Stadsdichter Heerlen Michelle Bracke: “Ik wil bij mezelf blijven en ga niet echt anders schrijven

ZS8O3473-v2
foto: Roel Janssen

Een doordeweekse avond in de binnenstad van Heerlen. Op de hoek van de Saroleastraat staat een historisch pand uit de jaren twintig; de ‘binnenkomer’ van het winkelcentrum. Ooit was er café In de Poort van Herle gevestigd, nu brasserie De Passie. Michelle Bracke is er enkele minuten eerder dan afgesproken. Aan een tafeltje met uitzicht op het Royaltheater en een deel van het toekomstige station, vertelt ze over haar gedichten. Maar ook over Heerlen dat haar tot stadsdichter koos, over David Bowie en, kort voor sluitingstijd over zichzelf, openhartig.

Bracke (31) studeerde filosofie in Sofia, kunst- en cultuurwetenschappen aan de Universiteit Maastricht. Overdag werkt ze bij een bewindvoerderskantoor. Haar vader was eigenaar van een bekende kroeg in het Heerlense uitgaanscentrum. Talent voor schrijven ontwikkelde ze al vanaf jonge leeftijd. Dat het goed voelde merkte ze toen ze bij zichzelf een waarneembare ontwikkeling ontdekte. Bracke: “Ik had al vanaf mijn tiende de behoefte om te schrijven. Ik wilde een dagboek bijhouden, maar ik merkte dat dat niet lukte omdat ik dingen ging verzinnen en zinnen herlezen. Ik vroeg me toen af hoe ik dat mooier kon opschrijven, en beter verwoorden. Op een gegeven moment werd mijn dagboek poëtisch proza.”

Terwijl ze enkele slokjes drinkt van haar glas thee zegt Bracke kritisch te zijn op haar teksten en niks voor lief te nemen. “Om van mezelf te zeggen dat ik in de buurt kom van iets dat je poëzie mag noemen, is eigenlijk pas sinds een paar jaar, dat ik mezelf voorzichtig durf te meten aan mensen die ik zelf ook goed vind. Dichters die ik graag lees variëren van de nieuwe dichters tot de klassieken. Ilja Leonard Pfeiffer is voor mij echt een taalgod, maar ook Ellen Deckwitz en Lieke Marsman zijn voorbeelden van dichters die begrijpelijk en goed schrijven.”

Ze maakt een onderscheid tussen het stadsdichterschap en haar ‘complexere’ poëzie. “Poëzie produceer je niet op commando”, beweert ze. “Ik vind dat gedichten weloverwogen geschreven moeten zijn. Goed en tegelijkertijd toegankelijk schrijven is best een uitdaging. Het is leuk als mensen het meteen snappen en leuk vinden om te lezen. Daar doe je het natuurlijk ook voor, althans, als stadsdichter. Ik ben nu bezig met een afscheidsgedicht voor Paul Depla (de burgemeester vertrekt in maart-red.). De ‘echte’ poëzie kan ik daarnaast doen; daar heb je andere gelegenheden voor, andere mensen. Ik wil bij mezelf blijven en ga niet echt anders schrijven. Ik zou dat ook niet kunnen, maar je schippert toch een beetje om het wat toegankelijker te maken. Goede teksten vinden hun eigen weg wel.”

ZS8O3797-v2-580x870
foto: Roel Janssen

Haar gedichten gaat Bracke voordragen tijdens poëziebijeenkomsten en bij culturele activiteiten in Heerlen. De jury die haar tot stadsdichter koos schreef: ‘Michelle weet de kwaliteit en diepgang van haar gedichten te verbinden met een pakkende, toegankelijke schrijfstijl’. Zelf werd ze bevangen door twijfel. “Bij de jurering vond ik het gesprek vreselijk slecht gaan. Ik dacht: die willen me absoluut niet hebben. Ik had het idee dat ze al iemand hadden gekozen, mensen die meer contacten hadden, dat dat een veilige keuze voor ze zou zijn.” De uiteindelijke winnares werd op het hart gedrukt dat ze best kritisch mag zijn, een ander geluid mag laten horen. Bracke: “Je wordt geenszins beperkt in je kritiek. Dat is prettig, maar ik vind dat je wel een dichter moet blijven. Dat je juist dingen moet kunnen vangen die niet zo voor de hand liggen, dat je daarop krachtig inzoomt en niet de makkelijk dingen kiest.”

Over het grote bouwproject dat de nieuwe stationsomgeving van Heerlen moet worden is ze resoluut: “Ik vind het zo’n slordig plan dat Maankwartier. Daarmee ga je het centrum leeg trekken. Ik vind dat ze moeten centraliseren zoals Maastricht dat doet. Nu wordt er teveel verdeeld in plaats van naar een centrum toe te werken, wat ook economisch beter is.” Haar issues met Heerlen bekruipen haar het meest als ze weer eens een andere stad opzoekt, zoals onlangs Berlijn. “De mensen zijn wat minder bekrompen en ze vinden niet zo gauw iets gek. Een verademing.” Maar vooroordelen over poëzie zijn overal. “Iets wat mensen maar moeilijk kunnen volgen, bijvoorbeeld, is dat ik naar metal luister. Dat matcht niet met de connotatie die mensen bij poëzie hebben, hetgeen lief en braaf is.”

