Platenlabel Substantia Innominata: de kleur van klank met Steven Wilson, Pepijn Caudron en Matt Waldron

Een bepaald deel van de hersenen, de substantia innominata, is belangrijk voor de aanmaak van een stofje dat de communicatie stimuleert. Het is ook de naam van een platenmaatschappijtje uit Duitsland. Labeleigenaar Stefan Knappe ziet de uitgaven als een zoektocht naar het onbekende. In een interview beweerde hij: “Als je er voor open staat heeft de experimentele muziek ook een sterk psychologische kant, die je leert om te gaan met het vreemde, het onconventionele.” Alle releases worden uitgebracht op vinyl, af te spelen op 33-toeren. Behalve die ene van Kreng.

De schijfjes van Substantia Innominata worden geperst in een oplage van een paar honderd, telkens voorzien van een kleurtje. Ze verschijnen op het formaat van een zogenaamde ten inch, het midden tussen een vinylsingle en een lp. Desondanks is de afspeelduur soms een half uur of langer.

Een van de bekendste artiesten die een bijdrage levert aan het bijzondere karakter van het platenlabel is Steven Wilson. Zijn vroegere rockband Porcupine Tree gaf hem volgens eigen zeggen te weinig ruimte voor zijn veelzijdige opvattingen over muziek. Om meer te kunnen experimenteren met de structuur van klanken, schiep hij het eigenzinnige soloproject Bass Communion.

Dus galmt op Sisters Oregon tussen een bijna kosmisch klinkend jongenskoor de resonantie van een versterkte klankschaal. De sfeer is ingetogen, mysterieus en desolaat, ja bijna mystiek. De keerzijde is echter van een andere orde. Op kant twee beland je middenin een horrorfilm. Wilson neemt de tijd om laag voor laag een dramatische draai te geven aan een muzikaal landschap waarvoor het woord creepy een understatement is. Ook de hoes toont een landschap. Er lijkt daarin iets te zijn neergeploft dat lijkt op een kunstinstallatie of een onderdeel van een ruimtevaartuig.

Met zijn eenmansproject Kreng verzorgde Pepijn Caudron jarenlang het muzikale decor bij theatergroep Abbatoir Fermé. Selfed bevat opnamen voor een dansgezelschap uit Slovenië. Verwacht allesbehalve opzwepende beats. Geven soundscape-achtige klanken je soms het gevoel alsof ze onder water zijn opgenomen, Kreng komt meteen aan de oppervlakte. Dit werk heeft meer weg van een heuse compositie, waarmee Caudron doorwrocht en gedoseerd toch een zekere atmosfeer creeert. Constant zwanger van onheil, temeer omdat je het idee krijgt dat je niet goed weet waar je naar luistert. Een stuk muziek dat op prachtig raadselachtige wijze desoriënteert. Af te spelen op 45 toeren!

Matt Waldron werkte ooit samen met Nurse With Wound’s Steven Stapleton, de grootmeester van de auditieve ondermijning. Zijn eigen platen brengt hij uit onder de codenaam irr. app. (ext.). De afkorting voor Irrational Appendage (Extending) had net zo goed de titel van een kunstwerk uit het surrealisme kunnen zijn. Waldron zegt geïnspireerd te zijn door deze kunststroming, al moeten we er volgens hem niet al te hoogdravend over doen. “Sexy sonische opwinding” noemt de Amerikaanse geluidskunstenaar zijn All Things Are Equivalent? Hierin zijn instrumenten (o.a. gitaar) bijna onhoorbaar weggestopt in een collage van ratelende geluiden die een industrieel effect veroorzaken. Meer vorm dan inhoud. Het ontbreken van spanning en structuur wordt het werkje net iets teveel.

