Rod Summers archeoloog in geluid en vervreemding

Geluidsarcheoloog? Performancekunstenaar? Het zal Rod Summers een zorg zijn. Daarom bevalt het hem in Maastricht zo goed. In de Limburgse hoofdstad kan hij in alle rust werken aan zijn kunstvorm met stem en geluid die hij als het even kan in een context plaatst die verwart en vervreemdt. Wie nog wel eens naar de radio luistert, bijvoorbeeld naar een hoorspel, probeert zich de beelden bij de stemmen en geluiden voor de geest te halen. Summers is er veel aan gelegen zo’n beeld achter de stem en het visuele achter het geluid te creëren. Een omschakeling van het auditieve naar het imaginaire.

Aan een knusse houten tafel aan de achterzijde van zijn woonkamer praat de bijna zeventigjarige Summers enthousiast over zijn werk. Zijn tongval verraadt zijn Engelse afkomst; Summers werd geboren in het graafschap Dorset. Summers: “Ik ben opgegroeid met radio, met hoorspelen over sciencefiction. Wanneer je toen naar de radio luisterde, zeker in de jaren vijftig, probeerde je je voor te stellen hoe de personages eruit zagen. Van de personen die spraken probeerde je in gedachten een beeld te vormen, je maakte in je hoofd een tekening. Wat ik in mijn werk doe is eigenlijk hetzelfde. Ik zorg voor het het geluid, jij maakt het beeld. Dat is het visuele van mijn geluidskunst, het creëren van beelden via geluid.”

Met behulp van collages en al dan niet vervormde stemkunst, is zijn werkwijze vrij experimenteel te noemen, maar het eindresultaat opvallend toegankelijk en lichtvoetig. Daarvan getuigt ook de cd More Recently, dat acht werkjes omgevingsgeluid en kosmische synthesizermuziek laat horen, deels gebaseerd op gedichten van Lewis Carroll en John M. Bennett.

Een van Summers’ opvallendste composities is Scratch Symphony uit 1976. Hierin manipuleert hij klanken in de beste traditie van de tapes- en collageknutsels zoals ze destijds gemaakt werden door een groep als Cabaret Voltaire. Van een link met de hedendaagse rock-avantgarde wil hij echter niets weten. Summers zucht eens diep: “Ik ben niet zo happy met de noisemuziek zoals die tegenwoordig wordt gemaakt. Sommige dingen zijn te gek, maar veel van wat ik hoor is alleen maar lawaai: onprettig en vervelend om naar te luisteren, muziek die helemaal niets te vertellen heeft. Ik wil iets horen met een begin en een einde, iets dat inhoud heeft. Maar misschien ben ik gewoon ouderwets. Het ergste wat je ervan kunt zeggen is dat ze niks te vertellen hebben. Ik denk niet dat ze de tijd nemen om naar hun eigen muziek te luisteren en teveel bezig zijn met de techniek. Ze besteden te weinig aandacht aan wat ze willen doen met die techniek. They’re milking the cow to death.“

Zoals gezegd is het oproepen van vervreemding door iets alledaags in een andere context te herplaatsen een van de pijlers waarop Summers’ werk drijft. In Just Listen To It krijgt een verslag van een Engelse voetbalwedstrijd op tv een andere wending doordat de namen van de spelers uit het commentaar zijn weggeknipt. Wat overblijft is een opsomming van de handelingen die hierdoor iets absurdistisch krijgt. Vreemd genoeg mis je het noemen van de voetballers niet eens. Niet iedereen is gediend van Summers’ kunst. Wanneer hij Severely Spliced in de huiskamer afspeelt, waarin een echoënde stem spookachtig weerkaatst, glunderen zijn pretoogjes vanonder zijn grijze lokken. “Toen ik dit aan een leraar van de Jan van Eyck Academie liet horen, schrok ie zich wild. Hij zette ogenblikkelijk  zijn koptelefoon af, ha ha”.