De naam van David Bowie valt. De tijd dat hij in Berlijn woonde, eind jaren zeventig, bezorgde zijn muziek een artistieke opleving. De zanger is een groot voorbeeld voor Bracke: “David Bowie was mijn eerste liefde. Wat ik aan hem zo fascinerend vind is dat hij van gedaante verandert alsof het een natuurlijk ding is. Dat herken ik, die behoefte om al je gezichten te laten zien. Bowie was lekker androgyn en had daar gewoon schijt aan. Ik mag daar graag een voorbeeld aan nemen. Niet dat ik zelf ook zo ben, maatschappelijke conventies houden me in toom. Gewoon voor de lol zet ik wel eens een pruik op. In vind het fijn om fysiek te veranderen, om een andere kant van me naar buiten te laten. Ik ben gewoon mezelf maar heb soms de behoefte er anders uit te willen zien.”

Ze laat enkele foto’s zien vanaf haar smartphone. Daarop draagt ze een pruik met telkens een ander kleurtje en passende oogopslag. Over haar voorkeur om zichzelf soms een ander uiterlijk te geven: “Iedereen moet altijd een keuze maken. Op de een of andere manier kan ik daar niet tussen kiezen. Mensen vinden dat raar, en dat vind ik dan weer raar en dan ga ik het juíst doen. Ik weet ook niet waar dat vandaan komt. Je moet niet alternatief zijn om het alternatief zijn. Het is meer gevoelsmatig, iets waar ik plezier in heb. Ik moest wel eerst dertig worden om dit te kunnen doen.”

Op de achtergrond klinkt het geluid van glazen die worden omgespoeld en klaargezet voor de volgende dag. De laatste gasten hebben De Passie intussen verlaten. Kort voor sluitingstijd. De jonge stadsdichter neemt nog een laatste teugje van haar groene thee. Aan haar handen draagt ze opvallende ringen. Ze praat bedachtzaam maar zelfverzekerd, aangenaam en bescheiden. “Het is pas na mijn dertigste dat ik in alle oprechtheid kan zeggen: ik heb er schijt aan wat iedereen van me denkt. Daarvoor durfde ik dat niet. Ik ben niet heel erg ad rem en nogal introvert van karakter. Ik liet niemand binnen, bouwde een muur om me heen. Dat begon tegen me te werken. Ik zat helemaal in mezelf opgesloten. Het is een van de redenen waarom ik poëzie ben gaan schrijven, een manier om je te uiten, een uitlaatklep. Inmiddels is de muur gesloopt en dat voelt heerlijk.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Met Corporeal maakt Hadassah Emmerich haar eigen Gesamtkunstwerk

HADASSAH-14
(foto: Anita Hondong)

Hadassah Emmerich laat iets zien dat zich niet meteen gewonnen geeft. Wat op het eerste oog een bont spektakel lijkt waarin kleuren en vrije vormen overheersen, is in werkelijkheid een samenpakkend Gesamtkunstwerk. Achter de schilderijen, tekeningen, linosnedes en muurschilderingen gaan begrippen schuil als vrouwelijke identiteit, exotisme en zelfreflectie. Emmerich toont ze onnadrukkelijk. Toch voel je dat er meer aan de hand is, veel meer. Corporeal heet haar tentoonstelling in Schunck. Een Engelse aanduiding voor het lichaam dat niet kan bestaan zonder het fysieke en het persoonlijke.

Lees verder

Nederlandse acteur Frank van Putten in The Wolf Of Wall Street: ‘Mijn karakter is een mens van vlees en bloed’

1534297_629126223819980_799798068_n

In Martin Scorsese’s daverende snuif-, sjoemel- en seksepos The Wolf Of Wall Street is ook een rolletje weggelegd voor de Nederlander Frank van Putten. Halverwege de drie uur durende Hollywoodproductie duikt hij op als assistent van een Zwitserse bankier. Het personage van Van Putten is de enige man in de film die niet met zijn neus in de cocaïne of een jongedame zit. Wel draagt hij het mooiste maatpak van allemaal. En maakt hij, in tegenstelling tot alle doorgesnoven types om hem heen, een beschaafde en gedistingeerde indruk. Schijn natuurlijk. In een ander shot zien we hem geobsedeerd achter een geldteller. De aandelenzwendel van de louche Wall Street firma Stratton Oakmont is zo uit de klauwen gelopen dat in allerijl koffers met cash naar een Zwitserse bank zijn vervoerd. Tijdens de onderhandeling over de transactie bevindt Van Putten zich in een kantoor met de voornaamste hoofdrolspelers, waaronder steracteur Leonardo DiCaprio.

