Ook als reissue blijft Music From Big Pink van The Band een van de grote mysteries van de popmuziek

Niet alle muzikanten gaan eind jaren zestig gekleed in jasjes met kleurrijke bloemmotieven. Zo zijn er mannen met sjofele colbertjes om de schouders. Verder dragen ze baarden en hoedjes. Na tien jaar lang te zijn aangesterkt door liveoptredens mogen ze eindelijk de teugels laten vieren. Lekker liedjes spelen in een vrijstaand huis dat ondanks de knalroze pui amper te vinden is in het noordoosten van Amerika. Er zijn daar meer bomen dan bewoners. Het interieur lijkt op een gewone gezinswoning. Leren banken, een eettafel, bedden in slaapkamers. Wanneer de mannen met baarden en hoedjes in de kelder afdalen gaan ze de Amerikaanse muziek binnenstebuiten keren. En dat voor een stelletje Canadezen. Het mooiste bewaren ze stiekem voor eigen gebruik. Elf muzikale vondsten die voor de eeuwigheid worden vastgelegd in studio’s in New York en Los Angeles.

Ondanks de vernieuwingsdrang in de popmuziek van 1968 voelen de ‘songs’ ouderwets aan. Toch zijn ze er in deze vorm nooit eerder geweest. Ook heel ongewoon voor die tijd: het album begint met een ballad. De voorkant van de hoes bevat tekeningen van Bob Dylan maar niet de namen van de muzikanten.

Veel teksten gaan over de vragende en twijfelende mens. Dus over naderend onheil zeg maar. De Bijbelse symboliek tussen de regels door helpt ook al niet. “Now you look out the window tell me. What do you see? I see a golden calf pointing back at me”. De stemmen van de verschillende zangers kronkelen als een stug grindpad langs bermen waar piano, orgel, drums en bas opbloeien. Het geluid van de gitaar woekert als hardnekkig onkruid.

Dit is geen pop of rock, blues of country. Maar wat is het dan wel? Vijftig jaar later heeft de muziek nog altijd iets raadselachtigs. Wanneer je denkt dat een nummer gaat eindigen volgt er opeens nog een couplet of gitaarsolo. Muzieknoten en akkoorden  weten zelf ook niet goed wat hen overkomt. Langzaam word je naar binnen gesleurd, omarmd en weer losgelaten. Music From Big Pinkkortom is typisch zo’n plaat die je eerst goed moet leren kennen om ‘m op waarde te kunnen waarderen.

Sommige mensen hebben daar problemen mee. Om er toch duiding aan te geven worden er decennia later begrippen als roots en Americana voor bedacht. Maar Music From Big Pink gaat niet gebukt onder de clichés die dit genre intussen haast ondraaglijk maken. Een album als dit was er niet eerder en is sindsdien ook nooit meer gemaakt. Uniek, mysterieus, een tikje vreemd, maar prachtig. En het orgelriedeltje in Chest Fever moet onderhand eens net zo klassiek worden als de gitaarintro van Deep Purple’s Smoke On The Water.

Volgens audio- en vinylexpert Michael Fremer is op de originele Amerikaanse lp de lage klank van bas en basdrum eraf ‘gesneden’. Bij de platenmaatschappij was men bang dat de pickupnaald de lage frequenties haperend zou afspelen. Op deze reissue is de oorspronkelijke opname in ere hersteld. Met dank aan technicus Bob Clearmountain klinken de instrumenten nu diep en dynamisch. Het totaalgeluid is bovendien veel meer uitgebalanceerd. Verdikkeme, wat klinkt de muziek opeens authentiek en intens. Om de geluidskwaliteit optimaal tot zijn recht te laten komen is deze heruitgave verschenen als dubbel-lp, af te spelen op 45-toeren. Beide platen zijn overigens in de tweede hoes van de klaphoes gestopt. 

