Three Willow Park: muzikale rariteiten van Raymond Scott

Vanaf industrieterrein Willow Park Center op Long Island, runde Raymond Scott een winkel waar hij experimenteerde met klankmachines. In zijn ‘muzieklaboratorium’, zijn ‘electronic inner space’, spendeerde hij zoveel tijd dat hij amper nog in de openbaarheid trad als componist en performer. Het zou zomaar een van de redenen kunnen zijn waarom de in 1994 overleden Scott altijd de status van cultfiguur is blijven behouden.

Toch behoort hij beslist tot de pioniers van de elektronische muziek. Tegenwoordig keert zijn werk terug in de vorm van samples op platen van rapper-producers Flying Lotus, Madlib, J Dilla en Danny Brown. Een van de door hemzelf in elkaar geknutselde muziekinstrumenten is het Electronium. Gebaseerd op de analoge communicatietechniek in oude telefooncentrales, kan het apparaat gelijktijdig componeren en uitvoeren. Naar verluidt werkte Scott tien jaar aan de enorme houten klankkast.

Veel van de muziek uit dit gevaarte, ontstaan in de jaren zestig, is te horen op deze set van drie lp’s. Zijn composities zijn dikwijls ironisch, frivool, een tikje extravagant. Soms lijken ze vooruit te lopen op wat we nu zouden omschrijven als technopop, zoals Toy Funk uit 1970 of Cindy Flair Look Rhythm, afkomstig uit een ander speeltje van de uitvinder.

Andere titels geven precies aan wat je hoort: Nice Sound #3. Bij Scott is het goed toeven voor wie elektronische muziek academisch of abstract vindt. Al zou je willen dat zijn composities net iets minder ludiek en meer doorwrocht klinken. Vaak neigen ze naar oefeningen in klank, naar muziek die nergens naartoe gaat of gewoon frequentiegeluiden aan elkaar verbindt. Dan worden het schelle deuntjes die wel erg vrijblijvend klinken, zeker voor een beetje avontuurlijk ingestelde luisteraar. Deze albumset moeten we daarom vooral zien als een aanvullend curiosum op het oeuvre van Raymond Scott.

Three Willow Park is een pakket van drie losse lp’s inclusief boekwerk van twintig pagina’s, verzorgd door grafisch ontwerper Piet Schreuders (van o.a. VPRO Gids). Zoals vanouds is er door Basta Music veel aandacht besteed aan de kwaliteit van de persing en de vormgeving van de hoezen. Bij dit Nederlandse label werken muziekarcheologen die doorgaan met spitten waar anderen stoppen. Aldoende legde men de afgelopen decennia een compleet erfgoed bloot met exotische en andere, minder gangbare muziek.

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Muzikale anarchie: Duitse krautrockband Faust

Faust 1972

Wist ik veel. Wat ik wel wist was dat ik niet goed wist wat ik ermee aan moest. En hoe de plaat in mijn bezit was gekomen. Wanneer ik ‘m uit de kast haalde was dat vooral om ernaar te kijken. Wat nog niet meeviel. De voorkant stond volgeschreven met stukjes tekst uit Engelse kranten. Bij het zien van de achterzijde werd ik duizelig van een optisch lijnenspel. Aan de muziek was ook al geen touw vast te knopen. Flarden gesprekken uit wat leek op een leefgemeenschap, hooguit schetsen van songs. Ik snapte er niks van. Muziek in de vorm van een soort collage, daar was ik, een jaar of 16, nog niet aan toe tijdens mijn eerste kennismaking met deze plaat. Pas veel later ontdekte ik dat ik zomaar een album van de legendarische Duitse band Faust in mijn bezit had.

Eind jaren zestig begint het toenmalige West-Duitsland de erfenis van de Tweede Wereldoorlog krachtig van zich af te schudden. Het is de tijd waarin een jonge generatie een gevoel van ontnuchtering en desillusie ervaart en studenten vragen stellen over het nazi-verleden van hun ouders. Ophef ontstaat na een demonstratie in West-Berlijn tegen de sjah van Perzië (het huidige Iran), die uitmondt in de dood van student Benno Ohnesorg door de politie in 1967. Het incident leidt tot protest en radicalisering van Duitse actiegroepen die zich onder meer afsplitsen in de links-extremistische en gewelddadige Rote Armee Fraktion.

