Op de eerste lp van de Bassholes eindigen zeven songtitels met het woord blues. Het Amerikaanse erfgoed is al meer dan tien jaar in goede handen bij de Bassholes. Weliswaar wikkelen ze de blues in prikkeldraad om heftige emoties aan het zicht te onttrekken, maar de lijdensweg die blues heet laat zich niet zomaar de kop indrukken. De Bassholesblues is gestileerd met een flinke portie garage en punk, is behoorlijk neurotisch en wellicht daarom slechts bij een handjevol liefhebbers bekend. Niettemin is de bewondering voor de aloude plattelandsblues en Charley Patton in het bijzonder oprecht en hartstochtelijk. En het is ze menens. Bassholes gaan de grote thema’s niet uit de weg. Moord, sex, schuld en boete – destijds bezongen door de oude bluesmannen Lightin’ Hopkins, Furry Lewis en Skip James. Ze staan in vermomming op het repertoire. Maar de toorn wordt pas ontstoken in de broeierige en licht ontvlambare songs van zanger-gitarist Don Howland en zijn drummende maatje Lamont ‘Bim’ Thomas. Begin februari en half maart zijn ze eindelijk weer in ons land voor optredens.

Albums van de Bassholes (spreek uit als ‘assholes’) laten zich beluisteren als een vervolg op de legendarische verzameling Anthology Of American Folk Music van chroniqeur Harry Smith. Smith verdeelde zijn verzameling 78-toeren platen in ‘social’ songs en ballades, songs die een levensbeschouwelijke en sociologische context verwoordden. Ook de Bassholesplaten bevatten geschiedschrijvingen, ontboezemingen van persoonlijke aard en verhandelingen waarin fictie en feiten vervagen. De lp’s Blue Roots, Deaf Mix Vol. 3 en het schizofrene Long Way Blues (1996-1998) tarten alleen al vanwege de opnameregistratie iedere verbeelding. Het verwrongen geluid illustreert het verhaal van de stervelingen die door de Amerikaanse Droom zijn uitgekotst, welke onderkant intussen krioelt van de psychopaten, loners en losers.
Andere albums, zoals het ruige Haunted Hill en het ontketende When My Blue Moon Turns Red Again zijn toegankelijker. Aan de oppervlakte dendert de rock & roll nors en morsig, doch aan de binnenkant proef je hoe de Amerikaanse mythe wordt doorgeprikt.
Zeven jaar na de laatste studioplaat is er een nieuw album van de Bassholes, simpelweg Bassholes getiteld. Alsof het om een debuut gaat. De heren kiezen bewust voor meer blues en traditie. Wellicht de reden waarom de plaat minder opgejaagd maar ook minder urgent klinkt dan vroegere albums. Het venijn is er een beetje af jammer genoeg.

Op een kille lenteavond in april 2001 neemt Don Howland plaats aan een tafeltje en verwoordt zijn zweet des aanschijns. Het geluid van een politiesirene nadert de avondstilte en ebt weer weg, vogeltjes hervatten hun gefluit, verwachtingsvol de zomer tegemoet. In de verte blaft een hond.

Don Howland: ‘Vijf jaar geleden zijn mijn vrouw en ik uitelkaar gegaan. Ik denk dat ons huwelijk minstens vijf jaar te lang heeft geduurd, misschien wel acht jaar. Voordat we trouwden speelde mijn vrouw in een band. Ze was eigenlijk een klassiek geschoolde violiste, maar ze hield meer van groepen als Sonic Youth. Toen we onze eerste zoon kregen stopte zij met de muziek en het feit dat ik in bands bleef spelen vond ze maar niks. Ze was boos en misschien zelfs jaloers. Ze wist echter ook dat ik de muziek nodig had omdat ik mentaal ziek was. Ik had het nodig om het leven aan te kunnen. Maar ze haatte mij erom. Ondanks dat ik drie, vier avonden van huis was voor optredens probeerde ik er alles aan te doen om een goede vader te zijn. In die tijd gebeurde van alles tegelijk. Mijn goede vriend Jim Shepard, een geweldige gitarist, hing zich op en een tijd later werd bij mij een vorm van huidkanker geconstateerd. Intussen ben ik daaraan geholpen, gaat het weer een stuk beter met me en zie ik mijn kinderen elke dag.’ Gespeeld relativerend voegt hij er nog aan toe: ‘Tsja, ik mag wel zeggen dat ik drie slechte jaren achter de rug heb.’

