Hoe Herbie Hancock met soul en experiment zijn weg vond buiten de jazz

Dat was best een ommekeer in de jazz en in het oeuvre van Miles Davis. Kwam de trompettist aan het einde van de jaren zestig doodleuk met stukken muziek van een half uur of langer. Een deel ontstond nota bene door knip- en plakwerk in de studio. Die techniek deed echter geen enkele afbreuk aan de intensiteit van wat ook wel werd genoemd zijn ‘elektrische periode’.

Dan hebben we het over allang tot klassiekers verheven platen als In A Silent WayBitches BrewOn The Corner en Get Up With It. Muziek die vragen opwierp. Is dit nog wel jazz? Waarop Davis glorieus antwoordde: een mix van funk, rock en Afrikaanse ritmes, van klankverkenningen die al waren begonnen voordat je er erg in had. ‘Directions in music’ luidde de bijsluiter van Bitches Brew.

Een muzikale metgezel die Davis’ gedurfde vernieuwing van nabij meemaakte was Herbie Hancock. Op een aantal van deze klassiekers speelde hij mee, vanachter de elektrische piano. Ook Hancock ging aan de slag met werken waarin intuïtie en sfeer belangrijker werden gemaakt dan het stramien van compositie. Met name Miles Davis legde aldoende de basis voor jazzrock of fusion. Destijds weinig begrepen en op waarde geschat, momenteel geaccepteerd en alomtegenwoordig. Flying Lotus’ You’re Dead is dé fusionknaller van onze tijd, mét bijdragen van Hancock.

De pianist voegde nog andere varianten toe aan het avontuur dat modale jazz heette. Soulritmes die groovy heen en weer rolden bijvoorbeeld. Te horen op Fat Albert Rotunda, de meest toegankelijke van de drie albums die hij rond 1970 maakte en die opnieuw zijn uitgebracht op vinyl.

Mwandishi, Swahili voor schrijver, was de moeilijkste. The New York Times omschreef de muziek als ‘higher order of energy’. Nou dat valt reuze mee. Er wordt flink getwijfeld tussen improvisatie en een aandrang tot freejazz. In Wandering Spirit Song neemt Julian Priester het voortouw, maar het timbre van zijn trombone is lang niet spannend genoeg om zich staande te houden tussen de andere instrumenten. Uiteindelijk willen zo veel blazers hun zegje doen dat de muziek verdrinkt in overdaad en de speelduur van twintig minuten nog een hele zit wordt.

Net als Davis gaf Hancock veel vrijheid aan andere muzikanten. Zo mag Buster Williams gracieus zijn bas laten glijden in Sleeping Giant vanCrossings. Dit album, het beste en meest fascinerende van het drieluik, komt nog het dichtst in de buurt van Davis’ devies “speel niet wat er is, speel wat er niet is”. Bij Hancock wordt dit een verbond tussen klanken en stijlen die doorelkaar lopen en tegen elkaar opbotsen. Opvallend is het gebruik van synthesizer, in de jazz destijds een exotisch instrument. In Water Torture laat pionier Patrick Gleeson warme en weirde geluiden horen in muziek die betovert, swingt en weerbarstig is. Prachtig slot van een unieke triptiek in het werk van Herbie Hancock.

De vinyluitgaven van het Nederlandse label Music On Vinyl staan intussen garant voor hoge kwaliteit. De 180-grams persingen zien er niet alleen kraakhelder uit, zo klinken ze ook. Dit zijn drie geremasterde heruitgaven die een vitale en transparante weergave bevatten van de muziek. Crossings verschijnt overigens net als de originele lp in klaphoes.

Herbie Hancock – Fat Albert Rotunda (Warner/Music On Vinyl 1969/2019)
Herbie Hancock – Mwandishi (Warner/Music On Vinyl 1971/2019)
Herbie Hancock – Crossings (Warner/Music On Vinyl 1972/2019)

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud en The Post Online)

Jean-Michel Basquiat in Schunck: van krabbels naar vernieuwende schilderkunst

Basquiat in the apartment 1980 (foto: Alexis Adler)