Faust debut

Deze ontwikkelingen en de steeds grotere acceptatie van rockmuziek in Europa, worden voor Duitse kunstacademiestudenten, die zich niet direct met politiek bezighouden, een belangrijke motivatie om in muzikaal opzicht te radicaliseren. De toekomst moet opnieuw worden uitgevonden, de breinen beginnen te kraken.

Jean-Hervé Péron is een van de oprichters van Faust: “We kenden in de jaren zestig de rock ‘n’ roll en blues. Prima. Niks tegen de blues. Maar het is niet datgene wat wij willen uitdrukken. Dus we zijn 18, 20 en we hebben iets te melden. We voelen een enorme druk. We hebben het over 1968. We hebben het over de sociale onrust in Europa, in Frankrijk, en over de gedemoraliseerde generatie jongeren in Duitsland.” Een voorhoede van beeldend kunstenaars, muzikanten, schrijvers en filmers manifesteert zich nadrukkelijk in het sterk veranderende culturele landschap bij onze oosterburen.

Ook ik radicaliseerde. Ik voelde de behoefte om muziek te beluisteren die anders was, die het experiment opzocht en niet uit de weg ging. Zo kwam ik al snel uit bij een aantal nieuwsgierigmakende bands uit Duitsland. Die zoektocht verliep achteraf gezien vrij eenvoudig. In de internetloze jaren tachtig waren zeldzame platen nog vindbaar én betaalbaar. Voor drie tientjes werd ik eigenaar van Can’s Tago Mago, in envelophoes. In een kringloopwinkel betaalde ik acht gulden (bijna 4 euro) voor de tweede lp van Kraftwerk: met gifgroene verkeerspion op de voorzijde, verschenen op ons eigen Philips-label. In die jaren hengelde ik eveneens voor een paar gulden uit de schappen een album met lege notenbalken op de hoes, Faust IV.

Faust IV

Om de lp van Fausts debuut zit een röntgenfoto van een gebalde vuist. De muziek bestaat voor een deel uit een tableau in de vorm van een collage en, bij wijze van contrast over de hele kant twee, een psychedelische rockjam. Opvolger So Far bevat een pikzwarte hoes waarin behalve de lp, een prentenset, ter illustratie van ‘songs’ die vollopen met gitaarriffs en vondsten die zo vanzelfsprekend klinken dat je tijdens het luisteren denkt: waarom is hier niemand eerder op gekomen? Het album laat zich telkens weer urgent en verrassend aanhoren.

Dat geldt min of meer ook voor de samenwerking met de Amerikaanse violist en avantgardepionier Tony Conrad. Tijdens een bezoek aan de Faustcommune in het plaatsje Wümme omstreeks 1973, belanden gezamenlijke opnamen op een album met mantra-achtige droneklanken. Drone kan worden bereikt door middel van een aanhoudend geluid of door herhaling van een noot. Zo ontstaat een tonaliteit waarop de rest van het stuk voortborduurt. De in april 2016 overleden Conrad geldt als een van de grondleggers van deze muziekvorm. Voeg er de Faustrock aan toe en je hebt een album dat tamelijk uniek is: Outside The Dream Syndicate. De plaat is intussen opnieuw uitgebracht.

Faust Outside

Faust krijgt aanvankelijk enige bekendheid omdat het album The Faust Tapes (1973) in korte tijd meer dan vijftigduizend keer over de toonbank gaat. De platenmaatschappij, het pas begonnen Virgin Records, lijkt het bij wijze van stunt een aardig idee om de lp te verkopen voor de prijs van een 45-toerensingle. Aangezien de plaat jaren nadien relatief vaak opduikt in bakken tweedehands, moet het luisteren naar Faust voor velen een verdeeld genoegen zijn geweest. Van het album worden steevast tientallen exemplaren aangeboden op verkoopsites als Discogs. Het was echter deze plaat, met duizelingwekkend hoesontwerp van kunstenares Bridget Riley, die me voor het eerst liet kennis maken met de mij toen nog onbekende Duitse band.

