Kamasi Washington – The Epic: nieuwe vergezichten in de jazz

The-Epic-320x320

Jazz. Niet veel meer dan een schuchter waakvlammetje dat gevaar liep ieder moment te doven. Na lang zoeken hooguit nog te vinden met een vergrootglas. En als je het eindelijk vond sloeg het van schrik spontaan aan het kruisbestuiven. Voorteken: er zat steeds minder jazz in het North Sea Jazz Festival. Net op het moment dat de muziek een niche dreigde te worden voor een select groepje fijnproevers en diehards, staat Kamasi Washington op. Sinds het verschijnen van het album The Epic wordt zijn naam met ontzag uitgesproken.

Niet alleen door jazzliefhebbers. De reputatie van de saxofonist schemerde al een poosje aan de pophorizon. Washington speelde mee op de aanstormende klassiekers To Pimp A Butterfly van Kendrick Lamar en You’re Dead! van Flying Lotus (Steven Ellison, achterneef van Alice Coltrane). The Epic is precies wat de titel belooft. Op een album dat onderverdeeld is in drie thematische hoofdstukken barst het van de jazz zoals we die lang niet meer gehoord hebben. Weliswaar reikt Washington geen vernieuwing aan, maar zijn blik op de aloude muzieksoort is veel meer dan een teruggrijpen naar het bloeitijdperk, naar de jaren zestig en pakweg het eerste deel van de jaren zeventig.

Als we soortgelijke albums erbij nemen, bevindt The Epic zich ergens tussen Pharoah Sanders’ Thembi (1971), Freddie Hubbard’s Sing Me A Song Of Songmy (1971) en Attica Blues (1972) van Archie Shepp. Ook de spirituele kant van saxofonist Albert Ayler hoor je terug. Washington is dus evenmin vies van het grote gebaar, waarin (koor)zang, strijkers en andere, zeker voor jazz, tamelijk onverwachte invalshoeken worden gebruikt. Zo horen we in Malcolm’s Theme de stem van Malcolm X, strijder voor gelijke burgerrechten voor Afro-Amerikanen, gevolgd door een uitvoering van Claude Debussy’s Clair De Lune.

De manier waarop The Epic tot stand kwam is eveneens apart. Met bevriende muzikanten wilde Washington, zoon van muzikale ouders, in een maand tijd zoveel mogelijk muziek opnemen. Liefst 190 composities werden vervolgens bewerkt en teruggebracht tot de 17 werken op The Epic. Lange stukken in de jazz zijn meestal gebaseerd op improvisaties; Washington zoekt muzikale vergezichten door middel van composities. Je ben er als luisteraar getuige van hoe hij de tijd neemt ze uit te werken, met veel gevoel voor melodie en harmonieuze instrumentaties. Dat tussen de weelderig swingende jazz bij vlagen soul, funk en fusion doorklinkt, maakt van The Epic des te meer een bijzondere luisterbelevenis. Voor de generatie die de jazz (her)ontdekt, gaat dit album ongetwijfeld uitgroeien tot heuse mijlpaal.

Over het vinyl:
De vinylversie bestaat uit drie lp’s in afzonderlijke hoezen, gestoken in een kartonnen slipcasebox. Daarin bevinden zich verder nog twee bijlagen. Qua vormgeving is de complete verpakking vrij sober; verwacht geen uitbundig luxedesign. Maar de meest prangende vraag die vinylliefhebbers zich stelden naar aanleiding van de drie uur durende, bijna een half jaar eerder verscheen cd, was of The Epic ook over de volledige lengte van de platen is geperst. Een lp kent normaal gesproken immers een tijdsduur van veertig à vijftig minuten. Welnu, alle stukken van de cd staan ook op de vinylset. De platenmaatschappij heeft het lengteprobleem opgelost door de composities in een andere volgorde te plaatsen. Ondanks dat elke lp hierdoor beduidend langer duurt dan gebruikelijk, kant vier en zes zelfs een half uur (!), is dit niet ten koste gegaan van de fraaie opname- en geluidskwaliteit.

