Kunstenaar Michel Huisman: “Met het Maankwartier kunnen we onszelf opnieuw uitvinden”

20150802_163446
(foto Harry Prenger)

Op een waterkoude oktoberdag wordt het bezoek niet zomaar welkom geheten, maar gewoon aan de jas naar binnen getrokken. In het riante jaren twintig huis houdt de Staffordshire bullterriër Abel de visite nauwlettend in de gaten. Achter de woning bevinden zich enkele kunstwerken in de tuin, die je gezien de omvang gerust een park mag noemen. Onder het keukenraam houdt een tijgerkatje een middagdutje.

Michel Huisman (Heerlen, 1957) is geestelijk vader van het Maankwartier. Het prestigieuze bouwwerk vervangt het oude stationsgebied met de beruchte voetgangerstunnel dat in Heerlen lange tijd gold als toevluchtsoord voor verslaafden en dealers. Du moment dat Huismans ontwerp het groene licht kreeg kwam ook de kritiek. Het project zou te megalomaan zijn, niet passen bij een stad als Heerlen dat gebukt gaat onder leegstand en dalende inwonersaantallen. Veel wil Huisman er niet over kwijt, maar de kritiek raakt hem wel geeft hij toe. In de keuken laat hij ogenschijnlijk gemoedereerd de koffie door de filterzakjes pruttelen. “Met het Maankwartier is de stad niet af. Met het Maankwartier kunnen we onszelf opnieuw uitvinden.”

007
(foto Harry Prenger)

Huisman neemt geen genoegen met voldongen feiten en veronderstellingen. Zijn antwoorden en beschouwingen leiden tot verbaal mooi weergegeven vergezichten, waar nodig voorzien van een welluidende schaterlach. Aan de hand van filmbeelden en foto’s illustreert hij in de boven de woning gelegen werkruimte via een beeldscherm zijn uiteenzettingen. Dan wordt gaandeweg duidelijk waarom volgens Huisman het nieuwe station voor Heerlen zo belangrijk is. “Je moet niet wachten totdat de stad iets doet, maar je moet kijken wat je zelf kunt doen.” Droogkomisch voegt hij eraan toe: “God is naar huis, die doet niks meer.”

Huismans uitspraken vormen de specie in de muur van weerstand op het Maankwartier. Zíjn Maankwartier. Bedacht met criteria die nadrukkelijk afwijken van de geijkte ontwerp- en architectuurprincipes. “Als je als architect iets ontwerpt dan wordt het ontwerp intellectueel eigendom van de opdrachtgever. Als kunstenaar valt jouw werk onder de auteurswet van 1912, en als zodanig heb ik, voordat ik er aan begon, het Maankwartier gedeponeerd. De mensen die met mij dit zijn gaan bouwen hebben met elkaar afgesproken zich te houden aan die auteurswet. Dat is een fundamenteel ander uitgangspunt. Dit kan een architect zich meestal niet permitteren. Het eerste dat volgens mij moest gebeuren was dat de ziel van de stad moest veranderen, die moest ombuigen. Dat is wat het Maankwartier in eerste lijn doet. De cynici onder ons zeggen: je gaat toch niet een ding bouwen en je dan afvragen wat je ermee moet? Maar dat komt omdat cynici cynisch zijn. Een liefdeloze ontmanteling is iets anders dan fantasie of empathie.”

017
(foto Harry Prenger)

Opvallend zijn de vele details die hij in het gebouw heeft verwerkt. Een ervan is de Heliostaat. Een hoge toren met een halfronde spiegelbol. Die vangt en weerkaatst het zonlicht naar een beneden gelegen vijver. Daaronder bevindt zich de parkeergarage. Het is de bedoeling dat daar een kloostertuin wordt aangelegd met oude Franse zitbankjes. Huisman: “Als je vandaar naar boven kijkt zie je de zon door het water heen schuiven.”

Je zou na alle recente publiciteit over het nieuwe station bijna vergeten dat de bedenker ervan al geruime tijd beeldend kunstenaar is. In zijn installatie-achtige werken laat hij onder meer dier en (vergane) technologie samen komen in beelden die tegelijk vervreemding en herkenning oproepen. Uit het voorwoord van zijn overzichtsboek Garden Night And Farewell: “Michel Huisman gaat op zoek naar de teloorgegane eenheid van mens en wereld in een maatschappij waar zoveel ingrijpend verandert en fundamentele waarden op de helling staan”.

In 1999 had de Heerlenaar een tentoonstelling in het Stedelijk Museum. Nu terugkijkend beweert hij resoluut: “Dat wordt gezien als het walhalla voor kunstenaars, maar daar ben ik somber van geworden. Ik dacht: dit zijn afwerkplekken.” Huisman ziet de blik met onbegrip bij zijn toehoorder. Hij benadrukt zijn engagement als kunstenaar. “Het heeft niets meer met sociaaleconomische realiteit te maken. We zijn een derivaat geworden. De realiteit trekt zich niets aan van wat de kunsten vinden. Je moet iets doen waarbij je emotionele intelligentie implementeert in de realiteit. Hoe komt het zo smerig en wie ruimt het op? Dat betekent: de vaat gaan doen. Dan blijkt dat iedereen het wel goed vindt.”