Veel heeft de verkooptruc niet geholpen. Rond het midden van de jaren zeventig wordt de Sturm und Drang van de Duitsers voortijdig tot staan gebracht. Een in de studio van discoproducer Giorgio Moroder in München opgenomen album, wil de platenmaatschappij niet eens meer uitbrengen. Pas veel later zal Chris Cutler, drummer van avantgardeband Henry Cow, waarmee Faust vaak heeft opgetreden, de muziekrechten overnemen. Via zijn Recommended Records verschijnen heruitgaven op vinyl, waarna Faust wordt herontdekt door een jonge generatie muziekliefhebbers die op dat moment een hausse aan bands onder de noemer new wave omarmt. De hernieuwde interesse leidt in 1990 tot een reünieconcert in Hamburg. Van de partij zijn bandleden uit de begintijd: Werner Zappi Diermaier, Jean-Hervé Péron en Hans Joachim Irmler.

Faust Tapes

Wie schetst mijn verbazing wanneer ik in februari 1995 tijdens het Tegentonenfestival in Paradiso in afwachting ben van een optreden van Faust. Op de bühne metershoog opeengestapelde televisietoestellen van het type antieke beeldbuis. Tijdens het optreden schijnt een kunstenaar iets te gaan schilderen op een canvas. En wat doen die balen hooi naast het podium? Simpel, ze worden halverwege het optreden per hooivork het publiek ingegooid. Péron beëindigt het mafste optreden waar ik ooit bij mocht zijn, door met een voorhamer de bollende tv’s stuk voor stuk aan gort te slaan. Dat ploffende geluid in de Amsterdamse poptempel, voor even omgetoverd tot boerenschuur, zal ik niet snel meer vergeten.

Muziek en albumvormgeving maken dat Faust radicaal afwijkt van wat tegenwoordig gangbaar is. De muziek van de band klinkt als een antwoord op zoek naar een vraag, waarbij associatie en spontaniteit even belangrijk of misschien wel belangrijker zijn dan het goed kunnen spelen van een instrument. Alles wat maar een beetje neigt naar herkenbaarheid breekt Faust rigoureus af. Zo gaat de songvorm verloren in een kluts van collage en improvisatie, om deze, wanneer het toevallig zo uitkomt, in verminkte staat op te pakken. Het is een van de redenen waarom de platen van Faust jaren na die eerste ontdekking telkens weer een belevenis zijn om naar te luisteren.

Selectieve discografie
Faust (Polydor 1971/2014)
So Far (Polydor 1972/2010)
The Faust Tapes (Virgin 1973/RéR 2010)
Outside The Dream Syndicate (met Tony Conrad) (Caroline 1973/Superior Viaduct 2016)
Faust IV (Virgin 1974/2009)
Return Of A Legend: Munich & Elsewhere (Recommended 1986)
Rien (Table Of The Elements 1994)
You Know faUSt (Klangbad 1997)
Disconnected (met Nurse With Wound) (Art-Errorist/Dirter 2008)

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

Tuxedomoon de elegante verklanking van verval

Is er een Amerikaanse band waarvan de muziek Europeser klinkt dan die van Tuxedomoon? Veel mensen veronderstellen dat de bandleden een stel Europeanen zijn, ofschoon ze oorspronkelijk uit San Francisco komen. Tuxedomoon was vroeger al een buitenbeentje: tijdens de new wavestroming van de jaren tachtig liet de donkere romantiek zich niet één-twee-drie in een hokje stoppen. De Amerikanen resideren in die tijd in Rotterdam. Nadien vertoeven ze jaren in Brussel waar de meeste albums worden opgenomen.

Lees verder op Zwartgoud

Tegentonen van Fake Mistress en Margriet Kicks-Ass

Fake Mistress

Fake Mistress. Met deze uitdagende naam maakt Olivia Pils muziek die op zijn minst ongewoon is. Ze zingt en begeleidt zichzelf met apparatuur waar veel knopjes en kabeltjes aan vastzitten. Op haar recente werk worden vrouwelijke moordenaars in het zonnetje gezet. De songs klinken ongemakkelijk en onheilspellend.