KWbox

(eerder gepubliceerd op Vinyl50)

Worp en Wederworp: Misha Mengelberg, rebel tegen routine

57_mengelberg

Misha Mengelberg, jazzpianist. Geboren in 1935. Voor wie hem wel eens heeft zien optreden, solo of met zijn drummende sparringpartner Han Bennink, staat het volgende beeld op het netvlies: voorovergebogen, hoge rug, smeulende peuk in een chagrijnig ogende grimas met stoppelbaard. In weerwil van houding en lichaamstaal klateren de noten alsof ze van de trap vallen zonder dat je weet wanneer en óf ze beneden aankomen. Improviseren vanuit een traditie, om van daaruit beurtelings humor en verwarring te laten ontstaan. Kort gezegd, in navolging van zijn held Thelonious Monk, rammelt Misha Mengelberg voortdurend aan de conventies van de jazz.

Zoals hij muziek maakt zo praat hij ook. Te lezen in 26 interviews, gepubliceerd van 1961 tot 2011. Ze zijn door muziekjournalist Erik van den Berg samengesteld in een handzaam boekje met no-nonsense vormgeving. Het openingsartikel zet meteen de toon; een stilistisch mooie observatie over de pianist die eigenlijk geen zin heeft in een vraaggesprek. Liever gooit hij opzichtig de kont tegen de krib in de “ontzaglijke fauteuil die moeiteloos zijn kleine, gedrongen figuur verslindt”. In alle andere interviews spreekt hij echter honderduit.

Erg komisch is zijn relaas over Eeko, de grijze roodstaart papegaai waarmee hij ooit een duet speelde, te horen op een lp uit 1974. Er zijn weinig zaken waar Mengelberg ,die sinds zijn vierde piano speelt, geen mening over heeft. Maar het liefst ondermijnt deze dadaïst onder de pianisten hardnekkige opvattingen over muziek. “Zo zit het met free jazz ook. Vrijheid om andere mensen te terroriseren met ontzettend kabaal. Dat vind ik een tamelijk armzalige vrijheid, eerlijk gezegd.”

Worp En Wederworp brengt in woord en daad hulde aan het voormalige wonderkind dat nooit volwassen wilde worden. De uitgave is extra bijzonder omdat Mengelberg wegens vergevorderde Alzheimer niet meer in staat is op te treden. In 2013 moest hij noodgedwongen afscheid nemen van de (internationale) podia. Cherry Duyns maakte er toentertijd een documentaire over die wrang en ontluisterend de aftakeling in beeld brengt. Mengelbergs laatste kunststukje, de opera Koeien, werd door andere componisten voltooid. Het werk beleefde onlangs zijn première tijdens het Holland Festival.

Mengelberg: “In muziek zoek ik misschien wel naar waarheid, maar het is lastig, want muziek zegt niks. het zegt niet: de afwas is nu gedaan, of, het is vier uur. Muziek bestaat eerder uit indrukken van wat waaierige klanken. In sommige gevallen mag dat, in andere wil ik dat het ophoudt.”

Worp en wederworp – 26 interviews met Misha Mengelberg

Samengesteld door Erik van den Berg, met een introductie van Matthijs de Ridder 

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

Benjamin Herman biedt troost met Trouble

Benjamin_Herman_-_Trouble

Bij de jazz van Benjamin Herman krijg je het gevoel dat je weer een peuk mag opsteken. Zittend aan een tafeltje, zoals in de achterafzaaltjes in het New York van de jaren vijftig, toen jazz voor menigeen de geneugten en ongemakken van het leven mocht verklanken.  Altsaxofonist Benjamin Herman gaat verder op de weg die door de oude meesters werd geplaveid. Op het album Trouble maakt hij met zanger Daniel von Piekartz ingetogen, breekbare jazz voor de troostzoekende medemens. Het duo speelde al vaker samen tijdens sessies in Sociëteit De Kring, de muzikale huiskamer van Amsterdam.