022
(foto Harry Prenger)

“Iedereen is eenzaam. Kunstenaars zijn erg gevoelig. Je kunt dan troost vinden in het feit dat veel mensen je kennen. Dat geldt ook voor wethouders en politici. Iedereen heeft wel zo’n verlangen. Wat wezenlijk is, is dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden: van kunst die gaat over mededeling en boodschap; en over kunst die mooi is, als omhooggevallen design. Daar maak ik graag een onderscheid tussen. Als jij een telefoonboek uit je hoofd kent ben je nog niet erudiet. Dan heb je aangetoond dat je iets kan onthouden. Als jij een Sinterklaasgedicht kan maken dat perfect rijmt ben je nog geen dichter. Iedereen heeft een geweten. Dat geweten werd vroeger gevoed door een soort collectieve godsvrees en een sociale omgeving. Dat is geleidelijk aan vrij geworden. Daarin zijn we te ver doorgeschoten: het enige wat van belang is, is datgene wat het meeste oplevert. Dat is misschien inherent aan de manier waarop we in elkaar zitten.”

rondleiding (30)
Michel Huisman (midden) tijdens rondleiding Maankwartier (foto Harry Prenger)

In Huismans woorden weerklinkt een onverstoorbare romanticus; maar wel met visie op verleden, heden en toekomst. Wanneer hij het Heerlen vanaf de jaren dertig tot vijftig, met het Heerlen van pakweg de laatste drie decennia vergelijkt, gaat het over de veranderingen en toenemende gevoelsarmoede die de binnenstad heeft ondergaan.

“Kijk eens hoe mooi de markt was, die kiosk.” Huisman wijst op oude foto’s van marktplein de Bongerd, nog niet ontsierd door een mengeling van reclamegevels. En op de afwezigheid van non-descripte, lukraak neergezette gebouwen, die volgens de kunstenaar de verbinding tussen de verschillende stadscentra onderbreken. “Wat onze grootouders wilden vinden wij niet meer belangrijk. We breken het af. Dat is een waanzinnige fout geweest. Wij hebben een moord gepleegd. Dat zou je moeten kunnen herstellen, ware het niet dat in de openbare ruimte privaatrechtelijk gebieden ontstaan die zich als een eiland verhouden tot de gemeenschap. Vastgoedmensen die panden in de stad bezitten kunnen gewoon zeggen: ik doe er niet aan mee….dat is de vrije markt. De vraag is hoe gaan we hiermee om? We hebben onszelf in een crisis geholpen door de rug niet recht te houden en te kiezen voor hetgeen niks kostte en zoveel mogelijk rendement had. Dat is geen waarde, dat is alleen maar functie. Allemaal bedacht vanuit de gedachte: ik heb geen boodschap aan jouw emoties, ik heb iets dat ik verkopen wil.”

rondleiding (27)
(foto Harry Prenger)

Leidraad in Huismans verhaal is het mogelijk verlies van een eigen identiteit tijdens de veranderingen die mens en stad ondergaan. “Als je je identiteit kwijtraakt heb je maar drie manieren om het terug te krijgen. Door reconstructie, het nú definiëren van wat je mooi vindt, of emotionele intelligentie. Dat laatste is een ondergesneeuwd kindje. Die is terecht gekomen bij c-films, daar doen we niet meer aan. Ga er van uit dat onze twee hersenhelften worden gerepresenteerd in het beleven en het bedenken. Wat er tegenwoordig gebeurt is dat die twee hersenhelften niet bij elkaar worden gehouden, nee, die moeten met alle geweld uit elkaar!”

“Marketingmensen zeggen: ik heb geen behoefte aan creativiteit. Kénnis daar gaat het om. Dat is zo onvoorstelbaar dom. Dat is zo’n belediging voor het menselijk brein. Zoals de mystici in de middeleeuwen al zeiden: je leeft voor je ziel en het verstand is daar het gereedschap van. Wij keren het om. We zeggen alle emotie is sentimenteel. Wat rationeel is, is functioneel. En wat is het gevolg? Kijk naar Mark Rutte, die regeert maar met een hersenhelft. Dat is niet omdat hij zelf zo is, maar omdat we dat met zijn allen zo besloten hebben.”

Wanneer we aanstalten maken het gesprek te beëindigen, toont Huisman niet zonder trots zijn maquette van het Maankwartier. In 2003 gepresenteerd tijdens een informatieavond. De laatste steen van het imposante bouwwerk moet worden gelegd in 2018. Het begin van het nieuwe Heerlen, met of zonder leegstand. Huisman: “Ik zie de leegstand als een kans, maar alleen als het die kans ook gegund wordt. Als er leegstand is zakken de huurprijzen. Tenminste, als het goed is. Behalve bij sommige arrogante pandeigenaren die zeggen: ik laat het leeg liggen. Dan zie je dat er boeven bezig zijn om roofbouw te plegen op de gemeenschap.”

“Je moet je voorstellen dat zo’n stad niet zomaar is ontstaan. Daar gaan honderden jaren over heen. Daar is allemaal belastinggeld en gemeenschapsgeld in verdwenen. Dat heeft gezorgd voor een weefwerk, dat ons als een spinnenweb langs de draden leidt van ons bestaan. Overal zie je aspecten van het menselijk bestaan geëtaleerd in etalages waar mensen je vriendelijk te woord staan en proberen je iets te slijten. De stad is een weerspiegeling van wat er allemaal te doen is, van wat er te koop is, wat er verandert, hoe dat aanvoelt en eruit ziet.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Mette Sterre en het ongemak als kunstvorm

8960202_orig
Fishwife 2012 55 x 40 cm digital print on dibond 3

Op het eerste gezicht oogt de kunst die ze maakt bizar, afstandelijk en vervreemdend. Omdat haar werk zich niet meteen in een hokje laat duwen kun je er niet onmiddellijk je vinger op leggen. De kunst van Mette Sterre!? Uitroep en vraagteken tegelijk.

Mette Sterre wil het liefst alle mogelijke kunsthokjes open gooien door grenzen te verkennen én te overschrijden met kostuums, tekeningen en performances. Daarnaast schuren haar werken langs theater en mode. Met kunstenaarsgroep Crystal Mette & the Fictions voerde ze de afgelopen jaren optredens uit in Berlijn, Londen en New York.