(eerder gepubliceerd in 2010 via ZwartGoud)

 

Recensie: Af Ursin Murille eerbetoon aan het analoge

Dus zo kan het ook. We waren het bijna vergeten: avantgarde zonder gebruik te maken van een laptopcomputer. Want waar het uiteindelijk op aan komt zijn de ideeën, de durf, het talent, het muzikale inzicht. Zaken die bij Af Ursin volop aanwezig zijn. Af Ursin is het pseudoniem van de Belg Timo van Luijk. Zijn muziek weerspiegelt het adagium van John Cage, namelijk dat omgevingsgeluiden eveneens tot de muzikale taal behoren. Niet dat Af Ursin omgevingsgeluiden maakt, integendeel, maar zijn collageachtige gebruik van akoestische instrumenten en voorwerpen lijkt niettemin te refereren aan geluiden van alledag.

Tegelijkertijd weerklinkt er een samenspel tussen Westerse avantgarde en Aziatische muziek (zie wederom John Cage). Zoals onder meer blijkt uit de tuimelende gamelanklanken die in hun voortdurende aanwezigheid sijpelen en inkleuren. Andere geluiden en instrumenten vallen hierdoor extra op. Opeens is er die freejazz-saxofoonsolo, gevolgd door schrapende noise (in het werk Astral Twist), en soms zelfs rituele zang.

Blijkt niet alleen prima samen te gaan, het bezorgt de muziek zelfs een onderhuidse spanning. Een andere meerwaarde die al doende ontstaat is de ondertoon van melancholie, omdat je beseft naar iets te luisteren wat bijna uitgestorven is, zeker in de avantgarde. This Heat had het, Tortoise op zijn betere momenten, en voor mijn part de platen van het Nonesuch-label met Indonesische en Javaanse muziek: muziek die toegankelijk en experimenteel tegelijk is, vastberaden maar nooit opdringerig, bescheiden en uitnodigend, sierlijk en rudimentair, muziek die inelkaar vlecht en katalyseert. En alsof dit niet genoeg is, is Murrille ook een eerbetoon aan het analoge, want een grammofoonplaat uitgebracht in eigen beheer.

(eerder gepubliceerd via Cut-up, 2002)

Three Willow Park: muzikale rariteiten van Raymond Scott

Vanaf industrieterrein Willow Park Center op Long Island, runde Raymond Scott een winkel waar hij experimenteerde met klankmachines. In zijn ‘muzieklaboratorium’, zijn ‘electronic inner space’, spendeerde hij zoveel tijd dat hij amper nog in de openbaarheid trad als componist en performer. Het zou zomaar een van de redenen kunnen zijn waarom de in 1994 overleden Scott altijd de status van cultfiguur is blijven behouden.

Toch behoort hij beslist tot de pioniers van de elektronische muziek. Tegenwoordig keert zijn werk terug in de vorm van samples op platen van rapper-producers Flying Lotus, Madlib, J Dilla en Danny Brown. Een van de door hemzelf in elkaar geknutselde muziekinstrumenten is het Electronium. Gebaseerd op de analoge communicatietechniek in oude telefooncentrales, kan het apparaat gelijktijdig componeren en uitvoeren. Naar verluidt werkte Scott tien jaar aan de enorme houten klankkast.

Veel van de muziek uit dit gevaarte, ontstaan in de jaren zestig, is te horen op deze set van drie lp’s. Zijn composities zijn dikwijls ironisch, frivool, een tikje extravagant. Soms lijken ze vooruit te lopen op wat we nu zouden omschrijven als technopop, zoals Toy Funk uit 1970 of Cindy Flair Look Rhythm, afkomstig uit een ander speeltje van de uitvinder.

Andere titels geven precies aan wat je hoort: Nice Sound #3. Bij Scott is het goed toeven voor wie elektronische muziek academisch of abstract vindt. Al zou je willen dat zijn composities net iets minder ludiek en meer doorwrocht klinken. Vaak neigen ze naar oefeningen in klank, naar muziek die nergens naartoe gaat of gewoon frequentiegeluiden aan elkaar verbindt. Dan worden het schelle deuntjes die wel erg vrijblijvend klinken, zeker voor een beetje avontuurlijk ingestelde luisteraar. Deze albumset moeten we daarom vooral zien als een aanvullend curiosum op het oeuvre van Raymond Scott.