The Band – Music From Big Pink (2lp Capitol/Universal 1968/2018)

Einstürzende Neubauten geeft met beladen Lament gedenkwaardig concert

Minuscule glittertjes plakken op het driedelige pak van Blixa Bargeld die blootsvoets op het podium staat. Ook bassist Alexander Hacke, met woest lang haar, heeft zijn schoenen in de kleedkamer achtergelaten. Met N.U. Unruh de drie overgebleven leden van Einstürzende Neubauten dat werd opgericht in 1980. Andere laatste getuigen uit de beginperiode zijn de ‘instrumenten’: omgebouwde en elektrisch versterkte voorwerpen afkomstig van de sloop.

De band uit Berlijn maakt allang geen industriële punk meer. Uitgebreid met andere muzikanten en invalshoeken, zette Einstürzende Neubauten in artistiek opzicht een bijzondere ontwikkeling in gang. Ondanks het experimentele karakter en het instrumentarium dat nog altijd hardnekkig afwijkt, werden de teksten doorwrochter en het gevoel voor melodie sterker. Silence Is Sexy is de veelzeggende titel van een van de betere albums van Neubauten. En speciaal voor het huidige project Lament worden de kale en weerbarstige klanken ondersteund door een persluchtinstallatie en een strijkkwartet.

Dit performanceproject is een eigenzinnige constructie in geluid over de Eerste Wereldoorlog. Volgens Bargeld is deze oorlog nooit helemaal voorbij gegaan. Hij ziet de periode als opmaat voor het Europa waarin we nu leven. Nadat de verwoesting en nasleep een einde maakten aan de cultureel-filosofische stromingen, de Verlichting van Europa, ontstond een voedingsbodem voor het groeiend communisme en fascisme. Toch gaat het voor een Nederlands publiek om een bijna vergeten geschiedenis. Ons land was onpartijdig in het conflict dat plaatsvond tussen 1914 en 1918.

Dat de band haar experimentele karakter niet heeft verloren wordt al snel duidelijk. Aan het begin van het concert barst de Kriegsmachinerie in alle hevigheid los. Schrapende, ijzingwekkende geluiden vullen de Limburgzaal. Blixa Bargeld houdt borden met cryptische statements omhoog. Min of meer aankondigingen van wat ons te wachten staat. Zoals begin vorige eeuw titelkaarten de beelden in de stomme film onderbraken en becommentarieerden.

Veel meer dan in de begintijd gaat bij Einstürzende Neubauten werkwijze en uitvoering gelijk op. Het is een van de weinige bands die intellect en ratio laten samen smelten met emotie en melancholie. Muzikale kleuren en stemmingen worden tijdens het optreden tot in het extreme afgewisseld. Dit is een Einstürzende Neubauten die je van tevoren niet ziet of hoort aankomen. Soms een tikje afstandelijk, maar naarmate de avond vordert steeds aangrijpender. Grappig is de interpretatie van een oude jazzband. Blixa Bargeld zingt niet alleen in het Engels en Duits maar ook in het Nederlands, al noemt hij het zelf Vlaams. Achterland is gebaseerd op een tekst van de door hem bedachte schrijver Paul van den Broeck zegt hij.

Breekpunt tijdens het twee uur durende concert is Vox Populi (van het album Grundstück). Alle bandleden heffen minutenlang tegelijk hun stem, zingend onder protest lijkt het, zonder woorden. De podiumbelichting dimt naar een gloed van oranje, zodat het decor de muzikanten toont in spookachtige silhouetten.

Einstürzende Neubauten blijft onlosmakelijk verbonden met de kunstgeschiedenis. Behalve aan de Eerste Wereldoorlog refereert de band aan de Europese kunstbewegingen die destijds ontstonden en de boel openzwaaiden: dada en futurisme. Bargeld houdt een drinkbeker tegen een oude grammofoonplaat die hij laat ronddraaien op een boormachine. Medebandlid N.U. Unruh verkleedt zich met een plastic witte cape en hoge muts als dada-uitvinder Hugo Ball. Ook de Berlijners smijten de deuren van de muziek en kunst wagenwijd open. Beats dreunen meedogenloos over de hoofden van publiek, de woordkeuze is absurdistisch, kleine voorwerpen ratelen over het podium. Let’s Do It A Dada is een nummer van het album Alles Wieder Offen. Een van de hoogtepunten van het optreden. Zelfs de violiste van het strijkkwartet applaudisseert na afloop.