We ontmoeten de kunstenaar ‘s ochtends aan het ontbijt in Villa Eikhold, op enkele minuten van het Heerlense winkelcentrum. De parkachtige tuin om het monumentale pand accentueert de afstand tot de hectiek van de binnenstad. De Rotterdamse maakt een montere indruk. Ze heeft zojuist een boterham gesmeerd met plakjes hardgekookt ei. Op haar hoofd draagt ze een petje, lekker scheef.

Haar werk doet denken aan die andere kunstenaar van de multimedia, Mike Kelley. Kunst als middel om het comfortabele uit de weg te weg te gaan en het ongemak op te zoeken. Al draait het in het universum van Sterre (1983) vooral om het groteske en bizarre. “In het groteske zit veel humor. Ik denk dat humor een belangrijke drager is om dingen aan de kaak te stellen. Humor is een sterk middel om taboes te doorbreken, dat je nadenkt over dingen, waarna je ze minder zwart-wit ziet.” Op haar site legt ze uit dat ze bovendien inspiratie haalt uit sociologie en de culturele geschiedenis van horrorfilms. “Horrorfilms en sociologie zijn eigenlijk heel erg aan elkaar gelinkt. Waar we bang voor zijn is ook afhankelijk van hoe onze maatschappij in elkaar zit.”

20150625_171654-940x529

Belichamen de personages en karakters in haar kostuums de schaduwzijde van mens en maatschappij? Sterre, zelfverzekerd: “Vanaf de eerste dag dat we iets konden bedenken hebben we van alles geprobeerd om dingen te verklaren, vaak met een religieuze insteek. Mensen zoeken voor alles een reden en die reden is er soms ook. Dat merk je nu wel met het opgelaaide debat over asielzoekers. Mensen zijn bang voor het onbekende, bang voor verandering, bang om de controle te verliezen, terwijl je eigenlijk nooit ergens controle over hebt.”

Ondanks het vroege tijdstip spreekt Sterre openhartig over zwaar beladen onderwerpen. Ze praat makkelijk, kiest zorgvuldig haar woorden. Tussendoor neemt ze kleine slokjes van haar thee. Ze beweert dat ze met opzet kleding en kostuums ontwerpt die ongemakkelijk zijn om te dragen en in voort te bewegen. “Ik noem het liever geen kleding. Kleding is voor mij iets wat je aantrekt. Een kostuum is iets wat een karakter opbouwt. Als mensen vragen of ik een jurk wil maken denk ik: je kunt toch ook naar de winkel gaan. Ik zie mezelf als beeldhouwer rondom het lichaam, met sculpturale vormen. De uitdaging is om zoveel mogelijk de menselijke vorm te verstoppen.”

Mette Sterre is net terug van een reis naar New York waar ze meewerkte aan een project van experimenteel theatermaker Robert Wilson. Ze relativeert haar drukke agenda en verre uitstapjes: “Als je veel reist ben je ook wel eens eenzaam. Je leeft dan in het moment, al is voor niemand echt duidelijk wie je bent, waar je vandaan komt of wat je achtergrond is. Iedereen doet gezellig in het begin, dat is leuk, maar je moet zelf weer verder.” Sinds drie jaar verblijft ze beurtelings in Londen en Rotterdam, waar ze achter het centraal station haar atelier heeft. Sterre: “Rotterdam is niet zeiken, lekker werken. Ik heb nu wel het idee dat ik ergens ben waar ik wil zijn.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Didi Recordshop gaat door waar anderen stoppen

02

Didi? Massagesalon met happy ending? Relaxhuis waar heren worden ontvangen door dames van lichte zeden? Of toch gewoon de naam van de onontkoombare nagelstudio? Niks van dit alles. Aangenaam: Didi Recordshop, in de volksmond liefkozend Didi geheten, ooit de bijnaam voor oprichter John Diederen. Na diens onverwachte overlijden nam Mat Villain het stokje over. Als vijftienjarige bracht hij de schier eindeloze bakken vinyl al op orde in het pand waar het allemaal begon, aan de Akerstraat in Hoensbroek.

Sinds 2006 is Didi gevestigd in een enorme loods net buiten het centrum van Heerlen. Stiekem misschien wel het best bewaarde geheim van Nederland op vinylgebied. Voor de zekerheid liet de NS in de buurt vast een klein perron aanleggen. “De euregio is een groot gebied met enorm veel inwoners en naar verhouding weinig platenzaken,” verklaart Villain de toenemende drukte in zijn winkel. “Ik heb een actief netwerk, koop wekelijks honderden platen in, heb een brede klantenkring.” De klanten komen niet alleen uit Limburg. “Ik zie steeds vaker mensen uit de Randstad, die een bezoek combineren met een weekendje heuvelland.”

Hij is zo iemand die aan een half woord meer dan genoeg heeft. Laat de term vinyl vallen en je begrijpt waarom de collectie onophoudelijk wordt uitgebreid en ververst. Voorbeeld. Brengt de gewone sterveling Hemelvaartsdag door op de nabij gelegen woonboulevard, Villain start om 4 uur ‘s ochtends zijn Ford Transit bestelbus die hem naar Noord-Frankrijk voert. Doel: opkopen platencollectie. Wanneer de partij eenmaal in huis is, zien we in de gauwigheid een kleinood van bluesgitarist John Lee Hooker voorbij komen.