De platen van Substantia Innominata eisen inlevingsvermogen van de luisteraar. Het is muziek die intimiteit oproept en in zekere zin bevraagt. Luisteren en ondergaan dus, de gordijnen dicht en de lichten voor de zekerheid gedoofd.

irr. app. (ext.) – All Things Are Equivalent? (Substantia Innominata 2019)
Bass Communion – Sisters Oregon (Substantia Innominata 2017)
Kreng – Selfed (Substantia Innominata 2016)

Stefan Knappe van platenlabel Drone Records: “ik denk dat iedereen een muzikant kan en zou moeten zijn”

“Non-entertaining music for the right side of your brain”. Onder dat motto presenteert Stefan Knappe zich met zijn Drone Records aan de wereld van de experimentele muziek. Dit label, met als standplaats Bremen, heeft sinds 1993 ruim dertig singles uitgebracht van de meest uiteenlopende groepen. Singles dus, op 33 toeren, geperst in gekleurd vinyl en gestoken in door de artiest zelfgemaakte hoesjes. De schijfjes verschijnen telkens in een beperkte oplage. Volgens Knappe is de keuze voor experimentele muziek op singleformaat simpel: “Het is de perfecte wijze om nieuwe bands te introduceren bij de luisteraar zonder dat deze zich gaat vervelen. De meeste mensen kopen geen zeventig minuten durende cd van een onbekend artiest of project. Een 7″ single geeft vaak een goede impressie van het werk van een artiest en duurt net lang genoeg om de aandacht van de luisteraar vast te houden.”

De singletjes bij Drone Records komen niet uit volgens de gebruikelijke methode. In plaats van een financiële vergoeding krijgen de bands een aantal singles cadeau. Knappe: “Ze weten dat het label op een non-profit basis werkt”. Met name onder muzikanten heeft het label een goede naam opgebouwd. “Ondanks dat de aandacht voor experimentele muziek de afgelopen jaren sterk is gegroeid, lijkt het alsof de experimentele scene meer uit muzikanten bestaat dan publiek. Het is dus een scene van muzikanten die weer luisteren naar andere muzikanten. Vreemd. Maar ik vind het prima zo, want ik denk dat iedereen een muzikant kan en zou moeten zijn.”

Van bands die Knappe voor zijn Drone Records contracteert, verwacht hij dat ze een bijzondere draai aan experimentele muziek geven. Stefan Knappe, die zelf sinistere avant-drones maakte met het ter ziele gegane Maeror Tri, verduidelijkt: “Natuurlijk moet de muziek me ook persoonlijk raken. Ik ben emotioneel snel onder de indruk van, zoals ik het noem, atmosferische muziek. Volgens mij is experimentele muziek de enige muziek van waaruit nieuwe muzikale en filosofische ideeën kunnen worden ontwikkeld. Bovendien ontmoet je de meest onconventionele, zelfbewuste en ruimdenkende mensen. Mensen die zich niet in een hokje laten plaatsen.”

“Experimentele muziek is non-entertaining, het bezit geen commerciële waarde en kan niet functioneren als een drug voor de massa. Integendeel, het maakt je juist eerder bewust van bepaalde zaken. Hiermee raak je een belangrijke politieke en sociale kant van de experimentele muziek. Als je er voor open staat heeft de experimentele muziek ook een sterk psychologische kant, die je leert om te gaan met het vreemde, het onconventionele.
Veel mensen worden knettergek van het luisteren naar avant-garde, ze kunnen het niet opbrengen om er langere tijd naar te luisteren. Omdat de meeste mensen gewend zijn om op een oppervlakkige manier naar radiomuzak te luisteren, zeggen ze over experimentele muziek dat ‘er niets gebeurt’. Maar als je ernaar leert luisteren, ontdek je op den duur verschillende dimensies in geluid. Er zijn platen waar je iedere keer opnieuw naar kunt luisteren en die bij iedere draaibeurt anders klinken. Ik zou bijna willen zeggen dat experimentele muziek een stimulans kan zijn voor je hersenen, een soort hulpmiddel om dingen beter te leren begrijpen.”

Op Drone Records verschenen singles van ondermeer Beequeen, Noise-Maker’s Fifes, Crawl Unit, Small Cruel Party, Ultra Milkmaids en Life Garden.