Frank van Putten (1952) woont en werkt in Amerika, maar heeft een achtergrond in de theaterwereld. “Ik heb de regieopleiding gedaan aan de theaterschool in Amsterdam. Mijn beste herinnering daar was werken met Ton Lutz. Na afloop wilde ik meer leren over het acteren. Eind jaren zeventig ben ik toen naar New York gegaan om bij Stella Adler te studeren. Dat was een fantastische tijd. Stella Adler was een fenomenale invloed; zij heeft mij met open armen ontvangen, en me aangemoedigd als acteur.”

In contact met de makers van The Wolf Of Wall Street kwam hij via zijn agent. “Eerder had ik casting-director Meghan Rafferty ontmoet van Ellen Lewis Casting. Dat hielp.” Dat hijzelf geen tekst heeft in de film deert hem allerminst. Voor Van Putten speelde het feest zich voornamelijk af op de set tijdens de opnamen. “Dat was een geweldige belevenis. Scorsese is de onbetwiste meester, zonder zichtbare inspanning had hij alles volledig onder controle. Ik was in een scène met Leonardo DiCaprio, Jonah Hill, Jean Dujardin en PJ Byrne. Iedereen was geconcentreerd met zijn werk, respectvol, geen ego’s. Scorsese gaf mij een aanwijzing: hij wilde van mij een contrast, dat ik een tegenwicht was tegen de ongebreidelde energie van de anderen. De scène werd gefilmd met vier verschillende camera-instellingen. De laatste camera-instelling die dag was op mij, maar alle acteurs speelden toen die scène weer opnieuw en ten volle uit.”

De filmmomenten met Van Putten suggereren opnamen in een zonovergoten Genève. Niets is minder waar. “Onze bankkantoren werden gebouwd in een studio in Brooklyn. De begroetingsscène in de lobby werd gefilmd op een locatie in Manhattan.” Wat vindt hij inhoudelijk van The Wolf Of Wall Street en zijn eigen bijdrage; een rustpunt te midden van de overdetop bacchanalen? “Van de film heb ik enorm genoten en veel gelachen. Ik zie ‘m als een catalogus van de dwaasheid van onze hoogste ambities. Leonardo is fantastisch. Mijn karakter is een mens van vlees en bloed: hij gelooft in de respectabiliteit van geld. Helaas blijkt dat illusoir. Geld hebben is niet een van de zeven deugden. Als acteur moet je dat met of zonder tekst kunnen zeggen.”

Had je ondanks je kleine rol voldoende contact met regisseur Martin Scorsese en je medespelers? “Vanaf het begin voelde ik mij deel uitmaken van de film. Dat is Scorsese. En ook Dicaprio. Hij zei tegen mij dat iedereen naar de rushes had gekeken waar ik het geld aan het tellen was in de bank. Dat moment kwam later in de trailer van de film. Aan ’t eind van mijn drie dagen zei Scorsese dat dit mijn laatste dag was en vroeg iedereen om mij applaus te geven. Onmogelijk om je iets beters te wensen!”

Tijdens de Oscaruitreikingen op 2 maart zal The Wolf Of Wall Street ongetwijfeld prijzen gaan binnenslepen. Voor Van Putten is er gewoon meer werk in het vooruitzicht. Nou ja, gewoon. Acteren in films en series die in ons land nog niet te zien zijn of nog in productie moeten. Van Putten: “Ik speel een nazicommandant in een internetserie, Small Miracles. In februari ben ik te zien een rol in I Dream Too Much, en als ‘the cleaner’ in Pick-Up, iemand die sporen wist voor een gangsterbende; dat zijn beide independentfilms. En ik speel een juwelier in The Knick, een tv-serie voor HBO, geregisseerd door Steven Soderbergh.”

(met dank aan Rebecca van Putten)

(eerder gepubliceerd door The Post Online, 17-1-2014)

Joep Dohmen: “Er zijn weinig steden in Nederland die zoveel problemen hebben als Heerlen”

JD

“Ik denk dat je na het lezen van dit boek meer begrip hebt voor Heerlen. Je oordeelt er minder snel hard over. Deze stad is zoveel overkomen door de komst en het vertrek van de mijnen.”

Aan het woord is Joep Dohmen. Hij schreef een kritische maar meeslepende biografie over Heerlen; over de opkomst en de ondergang van een bruisende industriestad. Maar De Geur Van Kolen is ook een persoonlijke familiekroniek, over onder meer zijn vader die hij nauwelijks gekend heeft. Tijdens zijn onderzoek naar de geschiedenis van de voormalige mijnstad, ontdekte Dohmen in het Nationaal Archief dat oud-burgemeester Marcel van Grunsven zich tijdens de oorlog net iets teveel met de Duitsers bemoeide.

In het Heerlense uitgaanscentrum baden drukbevolkte terrassen volop in het zonlicht. Op de warmste dag van oktober ontmoeten we de in Heerlen geboren onderzoeksjournalist. Hij werd bekend om zijn geruchtmakende artikelen in NRC Handelsblad over onder meer corruptie en bouwschandalen. Dohmen is een half uur te vroeg op onze interviewafspraak. Zijn sigaartje heeft hij al half opgerookt.