Lees verder op ZwartGoud

Tentoonstelling Nie Wieder Störungsfrei zit braaf vastgeketend aan het verleden

Hatstand, Table, Chair (Allen Jones, 1969)

In een documentaire uit 1969 vertelt Gerhard Richter dat hij “alles eruit wil laten zien alsof het niet geschilderd is”. Intussen zien we de beroemde Duitse schilder ijverig aan de slag met kwast en verf op canvas. Het is een fragment uit een film die te bekijken is tijdens Nie Wieder Störungsfrei! Ondertitel: Aachen Avantgarde seit 1964. Richters uitspraak staat haaks op de werken van zijn collega’s die enkele jaren daarvoor demonstratief de kunstwereld wakker maakten. Je zou het misschien niet verwachten met een kunststad als Keulen in de buurt, maar het was Aken dat in het Duitsland van de jaren zestig onbekende kunstenaars ruim baan gaf. Van de door Akense galerieën en musea aangekochte werken is nu een groot deel te zien in het Ludwig Forum, dat zich dankzij het echtpaar Ludwig ook niet onbetuigd liet met kunstaankopen.

Net als in veel andere West-Europese landen verkeerde Duitsland destijds in staat van maatschappelijke oproer. De consumptiemaatschappij en het kapitalisme werden gehekeld, de naoorlogse generatie leverde kritiek op het functioneren van de democratie en het nazi-verleden van hun ouders. Engagement in de kunst werd de normaalste zaak van de wereld. Dat de geest van Joseph Beuys, peetvader van de Aktionskunst, door de tentoonstelling waart hoeft geen verbazing te wekken. Wel dat zijn werk schittert door afwezigheid. Slechts de tentoonstellingscatalogus en -poster sieren zijn verbeten gelaat met bloedneus, die hem werd bezorgd door een bezoeker tijdens het Festival der Neuen Kunst van 1964. De ideeën en theorieën van de provocateur Beuys stuitten bij de goegemeente vooral op onbegrip en onwil. “Voor mij is de vorming van de gedachte een vorm van beeldhouwkunst”, beweerde hij.

Bij het Ludwig beseffen ze natuurlijk wel dat al die Fluxus- en actiekunstenaars in de loop der jaren naam en faam hebben verworven. Sommigen is een eigen ruimte gegund, waaronder pionier Wolf Vostell: een van de eerste Duitse Fluxuskunstenaars. Fluxus wilde kunst, leven en maatschappij bijeen brengen door middel van ‘optredens’ waarbij de handeling van de kunstenaar als kunst werd beschouwd. De nadruk op het triviale, museums en elite in de ban, ieder mens een kunstenaar. Althans, dat was de bedoeling. Maar de jonge garde Duitsers bogen Fluxus om tot een politiek getint pamflet.

Neem Vostells Heuschrecken. Deze enorme installatie bestaat uit een fotomontage, 20 tv’s en een camera die de kijker filmt. In de montage zit een lesbisch paar dat de liefde bedrijft, terwijl aan de rechterzijde op een krantenfoto Russische tanks Praag binnenrijden. Daaronder, geplakt op een vloer van teer: kledingstukken en menselijke botten. Vostell wilde met zijn kritiek op de samenleving zich tegelijkertijd losmaken van het stigma van de kunstenaar als lijdend mens. De voorstelling van Vostell is ondanks de duidelijke stellingname een prikkelende mix van diverse multimedia. Wat zich een beetje wreekt bij deze overzichtstentoonstelling is de politieke lading als aanjager voor veel andere werken. Beelden waar het manifest van toen vanaf spat komen tegenwoordig lang niet zo krachtdadig en doelbewust over, laat staan dat ze confronteren of iets losmaken. In Aken zijn de kunstwerken en het tijdperk waarin ze gemaakt werden nauw verweven, reflecteren ze hooguit aan elkaar, zijn context en beeldesthetiek tot elkaar veroordeeld.