In een van de toegiften klinkt een anti-oorlogslied uit 1955 van folkzanger Pete Seeger. Maar dan in het Duits. Sag Mir Wo Die Blumen Sind. Bargeld, in witgeverderd gewaad, blijft in de buurt van de vertolking van Marlene Dietrich. Aardig toeval. De geëngageerde zangeres met de slaperige oogopslag trad in Heerlen op aan het einde van Tweede Wereldoorlog, voor Amerikaanse soldaten in het nabij gelegen Royaltheater. Het is de enige echte song op deze gedenkwaardige avond die toch weer een beetje punk eindigt. Een experiment voor luchtpijpen. “We weten nooit van te voren hoe dit gaat uitpakken”, roept Bargeld er voor de zekerheid bij.

Cultura Nova: Einstürzende Neubauten – Limburgzaal, Parkstad Theater, Heerlen (26 augustus 2018)

Young Echo uit Bristol maakt de meest duistere muziek van nu

Young Echo. Uit Bristol. Niet de minste muziekstad van Engeland. Draai in de Britse havenstad de kraan open en er komt talent uit. Massive Attack, Portishead, Tricky, Roni Size en, uit een verder verleden Rip, Rig & Panic en The Pop Group. Young Echo dus, niet te verwarren met Young Fathers, koorknaapjes uit Schotland.

De bezetting is ongewoon. Tien man, een vrouw. Zelf spreken ze van een collectief. Intimi hebben het over de Bristol boys. Dichters, dj’s, muzikanten en producers die muziek maken als een ‘sound system’, een mobiel geluidssysteem dat vanaf de jaren vijftig door de straten van Jamaica dreunde als alternatief voor peperdure kroegen. Voor het gemak hebben de heren en één dame van Young Echo het recente album ook maar Young Echo genoemd, net als het label waarop ze de plaat zelf hebben uitgebracht. In eigen beheer zoals dat heet. Reden waarom de uitgave vooralsnog niet te koop is in (Nederlandse) platenzaken. Een dubbelalbum dat vierentwintig ongrijpbare nummers telt maar als geheel nog meer indruk maakt.

Nog een rijtje: Jasmine, Jabu, Vessel, Kahn, Neek, Ishan Sound, Ossia, Manonmars, Bogues, Rider Shafique en Chester Giles. Onder deze schuilnamen brachten de individuele Young Echo’s muziek uit op net zoveel verschillende labels. Naar het schijnt heeft Chester Giles liever dat zijn naam niet met hoofdletters wordt geschreven.

Hoe is het allemaal zover kunnen komen? Gedurende 2010 maakte een deel van het collectief ‘sound systems’ voor een lokaal radiostation. Uit de gezamenlijke interesse voor undergroundmuziek ontstond de behoefte om de ‘radiouitzendingen’ voor een levend publiek te laten horen, maar dan met meer gelijkgestemden. Gaandeweg werd Young Echo geboren uit dj- en clubavonden in Bristol. Er is zelfs sprake van wat sommigen graag een scene noemen. Laten wij er ook een draai aan geven: Bristol beats.

Toch is de muziek van Young Echo nooit ver verwijderd van de eerder genoemde stadgenoten. Meer schets dan song, meer sfeer dan houvast. Een ingehouden vorm van triphop en dub. Een enkele keer klinkt er tussen het gruis van geluid en de claustrofobische ‘deep grooves’ een liedje van zangeres Jasmine. Here heet het, maar de muziek blijft een moeras waarin je steeds verder wegzakt. Een spel met samples en beats die vervormen, raps die lijken op spokenword gedichten. “In dying dancehalls, in drunken, last-dance light, hold close, we can hold one another tight”. Dit is de meest duistere en spannende muziek van 2018.

David Byrne legt op eigenzinnige wijze uit Hoe Muziek Werkt

David Byrne, zanger en tekstschrijver van de legendarische band Talking Heads, schreef een boek over zijn ervaringen als muziekliefhebber, muzikant en componist. De gemiddelde muziekfan tast doorgaans in het duister over wat er allemaal komt kijken bij de zakelijke kant van de platenbusiness. Byrne (66) kent de muziekindustrie van haver tot gort. Zijn inzage maakt Hoe Muziek Werkt alleen al de moeite van het lezen waard. Er is nu een nieuwe, uitgebreide Nederlandse editie verschenen.