Heerlen is zichzelf opnieuw aan het uitvinden. Urban luidt de ‘tag’ waarmee men de nabije toekomst tegemoet wil treden. Muurschilderingen tieren reeds welig in binnenstad en buitenwijken. Museum Schunck, het culturele geweten van de regio, hengelde geruime tijd naar een blockbuster over Jean-Michel Basquiat. De ooit als straatkunstenaar begonnen schilder is nu eindelijk te bewonderen in de vroegere mijnstad; overigens dankzij jarenlange wegbereiding en inspanningen van voormalig artistiek leider Lene ter Haar. De tentoonstelling biedt een blik op de beginjaren van de kunstenaar, toen hij buurten van New York ‘onveilig’ maakte met zogenaamde geveltags. Een primeur voor Europa. En het mocht wat kosten. Voor Schunck de duurste expositie ooit (ruim negen ton). Met als goede tweede naar het schijnt een retrospectief in 2011 over Niki de Saint Phalle. Bij Schunck kennen ze hun klassiekers.

Jean-Michel Basquiat volgde nooit een kunstopleiding, maar wist met steun van enkele galeriehouders uit te groeien tot een van de grootste en invloedrijkste namen uit de kunsthistorie. Eigenhandig zette Basquiat het schilderen weer op de kaart, als opgestoken middelvinger tegen de conceptuele ideeënkunst, de überkitsch van Jeff Koons en de video-art van de jaren tachtig. Vaak intuïtief, werkend aan meerdere canvassen tegelijk. Soms maakte hij twintig stuks in drie weken tijd. Zijn eerste doek verkocht hij voor tweehonderd dollar aan Debbie Harry van newwaveband Blondie. Tegenwoordig gaan ze voor miljoenen van de hand. De vier bruiklenen die bij Schunck nadrukkelijk in een aparte ruimte hangen, lopen alleen al verzekeringstechnisch flink in de papieren.

foto: Alexis Adler

Maar voordat hij beroemd werd maakte Basquiat kunst van voorwerpen die hij op straat vond. Kleding, een koelkast, een radiator, alles wat binnen handbereik was moest eraan geloven. Het merendeel bewaard door zijn toenmalige liefje Alexis Adler en nu te zien in Schunck. Rond 1980 woonde het stel in een goedkoop appartement in de New Yorkse kunstenaarswijk East Village. De woning fungeerde als atelier en canvas. Afgaand op de enorme wandfoto’s in het museum begon de creatieve explosie genaamd Basquiat al in het trappenhuis. Verder in de tentoonstelling een bekladde jumpsuit, schetsen, tekeningen en kleurenfoto’s van de ‘tag’ SAMO©. Uit te spreken als “same oh” ofwel een goedkeurend “same old shit” over marihuanajoint nummer zoveel. De veelzijdige schilder overleed in 1988 op 27-jarige leeftijd aan een overdosis heroïne.

De kunstenaar Basquiat is soms nog ver te zoeken in de wat keurige museale opstelling. Dat wringt een beetje met het ruige tijdsbeeld die de tentoonstelling probeert op te roepen. Basquiat (toen 19) maakte destijds nogal wat krabbels van een kinderlijk kaliber. Maar wel met humor. Non-descript White Man In His Thirties? Slechts een olijk bolletje met een plukje haar op ruitjespapier.

Wat de tentoonstelling sterk maakt zijn tientallen werken afkomstig uit The Times Square Show. Met onder meer een bijdrage van een toen eveneens onbekende Keith Haring. Eromheen levensgrote zwart-witfoto’s van straatbeelden van New York. Een bijna failliete stad middenin een economische crisis; dé voedingsbodem voor ambachtelijke kunstpunk.

Schunck toont liefst vijftig originele en sfeerverhogende artefacten uit deze expositie uit 1980. Zoals een pornofilmstrip, al heb je om die te bekijken wel een vergrootglas nodig en, achter een rood gordijn, een als ‘peepshow’ vermomde installatie. Basquiats inbreng was onder meer een uithangbord met de letters SEX. Niet zo vreemd allemaal als je bedenkt dat The Times Square Show plaatsvond in een oud bordeel. Rake zet om deze blik op de kunst- en stadsgeschiedenis als scharniermoment te plaatsen tussen het begin van Basquiat en zijn doorbraak kort erna. Hijzelf begon steeds vaker te schilderen op doeken met grote afmetingen.