Nie Wieder Störungsfrei! laat zien dat de beweegredenen voor de kunstaankopen werden ingegeven door ongetwijfeld goedbedoelde maar hardnekkige mores van meer politieke dan artistieke motieven. Van empathie en identificatie met het engagement van het werk is weinig meer over, de beroering die de kunstenaars toentertijd opriepen wekt nu hooguit verbazing. Collages waarin politieke figuren en krantenknipsels zijn verwerkt ogen statisch en weinigzeggend. De naam Rembrandt in sierlijke neonletters, een spaarvarken met hakenkruis, ach, het is best grappig allemaal. Altijd beter dan schouderophalend gedateerd.

Is er dan niks te zien dat de geest aanwakkert? Zeker. Hat Stand, Table, Chairuit 1969 is een berucht werk van Allen Jones. Drie vrouwelijke paspoppen die in niet mis te verstane ‘aankleding’ lijken weggelopen uit een sessie voor SM. Natuurlijk kreeg Jones de wind van voren, met name uit feministische hoek. Jones’ eigenzinnige tableau vivant neemt ongemakkelijk plaats in het onderbewustzijn om daar wél aan de haal te gaan met interpretatie, verbeelding en werkelijkheid. Opvallend is het speciaal voor de tentoonstelling gemaakte werk door leden van het Akense Designmetropole. Onder het bordje Registrierung staat een bureau met computer waarachter niemand zit. Naast de printer ligt een stapeltje A-4tjes waarvan de uitdraai op een grote hoop is gegooid. Papier is geduldig. Bureaucratie trekt zich nergens wat van aan. Van een doeltreffende eenvoud, én van alle tijden.

Meer informatie: Ludwigforum

Nie Wieder Störungsfrei! Aachen Avantgarde Seit 1964 (Ludwig Forum, Aken, t/m 5 februari 2012)

 

Amerikaanse kunst in Hyper Real, flipperkast voor de geest

Jeff Koons (foto: Harry Prenger)

De stadsbeelden van Amerika zijn onderhand zo bekend dat mensen die voor het eerst New York bezoeken het gevoel hebben dat ze thuiskomen. Ach, Amerika, dat voor ons nuchtere Nederlanders zo ongrijpbare land aan de andere kant van de oceaan, met zijn grote contrasten, monumentale landschappen, wolkenkrabbers, stroeve politiek en kleurrijke bevolking. Zo’n land smeekt gewoon om te worden vastgelegd in afmetingen waarin je de werkelijkheid zelden meemaakt. Dan wordt Amerika pas echt weird, vervreemdend en unheimisch. Wanneer de wéérgave van de realiteit indringender blijkt dan de realiteit die we dagelijks om ons heen ervaren. Die voelbare realiteit is namelijk rommelig en onoverzichtelijk. En juist daar weet een stelletje Amerikaanse rouwdouwers wel raad mee.

De tentoonstelling Hyper Real in Aken (D) toont grote en minder grote namen, bekend en onbekend werk, oogstrelend genot tegenover engagement. Tegenstellingen die overzichtelijk en thematisch verdeeld zijn over de gelijkvloerse, monumentale oppervlakte van het museum met die wat rare naam: het Ludwig Forum. De uitgestrektheid van het gebouw maakt het bekijken van de kunstwerken onbeschroomd, lekker gemoedelijk. Wel zo prettig bij kunstenaars die met hun ondoorgrondelijke interpretaties en beelden de begrippen goed, slecht, mooi en lelijk fiks onderuit vegen. Hyper Real is flipperkast én jukebox voor de geest.

Het is verleidelijk om het tentoongestelde uit te leggen volgens de theorie van schrijver-socioloog Jean Baudrillard. Zijn betoog houdt in dat we met zijn allen in een realiteit leven waarin steeds minder waarheid is omdat we de werkelijkheid baseren op een door de media gecreëerde realiteit. Volgens de Fransman leidt dit tot de afwezigheid van perspectief, aangezien ons leven wordt gedirigeerd door het ‘nieuws’ in de media. Verleng de theorie gerust door naar internet met zijn social media, waarin de gebruiker de werkelijkheid interpreteert door datgene te laten zien wat hij wíl laten zien.

