in Teheran, als kind van een Nederlandse moeder en Iraanse vader. Ze komt nog regelmatig in Heerlen, de stad waar ze opgroeide en haar ouders wonen. “In Heerlen kom ik tot rust. Er zijn in Berlijn zoveel prikkels. Het is voor mijn werk, ik kan moeilijk ontspannen. Ik hoef maar even naar buiten te lopen en ik zie al van alles. Dat doet veel met mij, alsof ik een hazewindhond ben die achter een konijntje aanrent: als zo’n hond niet stopt kan hij zich doodrennen. Ik heb hier het gevoel dat ik constant aan het rennen ben. Dan mis ik wel eens het weidse uitzicht en landschap van Limburg.”

Ze wijst op een foto aan de muur, gemaakt door haar moeder, bij haar ouders in de tuin. Net toen ze van het trapje wilde stappen drukte haar moeder op het knopje. Het ‘foutje’ maakt de foto net even anders, intrigerend. Het zijn enkele van de zwart-witfoto’s waarmee ze op dit moment experimenteert. Op haar slaapkamer hangen inkttekeningen gemaakt op halftransparante foliefilm. “Het werk wat ik nu maak is serener en misschien zelfs surrealistischer. Ik moet iets doen wat afwijkt. Je moet zorgen dat mensen langer dan drie seconden kijken.”

Een schril contrast met de collages die ze enkele jaren geleden maakte, waartoe onder meer Berlijn als inspiratiebron diende. “Wat je in kunstmagazines ziet, zie je hier op straat. Of je nu graffiti op een muur spuit of je ziet in Purple Magazine een snapshot van iemand met graffiti op de achtergrond. In Nederland voelde ik een soort braafheid in de kunst. Ik had zoiets van: ik wil daar tegen in. Toen ben ik met die collages begonnen.” Tijdens haar opleiding aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht ontdekte ze dat ze meer vanuit zichzelf moest werken. “Daar heb ik geleerd dat ik het zonder begeleiders moet doen. Het moet uit jezelf komen. De begeleiders gingen van hun eigen voorliefde uit en niet vanuit het creatieve denkproces van de kunstenaar.”

Die onafhankelijke manier van werken bezorgde Saed in toenemende mate een kritische houding. Zelfs over haar eigen kunst. “Na een tijdje zag ik het steeds vaker, de glamourtrash zoals ik het noem. Op een gegeven moment kon ik het niet meer maken. Ik voelde de noodzaak niet meer, want ik zag dat andere kunstenaars er steeds vaker mee bezig waren. Ik had niet meer iets om me tegen af te zetten. Wat ik moeilijk vind is dat mijn werk niet tot zijn recht komt op een beeldscherm. We zijn gewend om schilderijen in een blad of op een beeldscherm te zien, maar zo’n print die ik maak wordt dan plat. Dan denk je al gauw ‘wat een domme tekening’. Om het werk tot zijn recht te laten komen moet ik een vorm vinden binnen een geschikt medium, maar ik weet nog niet hoe.”

Als ingezetene van Berlijn herkende en omarmde ze het autonome gevoel dat de Duitse hoofdstad typeert. Voorlopig wil ze er niet meer weg. Wel ontdekte ze de verschillen over hoe er in Duitsland en Nederland over kunst wordt gedacht. “Kunst is in Duitsland veel meer verweven met samenleving en politiek. Het is een onderdeel van het leven. In Nederland is kunst een apart hoekje, een vreemd iets. Er stond hier een kop in de krant over de economische crisis: ‘kunst is goed voor de ziel’. Dat ze op de voorpagina van een Duitse krant aan de hand van een schilderij de crisis gaan beschrijven. Of neem deze foto waarin twee voetballende broers worden vergeleken met de gebroeders Karamasov. Dat is Dostojevski! Geweldig toch. Zie je dat een Nederlandse krant zoiets schrijft over Frank en Ronald de Boer?”

Donya Saed. Gevoelsmens. Beelden zijn voor haar emotie. Die wil ze ook laten zien. Omdat ze beelden niet alleen waarneemt, maar ook voelt. Hypersensitief noemt ze zichzelf. Een wandeling kan genoeg zijn. “Op gegeven moment liep ik over straat, ik was afgeleid. Iets ving mijn blik, maar toen ik die blik even later probeerde te vangen was het weg. Zo’n moment vlak voordat je je ervan bewust wordt. Ken je dat? Dat gaf me zo’n licht gevoel. Ik moest denken aan een werk van Marijke van Warmerdam. Een vlinder in een sculptuur die, als je een duwtje tegen de vleugel geeft, in het rond spint. De lichtheid van dat werk sprak me aan. Al zou ik liever de ondraaglijke lichtheid willen vatten. Het moet wel irriteren. Het moment voor het bewustzijn had voor mij eindelijk een vorm gekregen. Bijtende beelden weliswaar. Heftigheid tegenover extreme lichtheid. Het moet wel irriteren. Daar hou ik van.” Lachend zegt ze: “Ik zit nu in een brave, poëtische periode.” Of het bezoek trek heeft in nog een flesje Bionade. “Ik heb ook bier, hoor.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s