Drone Records

(eerder gepubliceerd in Opscene in 2006)

 

Recensie John Coltrane A Love Supreme: The Complete Masters

John Coltrane was een man met een missie. Jazz beschouwde hij als spirituele ontdekkingsreis én muzikaal kruidvat. Halverwege de jaren zestig transformeerde zijn toch al ruime opvatting van (free) jazz in verhalende “sheets of sound”. Deze vrijgevochten klankepistels verschenen via platen van het Impulse-label, waarop het beruchte John Coltrane Quartet grenzen mocht verkennen en verleggen. A Love Supreme componeerde de tenorsaxofonist in 1965 in de slaapkamer van zijn pas verworven buitenhuis in New York. Vanuit deze relatieve rust wilde Coltrane met dit album een metaforische harmonie scheppen voor de politieke en sociaalmaatschappelijke onrust die in zijn land woedde over o.a. burgerrechten voor Afro-Amerikanen.

Wie destijds de plaat kocht en de moeite nam de hoestekst te lezen, ontdekte behalve een lofzang op God, dat Coltrane naast de vier stukken op de reguliere lp, ook sessies had opgenomen met zijn maatje Archie Shepp. De in 1967 aan leverkanker overleden Coltrane kan het niet meer meemaken, maar alle volledige opnamen zijn nu te vinden op deze voorbeeldige 3lp set.

Vaak gaat het bij archiefopnamen om kliekjes die je voor kennisgeving aanneemt. Zoniet bij The Complete Masters. Tenorsaxofonist Archie Shepp mag op zijn eigen albums een recalcitrant en ingetogen spel afwisselen, in deze ‘takes’ neemt hij met gemak de rol van Coltrane over die zelf de ruimte neemt vrijelijk te excelleren. Er is tussendoor een kort gesprek in de studio, al moet je de volumeknop flink open draaien om te horen wat er gezegd wordt. Deze en andere archiefopnamen, waaronder een aantal studies in mono, stammen uit Coltrane’s persoonlijke archief en werden deels niet eerder uitgebracht. Ze laten verbijsterende muziek horen en nog eens de blakende vorm waarin hij en zijn mannen verkeerden.

Over het vinyl:
Fraaie klaphoes met drie lp’s en een boekje van 32 pagina’s. Natuurlijk gaat het niet om zo’n hardkartonnen hoes zoals Impulse die maakte in de jaren zestig. Toch bevat deze reissue de oorspronkelijke hoesfoto en ontwerp aan de binnenzijde. Het oranje logo met uitroeptekens is precies zo overgenomen voor het vinyllabel. Het bijgaande boekwerk bevat tekst en uitleg plus handgeschreven notities door Coltrane. De geluidskwaliteit van de drie platen is overigens uitstekend. Dankzij de heldere, pittige ‘remastering’ komen naast de saxofoon nu ook drums, piano en bas veel beter tot hun recht. Een mooi verzorgd historisch document.

John Coltrane – A Love Supreme: The Complete Masters (Impulse!/Verve Records/Universal)

(eerder gepubliceerd in Vinyl50)

Rod Summers archeoloog in geluid en vervreemding

 

Geluidsarcheoloog? Performancekunstenaar? Het zal Rod Summers een zorg zijn. Daarom bevalt het hem in Maastricht zo goed. In de Limburgse hoofdstad kan hij in alle rust werken aan zijn kunstvorm met stem en geluid die hij als het even kan in een context plaatst die verwart en vervreemdt. Wie nog wel eens naar de radio luistert, bijvoorbeeld naar een hoorspel, probeert zich de beelden bij de stemmen en geluiden voor de geest te halen. Summers is er veel aan gelegen zo’n beeld achter de stem en het visuele achter het geluid te creëren. Een omschakeling van het auditieve naar het imaginaire.

Aan een knusse houten tafel aan de achterzijde van zijn woonkamer praat de bijna zeventigjarige Summers enthousiast over zijn werk. Zijn tongval verraadt zijn Engelse afkomst; Summers werd geboren in het graafschap Dorset. Summers: “Ik ben opgegroeid met radio, met hoorspelen over sciencefiction. Wanneer je toen naar de radio luisterde, zeker in de jaren vijftig, probeerde je je voor te stellen hoe de personages eruit zagen. Van de personen die spraken probeerde je in gedachten een beeld te vormen, je maakte in je hoofd een tekening. Wat ik in mijn werk doe is eigenlijk hetzelfde. Ik zorg voor het het geluid, jij maakt het beeld. Dat is het visuele van mijn geluidskunst, het creëren van beelden via geluid.”