Maar sleep in godsnaam de tentoonstelling er niet met de haren bij om dit standpunt kracht bij te zetten. Tijdens Hyer Real ben je je er voortdurend van bewust dat je kijkt naar kunst, dat je rondloopt temidden van kunstzinnige varianten op de werkelijkheid. Niet meer en niet minder. De kunstwerken in Aken werden gemaakt toen twitter nog een vogelgeluidje was en facebook een uitklapbare fotomap van je klasgenoten.

Around 1970 luidt niet voor niks de ondertitel van deze kakelbonte exhibitie. 1970 gold immers als het hoogtepunt van de Amerikaanse kunststroming genaamd hyperrealisme. Daar was men in Amerika ook wel aan toe na die dekselse Pop Art. Niet alleen in de kunst werd 1970 ijkpunt voor een ommekeer waarin de Amerikaanse burger de barricaden besteeg om zijn onvrede te laten horen, waarna een meer sociaal-maatschappelijke bewustwording leidde tot andere inzichten: tot de keerzijde van de American way of life. Omstreeks 1970 kwam de kritiek op het Amerikaanse imperialisme goed op gang. Neem de Vietnamoorlog. Deze wordt door Martha Rosler gevangen in even simpele als effectvolle collages die de vinger op de zere plek leggen. Vietnam tot in de diepste vezels van de Amerikaanse samenleving. GI’s die niet door de Vietnamese jungle maar door de Amerikaanse buitenwijken en huiskamers patrouilleren.

Er is meer kritiek. Jean-Michel Basquiat illustreert een maatschappijkritische context over het leven van minderheden in de marge van de samenleving. De tekens en figuren, het straatjargon en de verwijzingen naar jazzmuziek dansen bij Basquiat over beeldverhalende canvassen in een cadans die onrustig is en tegelijk speels en ontroerend. Basquiat is meer jazz dan avant-garde. In Aken hangen van het voormalige wonderkind uit New York een aantal prachtige werken.

Er is nog iets anders te zien en te voelen tijdens de tentoonstelling. Die van de zieltogende verlatenheid. Er zijn veel foto’s van tankstations, van straten en steden. Geen mens in de buurt. Op de spartaanse stillevens die pop artist Ed Ruscha maakte van motel- en hotelgevels is evenmin een sterveling te bekennen. Er is sowieso veel aandacht voor fotografie. Lee Friedlander, bekend van jazzplatenhoezen, met zijn fotoserie Little Screens waarin het tv-toestel een hoofdrol opeist. Kampioen van de uitvergroting van het onheilspellende is William Eggleston. Bij zijn foto’s, die jammergenoeg een tikkeltje weggestopt hangen, heb je het onbestemde gevoel dat er iets staat te gebeuren of dat er net iets vreselijks gebeurd is. Piepklein gekaderd in de beschermende omgeving van passe-partouts.

(foto: Harry Prenger)

Wanneer kunst dicht op de werkelijkheid gaat zitten voel je de schop onder je kont. Wat liggen die zwervers hier in hun eigen vuil? Waar gaat de verlopen uitziende huisvrouw naartoe met haar overvolle winkelwagen? De replica’s van Duane Hanson werden veertig jaar geleden gemaakt maar zijn nog steeds actueel. “Ik geef de menselijke waarden weer. Mijn werk gaat over mensen die in stille vertwijfeling leven”, aldus Hanson ooit in een interview. Nee, dan de bijdrage van John De Andrea: een jonge vrouw op een matras. Spiernaakt. Zo levensecht dat je je ogen er amper van af kunt houden, je naderbij komt om te zien of er niet toch stiekem echt een naakte vrouw ligt te zonnebaden. Met kunst weet je het maar nooit. Geamuseerd vertelt een suppoost aan de verslaggever dat Duitse bezoekers geen foto’s durven maken van de jongedame, maar er quasi achteloos en besmuikt aan voorbij lopen.