Von Piekartz vult met zijn ietwat androgyne stem de door de muzikanten gecreëerde intimiteit fraai in. Een stem waar je van moet houden, die je niet meteen associeert met swingende jazz, maar juist daarom mooi contrasteert met Herman en zijn trio piano, bas, drums. Instrumenten die op gepaste afstand de hoofdrolspelers begeleiden en bij tijd en wijle van voorzetjes voorzien.

Met zijn altsax fluistert Herman in Blue Velvet zachtmoedige klanken in het oor van de zanger, die op zijn beurt ingetogen en beheerst, nummers vertolkt van Sly Stone, Fats Waller en JJ Cale, de meester van de muzikaal geboetseerde stilstand. Von Piekartz’ versie van Lilac Wine roept herinneringen op aan de uitvoering van Jeff Buckley. Toch is Trouble heel erg jazz en heel erg cool. Het hoesontwerp verwijst naar de buitelende balken van meestergraficus Saul Bass en, met een beetje fantasie, zelfs naar de vlakverdelende geometrie van Mondriaan.

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

The Bridge: de bescheiden comeback van Sonny Rollins

ia002035

Het overkomt je gewoon. Beroemd worden tegen wil dank. Niet iedereen kan de druk van het succes dragen. De een grijpt vertwijfeld naar genotmiddelen, de ander zet een geweer tegen zijn hoofd. Maar Sonny Rollins is nog springlevend, 83 inmiddels. Rollins, ex-heroïnejunk en bajesklant wegens betrokkenheid bij een roofoverval, groeide in de jaren vijftig uit tot een van de toonaangevende tenorsaxofonisten. Zijn karakteristieke spel wendde hij aan om in evergreens vrijelijk te gaan improviseren. Niet met de anarchie van de free jazz, maar met aarzelende overgave en berustende melancholie. Jazzstandards afschminken totdat ze ergens in de verte hoogstens via een zweem melodie een opgelucht ‘aha’ opriepen.

Op gegeven moment had Rollins er schoon genoeg van. Genoeg van het gedoe van steeds meer mensen om hem heen die hij niet kende en van de toenemende twijfel die hem al zijn hele leven parten speelde. In 1959 trok hij zich terug uit de muziekwereld. Tijd voor herbezinning. Op zichzelf en zijn muziek, daar in zijn bescheiden appartement aan de Lower East Side. Omdat hij zijn hoogzwangere buurvrouw, die elk ogenblik kon bevallen, geen geluidsoverlast wilde bezorgen, ging Rollins ‘s avonds aan de wandel om te repeteren. Op de nabij gelegen Williamsburg Bridge spuwde zijn tenor solo’s tegen het verkeerslawaai. Drie jaar duurde Rollins’ zelfverkozen sabbatical.

En waar kwam de “saxophone colossus” in 1962 mee aanzetten? Met The Bridge, een zelfs voor zijn doen uiterst beschaafd album. Dit had niemand verwacht. Ook achteraf blijkt de muziek mijlenver verwijderd van de indertijd hippe free jazz. Sonny Rollins laat zich terzijde staan door een andere muzikant van naam. Alsof hij het in zijn eentje nog niet helemaal aandurft. Terwijl de saxofonist verfijnd en soepeltjes improviseert, is het spel van gitarist Jim Hall ingetogen en delicaat. Zo verdelen Rollins en Hall hun partijen in voornamelijk covers, waarin ze elkaar de ruimte geven voor solopartijen die meer weg hebben van korte dialogen. Rollins in de linkerluidspreker, Hall in de rechter.

Van binnenuit wordt het duo geschaduwd door de bassist en de drummer. Wanneer Hall niet soleert maar begeleidt, klinkt hij of hij een wijnglas aan het schoonmaken is. De muziek heeft iets vertrouwelijks, iets intiems. Net of de muzikanten ter plekke een complot aan het smeden zijn. Dat maakt The Bridge best bijzonder. Ook de luisteraar raakt gaandeweg betrokken bij dit album dat zich niet snel gewonnen geeft.