“Acht jaar geleden overleed mijn moeder, mijn vader Hub was al heel vroeg overleden. Ik was toen in 1979 nog een puber. Ik heb mijn vader eigenlijk nooit goed gekend. Ik had vaak ruzie met hem. Door de koffer die ze mij achterlieten kwam ik mijn vader weer tegen. Ik had toen veel verdriet over mijn moeder en begon daarom al die dingen op te schrijven. Twee jaar geleden dacht ik: wat doe ik daarmee? Als ik het in mijn laatje laat liggen is dat hetzelfde als dat ik de koffer op zolder laat staan.”

“Er zijn zoveel boeken over de mijnen, mijnwerkers en Limburg geschreven. Ik heb geprobeerd het in een wat breder kader te plaatsen om te begrijpen hoe de samenleving vóór ons in elkaar zat, waarin je dus die hele ontwikkeling meemaakt, niet alleen gefocust op de mijnen. Je ziet dat mijn ouders zich ontworstelen aan al die tradities, hoe de kerk verdwijnt uit het leven van de mensen, hoe de mijn verdwijnt, hoe de KVP verdwijnt.“

Winkel 191  Heerlen, Emmaplein

“Ik ben bij diverse mensen die mijn vader hebben gekend op bezoek geweest met de vraag: wie was dat nou die man? Dat werden hele ontroerende ontmoetingen met mensen die heel oud zijn, met de paar mensen die nog leefden en nog iets konden vertellen over mijn vader. Ik heb nog iemand gevonden die in mijn vaders eindexamenklas van de HBS zat. Sommigen hadden ook moeite om mij dingen te vertellen. Het is een openhartig iets waar ik ook met mijn broers en zus over gesproken heb. Ik denk dat het beeld dat je van mijn vader krijgt als je het boek helemaal gelezen hebt, je ook iets van diezelfde compassie ziet die je ook met Heerlen kunt hebben. Die parallel zit er in. Het is heel sneu hoe het gegaan is met hem. Hij had een gezond stel hersens, ging naar de HBS. Dat deden niet zoveel jongens voor de oorlog. Hij had makkelijk kunnen gaan studeren. Door omstandigheden blijft hij hier hangen in een baantje. Zijn karakter werd deels gevormd door thuis, met een hele strenge vader die bezig was met carrière maken. Die was de baas van de administratie van de Staatsmijnen. Reed al in een leaseauto, een Ford Consul, toen er nog nauwelijks auto’s rondreden.”

“Er zijn passages in het boek over de naderende dood van mijn vader, als hij depressief wordt. Max de Bruin, die nu heel oud is en met wie ik sprak over mijn vader, voorvoelde iets. (De Bruin was met Hub Dohmen mede-uitgever van Mosalect, Bloemlezing Uit De Limburgse Dialectliteratuur-HP). Over dat je een naderende dood en afscheid kunt voorvoelen. Hij vraagt zich af of dat bij mijn vader misschien het geval was. Dat zie je ook aan de gedichten die hij mijn vader schrijft, die zijn somber, richting het levenseinde.”

300px-Nationaal-Mijncentrum-Heerlen

“Het was eigenlijk niet de bedoeling om onderzoek te doen naar Marcel van Grunsven. Tijdens familiebijeenkomsten werd nooit over oom Albert gesproken. Die was in oorlogstijd burgemeester geweest in Echt. In het Nationaal Archief heb ik gekeken wat er over hem nog te vinden was. Daar lag zijn zuiveringsdossier waaruit blijkt dat hij in de oorlog verhinderde dat er een NSB’er als burgemeester kwam. Hij was dus niet echt fout in de oorlog. Ik dacht toen: hoe is het eigenlijk met Van Grunsven afgelopen? Ik kon er hier niks over vinden behalve de positieve verhalen. Er zijn veel boekjes verschenen die gingen over zijn heldendaden. Een stad wil het verleden altijd wat rooskleuriger opstellen dan het is. Vervolgens ben ik gedoken in de zuiveringsdossiers van politieagenten. De voorzitter van de zuiveringscommissie was Van Grunsven. In de eerste vergadering van de commissie zegt hij: ‘Ik moet afscheid nemen als voorzitter want ik ben zelf nog niet gezuiverd. Dit moet maar iemand anders doen.’ Na de ontdekking in de archieven beschrijf ik wat ik ontdekte, afstandelijk, niet veroordelend. Mensen moeten zelf maar beoordelen wat ze er van vinden. Maar het bleek dus dat er toch wel wat aan de hand was.”