Couple toont twee jonge mensen. Zij naakt, hij met de kleren aan. De gelaatsuitdrukking van de jongelui is asgrauw en intriest. Deze relatie waar je met je neus bovenop staat, is niet van het maatschappelijk engagement, maar van het medelijden, de melancholie en de intense droefheid. Dat laatste geldt min of meer ook voor de foto’s van Larry Sultan van verveeld kijkende pornoacteurs, en voor het onheil dat zich afspeelt in de landschappen van Gerhard Richter. Inderdaad zijn het niet alleen Amerikanen die in Aken de dienst uitmaken. Richter zet hyperrealisme om in kunst die aangrijpt en betovert. Sigmar Polke laat ons een opengevouwen krant lezen, besproeid met spuitbusslogans. Het is trouwens een van de vele werken die tot de vaste collectie behoren van het Ludwig. Met dank aan de kunstverzameling van museumnaamgever Peter Ludwig: steenrijk geworden als bedenker van diverse chocoladesoorten.

Een voltreffer is de ruimte die voelt als een tijdmachine. Back to the seventies. Over vier wanden zijn filmaffiches en platenhoezen opgehangen. Ertussenin beeldschermen met fragmenten van Amerikaanse films uit de tijd toen Hollywood nog kwaliteitsfilms produceerde. Zoals Chinatown, Taxi Driver, The Godfather. Uit de luidsprekers dreunt soul, funk en psychedelische rock. Onderuit op de zitzakken kun je door oude nummers van Playboy of Life Magazine bladeren.

Er is nog meer te zien dat indruk maakt en met gemak de term legendarisch draagt. Tom Wesselmans beeldinstallatie met lief radiatortje: Great American Nude No 54; de zes Mick Jaggerportretten bewerkt met viltstift, zeefdruk en acetaat door Andy Warhol; Roy Lichtensteins Pow Wow dat door zijn hoekigheid weigert mee te werken aan alles wat rond en esthetisch is. Van dezelfde Lichtenstein een van zijn beroemde raserdot-schilderijen. En verder? Jasper Johns, Chuck Close, Keith Haring en natuurlijk Jeff Koons. Waar je niet omheen kunt, letterlijk, is Koons’ suikerzoete liefdesaltaar waarop hij zijn voormalige echtgenote Ilona Staller bemint. De koning van de überkitsch ligt in zijn blote kont gewoon middenin de hal. Koons beschouwt niet zijn eigen werk als kunst, maar ziet het publiek en diens dromen, ambities en gevoelens als kunstwerk, als ready-made. Wat zullen de emoties zijn bij de toeschouwers die oog in oog met Jeff en Ilona (Made In Heaven) staan? Het antwoord blijft onzichtbaar, aan het oog onttrokken.

Tot slot Richard Estes. De superrealist laat de werkelijkheid eruitzien als een foto in drie of meerdere elkaar overlappende beelden die je het gevoel geven dat je niet goed weet waarnaar je kijkt. De werkelijkheid, de spiegeling van de werkelijkheid óf een fotografische versie van dit alles. De ontdekking is er niet minder om. Het bordje ernaast meldt dat Estes dit visuele spektakel bewerkstelligde met eenvoudige middelen. Het blijkt simpelweg een olieverfschilderij.

Hyper Real Art and America Around 1970 (Ludwig Forum, Aken (D), t/m 19 juni 2011)

 

Verborgen onrust bij elektronicaband aTelecine ‘het is vier uur ’s nachts, ook jij bent naakt en je bloedt’

Cassettebandjes. Ooit golden ze als goedkoop alternatief om snel muziek aan de man of vrouw te brengen. Ook kon je je favoriete liedjes opnemen speciaal bedoeld voor vriendje of vriendinnetje. Sonic Youthgitarist Thurston Moore, fanatiek verzamelaar én maker van tapecompilaties, schreef een boek over het métier cassettebandje als muziekoverdracht.

Een band die zich voor een deel laat inspireren door de experimentele muziek uit de jaren tachtig toen de cassette nog gemeengoed was, is het Amerikaanse aTelecine. De titel van het album A Cassette Tape Culture is duidelijk afgeleid van Moore’s boek Mix Tape: The Art Of Cassette Culture. De plaat verscheen bij de muziektak van modewinkel en galerie Pendu NYC, thuishaven voor de lokale underground van Brooklyn. De plaat van aTelecine klinkt als een compilatie op cassette; een mixtape waarop de muziek hapert, vervormt, differentieert in sfeer en klank. Muziek die zijn stinkende best doet niet op een song te willen lijken. Onderkoeld is de benadering, vervreemdend de ambiance. Duidelijk wordt dat aTelecine sterk leunt op de industriële avant-garde van pioniers Throbbing Gristle.