“Ik heb misschien een miljoen platen in mijn handen gehad, maar er zijn nog miljoenen meer. Er komt geen einde aan. Soms hoor ik wel eens iemand zeggen ‘ik heb alles’. Niemand heeft alles. Ik kom elke dag vijftig platen tegen die ik nooit eerder gezien heb waarvan ik niet weet hoe ze klinken en welke muziekrichting het is. Kijk maar eens naar de eindeloze stroom aan wereldmuziek”. Op zijn kantoor annex keukentje midden in het pand, steekt de huidige eigenaar van Didi de brand in de zoveelste peuk. Naast de koffiemok liggen NRC Handelsblad en de Volkskrant op tafel.

06

Mat Villain (32) groeide op in de buurt van het Belgische Lanaken. Daar was zijn eerste kennismaking met vinyl The Sounds Of Mars. Die werd door de kleine Mat gebruikt om het huispickupje te slopen, tot woede van zijn moeder. Van zijn eerste zakgeld kocht hij geen plaat maar een cd. Wel meteen een dubbele: Use Your Illusion van Guns ‘n Roses. Na de middelbare school begon hij aan een studie bedrijfseconomie. Ok, die achternaam. “Mijn vader heeft Franse voorouders, maar hij stamt zelf uit Kerkrade waar de naam vaak voorkomt. Meestal schrijf je het met één l, maar mijn overgrootvader maakte bij aangifte in het gemeentehuis een fout door de naam met dubbele l op te geven.”

Didi Recordshop moeten we ruim zien. Behalve de, volgens de website 350.000 lp’s en singles, treft de bezoeker boeken, cd’s, dvd’s, strips en games; overzichtelijk verdeeld in rekken, plastic bakken en kartonnen dozen. Maar het zal hem bij binnenkomst niet ontgaan dat het hier vooral draait om vinyl, “van klassiek tot grindcore”, voor beginners en gevorderden. Behalve het meer gangbare spul vind je er privépersingen en andere lp’s waarvoor de term obscuur beslist van toepassing is. Wie amechtig van het aanbod nog in staat is een blik te werpen boven de toonbank, ziet een andere opvallende cultuuruiting: hoesjes met schaars geklede dames. Hier is geen sprake van een platenzaak, maar van een, excusez le mot, beleving. Waarna de naam Didi niet meer liefkozend wordt uitgesproken maar vol ontzag.

In tegenstelling tot veel andere platenzaken schittert Didi Recordshop op facebook door afwezigheid. Mat Villain haalt zijn schouders op. “Ik ben nooit een groot liefhebber geweest van social media. Je kunt wel van alles posten op facebook, maar zonder al teveel reclame heb ik het gewoon bijna iedere dag druk. Ik maak online liever wat minder heisa. De mensen moeten langskomen. In de ruim zes jaar dat ik de winkel nu run vertoont de verkoop een stijgende lijn”. Hij klopt een paar keer op tafel.

“Mensen weten dat als ik een goede collectie binnenkrijg het in de winkel komt te staan en niet online. Anders kun je net zo goed studenten achter computers neerzetten en zeggen voer het maar in. Dat is helemaal niet leuk. Je moet er wel voor zorgen dat je altijd wat nieuws in huis hebt. Vernieuwen en contacten leggen. Je moet er bovenop zitten en niet op je lauweren rusten. Het is gewoon veel werk, daar staan mensen niet bij stil. Tien jaar geleden was het veel makkelijker. Toen waren er minder mensen die platen kochten. De platen die nu hot zijn (Hotel California, Rumours) lagen toen in de één eurobakken. Dat kocht niemand. Liefhebbers hadden het al, maar nu ook jongeren platen kopen is het steeds lastiger om te krijgen. Vorige week kwam hier een meisje van vijftien dat tien platen van Nat King Cole kocht.“

02

Niet alles wat Mat Villain inkoopt is voor de winkel bestemd. Hij houdt er als vinylliefhebber ook een privéverzameling op na. Die moet aardig uit de hand lopen aangezien de collectie al begint op kantoor. “Gewoon wat dingen die ik nog zocht”, beweert hij met gevoel voor understatement. Uit een doos plukt hij oude Blue Note lp’s en een stapeltje singles van hetzelfde jazzlabel. Of de eerste Nederlandse persing van Miles Davis’ Kind Of Blue. Hé, het debuut van punkband The Ex, mét single!

Mooi meegenomen dus als er na speurtochten door uithoeken en windstreken iets bijzonders tussen zit. Glimlachend wordt er een lp in de lucht gehouden van de Noorse folkgroep Folque. Doet met boekje erbij algauw zo’n 200 euro. In dossierkasten staan geen saaie ordners maar voorraadjes van door platenmaatschappijen afgeprijsde lp’s. Voor de winkel uiteraard. “Wat mij betreft ga ik graag nog dertig jaar door”, roept hij terwijl hij een exemplaar tevoorschijn tovert van de bekende Velvet Underground lp met banaanhoes. “Van deze verkoop ik er vijf per week”.

In 2016 doet Didi mee aan Record Store Day.

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Stadsdichter Heerlen Michelle Bracke: “Ik wil bij mezelf blijven en ga niet echt anders schrijven

ZS8O3473-v2
foto: Roel Janssen

Een doordeweekse avond in de binnenstad van Heerlen. Op de hoek van de Saroleastraat staat een historisch pand uit de jaren twintig; de ‘binnenkomer’ van het winkelcentrum. Ooit was er café In de Poort van Herle gevestigd, nu brasserie De Passie. Michelle Bracke is er enkele minuten eerder dan afgesproken. Aan een tafeltje met uitzicht op het Royaltheater en een deel van het toekomstige station, vertelt ze over haar gedichten. Maar ook over Heerlen dat haar tot stadsdichter koos, over David Bowie en, kort voor sluitingstijd over zichzelf, openhartig.