Met behulp van collages en al dan niet vervormde stemkunst, is zijn werkwijze vrij experimenteel te noemen, maar het eindresultaat opvallend toegankelijk en lichtvoetig. Daarvan getuigt ook de cd More Recently, dat acht werkjes omgevingsgeluid en kosmische synthesizermuziek laat horen, deels gebaseerd op gedichten van Lewis Carroll en John M. Bennett.

Een van Summers’ opvallendste composities is Scratch Symphony uit 1976. Hierin manipuleert hij klanken in de beste traditie van de tapes- en collageknutsels zoals ze destijds gemaakt werden door een groep als Cabaret Voltaire. Van een link met de hedendaagse rock-avantgarde wil hij echter niets weten. Summers zucht eens diep: “Ik ben niet zo happy met de noisemuziek zoals die tegenwoordig wordt gemaakt. Sommige dingen zijn te gek, maar veel van wat ik hoor is alleen maar lawaai: onprettig en vervelend om naar te luisteren, muziek die helemaal niets te vertellen heeft. Ik wil iets horen met een begin en een einde, iets dat inhoud heeft. Maar misschien ben ik gewoon ouderwets. Het ergste wat je ervan kunt zeggen is dat ze niks te vertellen hebben. Ik denk niet dat ze de tijd nemen om naar hun eigen muziek te luisteren en teveel bezig zijn met de techniek. Ze besteden te weinig aandacht aan wat ze willen doen met die techniek. They’re milking the cow to death.“

Zoals gezegd is het oproepen van vervreemding door iets alledaags in een andere context te herplaatsen een van de pijlers waarop Summers’ werk drijft. In Just Listen To It krijgt een verslag van een Engelse voetbalwedstrijd op tv een andere wending doordat de namen van de spelers uit het commentaar zijn weggeknipt. Wat overblijft is een opsomming van de handelingen die hierdoor iets absurdistisch krijgt. Vreemd genoeg mis je het noemen van de voetballers niet eens. Niet iedereen is gediend van Summers’ kunst. Wanneer hij Severely Spliced in de huiskamer afspeelt, waarin een echoënde stem spookachtig weerkaatst, glunderen zijn pretoogjes vanonder zijn grijze lokken. “Toen ik dit aan een leraar van de Jan van Eyck Academie liet horen, schrok ie zich wild. Hij zette ogenblikkelijk  zijn koptelefoon af, ha ha”.

(eerder gepubliceerd in 2010 via ZwartGoud)

 

Recensie: Af Ursin Murille eerbetoon aan het analoge

Dus zo kan het ook. We waren het bijna vergeten: avantgarde zonder gebruik te maken van een laptopcomputer. Want waar het uiteindelijk op aan komt zijn de ideeën, de durf, het talent, het muzikale inzicht. Zaken die bij Af Ursin volop aanwezig zijn. Af Ursin is het pseudoniem van de Belg Timo van Luijk. Zijn muziek weerspiegelt het adagium van John Cage, namelijk dat omgevingsgeluiden eveneens tot de muzikale taal behoren. Niet dat Af Ursin omgevingsgeluiden maakt, integendeel, maar zijn collageachtige gebruik van akoestische instrumenten en voorwerpen lijkt niettemin te refereren aan geluiden van alledag.

Tegelijkertijd weerklinkt er een samenspel tussen Westerse avantgarde en Aziatische muziek (zie wederom John Cage). Zoals onder meer blijkt uit de tuimelende gamelanklanken die in hun voortdurende aanwezigheid sijpelen en inkleuren. Andere geluiden en instrumenten vallen hierdoor extra op. Opeens is er die freejazz-saxofoonsolo, gevolgd door schrapende noise (in het werk Astral Twist), en soms zelfs rituele zang.