Want hèt hoogtepunt van de Schuncktentoonstelling is die ene ruimte met de vier topstukken. Inclusief permanente bewaking. Hier knallen en krioelen de kleuren en lijnen ogenschijnlijk chaotisch van het canvas. Skeletachtige lichamen en hoofden. Niet helemaal toevallig. Toen Basquiat als kind na een ongeluk in het ziekenhuis lag gaf zijn moeder hem een boek over anatomie. Taferelen vol symbolen en straatjargon, kriskrasfiguurtjes die ondanks de lukraak lijkende plaatsing een verhaal vertellen en tegelijk een eigen beeldtaal creëeren. Zo kennen we hem weer. Verwijzend naar collegakunstenaars (o.a. Lonnie Wood alias graffitiartiest Phase 2) of, in weer andere werken naar racisme, want dat was wel een thema. Na een feestje ter ere van zijn kunstenaarschap kon hij zelf niet eens een taxi krijgen.

Moeten we als de bliksem naar Heerlen afreizen? Reken maar. De tentoonstelling Basquiat: The Artist And His New York Scene is een buitenkansje, een dubbele aanrader. Zijn kunst wordt nog maar zelden getoond in een museum in ons land. En zoals gezegd voor het eerst te zien in Europa. De bijbehorende catalogus is tegelijk een fotoboek dat een mooie en inzichtelijke weergave geeft van sfeer en tijdsbeeld van Basquiat en de tentoonstelling.

Jean Michel Basquiat The Artist And His New York Scene – Schunck, Heerlen (t/m 2 juni 2019)

Klik hier voor het oorspronkelijke artikel op ZwartGoud 

Ook als reissue blijft Music From Big Pink van The Band een van de grote mysteries van de popmuziek

Niet alle muzikanten gaan eind jaren zestig gekleed in jasjes met kleurrijke bloemmotieven. Zo zijn er mannen met sjofele colbertjes om de schouders. Verder dragen ze baarden en hoedjes. Na tien jaar lang te zijn aangesterkt door liveoptredens mogen ze eindelijk de teugels laten vieren. Lekker liedjes spelen in een vrijstaand huis dat ondanks de knalroze pui amper te vinden is in het noordoosten van Amerika. Er zijn daar meer bomen dan bewoners. Het interieur lijkt op een gewone gezinswoning. Leren banken, een eettafel, bedden in slaapkamers. Wanneer de mannen met baarden en hoedjes in de kelder afdalen gaan ze de Amerikaanse muziek binnenstebuiten keren. En dat voor een stelletje Canadezen. Het mooiste bewaren ze stiekem voor eigen gebruik. Elf muzikale vondsten die voor de eeuwigheid worden vastgelegd in studio’s in New York en Los Angeles.

Ondanks de vernieuwingsdrang in de popmuziek van 1968 voelen de ‘songs’ ouderwets aan. Toch zijn ze er in deze vorm nooit eerder geweest. Ook heel ongewoon voor die tijd: het album begint met een ballad. De voorkant van de hoes bevat tekeningen van Bob Dylan maar niet de namen van de muzikanten.

Veel teksten gaan over de vragende en twijfelende mens. Dus over naderend onheil zeg maar. De Bijbelse symboliek tussen de regels door helpt ook al niet. “Now you look out the window tell me. What do you see? I see a golden calf pointing back at me”. De stemmen van de verschillende zangers kronkelen als een stug grindpad langs bermen waar piano, orgel, drums en bas opbloeien. Het geluid van de gitaar woekert als hardnekkig onkruid.

Dit is geen pop of rock, blues of country. Maar wat is het dan wel? Vijftig jaar later heeft de muziek nog altijd iets raadselachtigs. Wanneer je denkt dat een nummer gaat eindigen volgt er opeens nog een couplet of gitaarsolo. Muzieknoten en akkoorden  weten zelf ook niet goed wat hen overkomt. Langzaam word je naar binnen gesleurd, omarmd en weer losgelaten. Music From Big Pinkkortom is typisch zo’n plaat die je eerst goed moet leren kennen om ‘m op waarde te kunnen waarderen.