Bracke (31) studeerde filosofie in Sofia, kunst- en cultuurwetenschappen aan de Universiteit Maastricht. Overdag werkt ze bij een bewindvoerderskantoor. Haar vader was eigenaar van een bekende kroeg in het Heerlense uitgaanscentrum. Talent voor schrijven ontwikkelde ze al vanaf jonge leeftijd. Dat het goed voelde merkte ze toen ze bij zichzelf een waarneembare ontwikkeling ontdekte. Bracke: “Ik had al vanaf mijn tiende de behoefte om te schrijven. Ik wilde een dagboek bijhouden, maar ik merkte dat dat niet lukte omdat ik dingen ging verzinnen en zinnen herlezen. Ik vroeg me toen af hoe ik dat mooier kon opschrijven, en beter verwoorden. Op een gegeven moment werd mijn dagboek poëtisch proza.”

Terwijl ze enkele slokjes drinkt van haar glas thee zegt Bracke kritisch te zijn op haar teksten en niks voor lief te nemen. “Om van mezelf te zeggen dat ik in de buurt kom van iets dat je poëzie mag noemen, is eigenlijk pas sinds een paar jaar, dat ik mezelf voorzichtig durf te meten aan mensen die ik zelf ook goed vind. Dichters die ik graag lees variëren van de nieuwe dichters tot de klassieken. Ilja Leonard Pfeiffer is voor mij echt een taalgod, maar ook Ellen Deckwitz en Lieke Marsman zijn voorbeelden van dichters die begrijpelijk en goed schrijven.”

Ze maakt een onderscheid tussen het stadsdichterschap en haar ‘complexere’ poëzie. “Poëzie produceer je niet op commando”, beweert ze. “Ik vind dat gedichten weloverwogen geschreven moeten zijn. Goed en tegelijkertijd toegankelijk schrijven is best een uitdaging. Het is leuk als mensen het meteen snappen en leuk vinden om te lezen. Daar doe je het natuurlijk ook voor, althans, als stadsdichter. Ik ben nu bezig met een afscheidsgedicht voor Paul Depla (de burgemeester vertrekt in maart-red.). De ‘echte’ poëzie kan ik daarnaast doen; daar heb je andere gelegenheden voor, andere mensen. Ik wil bij mezelf blijven en ga niet echt anders schrijven. Ik zou dat ook niet kunnen, maar je schippert toch een beetje om het wat toegankelijker te maken. Goede teksten vinden hun eigen weg wel.”

ZS8O3797-v2-580x870
foto: Roel Janssen

Haar gedichten gaat Bracke voordragen tijdens poëziebijeenkomsten en bij culturele activiteiten in Heerlen. De jury die haar tot stadsdichter koos schreef: ‘Michelle weet de kwaliteit en diepgang van haar gedichten te verbinden met een pakkende, toegankelijke schrijfstijl’. Zelf werd ze bevangen door twijfel. “Bij de jurering vond ik het gesprek vreselijk slecht gaan. Ik dacht: die willen me absoluut niet hebben. Ik had het idee dat ze al iemand hadden gekozen, mensen die meer contacten hadden, dat dat een veilige keuze voor ze zou zijn.” De uiteindelijke winnares werd op het hart gedrukt dat ze best kritisch mag zijn, een ander geluid mag laten horen. Bracke: “Je wordt geenszins beperkt in je kritiek. Dat is prettig, maar ik vind dat je wel een dichter moet blijven. Dat je juist dingen moet kunnen vangen die niet zo voor de hand liggen, dat je daarop krachtig inzoomt en niet de makkelijk dingen kiest.”

Over het grote bouwproject dat de nieuwe stationsomgeving van Heerlen moet worden is ze resoluut: “Ik vind het zo’n slordig plan dat Maankwartier. Daarmee ga je het centrum leeg trekken. Ik vind dat ze moeten centraliseren zoals Maastricht dat doet. Nu wordt er teveel verdeeld in plaats van naar een centrum toe te werken, wat ook economisch beter is.” Haar issues met Heerlen bekruipen haar het meest als ze weer eens een andere stad opzoekt, zoals onlangs Berlijn. “De mensen zijn wat minder bekrompen en ze vinden niet zo gauw iets gek. Een verademing.” Maar vooroordelen over poëzie zijn overal. “Iets wat mensen maar moeilijk kunnen volgen, bijvoorbeeld, is dat ik naar metal luister. Dat matcht niet met de connotatie die mensen bij poëzie hebben, hetgeen lief en braaf is.”

De naam van David Bowie valt. De tijd dat hij in Berlijn woonde, eind jaren zeventig, bezorgde zijn muziek een artistieke opleving. De zanger is een groot voorbeeld voor Bracke: “David Bowie was mijn eerste liefde. Wat ik aan hem zo fascinerend vind is dat hij van gedaante verandert alsof het een natuurlijk ding is. Dat herken ik, die behoefte om al je gezichten te laten zien. Bowie was lekker androgyn en had daar gewoon schijt aan. Ik mag daar graag een voorbeeld aan nemen. Niet dat ik zelf ook zo ben, maatschappelijke conventies houden me in toom. Gewoon voor de lol zet ik wel eens een pruik op. In vind het fijn om fysiek te veranderen, om een andere kant van me naar buiten te laten. Ik ben gewoon mezelf maar heb soms de behoefte er anders uit te willen zien.”

Ze laat enkele foto’s zien vanaf haar smartphone. Daarop draagt ze een pruik met telkens een ander kleurtje en passende oogopslag. Over haar voorkeur om zichzelf soms een ander uiterlijk te geven: “Iedereen moet altijd een keuze maken. Op de een of andere manier kan ik daar niet tussen kiezen. Mensen vinden dat raar, en dat vind ik dan weer raar en dan ga ik het juíst doen. Ik weet ook niet waar dat vandaan komt. Je moet niet alternatief zijn om het alternatief zijn. Het is meer gevoelsmatig, iets waar ik plezier in heb. Ik moest wel eerst dertig worden om dit te kunnen doen.”