Blijkt niet alleen prima samen te gaan, het bezorgt de muziek zelfs een onderhuidse spanning. Een andere meerwaarde die al doende ontstaat is de ondertoon van melancholie, omdat je beseft naar iets te luisteren wat bijna uitgestorven is, zeker in de avantgarde. This Heat had het, Tortoise op zijn betere momenten, en voor mijn part de platen van het Nonesuch-label met Indonesische en Javaanse muziek: muziek die toegankelijk en experimenteel tegelijk is, vastberaden maar nooit opdringerig, bescheiden en uitnodigend, sierlijk en rudimentair, muziek die inelkaar vlecht en katalyseert. En alsof dit niet genoeg is, is Murrille ook een eerbetoon aan het analoge, want een grammofoonplaat uitgebracht in eigen beheer.

(eerder gepubliceerd via Cut-up, 2002)

Three Willow Park: muzikale rariteiten van Raymond Scott

Vanaf industrieterrein Willow Park Center op Long Island, runde Raymond Scott een winkel waar hij experimenteerde met klankmachines. In zijn ‘muzieklaboratorium’, zijn ‘electronic inner space’, spendeerde hij zoveel tijd dat hij amper nog in de openbaarheid trad als componist en performer. Het zou zomaar een van de redenen kunnen zijn waarom de in 1994 overleden Scott altijd de status van cultfiguur is blijven behouden.

Toch behoort hij beslist tot de pioniers van de elektronische muziek. Tegenwoordig keert zijn werk terug in de vorm van samples op platen van rapper-producers Flying Lotus, Madlib, J Dilla en Danny Brown. Een van de door hemzelf in elkaar geknutselde muziekinstrumenten is het Electronium. Gebaseerd op de analoge communicatietechniek in oude telefooncentrales, kan het apparaat gelijktijdig componeren en uitvoeren. Naar verluidt werkte Scott tien jaar aan de enorme houten klankkast.

Veel van de muziek uit dit gevaarte, ontstaan in de jaren zestig, is te horen op deze set van drie lp’s. Zijn composities zijn dikwijls ironisch, frivool, een tikje extravagant. Soms lijken ze vooruit te lopen op wat we nu zouden omschrijven als technopop, zoals Toy Funk uit 1970 of Cindy Flair Look Rhythm, afkomstig uit een ander speeltje van de uitvinder.

Andere titels geven precies aan wat je hoort: Nice Sound #3. Bij Scott is het goed toeven voor wie elektronische muziek academisch of abstract vindt. Al zou je willen dat zijn composities net iets minder ludiek en meer doorwrocht klinken. Vaak neigen ze naar oefeningen in klank, naar muziek die nergens naartoe gaat of gewoon frequentiegeluiden aan elkaar verbindt. Dan worden het schelle deuntjes die wel erg vrijblijvend klinken, zeker voor een beetje avontuurlijk ingestelde luisteraar. Deze albumset moeten we daarom vooral zien als een aanvullend curiosum op het oeuvre van Raymond Scott.

Three Willow Park is een pakket van drie losse lp’s inclusief boekwerk van twintig pagina’s, verzorgd door grafisch ontwerper Piet Schreuders (van o.a. VPRO Gids). Zoals vanouds is er door Basta Music veel aandacht besteed aan de kwaliteit van de persing en de vormgeving van de hoezen. Bij dit Nederlandse label werken muziekarcheologen die doorgaan met spitten waar anderen stoppen. Aldoende legde men de afgelopen decennia een compleet erfgoed bloot met exotische en andere, minder gangbare muziek.

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Muzikale anarchie: Duitse krautrockband Faust

Faust debut

Wist ik veel. Wat ik wel wist was dat ik niet goed wist wat ik ermee aan moest. En hoe de plaat in mijn bezit was gekomen. Wanneer ik ‘m uit de kast haalde was dat vooral om ernaar te kijken. Wat nog niet meeviel. De voorkant stond volgeschreven met stukjes tekst uit Engelse kranten. Bij het zien van de achterzijde werd ik duizelig van een optisch lijnenspel. Aan de muziek was ook al geen touw vast te knopen. Flarden gesprekken uit wat leek op een leefgemeenschap, hooguit schetsen van songs. Ik snapte er niks van. Muziek in de vorm van een soort collage, daar was ik, een jaar of 16, nog niet aan toe tijdens mijn eerste kennismaking met deze plaat. Pas veel later ontdekte ik dat ik zomaar een album van de legendarische Duitse band Faust in mijn bezit had.