Three Willow Park is een pakket van drie losse lp’s inclusief boekwerk van twintig pagina’s, verzorgd door grafisch ontwerper Piet Schreuders (van o.a. VPRO Gids). Zoals vanouds is er door Basta Music veel aandacht besteed aan de kwaliteit van de persing en de vormgeving van de hoezen. Bij dit Nederlandse label werken muziekarcheologen die doorgaan met spitten waar anderen stoppen. Aldoende legde men de afgelopen decennia een compleet erfgoed bloot met exotische en andere, minder gangbare muziek.

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Muzikale anarchie: Duitse krautrockband Faust

Faust 1972

Wist ik veel. Wat ik wel wist was dat ik niet goed wist wat ik ermee aan moest. En hoe de plaat in mijn bezit was gekomen. Wanneer ik ‘m uit de kast haalde was dat vooral om ernaar te kijken. Wat nog niet meeviel. De voorkant stond volgeschreven met stukjes tekst uit Engelse kranten. Bij het zien van de achterzijde werd ik duizelig van een optisch lijnenspel. Aan de muziek was ook al geen touw vast te knopen. Flarden gesprekken uit wat leek op een leefgemeenschap, hooguit schetsen van songs. Ik snapte er niks van. Muziek in de vorm van een soort collage, daar was ik, een jaar of 16, nog niet aan toe tijdens mijn eerste kennismaking met deze plaat. Pas veel later ontdekte ik dat ik zomaar een album van de legendarische Duitse band Faust in mijn bezit had.

Eind jaren zestig begint het toenmalige West-Duitsland de erfenis van de Tweede Wereldoorlog krachtig van zich af te schudden. Het is de tijd waarin een jonge generatie een gevoel van ontnuchtering en desillusie ervaart en studenten vragen stellen over het nazi-verleden van hun ouders. Ophef ontstaat na een demonstratie in West-Berlijn tegen de sjah van Perzië (het huidige Iran), die uitmondt in de dood van student Benno Ohnesorg door de politie in 1967. Het incident leidt tot protest en radicalisering van Duitse actiegroepen die zich onder meer afsplitsen in de links-extremistische en gewelddadige Rote Armee Fraktion.

Faust debut

Deze ontwikkelingen en de steeds grotere acceptatie van rockmuziek in Europa, worden voor Duitse kunstacademiestudenten, die zich niet direct met politiek bezighouden, een belangrijke motivatie om in muzikaal opzicht te radicaliseren. De toekomst moet opnieuw worden uitgevonden, de breinen beginnen te kraken.

Jean-Hervé Péron is een van de oprichters van Faust: “We kenden in de jaren zestig de rock ‘n’ roll en blues. Prima. Niks tegen de blues. Maar het is niet datgene wat wij willen uitdrukken. Dus we zijn 18, 20 en we hebben iets te melden. We voelen een enorme druk. We hebben het over 1968. We hebben het over de sociale onrust in Europa, in Frankrijk, en over de gedemoraliseerde generatie jongeren in Duitsland.” Een voorhoede van beeldend kunstenaars, muzikanten, schrijvers en filmers manifesteert zich nadrukkelijk in het sterk veranderende culturele landschap bij onze oosterburen.

Ook ik radicaliseerde. Ik voelde de behoefte om muziek te beluisteren die anders was, die het experiment opzocht en niet uit de weg ging. Zo kwam ik al snel uit bij een aantal nieuwsgierigmakende bands uit Duitsland. Die zoektocht verliep achteraf gezien vrij eenvoudig. In de internetloze jaren tachtig waren zeldzame platen nog vindbaar én betaalbaar. Voor drie tientjes werd ik eigenaar van Can’s Tago Mago, in envelophoes. In een kringloopwinkel betaalde ik acht gulden (bijna 4 euro) voor de tweede lp van Kraftwerk: met gifgroene verkeerspion op de voorzijde, verschenen op ons eigen Philips-label. In die jaren hengelde ik eveneens voor een paar gulden uit de schappen een album met lege notenbalken op de hoes, Faust IV.