Op de achtergrond klinkt het geluid van glazen die worden omgespoeld en klaargezet voor de volgende dag. De laatste gasten hebben De Passie intussen verlaten. Kort voor sluitingstijd. De jonge stadsdichter neemt nog een laatste teugje van haar groene thee. Aan haar handen draagt ze opvallende ringen. Ze praat bedachtzaam maar zelfverzekerd, aangenaam en bescheiden. “Het is pas na mijn dertigste dat ik in alle oprechtheid kan zeggen: ik heb er schijt aan wat iedereen van me denkt. Daarvoor durfde ik dat niet. Ik ben niet heel erg ad rem en nogal introvert van karakter. Ik liet niemand binnen, bouwde een muur om me heen. Dat begon tegen me te werken. Ik zat helemaal in mezelf opgesloten. Het is een van de redenen waarom ik poëzie ben gaan schrijven, een manier om je te uiten, een uitlaatklep. Inmiddels is de muur gesloopt en dat voelt heerlijk.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Met Corporeal maakt Hadassah Emmerich haar eigen Gesamtkunstwerk

HADASSAH-14
(foto: Anita Hondong)

Hadassah Emmerich laat iets zien dat zich niet meteen gewonnen geeft. Wat op het eerste oog een bont spektakel lijkt waarin kleuren en vrije vormen overheersen, is in werkelijkheid een samenpakkend Gesamtkunstwerk. Achter de schilderijen, tekeningen, linosnedes en muurschilderingen gaan begrippen schuil als vrouwelijke identiteit, exotisme en zelfreflectie. Emmerich toont ze onnadrukkelijk. Toch voel je dat er meer aan de hand is, veel meer. Corporeal heet haar tentoonstelling in Schunck. Een Engelse aanduiding voor het lichaam dat niet kan bestaan zonder het fysieke en het persoonlijke.

Lees verder

Nederlandse acteur Frank van Putten in The Wolf Of Wall Street: ‘Mijn karakter is een mens van vlees en bloed’

1534297_629126223819980_799798068_n

In Martin Scorsese’s daverende snuif-, sjoemel- en seksepos The Wolf Of Wall Street is ook een rolletje weggelegd voor de Nederlander Frank van Putten. Halverwege de drie uur durende Hollywoodproductie duikt hij op als assistent van een Zwitserse bankier. Het personage van Van Putten is de enige man in de film die niet met zijn neus in de cocaïne of een jongedame zit. Wel draagt hij het mooiste maatpak van allemaal. En maakt hij, in tegenstelling tot alle doorgesnoven types om hem heen, een beschaafde en gedistingeerde indruk. Schijn natuurlijk. In een ander shot zien we hem geobsedeerd achter een geldteller. De aandelenzwendel van de louche Wall Street firma Stratton Oakmont is zo uit de klauwen gelopen dat in allerijl koffers met cash naar een Zwitserse bank zijn vervoerd. Tijdens de onderhandeling over de transactie bevindt Van Putten zich in een kantoor met de voornaamste hoofdrolspelers, waaronder steracteur Leonardo DiCaprio.

Frank van Putten (1952) woont en werkt in Amerika, maar heeft een achtergrond in de theaterwereld. “Ik heb de regieopleiding gedaan aan de theaterschool in Amsterdam. Mijn beste herinnering daar was werken met Ton Lutz. Na afloop wilde ik meer leren over het acteren. Eind jaren zeventig ben ik toen naar New York gegaan om bij Stella Adler te studeren. Dat was een fantastische tijd. Stella Adler was een fenomenale invloed; zij heeft mij met open armen ontvangen, en me aangemoedigd als acteur.”

In contact met de makers van The Wolf Of Wall Street kwam hij via zijn agent. “Eerder had ik casting-director Meghan Rafferty ontmoet van Ellen Lewis Casting. Dat hielp.” Dat hijzelf geen tekst heeft in de film deert hem allerminst. Voor Van Putten speelde het feest zich voornamelijk af op de set tijdens de opnamen. “Dat was een geweldige belevenis. Scorsese is de onbetwiste meester, zonder zichtbare inspanning had hij alles volledig onder controle. Ik was in een scène met Leonardo DiCaprio, Jonah Hill, Jean Dujardin en PJ Byrne. Iedereen was geconcentreerd met zijn werk, respectvol, geen ego’s. Scorsese gaf mij een aanwijzing: hij wilde van mij een contrast, dat ik een tegenwicht was tegen de ongebreidelde energie van de anderen. De scène werd gefilmd met vier verschillende camera-instellingen. De laatste camera-instelling die dag was op mij, maar alle acteurs speelden toen die scène weer opnieuw en ten volle uit.”

De filmmomenten met Van Putten suggereren opnamen in een zonovergoten Genève. Niets is minder waar. “Onze bankkantoren werden gebouwd in een studio in Brooklyn. De begroetingsscène in de lobby werd gefilmd op een locatie in Manhattan.” Wat vindt hij inhoudelijk van The Wolf Of Wall Street en zijn eigen bijdrage; een rustpunt te midden van de overdetop bacchanalen? “Van de film heb ik enorm genoten en veel gelachen. Ik zie ‘m als een catalogus van de dwaasheid van onze hoogste ambities. Leonardo is fantastisch. Mijn karakter is een mens van vlees en bloed: hij gelooft in de respectabiliteit van geld. Helaas blijkt dat illusoir. Geld hebben is niet een van de zeven deugden. Als acteur moet je dat met of zonder tekst kunnen zeggen.”