David Byrne is een denker en doener. Tientallen door hem geraadpleegde naslagwerken over muziek koppelt hij aan zijn eigen kennis en ervaring als muzikant. Uitvoerig vertelt hij hoe hij als bandlid, soloartiest en componist overeind blijft in een muzieklandschap dat de laatste jaren ingrijpend is gewijzigd. Zo hebben mede onder invloed van hiphop producers een even grote auteursrol toebedeeld gekregen als de componist van de song. Byrne is maar vast begonnen hete hangijzers als copyright en authenticiteit los te schroeven.

Aan de hand van grafieken en uitleg geeft hij verder een inkijkje in allerlei soorten contracten die je als muzikant kunt aangaan met een platenmaatschappij. Hij noemt bedragen over verkoop, onkostenverdeling en opbrengst aan royalty’s van zijn eigen album Grown Backwards. Wanneer hij het voorschot van de platenmaatschappij aftrekt van de kosten blijkt hij over de verkoop nog geen 60.000 dollar te hebben over gehouden. Let wel, over een periode van zes jaar! Byrne hoor je echter niet klagen. Hij heeft genoeg opdrachten om van rond te komen. Via een andere rekensom komen we erachter dat zijn duoalbum uit 2008 met Brian Eno ruim drie ton de man in het laatje bracht.

Maar dit boek gaat niet alleen over geld. Fans van Talking Heads en de Eno-Byrne klassieker My Life In The Bush Of Ghosts, komen veel te weten over de voorbereiding en totstandkoming van deze albums uit de periode 1977-1981. Byrne noemt meer voorbeelden over de tijd toen hij begon als muzikant (halverwege de jaren zeventig) vergeleken met nu. Terecht constateert hij dat streamen en andere onlinediensten dusdanig veel hebben veranderd dat niet alleen contracten en verdienmodellen zijn aangepast. Daarom is aan deze editie een interessant en actueel hoofdstuk toegevoegd. Byrne beschrijft vier manieren waarop we muziek ontdekken in het digitale tijdperk: via aanbevelingen door experts, door de muziek zelf, door sociale en culturele krachten, en door verhaal en context. Ook uit hij zich kritisch over het fenomeen algoritmes. Traditionele media hebben volgens hem steeds minder invloed op de muzikale keuzes van mensen, waarbij hij voor- en nadelen signaleert van de machtsverschuiving naar de consument.

Zijn betoog over de ontwikkeling van opnametechnologie in de laatste honderd jaar, had hij best mogen illustreren met voorbeelden van uitvoeringen of albums waarop deze ontwikkelingen zijn te horen. Of hij had best wat meer erkenning mogen geven aan de opname-experimenten binnen de dubmuziek (Lee Perry, King Tubby). Meer dan een zuinig zinnetje kan er niet van af. Soms draaft hij pagina’s lang door over zijn podiumpresentatie en een nogal gortdroge, technische uitleg over de opnamen van zijn eigen werk. Beter op dreef is Byrne wanneer hij komt met interessante stellingen. Volgens hem bepalen culturele omstandigheden zowel bij pop als klassiek de aard en uitvoering van muziek, zet hij vraagtekens over het veranderen van smaak en hoe we naar muziek luisteren en wat ons brein ervan maakt. Prikkelend zijn de uitspraken “er is geen vooruitgang in creativiteit” of “wij maken geen muziek, de muziek maakt ons”. In een ander hoofdstuk rekent hij af met enkele theorieën van de “linkse criticus” Theodor Adorno. Volgens de zanger beweerde de Duitse socioloog “dat kapitalistische maatschappijen via een soort lopende band zowel arbeiders als muziek produceerden.” Byrne: “Daar gaan we weer, muziek verbinden met morele en ethische waarden.”