Faust IV

Om de lp van Fausts debuut zit een röntgenfoto van een gebalde vuist. De muziek bestaat voor een deel uit een tableau in de vorm van een collage en, bij wijze van contrast over de hele kant twee, een psychedelische rockjam. Opvolger So Far bevat een pikzwarte hoes waarin behalve de lp, een prentenset, ter illustratie van ‘songs’ die vollopen met gitaarriffs en vondsten die zo vanzelfsprekend klinken dat je tijdens het luisteren denkt: waarom is hier niemand eerder op gekomen? Het album laat zich telkens weer urgent en verrassend aanhoren.

Dat geldt min of meer ook voor de samenwerking met de Amerikaanse violist en avantgardepionier Tony Conrad. Tijdens een bezoek aan de Faustcommune in het plaatsje Wümme omstreeks 1973, belanden gezamenlijke opnamen op een album met mantra-achtige droneklanken. Drone kan worden bereikt door middel van een aanhoudend geluid of door herhaling van een noot. Zo ontstaat een tonaliteit waarop de rest van het stuk voortborduurt. De in april 2016 overleden Conrad geldt als een van de grondleggers van deze muziekvorm. Voeg er de Faustrock aan toe en je hebt een album dat tamelijk uniek is: Outside The Dream Syndicate. De plaat is intussen opnieuw uitgebracht.

Faust Outside

Faust krijgt aanvankelijk enige bekendheid omdat het album The Faust Tapes (1973) in korte tijd meer dan vijftigduizend keer over de toonbank gaat. De platenmaatschappij, het pas begonnen Virgin Records, lijkt het bij wijze van stunt een aardig idee om de lp te verkopen voor de prijs van een 45-toerensingle. Aangezien de plaat jaren nadien relatief vaak opduikt in bakken tweedehands, moet het luisteren naar Faust voor velen een verdeeld genoegen zijn geweest. Van het album worden steevast tientallen exemplaren aangeboden op verkoopsites als Discogs. Het was echter deze plaat, met duizelingwekkend hoesontwerp van kunstenares Bridget Riley, die me voor het eerst liet kennis maken met de mij toen nog onbekende Duitse band.

Veel heeft de verkooptruc niet geholpen. Rond het midden van de jaren zeventig wordt de Sturm und Drang van de Duitsers voortijdig tot staan gebracht. Een in de studio van discoproducer Giorgio Moroder in München opgenomen album, wil de platenmaatschappij niet eens meer uitbrengen. Pas veel later zal Chris Cutler, drummer van avantgardeband Henry Cow, waarmee Faust vaak heeft opgetreden, de muziekrechten overnemen. Via zijn Recommended Records verschijnen heruitgaven op vinyl, waarna Faust wordt herontdekt door een jonge generatie muziekliefhebbers die op dat moment een hausse aan bands onder de noemer new wave omarmt. De hernieuwde interesse leidt in 1990 tot een reünieconcert in Hamburg. Van de partij zijn bandleden uit de begintijd: Werner Zappi Diermaier, Jean-Hervé Péron en Hans Joachim Irmler.

Faust Tapes

Wie schetst mijn verbazing wanneer ik in februari 1995 tijdens het Tegentonenfestival in Paradiso in afwachting ben van een optreden van Faust. Op de bühne metershoog opeengestapelde televisietoestellen van het type antieke beeldbuis. Tijdens het optreden schijnt een kunstenaar iets te gaan schilderen op een canvas. En wat doen die balen hooi naast het podium? Simpel, ze worden halverwege het optreden per hooivork het publiek ingegooid. Péron beëindigt het mafste optreden waar ik ooit bij mocht zijn, door met een voorhamer de bollende tv’s stuk voor stuk aan gort te slaan. Dat ploffende geluid in de Amsterdamse poptempel, voor even omgetoverd tot boerenschuur, zal ik niet snel meer vergeten.