Eind jaren zestig begint het toenmalige West-Duitsland de erfenis van de Tweede Wereldoorlog krachtig van zich af te schudden. Het is de tijd waarin een jonge generatie een gevoel van ontnuchtering en desillusie ervaart en studenten vragen stellen over het nazi-verleden van hun ouders. Ophef ontstaat na een demonstratie in West-Berlijn tegen de sjah van Perzië (het huidige Iran), die uitmondt in de dood van student Benno Ohnesorg door de politie in 1967. Het incident leidt tot protest en radicalisering van Duitse actiegroepen die zich onder meer afsplitsen in de links-extremistische en gewelddadige Rote Armee Fraktion.

Deze ontwikkelingen en de steeds grotere acceptatie van rockmuziek in Europa, worden voor Duitse kunstacademiestudenten, die zich niet direct met politiek bezighouden, een belangrijke motivatie om in muzikaal opzicht te radicaliseren. De toekomst moet opnieuw worden uitgevonden, de breinen beginnen te kraken.

Jean-Hervé Péron is een van de oprichters van Faust: “We kenden in de jaren zestig de rock ‘n’ roll en blues. Prima. Niks tegen de blues. Maar het is niet datgene wat wij willen uitdrukken. Dus we zijn 18, 20 en we hebben iets te melden. We voelen een enorme druk. We hebben het over 1968. We hebben het over de sociale onrust in Europa, in Frankrijk, en over de gedemoraliseerde generatie jongeren in Duitsland.” Een voorhoede van beeldend kunstenaars, muzikanten, schrijvers en filmers manifesteert zich nadrukkelijk in het sterk veranderende culturele landschap bij onze oosterburen.

Ook ik radicaliseerde. Ik voelde de behoefte om muziek te beluisteren die anders was, die het experiment opzocht en niet uit de weg ging. Zo kwam ik al snel uit bij een aantal nieuwsgierigmakende bands uit Duitsland. Die zoektocht verliep achteraf gezien vrij eenvoudig. In de internetloze jaren tachtig waren zeldzame platen nog vindbaar én betaalbaar. Voor drie tientjes werd ik eigenaar van Can’s Tago Mago, in envelophoes. In een kringloopwinkel betaalde ik acht gulden (bijna 4 euro) voor de tweede lp van Kraftwerk: met gifgroene verkeerspion op de voorzijde, verschenen op ons eigen Philips-label. In die jaren hengelde ik eveneens voor een paar gulden uit de schappen een album met lege notenbalken op de hoes, Faust IV.

Faust IV

Om de lp van Fausts debuut zit een röntgenfoto van een gebalde vuist. De muziek bestaat voor een deel uit een tableau in de vorm van een collage en, bij wijze van contrast over de hele kant twee, een psychedelische rockjam. Opvolger So Far bevat een pikzwarte hoes waarin behalve de lp, een prentenset, ter illustratie van ‘songs’ die vollopen met gitaarriffs en vondsten die zo vanzelfsprekend klinken dat je tijdens het luisteren denkt: waarom is hier niemand eerder op gekomen? Het album laat zich telkens weer urgent en verrassend aanhoren.

Dat geldt min of meer ook voor de samenwerking met de Amerikaanse violist en avantgardepionier Tony Conrad. Tijdens een bezoek aan de Faustcommune in het plaatsje Wümme omstreeks 1973, belanden gezamenlijke opnamen op een album met mantra-achtige droneklanken. Drone kan worden bereikt door middel van een aanhoudend geluid of door herhaling van een noot. Zo ontstaat een tonaliteit waarop de rest van het stuk voortborduurt. De in april 2016 overleden Conrad geldt als een van de grondleggers van deze muziekvorm. Voeg er de Faustrock aan toe en je hebt een album dat tamelijk uniek is: Outside The Dream Syndicate. De plaat is intussen opnieuw uitgebracht.