Sommige mensen hebben daar problemen mee. Om er toch duiding aan te geven worden er decennia later begrippen als roots en Americana voor bedacht. Maar Music From Big Pink gaat niet gebukt onder de clichés die dit genre intussen haast ondraaglijk maken. Een album als dit was er niet eerder en is sindsdien ook nooit meer gemaakt. Uniek, mysterieus, een tikje vreemd, maar prachtig. En het orgelriedeltje in Chest Fever moet onderhand eens net zo klassiek worden als de gitaarintro van Deep Purple’s Smoke On The Water.

Volgens audio- en vinylexpert Michael Fremer is op de originele Amerikaanse lp de lage klank van bas en basdrum eraf ‘gesneden’. Bij de platenmaatschappij was men bang dat de pickupnaald de lage frequenties haperend zou afspelen. Op deze reissue is de oorspronkelijke opname in ere hersteld. Met dank aan technicus Bob Clearmountain klinken de instrumenten nu diep en dynamisch. Het totaalgeluid is bovendien veel meer uitgebalanceerd. Verdikkeme, wat klinkt de muziek opeens authentiek en intens. Om de geluidskwaliteit optimaal tot zijn recht te laten komen is deze heruitgave verschenen als dubbel-lp, af te spelen op 45-toeren. Beide platen zijn overigens in de tweede hoes van de klaphoes gestopt. 

The Band – Music From Big Pink (2lp Capitol/Universal 1968/2018)

Einstürzende Neubauten geeft met beladen Lament gedenkwaardig concert

Minuscule glittertjes plakken op het driedelige pak van Blixa Bargeld die blootsvoets op het podium staat. Ook bassist Alexander Hacke, met woest lang haar, heeft zijn schoenen in de kleedkamer achtergelaten. Met N.U. Unruh de drie overgebleven leden van Einstürzende Neubauten dat werd opgericht in 1980. Andere laatste getuigen uit de beginperiode zijn de ‘instrumenten’: omgebouwde en elektrisch versterkte voorwerpen afkomstig van de sloop.

De band uit Berlijn maakt allang geen industriële punk meer. Uitgebreid met andere muzikanten en invalshoeken, zette Einstürzende Neubauten in artistiek opzicht een bijzondere ontwikkeling in gang. Ondanks het experimentele karakter en het instrumentarium dat nog altijd hardnekkig afwijkt, werden de teksten doorwrochter en het gevoel voor melodie sterker. Silence Is Sexy is de veelzeggende titel van een van de betere albums van Neubauten. En speciaal voor het huidige project Lament worden de kale en weerbarstige klanken ondersteund door een persluchtinstallatie en een strijkkwartet.

Dit performanceproject is een eigenzinnige constructie in geluid over de Eerste Wereldoorlog. Volgens Bargeld is deze oorlog nooit helemaal voorbij gegaan. Hij ziet de periode als opmaat voor het Europa waarin we nu leven. Nadat de verwoesting en nasleep een einde maakten aan de cultureel-filosofische stromingen, de Verlichting van Europa, ontstond een voedingsbodem voor het groeiend communisme en fascisme. Toch gaat het voor een Nederlands publiek om een bijna vergeten geschiedenis. Ons land was onpartijdig in het conflict dat plaatsvond tussen 1914 en 1918.

Dat de band haar experimentele karakter niet heeft verloren wordt al snel duidelijk. Aan het begin van het concert barst de Kriegsmachinerie in alle hevigheid los. Schrapende, ijzingwekkende geluiden vullen de Limburgzaal. Blixa Bargeld houdt borden met cryptische statements omhoog. Min of meer aankondigingen van wat ons te wachten staat. Zoals begin vorige eeuw titelkaarten de beelden in de stomme film onderbraken en becommentarieerden.

Veel meer dan in de begintijd gaat bij Einstürzende Neubauten werkwijze en uitvoering gelijk op. Het is een van de weinige bands die intellect en ratio laten samen smelten met emotie en melancholie. Muzikale kleuren en stemmingen worden tijdens het optreden tot in het extreme afgewisseld. Dit is een Einstürzende Neubauten die je van tevoren niet ziet of hoort aankomen. Soms een tikje afstandelijk, maar naarmate de avond vordert steeds aangrijpender. Grappig is de interpretatie van een oude jazzband. Blixa Bargeld zingt niet alleen in het Engels en Duits maar ook in het Nederlands, al noemt hij het zelf Vlaams. Achterland is gebaseerd op een tekst van de door hem bedachte schrijver Paul van den Broeck zegt hij.