Muziek en albumvormgeving maken dat Faust radicaal afwijkt van wat tegenwoordig gangbaar is. De muziek van de band klinkt als een antwoord op zoek naar een vraag, waarbij associatie en spontaniteit even belangrijk of misschien wel belangrijker zijn dan het goed kunnen spelen van een instrument. Alles wat maar een beetje neigt naar herkenbaarheid breekt Faust rigoureus af. Zo gaat de songvorm verloren in een kluts van collage en improvisatie, om deze, wanneer het toevallig zo uitkomt, in verminkte staat op te pakken. Het is een van de redenen waarom de platen van Faust jaren na die eerste ontdekking telkens weer een belevenis zijn om naar te luisteren.

Selectieve discografie
Faust (Polydor 1971/2014)
So Far (Polydor 1972/2010)
The Faust Tapes (Virgin 1973/RéR 2010)
Outside The Dream Syndicate (met Tony Conrad) (Caroline 1973/Superior Viaduct 2016)
Faust IV (Virgin 1974/2009)
Return Of A Legend: Munich & Elsewhere (Recommended 1986)
Rien (Table Of The Elements 1994)
You Know faUSt (Klangbad 1997)
Disconnected (met Nurse With Wound) (Art-Errorist/Dirter 2008)

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

Tuxedomoon de elegante verklanking van verval

Is er een Amerikaanse band waarvan de muziek Europeser klinkt dan die van Tuxedomoon? Veel mensen veronderstellen dat de bandleden een stel Europeanen zijn, ofschoon ze oorspronkelijk uit San Francisco komen. Tuxedomoon was vroeger al een buitenbeentje: tijdens de new wavestroming van de jaren tachtig liet de donkere romantiek zich niet één-twee-drie in een hokje stoppen. De Amerikanen resideren in die tijd in Rotterdam. Nadien vertoeven ze jaren in Brussel waar de meeste albums worden opgenomen.

Lees verder op Zwartgoud

Tegentonen van Fake Mistress en Margriet Kicks-Ass

Fake Mistress

Fake Mistress. Met deze uitdagende naam maakt Olivia Pils muziek die op zijn minst ongewoon is. Ze zingt en begeleidt zichzelf met apparatuur waar veel knopjes en kabeltjes aan vastzitten. Op haar recente werk worden vrouwelijke moordenaars in het zonnetje gezet. De songs klinken ongemakkelijk en onheilspellend.

Lees verder op ZwartGoud

Tentoonstelling Nie Wieder Störungsfrei zit braaf vastgeketend aan het verleden

Hatstand, Table, Chair (Allen Jones, 1969)

In een documentaire uit 1969 vertelt Gerhard Richter dat hij “alles eruit wil laten zien alsof het niet geschilderd is”. Intussen zien we de beroemde Duitse schilder ijverig aan de slag met kwast en verf op canvas. Het is een fragment uit een film die te bekijken is tijdens Nie Wieder Störungsfrei! Ondertitel: Aachen Avantgarde seit 1964. Richters uitspraak staat haaks op de werken van zijn collega’s die enkele jaren daarvoor demonstratief de kunstwereld wakker maakten. Je zou het misschien niet verwachten met een kunststad als Keulen in de buurt, maar het was Aken dat in het Duitsland van de jaren zestig onbekende kunstenaars ruim baan gaf. Van de door Akense galerieën en musea aangekochte werken is nu een groot deel te zien in het Ludwig Forum, dat zich dankzij het echtpaar Ludwig ook niet onbetuigd liet met kunstaankopen.

Net als in veel andere West-Europese landen verkeerde Duitsland destijds in staat van maatschappelijke oproer. De consumptiemaatschappij en het kapitalisme werden gehekeld, de naoorlogse generatie leverde kritiek op het functioneren van de democratie en het nazi-verleden van hun ouders. Engagement in de kunst werd de normaalste zaak van de wereld. Dat de geest van Joseph Beuys, peetvader van de Aktionskunst, door de tentoonstelling waart hoeft geen verbazing te wekken. Wel dat zijn werk schittert door afwezigheid. Slechts de tentoonstellingscatalogus en -poster sieren zijn verbeten gelaat met bloedneus, die hem werd bezorgd door een bezoeker tijdens het Festival der Neuen Kunst van 1964. De ideeën en theorieën van de provocateur Beuys stuitten bij de goegemeente vooral op onbegrip en onwil. “Voor mij is de vorming van de gedachte een vorm van beeldhouwkunst”, beweerde hij.