aTelecine – A Cassette Tape Culture lp

Opmerkelijk toch. Je zou op grond van de vermoedelijk jonge leeftijd van de bandleden eerder verwantschap veronderstellen met eigentijdse industriële bands als de ronkende industrialmetal van Nine Inch Nails, of met de noiseuitbarstingen van Wolf Eyes. Niets van dit alles. Waar Throbbing Gristle openlijk subversief was, en door leden van het Britse Lagerhuis ‘slopers van de beschaving’ werden genoemd, belichaamt aTelecine een laten we zeggen verborgen soort nihilisme.

Mocht er ooit een remake komen van de futuristische film-noir Blade Runner, dan maakt aTelecine de ideale soundtrack. Dat geldt zeker voor het debuut …And Six Dark Hours Pass. Dit album, met verstilde pentekeningen van Frédéric Poincelet op de hoes, opent met een nieuwsbericht dat wegens de onverstaanbaarheid en ruis vermoedelijk naderend onheil aankondigt. Een repeterend geluidsmotiefje slaat vervolgens minutenlang aan het treiteren. Als je de plaat omdraait lees je in de uitloopgroef de volgende boodschap: ‘it’s 4am and your naked and bleeding too’. Kant twee is een deken van genuanceerde soundscapes. Ze doen denken aan Coil, een andere inspiratiebron van de jonge Amerikanen.

aTelecine – …And Six Hours Pass lp

Eerder dan een wereld herstellen wil aTelecine laten zien dat hij onherstelbaar is. Aan de hand van zijn analoge umfeld zou de band wel eens aansluiting kunnen vinden bij de generatie digitalen, ofwel de na 1986 geboren ‘grenzelozen’ die steeds meer moeite lijken te hebben met tijds- waarde- en rolbepalingen. De beide albums van aTelecine verklanken een uitzichtloosheid die als een tikkende tijdbom leven en maatschappij aan het verankeren is. Luisteren naar aTelecine is jezelf de vraag stellen wat nu wèrkelijk de werkelijkheid is. Het antwoord is ontluisterend. Er is geen antwoord. De songtitels spreken voor zich: Find Nothing Else, I Came I Sat I Departed, Sky Then Trees Then Birds Then Nothing. Hier heerst de doorgeschoten variant op Descartes’ ‘ik denk dus ik ben’: namelijk Arnon Grunbergs ‘ik denk, dus ik ben een gevangene’.

Overigens bezit het Amerikaanse drietal nog een andere opvallende overeenkomst met de bedenkers van het motto ‘industrial music for industrial people’. Throbbing Gristle’s Cosey Fanni Tutti was ooit actief als pornoactrice en stripper. aTelecine’s Sasha Grey verdiende ooit de kost als pornoactrice. Grey vertegenwoordigt het nieuwe porno-elan: jong, zelfverzekerd, ongegeneerd. Bijna op het intimiderende af de porno aanjuichend, zoals te zien in tal van filmpjes op internet. Toch zegde Grey de porno-industrie vaarwel in ruil voor een serieuze loopbaan in mainstreamfilms. Sasha Grey is een pseudoniem. Modelleerde Tutti zich naar Mozart’s opera Cosi Fan Tutte, wat letterlijk betekent ‘zo doen alle vrouwen’, Grey refereert met haar achternaam aan het personage in The Picture Of Dorian Gray van Oscar Wilde. Desnoods tot de dood erop volgt zit in deze romanklassieker het leven de kunst achterna voor het bereiken van het schoonheidsideaal. Het is een esthetiek waarin de kunstenaar zich in wezen schuilhoudt en de kunst zelf wordt geopenbaard. Nee inderdaad, ze is niet van de straat deze Marina Ann Hantzis.

Augustus 2013 komt het bericht dat Grey aTelecine inmiddels heeft verlaten.

aTelecine – A Vigilant Carpark 7″

aTelecine – ….And Six Dark Hours Pass (lp, Dais Records, 2010)
aTelecine – A Cassette Tape Culture (lp, Pendu Sound 2011)