“Op de internetsite van de gemeente is hij nog een held. Er is een plein naar hem vernoemd. Kijk, die man heeft een visie gehad en ook goede dingen gedaan. Toch denk ik dat Heerlen de oorlogsgeschiedenis nog eens onder de loep moet nemen. Lag de werkelijkheid niet toch iets genuanceerder dan dat heldenverhaal? Een stad moet zijn geschiedenis op orde hebben. Mijn boek is een aanwijzing dat er dossiers zijn die men niet goed kent. Dat moet je gewoon willen weten. Voor het collectieve geheugen moet dat gewoon kloppen. En nu klopt het niet.“

still07_content-expanded

“Veel mensen verbinden het lot van Heerlen aan het Maankwartier, terwijl dat Maankwartier niet het panacee is voor deze stad, daarvoor zijn de problemen veel te groot. Dat er meer kunst en cultuur is lijkt me prima, het biedt de stad in deze sombere tijden verstrooiing, maar het is geen oplossing voor de problemen. Die zijn door een gemeentebestuur ook heel moeilijk op te lossen. Ik zou niet graag gemeentebestuurder willen zijn. Wat deze stad is overkomen is heel erg. Er zijn weinig steden in Nederland die zoveel sociaaleconomische problemen hebben als Heerlen. Er zijn hier wijken die quasi afgeschakeld zijn van de gewone samenleving waar bijna niemand meer werkt. Wel klagen aan de bar maar niet gewend zelf initiatief te nemen en in een soort verkramping achterblijven. Van generatie op generatie groeien er kinderen op in wijken die niet met de paplepel krijgen ingegoten dat je voor je inkomen moet werken. Het is niet eens meer een kwestie dat ze geen werk meer kunnen vinden; het is uit het systeem.”

S
(foto: Harry Prenger)

“Er is volgens mij wel een vingerwijzing in de richting waarin Heerlen moet evolueren: richting Aken. Ik denk dat dat de oplossing kan zijn. Het is natuurlijk te gek dat daar studenten in containers wonen en er miljarden worden geïnvesteerd. Wat men hier nodig heeft is werk. En dat ligt aan de andere kant van de grens. De toekomst ligt niet alleen in Maastricht maar voor Heerlen richting zuidoost, aan de andere kant. Daar ligt een gigantisch potentieel. Aken heeft hoogwaardige, lage en middelbare banen. Als je kijkt hoe daar de IT sector bloeit. Daar is science, automotive, technische banen waar veel vraag naar is, maar dan moeten de kinderen hier wel Duits leren. Toen wij opgroeiden met Duitse tv-programma’s zoals Bonanza zat het Duits in de oren, dat was een vanzelfsprekendheid. Nu is dat niet meer zo. Bij het Bernadinuscollege is dat sinds kort veranderd. Er wordt nu minimaal drie jaar Duits gegeven, wat een heel goed initiatief is.”

“De voorwaarde voor een bloeiende samenleving is in de eerste plaats economie en daarop volgt dan een culturele opleving. Toen de mijnen er waren was er veel geld, dan groeit ook het culturele leven. Er komen kunstenaars op af, mensen met geld, een katalysator voor veel ontwikkelingen. Heerlen mist die katalysator. Het is zeer te prijzen dat er allerlei culturele activiteiten zijn, ondanks het gebrek aan die andere zaken. Op zich is dat goed, je moet er niet aan denken dat zelfs dat er niet zou zijn.“

De daag sjpówwe zich vuurbij
wie auto’s op ‘n autobaan.
Van vreugjoar noa zoeëmer,
van herfs noa wingkter.
‘t Leëve geet wier,
mit of zónger ós.
Ouwer en messjie wieëzer gewoeëde
dinkt me, ooch dek mit ironie
an wat woar en neet mieë is.
Leëve en doeëd,
ze ligke zoeë kót neëve ee
es twieë geleefde i ge bed.

Hubert van Caumer (pseudoniem van Hub Dohmen)

Joep Dohmen – De Geur Van Kolen (LVD-U 2013)

(eerder verschenen op ZwartGoud)

Limburgse modeontwerpster Anouk van der Meij: “comfortabel, edgy en fashionable”

601660_501762629876908_310452323_n

Puur op gevoel. Zo wil Anouk van der Meij haar sieraden en kleding maken. Organisch noemt ze het zelf. Wie aan mode denkt, denkt meestal aan uitbundig, aan erg kleurrijk en maffe vormen. Het werk van Van der Meij is echter onopvallend opvallend. Behalve kleding maakt ze sieraden en cadeaukaarten. Tijdens de vijfde Fashionclash in Maastricht is haar nieuwe collectie Immersion te zien.

De uit Venlo afkomstige Van der Meij (23) studeerde fashion design aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Bevalt haar prima zegt ze. Ze woont al bijna vijf jaar met plezier in de Domstad: “Het is een heerlijke stad, niet te groot, niet te klein. Ik kom niet vaak meer in Venlo, maar mijn zuidelijke accent raak ik niet meer kwijt.”

AWMsCSH6Ar

AVADEM is de merknaam waaronder Van der Meij haar kleding en sieraden maakt. Ontwerpen waar gevoel en een gedachte achter schuilgaan: “Met AVADEM sta ik voor meer comfort en spiritualiteit in de (fashion)wereld. Ik wil de optie bieden om niet te hoeven kiezen tussen fashion en comfort. Daarom streef ik ernaar de collecties draagbaar, comfortabel én edgy en fashionable te maken,” vertelt de jonge modeontwerpster.