De talloze invalshoeken die hij overgens uiterst toegankelijk beschrijft vanuit theorie en praktijk, maken van Hoe Muziek Werkt een aanrader voor de meer dan gemiddelde muziekliefhebber. Ook wie als professioneel muzikant aan de slag wil kan er bijna niet om heen. David Byrne geeft weliswaar tips over het aangaan van een contract met een platenlabel, als je dat al zou willen, maar hij adviseert eigenlijk om zoveel mogelijk in eigen hand te houden en per afzonderlijk album een deal aan te gaan met een distributie- of marketingmaatschappij.

David Byrne – Hoe Muziek Werkt (Xander Uitgevers, 2018)

Debuutalbum Crazy Cult Roadshow maakt bij vlagen veel indruk

Bij een snelle eerste kennismaking maakt de Nederlandse gitaarband Crazy Cult Roadshow misschien niet meteen veel indruk, maar nadere beluistering leert dat op het debuutalbum heel geraffineerd het ene na het andere goede nummer wordt opgevoerd.

Het is de onderlinge dynamiek en inventiviteit van de gitarist, bassist en drummer die spelen alsof ze al tientallen jaren bij elkaar zijn. En frontman Roel Peijs blijkt zowel pakkende melodieën te zingen om even later in your face te kunnen uitbarsten. CCR heeft meer te bieden. Hoor de synthesizergeluiden die een enkele keer sfeerverhogend opduiken maar nergens overheersen, of het toepassen van stukjes dialogen uit films. “My God what the hell happened here?” Inderdaad.

Over film gesproken. De song Haddonfield, Oct. 31st gebruikt de band om van Halloween, toch eigenlijk een Amerikaanse feestdag, een grimmig verhaal te maken, indachtig de horrorklassieker van John Carpenter. Zo loopt er in de teksten wel meer fictie en werkelijkheid door elkaar in deze roadshow die geen moment een platte kermisattractie wordt.

Toch is er een minpuntje. Menig werkje op dit debuut bezit zoveel punch en daadkracht dat de gitaarsolo’s van Krit Verbeek geforceerd aandoen en het zaakje onnodig oprekken. Neem Rewind & Push Playmet zijn pakkende refrein, of het opvoeren van spanning door middel van riffs in That Thing From Another Planet. Binnen deze en veel andere in aanleg imponerende songs hebben de solouitstapjes geen enkele meerwaarde, temeer omdat ze bepaald niet uitblinken in creativiteit. Op zulke moment klinkt CCR ineens als een alledaags rockbandje.

De uitstekende opname komt goed tot zijn recht op deze plaat en persing die door de band in eigen beheer is uitgebracht. Geheel in lijn met sfeer en thema’s van het album heeft kunstenaar Lars Ickenroth op de hoes een tekening gemaakt van een menselijke schedel. Niet in staat van ontbinding maar in staat van ontploffing. Een doomy doodshoofd. Weer eens wat anders dan de kleurrijke sierschedels van Damien Hirst.

Overigens spelen bassist Steven van der Vegt en drummer Kiki Beemer ook in Nighthawker. Van deze band verscheen onlangs een uitstekende ep waarop melodieuze, maar pittig gekruide rocksongs zijn te horen.

Crazy Cult Roadshow – Crazy Cult Roadshow (Gnome Robot Records 2018)

Eindelijk weer op vinyl: Achtung Baby en Zooropa het onverwachte experiment van U2

Het scheelde niet veel of de wereld had het zonder U2 moeten stellen. Na het pompeuze optimisme in de jaren tachtig was er plots het experiment met beats en geluidseffecten. Een stijlbreuk die volstrekt onverwacht kwam en de Ieren drie albums volhielden. Na Pop in 1997 schakelde men simpelweg weer terug naar standje veilig. Sindsdien is de band bezig met wrijven in een vlek.

Aan het begin van de jaren negentig wisten de heren even niet goed hoe nu verder. “It’s no secret, ambition bites the nail of succes”, had Bono vast in zijn aantekenboekje genoteerd. Tijdens de opnamen vanAchtung Baby kwamen meningsverschillen over de te volgen richting opeens tot een uitbarsting. De spanningen liepen zo hoog op dat de meest succesvolle popgroep van dat moment zelfs dreigde uiteen te vallen. Bijna werd U2 een “accident waiting to happen.”