Breekpunt tijdens het twee uur durende concert is Vox Populi (van het album Grundstück). Alle bandleden heffen minutenlang tegelijk hun stem, zingend onder protest lijkt het, zonder woorden. De podiumbelichting dimt naar een gloed van oranje, zodat het decor de muzikanten toont in spookachtige silhouetten.

Einstürzende Neubauten blijft onlosmakelijk verbonden met de kunstgeschiedenis. Behalve aan de Eerste Wereldoorlog refereert de band aan de Europese kunstbewegingen die destijds ontstonden en de boel openzwaaiden: dada en futurisme. Bargeld houdt een drinkbeker tegen een oude grammofoonplaat die hij laat ronddraaien op een boormachine. Medebandlid N.U. Unruh verkleedt zich met een plastic witte cape en hoge muts als dada-uitvinder Hugo Ball. Ook de Berlijners smijten de deuren van de muziek en kunst wagenwijd open. Beats dreunen meedogenloos over de hoofden van publiek, de woordkeuze is absurdistisch, kleine voorwerpen ratelen over het podium. Let’s Do It A Dada is een nummer van het album Alles Wieder Offen. Een van de hoogtepunten van het optreden. Zelfs de violiste van het strijkkwartet applaudisseert na afloop.

In een van de toegiften klinkt een anti-oorlogslied uit 1955 van folkzanger Pete Seeger. Maar dan in het Duits. Sag Mir Wo Die Blumen Sind. Bargeld, in witgeverderd gewaad, blijft in de buurt van de vertolking van Marlene Dietrich. Aardig toeval. De geëngageerde zangeres met de slaperige oogopslag trad in Heerlen op aan het einde van Tweede Wereldoorlog, voor Amerikaanse soldaten in het nabij gelegen Royaltheater. Het is de enige echte song op deze gedenkwaardige avond die toch weer een beetje punk eindigt. Een experiment voor luchtpijpen. “We weten nooit van te voren hoe dit gaat uitpakken”, roept Bargeld er voor de zekerheid bij.

Cultura Nova: Einstürzende Neubauten – Limburgzaal, Parkstad Theater, Heerlen (26 augustus 2018)

Young Echo uit Bristol maakt de meest duistere muziek van nu

Young Echo. Uit Bristol. Niet de minste muziekstad van Engeland. Draai in de Britse havenstad de kraan open en er komt talent uit. Massive Attack, Portishead, Tricky, Roni Size en, uit een verder verleden Rip, Rig & Panic en The Pop Group. Young Echo dus, niet te verwarren met Young Fathers, koorknaapjes uit Schotland.

De bezetting is ongewoon. Tien man, een vrouw. Zelf spreken ze van een collectief. Intimi hebben het over de Bristol boys. Dichters, dj’s, muzikanten en producers die muziek maken als een ‘sound system’, een mobiel geluidssysteem dat vanaf de jaren vijftig door de straten van Jamaica dreunde als alternatief voor peperdure kroegen. Voor het gemak hebben de heren en één dame van Young Echo het recente album ook maar Young Echo genoemd, net als het label waarop ze de plaat zelf hebben uitgebracht. In eigen beheer zoals dat heet. Reden waarom de uitgave vooralsnog niet te koop is in (Nederlandse) platenzaken. Een dubbelalbum dat vierentwintig ongrijpbare nummers telt maar als geheel nog meer indruk maakt.

Nog een rijtje: Jasmine, Jabu, Vessel, Kahn, Neek, Ishan Sound, Ossia, Manonmars, Bogues, Rider Shafique en Chester Giles. Onder deze schuilnamen brachten de individuele Young Echo’s muziek uit op net zoveel verschillende labels. Naar het schijnt heeft Chester Giles liever dat zijn naam niet met hoofdletters wordt geschreven.

Hoe is het allemaal zover kunnen komen? Gedurende 2010 maakte een deel van het collectief ‘sound systems’ voor een lokaal radiostation. Uit de gezamenlijke interesse voor undergroundmuziek ontstond de behoefte om de ‘radiouitzendingen’ voor een levend publiek te laten horen, maar dan met meer gelijkgestemden. Gaandeweg werd Young Echo geboren uit dj- en clubavonden in Bristol. Er is zelfs sprake van wat sommigen graag een scene noemen. Laten wij er ook een draai aan geven: Bristol beats.