Op haar website stelt ze kleding te willen creëren vanuit een gelaagdheid, zonder ritsen of knopen. Bijna vrijetijds, zonder opsmuk. Uitsluitend zwart of wit. Kleding met een thema. “In mijn collecties werk ik met (spirituele) thema’s, deze thema’s diep ik uit en gebruik ik als concept voor een collectie bestaande uit kleding en sieraden. Deze collecties zijn blijvend en zullen groeien en veranderen, dus veel items worden maar één keer gemaakt en zijn uniek. Op den duur hoop ik een breed scala aan thema’s te hebben uitgediept met de collecties daarvan als resultaat.”

tPzu7kavaL

Haar ontwerpen zijn niet modieus of overdadig, maar op een verfrissende manier ingetogen en toegankelijk; in tegenstelling tot veel kledinglijnen van nu zijn de outfits van Van der Meij luchtig, niet aansluitend. “De kledingstukken zijn vrij simpel van vorm, je trekt ze aan en ze zitten goed. Daarnaast maak ik alles met de hand, wat betekent dat de items uniek en exclusief zijn en ik let erg op kwaliteit. Dat vind ik zo belangrijk, dat het echt je lievelings wordt, die gewoon in de was gaat en opnieuw gedragen kan worden.”

Ondanks dat ze alles zelf met de hand maakt wil ze haar kleding (voor vrouwen en mannen) en sieraden betaalbaar houden. Een ‘comfortabele top van zware viscosekwaliteit met laag uitgesneden armsgaten’ kost veertig euro. Ook de pasvormen zijn toegankelijk. “Dat is inderdaad de bedoeling, dat het draagbaar is en lekker zit. Ik werk dus ook niet met metalen ritsen, schoudervullingen of knopen op vervelende plekken. In mijn ogen gaat dat ten koste van het draagcomfort. De uitdaging is om het fashion te houden. Het liefst zou ik meer mensen in wijde, ‘flowy’ en oversized kleding zien, de vrijheid die je dan voelt is fantastisch.”

792afdc20a33a55b0ce6d2c284e93ec7

Ook haar nieuwe kledinglijn kent volgens Van der Meij een diepere betekenis. “Immersion gaat over het moment na spirituele reiniging. Ik ben verschillende rituelen en manieren tegengekomen in religies en levensstijlen om je spiritueel te reinigen, maar het overeenkomstige gevoel erna vond ik het interessantst. Het gevoel van een nieuwe, frisse start, een moment van rust met je lichaam in een badjas of handdoek gewikkeld. Ik heb dit gevoel proberen te vangen, zodat je elke dag jezelf kunt inwikkelen en dat ‘net terug van de spa’ gevoel kunt hebben.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Donya Saed: “ik moet iets doen wat afwijkt”

Donya Saed tijdens fotoshoot voor ZwartGoud, (terras filmhuis, Schunck* Heerlen)

Maar goed dat de kunstenares het bezoek opwacht in het trappenhuis van haar appartement in Berlijn. Elke deur in het gebouw is namelijk identiek versierd met pompeus houtsnijwerk, zonder vermelding van huisnummer. Donya Saed woont in Prenzlauer Berg, dat in de tijd van de DDR een vervallen arbeiderswijk was. Tegenwoordig struikel je er over de kunstenaars, winkeltjes en gemoedelijke eettentjes. Om de hoek bevindt zich een hippe galerie voor aanstormende jonge kunstenaars. Saed: “Toen ik voor het eerst in Berlijn kwam dacht ik: hier moet ik zijn”.

Achter haar bureau heeft ze, verdeeld over een wandrek, haar favoriete kunstboeken uitgestald. Een naslagwerk van Richard Prince trekt de aandacht, naast zeldzame ‘small press’ uitgaven. Speciaal voor het bezoek heeft ze naar eigen zeggen haar tweekamerappartement flink opgeruimd. Gelukkig werden enkele stapeltjes over het hoofd gezien. Verspreid over de houten vloer zien we wat haar zoal bezighoudt: tijdschriften, cd’s; de verstilde polaroids in Land 250, een fotoboek van Patti Smith; de kloeke biografie Sensational Fix over de kampioenen van de muzikale ontregeling Sonic Youth; Purple Fashion Magazine met acteur Vincent Gallo op de cover. Wanneer ze uit de keuken terugkeert met flesjes Bionade roept ze: “Ik heb iets met plaatjes!”