Achtung Baby ontstond in 1991, stoeiend met talloze sessies die voor een deel werden opgenomen in de Hansa Ton Studio van Berlijn. Het waren met name Bono en The Edge die aandrongen op een artistieke wending. De gitarist luisterde in die tijd vaak naar elektronische dance, Nine Inch Nails en Einstürzende Neubauten. Om te voorkomen dat de creatieve motor dreigde vast te lopen diende de ideeënmagie van Brian Eno als smeerolie. De Britse producer had zich voorgenomen alles te wissen dat teveel op U2 leek.

Dat heeft geholpen. Achtung Baby en Zooropa zijn de platen die zelfs bewondering afdwingen bij mensen die geen fan zijn. David Bowie schijnt ze ooit te hebben uitgeroepen tot zijn favoriete albums van de band. Zoals bekend experimenteerde de zanger eind jaren zeventig tamelijk onverwacht met elektronische muziekinvloeden, eveneens met dank aan Brian Eno. Achtung Baby en Zooropa zijn eigenlijk de Lowen Heroes van U2.

De hernieuwde kennismaking stemt bijna weemoedig. Zeker wanneer je beseft dat Achtung Baby misschien wel het enige echte meesterwerk van de band is. Ondanks het moderne klankdecor, de beats en fraaie melodieën, zijn de teksten, ingegeven door een ondertoon vol reflectie en religie, autobiografisch en ambivalent. In de song over Bono’s alter ego The Fly lezen we: “every artist is a cannibal, every poet is a thief. All kill their inspiration and sing about their grief”.

Wie Achtung Baby eveneens naar zich toe trekt is The Edge, de voor eeuwig ondergewaardeerde gitarist. Zijn manier van spelen uit zich in beetpakkende intro’s, bij de les blijvende overgangen en verrassende schijnbewegingen. Zich verschuilend vanachter een megazonnebril laat Bono de zwaarte van de melancholie neerdalen in misschien wel het allermooiste liedje dat U2 ooit opnam, het bitterzoete Love Is Blindness.

“Vorsprung durch Technik” zingt hij aan het begin van Zooropa. Een slagzin voor een Duits automerk en een referentie aan de koers van de band. De hoes toont een cartoonvariant op de vlag van Europa. Destijds werd het album beschouwd als commentaar op het continent dat de adem inhield na de val van de Berlijnse Muur. Maar Zooropa is net alsAchtung Baby persoonlijk en beschouwend. Zo gaat de titelsong onder meer over de twijfel die hoort bij het beginnen met een schone lei. Vervolgens ontstaat een muzikaal pretpark waarin we ballads tegenkomen, hypernerveuze ritmes, gekke geluidjes, een eerbetoon aan Charles Bukowski en een sample uit de pamfletfilm Triumph Des Willens van Leni Riefenstahl.

Tegenstellingen alom dus. Oprechte ontroering in The First Timetegenover een monotoon mompelend Numb. Het slotakkoord is een western in cinemascope: Johnny Cash in The Wanderer. Het zou de opmaat worden voor herwaardering van ‘the man in black’. Zooropalijkt op het eerste gehoor een zootje ongeregeld maar toch gaat het album ook nu nog onnadrukkelijk onder de huid kruipen.

Bizar dat twee albums van een van de meest succesvolle rockgroepen aller tijden tientallen jaren niet verkrijgbaar waren op vinyl. Dikke bult: er circuleren intussen ontelbare illegale kopieën in kleurtjes en picture discs. De officiële Achtung Baby en Zooropa zijn dubbel-lp’s in enkelvoudige hoezen. Het geluid is speciaal voor deze vinyluitgaven opgepoetst door Scott Sedillo (medewerker van Bernie Grundman Mastering).

De totaalklank is zo uitgebalanceerd en evenwichtig dat het aangenamer luisteren is dan naar de originele platen. Meer transparantie in zang en instrumenten blijken de luisterbeleving alleen maar te versterken. Natuurlijk helpt het dat de speelduur is verdeeld over twee platen, overigens in geruisloze persingen.