Bij het Ludwig beseffen ze natuurlijk wel dat al die Fluxus- en actiekunstenaars in de loop der jaren naam en faam hebben verworven. Sommigen is een eigen ruimte gegund, waaronder pionier Wolf Vostell: een van de eerste Duitse Fluxuskunstenaars. Fluxus wilde kunst, leven en maatschappij bijeen brengen door middel van ‘optredens’ waarbij de handeling van de kunstenaar als kunst werd beschouwd. De nadruk op het triviale, museums en elite in de ban, ieder mens een kunstenaar. Althans, dat was de bedoeling. Maar de jonge garde Duitsers bogen Fluxus om tot een politiek getint pamflet.

Neem Vostells Heuschrecken. Deze enorme installatie bestaat uit een fotomontage, 20 tv’s en een camera die de kijker filmt. In de montage zit een lesbisch paar dat de liefde bedrijft, terwijl aan de rechterzijde op een krantenfoto Russische tanks Praag binnenrijden. Daaronder, geplakt op een vloer van teer: kledingstukken en menselijke botten. Vostell wilde met zijn kritiek op de samenleving zich tegelijkertijd losmaken van het stigma van de kunstenaar als lijdend mens. De voorstelling van Vostell is ondanks de duidelijke stellingname een prikkelende mix van diverse multimedia. Wat zich een beetje wreekt bij deze overzichtstentoonstelling is de politieke lading als aanjager voor veel andere werken. Beelden waar het manifest van toen vanaf spat komen tegenwoordig lang niet zo krachtdadig en doelbewust over, laat staan dat ze confronteren of iets losmaken. In Aken zijn de kunstwerken en het tijdperk waarin ze gemaakt werden nauw verweven, reflecteren ze hooguit aan elkaar, zijn context en beeldesthetiek tot elkaar veroordeeld.

Nie Wieder Störungsfrei! laat zien dat de beweegredenen voor de kunstaankopen werden ingegeven door ongetwijfeld goedbedoelde maar hardnekkige mores van meer politieke dan artistieke motieven. Van empathie en identificatie met het engagement van het werk is weinig meer over, de beroering die de kunstenaars toentertijd opriepen wekt nu hooguit verbazing. Collages waarin politieke figuren en krantenknipsels zijn verwerkt ogen statisch en weinigzeggend. De naam Rembrandt in sierlijke neonletters, een spaarvarken met hakenkruis, ach, het is best grappig allemaal. Altijd beter dan schouderophalend gedateerd.

Is er dan niks te zien dat de geest aanwakkert? Zeker. Hat Stand, Table, Chairuit 1969 is een berucht werk van Allen Jones. Drie vrouwelijke paspoppen die in niet mis te verstane ‘aankleding’ lijken weggelopen uit een sessie voor SM. Natuurlijk kreeg Jones de wind van voren, met name uit feministische hoek. Jones’ eigenzinnige tableau vivant neemt ongemakkelijk plaats in het onderbewustzijn om daar wél aan de haal te gaan met interpretatie, verbeelding en werkelijkheid. Opvallend is het speciaal voor de tentoonstelling gemaakte werk door leden van het Akense Designmetropole. Onder het bordje Registrierung staat een bureau met computer waarachter niemand zit. Naast de printer ligt een stapeltje A-4tjes waarvan de uitdraai op een grote hoop is gegooid. Papier is geduldig. Bureaucratie trekt zich nergens wat van aan. Van een doeltreffende eenvoud, én van alle tijden.

Meer informatie: Ludwigforum

Nie Wieder Störungsfrei! Aachen Avantgarde Seit 1964 (Ludwig Forum, Aken, t/m 5 februari 2012)