Niet helemaal toevallig dat Purple tot haar favoriete bladen behoort. Het kunst- en modetijdschrift staat bekend om zijn zinnenprikkelende mix van cult, museale kunst en intellectuele tegencultuur. Saed noemt een andere invloed: Guy Debord en zijn standaardwerk De Spektakelmaatschappij. Hierin constateert de Franse denker het ontstaan van een maatschappelijke vervreemding: alles wat waarneembaar is heeft plaatsgemaakt voor een reeks beelden die daar boven staan. De nadruk op eigendom is vervangen door imago. De nieuwe beelden gelden bij uitstek als het waarneembare. Saed spreekt van beeldfetisjisme. “Door die veelheid aan beeldcultuur wordt zelfs Justin Bieber een fetisj. Reclamebeelden en mode reageren op kunst en andersom, het is een wisselwerking.”

Geboren werd ze in 1976 in Teheran, als kind van een Nederlandse moeder en Iraanse vader. Ze komt nog regelmatig in Heerlen, de stad waar ze opgroeide en haar ouders wonen. “In Heerlen kom ik tot rust. Er zijn in Berlijn zoveel prikkels. Het is voor mijn werk, ik kan moeilijk ontspannen. Ik hoef maar even naar buiten te lopen en ik zie al van alles. Dat doet veel met mij, alsof ik een hazewindhond ben die achter een konijntje aanrent: als zo’n hond niet stopt kan hij zich doodrennen. Ik heb hier het gevoel dat ik constant aan het rennen ben. Dan mis ik wel eens het weidse uitzicht en landschap van Limburg.”

Ze wijst op een foto aan de muur, gemaakt door haar moeder, bij haar ouders in de tuin. Net toen ze van het trapje wilde stappen drukte haar moeder op het knopje. Het ‘foutje’ maakt de foto net even anders, intrigerend. Het zijn enkele van de zwart-witfoto’s waarmee ze op dit moment experimenteert. Op haar slaapkamer hangen inkttekeningen gemaakt op halftransparante foliefilm. “Het werk wat ik nu maak is serener en misschien zelfs surrealistischer. Ik moet iets doen wat afwijkt. Je moet zorgen dat mensen langer dan drie seconden kijken.”

Een schril contrast met de collages die ze enkele jaren geleden maakte, waartoe onder meer Berlijn als inspiratiebron diende. “Wat je in kunstmagazines ziet, zie je hier op straat. Of je nu graffiti op een muur spuit of je ziet in Purple Magazine een snapshot van iemand met graffiti op de achtergrond. In Nederland voelde ik een soort braafheid in de kunst. Ik had zoiets van: ik wil daar tegen in. Toen ben ik met die collages begonnen.” Tijdens haar opleiding aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht ontdekte ze dat ze meer vanuit zichzelf moest werken. “Daar heb ik geleerd dat ik het zonder begeleiders moet doen. Het moet uit jezelf komen. De begeleiders gingen van hun eigen voorliefde uit en niet vanuit het creatieve denkproces van de kunstenaar.”

Die onafhankelijke manier van werken bezorgde Saed in toenemende mate een kritische houding. Zelfs over haar eigen kunst. “Na een tijdje zag ik het steeds vaker, de glamourtrash zoals ik het noem. Op een gegeven moment kon ik het niet meer maken. Ik voelde de noodzaak niet meer, want ik zag dat andere kunstenaars er steeds vaker mee bezig waren. Ik had niet meer iets om me tegen af te zetten. Wat ik moeilijk vind is dat mijn werk niet tot zijn recht komt op een beeldscherm. We zijn gewend om schilderijen in een blad of op een beeldscherm te zien, maar zo’n print die ik maak wordt dan plat. Dan denk je al gauw ‘wat een domme tekening’. Om het werk tot zijn recht te laten komen moet ik een vorm vinden binnen een geschikt medium, maar ik weet nog niet hoe.”

Als ingezetene van Berlijn herkende en omarmde ze het autonome gevoel dat de Duitse hoofdstad typeert. Voorlopig wil ze er niet meer weg. Wel ontdekte ze de verschillen over hoe er in Duitsland en Nederland over kunst wordt gedacht. “Kunst is in Duitsland veel meer verweven met samenleving en politiek. Het is een onderdeel van het leven. In Nederland is kunst een apart hoekje, een vreemd iets. Er stond hier een kop in de krant over de economische crisis: ‘kunst is goed voor de ziel’. Dat ze op de voorpagina van een Duitse krant aan de hand van een schilderij de crisis gaan beschrijven. Of neem deze foto waarin twee voetballende broers worden vergeleken met de gebroeders Karamasov. Dat is Dostojevski! Geweldig toch. Zie je dat een Nederlandse krant zoiets schrijft over Frank en Ronald de Boer?”