De loepzuivere weergave van de muziek is voor een groot deel de verdienste van deze vinylversie. De lp is afkomstig van perserij annex label Music On Vinyl, dat vanuit Haarlem internationaal faam aan het maken is met liefdevol verzorgde (her)uitgaven. Dankzij het oppoetsen (remastering) van oude analoge opnamen in combinatie met “180 gram audiophile vinyl”, klinken veel van de MOV reissues zelfs beter dan de originele lp’s. Je hoort de muziek, niet de plaat.

Een hernieuwde kennismaking met The Bridge is zeker op zijn plaats, al was het maar om wegwijs te worden tussen de vage reissues die er in de loop der jaren in omloop zijn gebracht. Een beetje jammer is de verwijdering van het logo van de oorspronkelijke platenmaatschappij RCA Victor rechtsboven op de hoes. Op het etiket van de plaat staat de naam van het aloude label wel nog vermeld. Zo is het of er toch een authentiek exemplaar uit 1962 op je draaitafel ligt.

Sonny Rollins – The Bridge (Music On Vinyl lp 1962/2013)

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

Boek Lucebert & Jazz alleen voor fijnproevers

Lucebert - De Raddraaiers (1993) olieverf op doek
Lucebert – De Raddraaiers (115 x 145 cm, olieverf op doek, 1993)

Kunstenaar Lucebert dichtte door woorden niet met rust te laten. Zelf vond hij dat zijn jazzpoëzie hardop moest worden voorgelezen. Hoe talentvol hij als dichter en schilder ook was, gedurende zijn aardse bestaan voelde Lucebert zich naar eigen zeggen een “gemankeerde saxofonist”. Het liefst wilde hij in gereïncarneerde vorm terugkeren als “fantastische saxofonist”.

Lucebert & Jazz is een onderonsje tussen uitgeverij Huis Clos uit Rimburg (Landgraaf) en het Limburgse ontwerpersduo Maud van Rossum en Piet Gerards. De vormgeving van het boek ziet er bedrieglijk eenvoudig uit maar springt vanaf enkele meters afstand in het oog dankzij de vette roodzwarte letters op de kaft. Dat belooft wat. Helaas gaat het ontwerp niet veel verder dan de cover. Binnenin zijn vormgeving en typografie zo karig dat de publicatie soms wat weg heeft van een streng schoolboek.

L

 

Lubertus Jacobus Swaanswijk (1924-1994) liet zich bij een groot deel van zijn experimentele poëzie en doeken inspireren door de swing en weemoed van de jazz. Muziek waarmee hij een levenslang pact sloot. Indachtig de vernieuwende stromingen van destijds, bebop en freejazz, wilde ook hij iets creëren wat er nog niet was, iets van toenemende waarde minder weerloos maken. Belangrijkste getuige vormt zijn uit bijna tweeduizend titels omvattende platenverzameling. De privédiscografie staat keurig achterin het boek gerangschikt. De als hommage bedoelde uitgave, subtitel “Ik Ben Een Gemankeerde Saxofonist”, bevat verder deels eerder verschenen artikelen, essays en interviews. Wie de slipcase eraf haalt ontdekt in de achterflap twee cd’s: opnamen van het Flex Bent Braam ensemble dat jolige herbewerkingen van jazzstandards speelt, en een liveregistratie uit 1965 met jazz & poetry door o.a. Lucebert en het Misha Mengelberg/Piet Noordijkkwartet tijdens de uitreiking van de Constatijn Huygensprijs.

Een van de hoogtepunten van het boek is het interview dat Bert Vuijsje met Lucebert had. Inzichtelijk, invoelbaar en raak geschreven. Dat geldt ook de scriptie van Jan van Gilst. Een enkele bijdrage is echter onnodig academisch van toon. Het essay van Johanneke van Slooten, een abstracte analyse van de fonetiek en woordtechniek in Luceberts jazzgedichten, ligt zeventien pagina’s lang zwaar op de maag. Zekerheidshalve wordt erbij vermeld dat de kunstenaar zich goed kon vinden in haar benadering, althans volgens de schrijfster zelf. De bijdrage van Ben IJpma komt door de opsomming van talloze namen de leesbaarheid evenmin ten goede. Je mist in dit boek een beetje de prikkeling en schwung om ook andere dan ingevoerde lezers te interesseren voor het werk van Lucebert en jazz.