Faust Outside

Faust krijgt aanvankelijk enige bekendheid omdat het album The Faust Tapes (1973) in korte tijd meer dan vijftigduizend keer over de toonbank gaat. De platenmaatschappij, het pas begonnen Virgin Records, lijkt het bij wijze van stunt een aardig idee om de lp te verkopen voor de prijs van een 45-toerensingle. Aangezien de plaat jaren nadien relatief vaak opduikt in bakken tweedehands, moet het luisteren naar Faust voor velen een verdeeld genoegen zijn geweest. Van het album worden steevast tientallen exemplaren aangeboden op verkoopsites als Discogs. Het was echter deze plaat, met duizelingwekkend hoesontwerp van kunstenares Bridget Riley, die me voor het eerst liet kennis maken met de mij toen nog onbekende Duitse band.

Veel heeft de verkooptruc niet geholpen. Rond het midden van de jaren zeventig wordt de Sturm und Drang van de Duitsers voortijdig tot staan gebracht. Een in de studio van discoproducer Giorgio Moroder in München opgenomen album, wil de platenmaatschappij niet eens meer uitbrengen. Pas veel later zal Chris Cutler, drummer van avantgardeband Henry Cow, waarmee Faust vaak heeft opgetreden, de muziekrechten overnemen. Via zijn Recommended Records verschijnen heruitgaven op vinyl, waarna Faust wordt herontdekt door een jonge generatie muziekliefhebbers die op dat moment een hausse aan bands onder de noemer new wave omarmt. De hernieuwde interesse leidt in 1990 tot een reünieconcert in Hamburg. Van de partij zijn bandleden uit de begintijd: Werner Zappi Diermaier, Jean-Hervé Péron en Hans Joachim Irmler.

Faust Tapes

Wie schetst mijn verbazing wanneer ik in februari 1995 tijdens het Tegentonenfestival in Paradiso in afwachting ben van een optreden van Faust. Op de bühne metershoog opeengestapelde televisietoestellen van het type antieke beeldbuis. Tijdens het optreden schijnt een kunstenaar iets te gaan schilderen op een canvas. En wat doen die balen hooi naast het podium? Simpel, ze worden halverwege het optreden per hooivork het publiek ingegooid. Péron beëindigt het mafste optreden waar ik ooit bij mocht zijn, door met een voorhamer de bollende tv’s stuk voor stuk aan gort te slaan. Dat ploffende geluid in de Amsterdamse poptempel, voor even omgetoverd tot boerenschuur, zal ik niet snel meer vergeten.

Muziek en albumvormgeving maken dat Faust radicaal afwijkt van wat tegenwoordig gangbaar is. De muziek van de band klinkt als een antwoord op zoek naar een vraag, waarbij associatie en spontaniteit even belangrijk of misschien wel belangrijker zijn dan het goed kunnen spelen van een instrument. Alles wat maar een beetje neigt naar herkenbaarheid breekt Faust rigoureus af. Zo gaat de songvorm verloren in een kluts van collage en improvisatie, om deze, wanneer het toevallig zo uitkomt, in verminkte staat op te pakken. Het is een van de redenen waarom de platen van Faust jaren na die eerste ontdekking telkens weer een belevenis zijn om naar te luisteren.

Selectieve discografie
Faust (Polydor 1971/2014)
So Far (Polydor 1972/2010)
The Faust Tapes (Virgin 1973/RéR 2010)
Outside The Dream Syndicate (met Tony Conrad) (Caroline 1973/Superior Viaduct 2016)
Faust IV (Virgin 1974/2009)
Return Of A Legend: Munich & Elsewhere (Recommended 1986)
Rien (Table Of The Elements 1994)
You Know faUSt (Klangbad 1997)
Disconnected (met Nurse With Wound) (Art-Errorist/Dirter 2008)

(eerder gepubliceerd op The Post Online)