Donya Saed. Gevoelsmens. Beelden zijn voor haar emotie. Die wil ze ook laten zien. Omdat ze beelden niet alleen waarneemt, maar ook voelt. Hypersensitief noemt ze zichzelf. Een wandeling kan genoeg zijn. “Op gegeven moment liep ik over straat, ik was afgeleid. Iets ving mijn blik, maar toen ik die blik even later probeerde te vangen was het weg. Zo’n moment vlak voordat je je ervan bewust wordt. Ken je dat? Dat gaf me zo’n licht gevoel. Ik moest denken aan een werk van Marijke van Warmerdam. Een vlinder in een sculptuur die, als je een duwtje tegen de vleugel geeft, in het rond spint. De lichtheid van dat werk sprak me aan. Al zou ik liever de ondraaglijke lichtheid willen vatten. Het moet wel irriteren. Het moment voor het bewustzijn had voor mij eindelijk een vorm gekregen. Bijtende beelden weliswaar. Heftigheid tegenover extreme lichtheid. Het moet wel irriteren. Daar hou ik van.” Lachend zegt ze: “Ik zit nu in een brave, poëtische periode.” Of het bezoek trek heeft in nog een flesje Bionade. “Ik heb ook bier, hoor.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Tim Freh: fotografie als levensstijl

“Mijn vader nam me voor zijn werk altijd mee op reis. Wij gingen vaak naar België, waar hij me de achtergelegen wijken liet zien. Ik denk dat ik daar mijn voorliefde voor industriële gebieden heb gekregen.” Aan het woord is Tim Freh, geboren en getogen in Heerlen.

Wie de kwaliteit van zijn foto’s ziet zal moeilijk kunnen geloven dat hij pas tweeëntwintig is. Momenteel woont hij in Brussel. Om foto’s maken “op plekken waar geen toeristen komen” en een opleiding fotografie te volgen aan de Sint-Lukas Hogeschool. “Je leert daar iets eigens te ontwikkelen. In Brussel kan ik fotograferen in de voorsteden. Vaak loop ik na school met mijn camera door de wijk Schaarbeek.

Achter de bescheiden blik van Freh zul je bij een eerste kennismaking niet meteen denken aan een kunstzinnige fotograaf met avontuurlijke reisdrift. Freh beaamt dit: “Toen ik zestien was had ik niet zoveel vrienden, ik was niet zo sociaal. Fotografie werd voor mij een uitlaatklep. Dat is het nog steeds. Ik ben niet iemand die veel uitgaat.” Zo’n fotograaf die zelf liever niet op de foto wil. Zijn werk doet voor hem een goed woordje. Wat heet.

Op zijn zestiende ging hij op pad om de industriële streek van Charleroi te fotograferen. Maar die tijd en het maken van dergelijke beelden wil hij nu achter zich laten. Terugblikkend erkent hij dat hij Wallonië gebruikte “als speeltuin voor andere reizen”. “Ik zie deze foto’s als een hommage, zeker als je bedenkt dat die wijken in de media vaak negatief worden benaderd. Het is een onderwerp dat in feite doodgefotografeerd is”. Op zijn blog en website staan intussen honderden verschillende werken die hij maakte op diverse plekken.

Havenstadje Mariupol, Oekraïne. Met de bus van Keulen naar Kiev, de rugzak vol filmspullen, Hasselblad in de aanslag. “Je ontmoet mensen die in getto’s wonen tegen de achtergrond van een industrie. Er staan enorme wolkenkrabbers die, toen de Sovjettijd afgelopen was, nooit zijn afgebouwd, waar nu kinderen in spelen. Zo’n dorpje in de Oekraïne bezoeken maakt het moeilijker, je neemt een risico. Je bent op een plek die niet bekend is. Het bijzondere is dat mensen uit zichzelf tegen je beginnen te praten, ook begrijp je niks van wat ze zeggen.”

Voor Freh is het ambacht fotografie eveneens een ontdekkingsreis. “Fotografie is veel groter dan mensen denken. Vroeger dacht ik dat digitaal het beste was, maar daar ben ik vanaf gestapt. Ik vind dat het digitale een deel van fotografie kapot maakt. Het is zo makkelijk heel veel foto’s te maken en er een paar uitkiezen. Ik werk liever analoog. Met een filmrol moet je goed je best doen om er een paar goede foto’s uit te krijgen. Ik voel me slecht als er geen goede bij zit. Dan is het voor mij echt een klotedag.”

Dat is wat hij wil gaan doen de komende jaren: reizen om zijn talent als fotograaf te vormen. Het geld waarmee hij zijn reizen bekostigt verdient hij in de weekenden als medewerker bij thuiszorgcentrum Meander. Behalve reisfoto’s heeft Freh zich bekwaamd in portret- en naakfotografie. Laconiek: “Dat ik al enkele jaren foto’s maak wil niet zeggen dat het allemaal goed is. Ik ben kritisch op mezelf. Ben bezig om dingen uit te proberen. Als je bijvoorbeeld een naaktmodel fotografeert geeft dat een hele rare spanning in het begin. Het maken van zulke foto’s zie ik als leerproces.”

De jonge fotograaf weet nu wat het beste bij hem past. Brussel, zijn studie, reportages makes. “De tactiek die ik gebruik is eenvoudig. Gewoon gaan reizen met de auto, of gaan wandelen met camera. Goed om je heen kijken. De enige manier om je te onderscheiden is om je in gebieden te begeven waar niet zoveel mensen komen. Ik heb nu het gevoel dat het beter gaat. Ik ben 22, het moment moet nu komen. Ik móet en ik zál fotograaf worden.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)