Misschien was het beter geweest wanneer de samenstellers enkele jonge schrijvers of essayisten hadden gevraagd om meer duiding te geven aan de huidige waarde en betekenis van Lucebert, in relatie tot zijn favoriete muziek. Temeer omdat de hoogtijdagen van de jazz, met swing, bebop en freejazz, al lang voorbij zijn (zie de programmering van het North Sea Jazz Festival). Lucebert en jazz verdienen eigenlijk meer dan een niche-uitgave voor fijnproevers.

Ik Ben Een Gemankeerde Saxofonist. Lucebert & Jazz (Huis Clos 2013)

Figuur

 

Deeldeliers houden onder aanvoering van Jules Deelder oude jazz in ere

Voor de meeste mensen bestaat jazz uit noten die klinken alsof ze van de trap vallen. Ingewikkeld, te lange solo’s. Zoniet bij de Deeldeliers. Bij deze gelegenheidsband danst de jazz een groove die niet lang genoeg kan duren. Vroeger was alles beter lijken ze te willen zeggen. Met vroeger bedoelen ze de jaren vijftig, hooguit begin jaren zestig. Toen jazz nog niet ‘free’ was maar wel ‘swingde’. En muzikanten nog gewoon rookten tijdens het spelen.

Nederhorst den Berg. Het Noord-Hollandse dorpje is in de nacht van 6 februari 2012 locatie voor de improvisaties van de Deeldeliers met gastmuzikanten. De muziek wordt net als destijds in een zucht en een vloek opgenomen, de camera loopt mee. Daar is nu een plaat en een dvd van. Het optreden in de Heerlense Nieuwe Nor is een film die tot leven komt. Jules Deelder neemt plaats achter de snaredrum. We kennen hem van zijn staccato voorgedragen speedpoëzie, het potje gel in het strak achterover gekamde haar en het verwoed verzamelen van jazzplaten. Om thuis bij de bovenste rij te kunnen heeft hij een trapje nodig.

Omdat hij zijn brushes zachtploffend en aaiend op het drumvel laat neerdalen zit hij slagwerker Erik Kooger niet in de weg. Kooger klapwiekt zich zo los van de typische jazzstijl dat er een aanstekelijke groove ontstaat; als een naald die in de plaat blijft hangen. De andere Deeldeliers zijn Bas van Lier, die het Hammondorgel bespeelt alsof het een piano is, terwijl saxofonist Boris van der Lek de jazztraditie in ere houdt met dat typisch flamboyante geluid van de tenor. Oude jazz levend en actueel houden, dat is wat ze doen de Deeldeliers. En dat doen ze goed. Van der Lek steekt nog maar eens peuk op.

“Jezus was best oké, alleen van zijn grondpersoneel klopte geen klote.” Weliswaar declameert Deelder geen gedichten tijdens het optreden, de bijna 70-jarige nachtburgemeester van Rotterdam veroorlooft zich toch enkele verbale oprispingen. Inhakend op de actualiteit noemt hij de nieuwe paus “die paardelul”. Over diens herkomst: “alsof ze in Argentinië niet al niet genoeg kinderen geschonden hebben.” No Room For Squareswordt ingezet. Geen ruimte voor hokjesdenken. Hank Mobley is de naam. Een van Deelders favoriete tenorblazers. De uitvoering is er naar. Dampend, swingend, uitgelaten. Omhoog kringelende rookpluimen blijven hangen tussen de spotlichten. Voor even wordt De Nieuwe Nor zo’n rokerige achterafkroeg uit de jaren vijftig. Tot slot een fuifnummer: The Hooker. Vroeger was alles beter.

De Deeldeliers (De Nieuwe Nor, Heerlen, 14 maart 2013)

(eerder verschenen op ZwartGoud)