Achtung Baby werd eveneens geprezen om de foto’s van Anton Corbijn. Wie de voorzijde van de hoes in het licht reflecteert ontdekt net als bij de oorspronkelijke lp de glans op de ringen met het U2-embleem. Het grofkorrelige van de bruingetinte portretten verliest in de reproductie helaas wat scherpte en signatuur. Bassist Adam Clayton stond op de achterkant van de originele hoes nog in adamskostuum. In sommige landen werd in 1991 een variant uitgebracht waarop Claytons geslacht werd gek(r)uist met viltstift. De gecensureerde versie van toen is overgenomen voor deze reissue. Ook nu zit er weer een los tekstvel bij. Omdat Achtung Baby en Zooropa dubbel-lp’s zijn krijg je er een extra binnenhoes bij. Evenals twee tamelijk overbodige danceremixes op kant vier van laatstgenoemde plaat.

U2 – Achtung Baby (Island/Universal 1991/2018)

U2 – Zooropa (Island/Universal 1993/2018)

Met House Of The Blues deed John Lee Hooker het licht uit

Het is mijn eigen schuld. Nadat je me verliet belde ik stad en land af in de hoop dat je me nog een kans zou geven. Aan het woord is een man met gitaar. Op de achtergond probeert een piano hem op te vrolijken. Wanneer de liefde plaatsmaakt voor het verlangen kruipt vanzelf de blues naderbij. Na de zelfbekentenis It’s My Fault wil hij die ene High Priced Woman aan de haak slaan al weet hij dat zij hem alleen maar geld gaat kosten. En aan geld heeft hij een groot gebrek ondanks zijn hit in 1948 met Boogie Chillen’. Meer dan een miljoen keer over de toonbank maar zelf zag hij er geen cent van terug.

Zijn vader, een doopsgezinde predikant, heeft hem nog gewaarschuwd dat de blues muziek was van de duivel, maar John Lee was toen al lang en breed onderweg naar Detroit. Om de Deltablues, de primitieve, landelijke variant naar de grote stad te brengen. Het enige wat hij nodig had waren één, hooguit twee akkoorden en het verkondigen van zijn eigen waarheid. Eerst Boogie Chillen’ nog eens dikjes overdoen in Walkin’ The Boogie; meer gitaren, meer geluid, meer inhoud, inclusief overname van de volledige tekst.

Toen Muddy Waters met zijn elektrisch versterkte gitaar het licht aandeed maakte John Lee Hooker het licht weer uit. Staren naar de duisternis in het huis dat hij om zijn eigen bluesgevoel heen bouwde. In Ramblin’ By Myself zingt hij tien keer het woordje “gone”. Achtmaal opent een zin met “she left me”. Zelfs de kakkerlakken maken dat ze weg komen uit de kieren van de kale muren.

Volgens Keith Richards negeert John Lee Hooker akkoordenwisselingen; ze worden meer gesuggereerd dan gespeeld. Intussen stompt zijn voet ongedurig op een stuk hout. In vrijwel alle boeken over The Rolling Stones staat Hookers naam in het register gebeiteld. Dat zou ook het geval moeten zijn in de biografieën over al die andere artiesten die wel eens in aanraking zijn geweest met een gitaar, het ritme, het zelfinzicht, de weemoed, het verlangen, de aanwezigheid en bovenalles de afwezigheid van een vrouw. Hooker nam House Of The Blues op tussen 1951 en 1954. Mooi meegenomen om met de kennis van nu de halve rockmuziek erin terug te horen. Een klassieker dus én naamgever van de huidige keten bluesclubs in Amerika.

Van alle persingen die de laatste jaren zijn verschenen biedt deze van Music On Vinyl ongetwijfeld het beste geluid. Vergeet de dubieuze heruitgaven waar kopers op forums over klagen, uitgebracht door cowboylabels die slechts profijt trekken van verlopen auteursrechten. Nee, hier is werk van gemaakt. John Lee Hooker en zijn stem, gitaar, blok hout onder het been en de godganse blues gaan gewoon onder je huid kruipen. Music On Vinyl heeft hoes en label zoveel mogelijk overgenomen van de Amerikaanse lp uit 1959. Die barcode doet natuurlijk een beetje pijn aan de ogen. Gelukkig wel geperst op zwart vinyl!

John Lee Hooker – House Of The Blues (lp, Chess/Music On Vinyl 1959/2018)