Had je ondanks je kleine rol voldoende contact met regisseur Martin Scorsese en je medespelers? “Vanaf het begin voelde ik mij deel uitmaken van de film. Dat is Scorsese. En ook Dicaprio. Hij zei tegen mij dat iedereen naar de rushes had gekeken waar ik het geld aan het tellen was in de bank. Dat moment kwam later in de trailer van de film. Aan ’t eind van mijn drie dagen zei Scorsese dat dit mijn laatste dag was en vroeg iedereen om mij applaus te geven. Onmogelijk om je iets beters te wensen!”

Tijdens de Oscaruitreikingen op 2 maart zal The Wolf Of Wall Street ongetwijfeld prijzen gaan binnenslepen. Voor Van Putten is er gewoon meer werk in het vooruitzicht. Nou ja, gewoon. Acteren in films en series die in ons land nog niet te zien zijn of nog in productie moeten. Van Putten: “Ik speel een nazicommandant in een internetserie, Small Miracles. In februari ben ik te zien een rol in I Dream Too Much, en als ‘the cleaner’ in Pick-Up, iemand die sporen wist voor een gangsterbende; dat zijn beide independentfilms. En ik speel een juwelier in The Knick, een tv-serie voor HBO, geregisseerd door Steven Soderbergh.”

(met dank aan Rebecca van Putten)

(eerder gepubliceerd door The Post Online, 17-1-2014)

Joep Dohmen: “Er zijn weinig steden in Nederland die zoveel problemen hebben als Heerlen”

JD

“Ik denk dat je na het lezen van dit boek meer begrip hebt voor Heerlen. Je oordeelt er minder snel hard over. Deze stad is zoveel overkomen door de komst en het vertrek van de mijnen.”

Aan het woord is Joep Dohmen. Hij schreef een kritische maar meeslepende biografie over Heerlen; over de opkomst en de ondergang van een bruisende industriestad. Maar De Geur Van Kolen is ook een persoonlijke familiekroniek, over onder meer zijn vader die hij nauwelijks gekend heeft. Tijdens zijn onderzoek naar de geschiedenis van de voormalige mijnstad, ontdekte Dohmen in het Nationaal Archief dat oud-burgemeester Marcel van Grunsven zich tijdens de oorlog net iets teveel met de Duitsers bemoeide.

In het Heerlense uitgaanscentrum baden drukbevolkte terrassen volop in het zonlicht. Op de warmste dag van oktober ontmoeten we de in Heerlen geboren onderzoeksjournalist. Hij werd bekend om zijn geruchtmakende artikelen in NRC Handelsblad over onder meer corruptie en bouwschandalen. Dohmen is een half uur te vroeg op onze interviewafspraak. Zijn sigaartje heeft hij al half opgerookt.

“Acht jaar geleden overleed mijn moeder, mijn vader Hub was al heel vroeg overleden. Ik was toen in 1979 nog een puber. Ik heb mijn vader eigenlijk nooit goed gekend. Ik had vaak ruzie met hem. Door de koffer die ze mij achterlieten kwam ik mijn vader weer tegen. Ik had toen veel verdriet over mijn moeder en begon daarom al die dingen op te schrijven. Twee jaar geleden dacht ik: wat doe ik daarmee? Als ik het in mijn laatje laat liggen is dat hetzelfde als dat ik de koffer op zolder laat staan.”

“Er zijn zoveel boeken over de mijnen, mijnwerkers en Limburg geschreven. Ik heb geprobeerd het in een wat breder kader te plaatsen om te begrijpen hoe de samenleving vóór ons in elkaar zat, waarin je dus die hele ontwikkeling meemaakt, niet alleen gefocust op de mijnen. Je ziet dat mijn ouders zich ontworstelen aan al die tradities, hoe de kerk verdwijnt uit het leven van de mensen, hoe de mijn verdwijnt, hoe de KVP verdwijnt.“

Winkel 191  Heerlen, Emmaplein

“Ik ben bij diverse mensen die mijn vader hebben gekend op bezoek geweest met de vraag: wie was dat nou die man? Dat werden hele ontroerende ontmoetingen met mensen die heel oud zijn, met de paar mensen die nog leefden en nog iets konden vertellen over mijn vader. Ik heb nog iemand gevonden die in mijn vaders eindexamenklas van de HBS zat. Sommigen hadden ook moeite om mij dingen te vertellen. Het is een openhartig iets waar ik ook met mijn broers en zus over gesproken heb. Ik denk dat het beeld dat je van mijn vader krijgt als je het boek helemaal gelezen hebt, je ook iets van diezelfde compassie ziet die je ook met Heerlen kunt hebben. Die parallel zit er in. Het is heel sneu hoe het gegaan is met hem. Hij had een gezond stel hersens, ging naar de HBS. Dat deden niet zoveel jongens voor de oorlog. Hij had makkelijk kunnen gaan studeren. Door omstandigheden blijft hij hier hangen in een baantje. Zijn karakter werd deels gevormd door thuis, met een hele strenge vader die bezig was met carrière maken. Die was de baas van de administratie van de Staatsmijnen. Reed al in een leaseauto, een Ford Consul, toen er nog nauwelijks auto’s rondreden.”

“Er zijn passages in het boek over de naderende dood van mijn vader, als hij depressief wordt. Max de Bruin, die nu heel oud is en met wie ik sprak over mijn vader, voorvoelde iets. (De Bruin was met Hub Dohmen mede-uitgever van Mosalect, Bloemlezing Uit De Limburgse Dialectliteratuur-HP). Over dat je een naderende dood en afscheid kunt voorvoelen. Hij vraagt zich af of dat bij mijn vader misschien het geval was. Dat zie je ook aan de gedichten die hij mijn vader schrijft, die zijn somber, richting het levenseinde.”