Toch is de muziek van Young Echo nooit ver verwijderd van de eerder genoemde stadgenoten. Meer schets dan song, meer sfeer dan houvast. Een ingehouden vorm van triphop en dub. Een enkele keer klinkt er tussen het gruis van geluid en de claustrofobische ‘deep grooves’ een liedje van zangeres Jasmine. Here heet het, maar de muziek blijft een moeras waarin je steeds verder wegzakt. Een spel met samples en beats die vervormen, raps die lijken op spokenword gedichten. “In dying dancehalls, in drunken, last-dance light, hold close, we can hold one another tight”. Dit is de meest duistere en spannende muziek van 2018.

David Byrne legt op eigenzinnige wijze uit Hoe Muziek Werkt

David Byrne, zanger en tekstschrijver van de legendarische band Talking Heads, schreef een boek over zijn ervaringen als muziekliefhebber, muzikant en componist. De gemiddelde muziekfan tast doorgaans in het duister over wat er allemaal komt kijken bij de zakelijke kant van de platenbusiness. Byrne (66) kent de muziekindustrie van haver tot gort. Zijn inzage maakt Hoe Muziek Werkt alleen al de moeite van het lezen waard. Er is nu een nieuwe, uitgebreide Nederlandse editie verschenen.

David Byrne is een denker en doener. Tientallen door hem geraadpleegde naslagwerken over muziek koppelt hij aan zijn eigen kennis en ervaring als muzikant. Uitvoerig vertelt hij hoe hij als bandlid, soloartiest en componist overeind blijft in een muzieklandschap dat de laatste jaren ingrijpend is gewijzigd. Zo hebben mede onder invloed van hiphop producers een even grote auteursrol toebedeeld gekregen als de componist van de song. Byrne is maar vast begonnen hete hangijzers als copyright en authenticiteit los te schroeven.

Aan de hand van grafieken en uitleg geeft hij verder een inkijkje in allerlei soorten contracten die je als muzikant kunt aangaan met een platenmaatschappij. Hij noemt bedragen over verkoop, onkostenverdeling en opbrengst aan royalty’s van zijn eigen album Grown Backwards. Wanneer hij het voorschot van de platenmaatschappij aftrekt van de kosten blijkt hij over de verkoop nog geen 60.000 dollar te hebben over gehouden. Let wel, over een periode van zes jaar! Byrne hoor je echter niet klagen. Hij heeft genoeg opdrachten om van rond te komen. Via een andere rekensom komen we erachter dat zijn duoalbum uit 2008 met Brian Eno ruim drie ton de man in het laatje bracht.

Maar dit boek gaat niet alleen over geld. Fans van Talking Heads en de Eno-Byrne klassieker My Life In The Bush Of Ghosts, komen veel te weten over de voorbereiding en totstandkoming van deze albums uit de periode 1977-1981. Byrne noemt meer voorbeelden over de tijd toen hij begon als muzikant (halverwege de jaren zeventig) vergeleken met nu. Terecht constateert hij dat streamen en andere onlinediensten dusdanig veel hebben veranderd dat niet alleen contracten en verdienmodellen zijn aangepast. Daarom is aan deze editie een interessant en actueel hoofdstuk toegevoegd. Byrne beschrijft vier manieren waarop we muziek ontdekken in het digitale tijdperk: via aanbevelingen door experts, door de muziek zelf, door sociale en culturele krachten, en door verhaal en context. Ook uit hij zich kritisch over het fenomeen algoritmes. Traditionele media hebben volgens hem steeds minder invloed op de muzikale keuzes van mensen, waarbij hij voor- en nadelen signaleert van de machtsverschuiving naar de consument.