‘Ik heb nog een jaar les gegeven in North Carolina, maar op een gegeven moment hoopte ik een betere baan te krijgen en heb ontslag genomen. Toen ik nog in Columbus in Ohio woonde gaf ik Engels aan dertien-, veertienjarigen op een middelbare school. Les geven bracht veel spanning met zich mee. Veel jongeren waren betrokken bij criminaliteit en zelfs bij moord. Zoiets raakt je. Als je ouder wordt merk je dat er steeds meer vrienden om je heen overlijden. Misschien dat ik daarom vaak songs schrijf met de dood als thema. Het is een terugkerend onderwerp in de Amerikaanse cultuur, in de muziek en zeker in de blues. Waarschijnlijk worden veel mensen aangetrokken tot de dood omdat het zo gut level is; je kunt er net als sex makkelijk geld mee verdienen. De Amerikaanse cultuur toont een gezicht met een glimlach, maar onder die glimlach heerst veel ontreddering. Elke fucking commercial pompt je in dat je veel geld moet verdienen en als dat niet lukt voel je je een loser. En als je jezelf een loser vindt begin je algauw te denken aan de dood of aan het plegen van zelfmoord.’

‘Mijn eerste kennismaking met punk was Dr. Feelgood, die ik in 1975 zag toen ze het voorprogramma waren van The Tubes. Dat was de eerste keer dat mensen met kort haar een hoop lawaai maakten, ha, ha. Op de avond dat ik de eerste Ramones-lp draaide rookte ik mijn eerste joint. Die plaat maakte grote indruk op mij. Jaren laten voelde ik me behoorlijk wanhopig. Van punk was niets meer over. Alles was fucked up. Daarna waren groepen als X en Gun Club mijn favorieten. Zij wezen mij met hun op roots gebaseerde punk in de richting van de oude blues. Ik weet niet meer hoe ik aan mijn Charley Patton platen kwam, maar toen ik hem voor het eerst hoorde maakte hij op mij dezelfde indruk als die eerste Ramonesplaat. Zijn muziek zorgde ervoor dat ik sindsdien over veel dingen anders ben gaan denken. Ik ben ervan overtuigd dat Charley Patton ooit net zo erkend wordt in Amerika als Robert Johnson. Patton kon de blues in meerdere stijlen spelen; zijn slide-gitaar praatte tegen hem en hij praatte terug.’

‘Ik heb er me bij neergelegd dat we van onze muziek niet rijk worden. Dat hebben we ook een beetje aan onszelf te danken. We hadden de kans om met de Jon Spencer Blues Explosion een toer te doen langs de westkust, maar daar hadden we geen trek in. Achteraf stom natuurlijk. De band die toen wel meeging, Cheater Slicks, heeft het echter ook niet veel geholpen. Jon heeft het goed bekeken. Op tv maakt hij reclame voor een jeansmerk en voor een optreden krijgt hij soms 25.000 dollar! Zijn platen vind ik geweldig. Het heeft voor ons weinig zin om uitgebreid door Amerika te toeren. Het land is veel te groot en er is weinig respons. Je kunt beter naar Europa gaan waar de mensen bovendien een stuk aardiger zijn. Bij ons moet je de mensen smeken om bij ze te mogen overnachten. De bladen schrijven niet over ons; onze platen worden niet besproken. Ze plaatsen liever een negatieve recensie over een Heather Nova-album dan een positieve recensie over een onbekende band. Als ze al iets over ons schrijven slaat het gewoon nergens op. Ik heb zelf jarenlang voor Spin Magazine en The Village Voice geschreven, maar met name Spin is verworden tot een blad waar je niet weet waar de advertentie ophoudt en een redactioneel stuk begint. Ik vind het bijna beledigend zoals ze over ons schrijven. Ik weet niet of ze het verband kunnen leggen tussen onze muziek en de rural blues van de jaren twintig en dertig.’

‘In de tijd van de depressie, in de jaren dertig, schreef iemand een serie verhalen om mensen door hun moeilijke tijd heen te helpen. Verhalen over de bordenwasser die eigenaar van een restaurantketen werd. Natuurlijk zijn die mogelijkheden er nu ook nog en je ziet dat veel immigranten, Koreanen en Mexicanen die het goed doen, dankzij de kansen die zij zichzelf creëren omdat ze in zo’n hechte gemeenschap leven. Amerikanen kennen dat gevoel van een hechte gemeenschap niet. Ouders wonen tweeduizend mijl van hun kinderen en praten nooit met elkaar. Buren kennen elkaar nauwelijks en zijn wantrouwend. Zo is een deel van de Amerikaanse Droom ontstaan: de loner, hij die het allemaal in zijn eentje doet. Inmiddels is dit een onwerkbare filosofie gebleken om tot de kern door te dringen en iets geregeld te krijgen. Daarom hebben jullie het zo goed in Holland, het is hier je reinste levende anarchie, een soort verbeterde vorm van het communisme, ha, ha. Fantastisch toch!’

(eerder gebubliceerd interview in Heaven 4, 2001)

Bassholes in Nederland:
2 februari Club Lek/VPRO, Amsterdam
3 februari Vera, Groningen
4 februari DB’S, Utrecht
18 maart Waterfront, Rotterdam
20 maart Patronaat, Haarlem