300px-Nationaal-Mijncentrum-Heerlen

“Het was eigenlijk niet de bedoeling om onderzoek te doen naar Marcel van Grunsven. Tijdens familiebijeenkomsten werd nooit over oom Albert gesproken. Die was in oorlogstijd burgemeester geweest in Echt. In het Nationaal Archief heb ik gekeken wat er over hem nog te vinden was. Daar lag zijn zuiveringsdossier waaruit blijkt dat hij in de oorlog verhinderde dat er een NSB’er als burgemeester kwam. Hij was dus niet echt fout in de oorlog. Ik dacht toen: hoe is het eigenlijk met Van Grunsven afgelopen? Ik kon er hier niks over vinden behalve de positieve verhalen. Er zijn veel boekjes verschenen die gingen over zijn heldendaden. Een stad wil het verleden altijd wat rooskleuriger opstellen dan het is. Vervolgens ben ik gedoken in de zuiveringsdossiers van politieagenten. De voorzitter van de zuiveringscommissie was Van Grunsven. In de eerste vergadering van de commissie zegt hij: ‘Ik moet afscheid nemen als voorzitter want ik ben zelf nog niet gezuiverd. Dit moet maar iemand anders doen.’ Na de ontdekking in de archieven beschrijf ik wat ik ontdekte, afstandelijk, niet veroordelend. Mensen moeten zelf maar beoordelen wat ze er van vinden. Maar het bleek dus dat er toch wel wat aan de hand was.”

“Op de internetsite van de gemeente is hij nog een held. Er is een plein naar hem vernoemd. Kijk, die man heeft een visie gehad en ook goede dingen gedaan. Toch denk ik dat Heerlen de oorlogsgeschiedenis nog eens onder de loep moet nemen. Lag de werkelijkheid niet toch iets genuanceerder dan dat heldenverhaal? Een stad moet zijn geschiedenis op orde hebben. Mijn boek is een aanwijzing dat er dossiers zijn die men niet goed kent. Dat moet je gewoon willen weten. Voor het collectieve geheugen moet dat gewoon kloppen. En nu klopt het niet.“

still07_content-expanded

“Veel mensen verbinden het lot van Heerlen aan het Maankwartier, terwijl dat Maankwartier niet het panacee is voor deze stad, daarvoor zijn de problemen veel te groot. Dat er meer kunst en cultuur is lijkt me prima, het biedt de stad in deze sombere tijden verstrooiing, maar het is geen oplossing voor de problemen. Die zijn door een gemeentebestuur ook heel moeilijk op te lossen. Ik zou niet graag gemeentebestuurder willen zijn. Wat deze stad is overkomen is heel erg. Er zijn weinig steden in Nederland die zoveel sociaaleconomische problemen hebben als Heerlen. Er zijn hier wijken die quasi afgeschakeld zijn van de gewone samenleving waar bijna niemand meer werkt. Wel klagen aan de bar maar niet gewend zelf initiatief te nemen en in een soort verkramping achterblijven. Van generatie op generatie groeien er kinderen op in wijken die niet met de paplepel krijgen ingegoten dat je voor je inkomen moet werken. Het is niet eens meer een kwestie dat ze geen werk meer kunnen vinden; het is uit het systeem.”

S
(foto: Harry Prenger)

“Er is volgens mij wel een vingerwijzing in de richting waarin Heerlen moet evolueren: richting Aken. Ik denk dat dat de oplossing kan zijn. Het is natuurlijk te gek dat daar studenten in containers wonen en er miljarden worden geïnvesteerd. Wat men hier nodig heeft is werk. En dat ligt aan de andere kant van de grens. De toekomst ligt niet alleen in Maastricht maar voor Heerlen richting zuidoost, aan de andere kant. Daar ligt een gigantisch potentieel. Aken heeft hoogwaardige, lage en middelbare banen. Als je kijkt hoe daar de IT sector bloeit. Daar is science, automotive, technische banen waar veel vraag naar is, maar dan moeten de kinderen hier wel Duits leren. Toen wij opgroeiden met Duitse tv-programma’s zoals Bonanza zat het Duits in de oren, dat was een vanzelfsprekendheid. Nu is dat niet meer zo. Bij het Bernadinuscollege is dat sinds kort veranderd. Er wordt nu minimaal drie jaar Duits gegeven, wat een heel goed initiatief is.”

“De voorwaarde voor een bloeiende samenleving is in de eerste plaats economie en daarop volgt dan een culturele opleving. Toen de mijnen er waren was er veel geld, dan groeit ook het culturele leven. Er komen kunstenaars op af, mensen met geld, een katalysator voor veel ontwikkelingen. Heerlen mist die katalysator. Het is zeer te prijzen dat er allerlei culturele activiteiten zijn, ondanks het gebrek aan die andere zaken. Op zich is dat goed, je moet er niet aan denken dat zelfs dat er niet zou zijn.“

De daag sjpówwe zich vuurbij
wie auto’s op ‘n autobaan.
Van vreugjoar noa zoeëmer,
van herfs noa wingkter.
‘t Leëve geet wier,
mit of zónger ós.
Ouwer en messjie wieëzer gewoeëde
dinkt me, ooch dek mit ironie
an wat woar en neet mieë is.
Leëve en doeëd,
ze ligke zoeë kót neëve ee
es twieë geleefde i ge bed.

Hubert van Caumer (pseudoniem van Hub Dohmen)

Joep Dohmen – De Geur Van Kolen (LVD-U 2013)

(eerder verschenen op ZwartGoud)