Zijn betoog over de ontwikkeling van opnametechnologie in de laatste honderd jaar, had hij best mogen illustreren met voorbeelden van uitvoeringen of albums waarop deze ontwikkelingen zijn te horen. Of hij had best wat meer erkenning mogen geven aan de opname-experimenten binnen de dubmuziek (Lee Perry, King Tubby). Meer dan een zuinig zinnetje kan er niet van af. Soms draaft hij pagina’s lang door over zijn podiumpresentatie en een nogal gortdroge, technische uitleg over de opnamen van zijn eigen werk. Beter op dreef is Byrne wanneer hij komt met interessante stellingen. Volgens hem bepalen culturele omstandigheden zowel bij pop als klassiek de aard en uitvoering van muziek, zet hij vraagtekens over het veranderen van smaak en hoe we naar muziek luisteren en wat ons brein ervan maakt. Prikkelend zijn de uitspraken “er is geen vooruitgang in creativiteit” of “wij maken geen muziek, de muziek maakt ons”. In een ander hoofdstuk rekent hij af met enkele theorieën van de “linkse criticus” Theodor Adorno. Volgens de zanger beweerde de Duitse socioloog “dat kapitalistische maatschappijen via een soort lopende band zowel arbeiders als muziek produceerden.” Byrne: “Daar gaan we weer, muziek verbinden met morele en ethische waarden.”

De talloze invalshoeken die hij overgens uiterst toegankelijk beschrijft vanuit theorie en praktijk, maken van Hoe Muziek Werkt een aanrader voor de meer dan gemiddelde muziekliefhebber. Ook wie als professioneel muzikant aan de slag wil kan er bijna niet om heen. David Byrne geeft weliswaar tips over het aangaan van een contract met een platenlabel, als je dat al zou willen, maar hij adviseert eigenlijk om zoveel mogelijk in eigen hand te houden en per afzonderlijk album een deal aan te gaan met een distributie- of marketingmaatschappij.

David Byrne – Hoe Muziek Werkt (Xander Uitgevers, 2018)

Debuutalbum Crazy Cult Roadshow maakt bij vlagen veel indruk

Bij een snelle eerste kennismaking maakt de Nederlandse gitaarband Crazy Cult Roadshow misschien niet meteen veel indruk, maar nadere beluistering leert dat op het debuutalbum heel geraffineerd het ene na het andere goede nummer wordt opgevoerd.

Het is de onderlinge dynamiek en inventiviteit van de gitarist, bassist en drummer die spelen alsof ze al tientallen jaren bij elkaar zijn. En frontman Roel Peijs blijkt zowel pakkende melodieën te zingen om even later in your face te kunnen uitbarsten. CCR heeft meer te bieden. Hoor de synthesizergeluiden die een enkele keer sfeerverhogend opduiken maar nergens overheersen, of het toepassen van stukjes dialogen uit films. “My God what the hell happened here?” Inderdaad.

Over film gesproken. De song Haddonfield, Oct. 31st gebruikt de band om van Halloween, toch eigenlijk een Amerikaanse feestdag, een grimmig verhaal te maken, indachtig de horrorklassieker van John Carpenter. Zo loopt er in de teksten wel meer fictie en werkelijkheid door elkaar in deze roadshow die geen moment een platte kermisattractie wordt.

Toch is er een minpuntje. Menig werkje op dit debuut bezit zoveel punch en daadkracht dat de gitaarsolo’s van Krit Verbeek geforceerd aandoen en het zaakje onnodig oprekken. Neem Rewind & Push Playmet zijn pakkende refrein, of het opvoeren van spanning door middel van riffs in That Thing From Another Planet. Binnen deze en veel andere in aanleg imponerende songs hebben de solouitstapjes geen enkele meerwaarde, temeer omdat ze bepaald niet uitblinken in creativiteit. Op zulke moment klinkt CCR ineens als een alledaags rockbandje.

De uitstekende opname komt goed tot zijn recht op deze plaat en persing die door de band in eigen beheer is uitgebracht. Geheel in lijn met sfeer en thema’s van het album heeft kunstenaar Lars Ickenroth op de hoes een tekening gemaakt van een menselijke schedel. Niet in staat van ontbinding maar in staat van ontploffing. Een doomy doodshoofd. Weer eens wat anders dan de kleurrijke sierschedels van Damien Hirst.

Overigens spelen bassist Steven van der Vegt en drummer Kiki Beemer ook in Nighthawker. Van deze band verscheen onlangs een uitstekende ep waarop melodieuze, maar pittig gekruide rocksongs zijn te horen.

Crazy Cult Roadshow – Crazy Cult Roadshow (Gnome Robot Records 2018)