The Who Live At The Fillmore East 1968: samengebald venijn

Gek genoeg zijn er tijdens de hoogtijdagen van The Who weinig officiële livealbums van de band verschenen. Deze uitgave met drie lp’s maakt niet alleen een hoop goed, je kunt meteen horen waarom de Britten zo’n geduchte podiumreputatie hadden. Live At The Fillmore East 1968 bevat de weergave van een vrijwel compleet concert in de befaamde muziektempel in New York. Omdat door technische problemen de oorspronkelijke registratie nooit eerder werd uitgebracht, circuleren er sindsdien tientallen varianten op bootleg. De opnamen van toen zijn nu zodanig gerestaureerd dat ze vijftig jaar later ronduit imponerend klinken. Je zult er maar bij zijn geweest op 6 april 1968. Zelden knalde The Who zo energiek en explosief, rauw en fris van de lever uit de luidsprekers.

Fillmore zal de komende jaren weleens kunnen gaan wedijveren met het altijd zo geroemde Live At Leeds. Dat de status van dat album uit 1970 vanaf nu opeens in twijfel wordt getrokken. Is Live At Leeds relatief gecontroleerde, vet aangezette rock, Fillmore daarentegen is kaal en weerbarstig. “Haaaaard rock” schreeuwt Pete Townshend op zeker moment. Het is net of er in de uitvoeringen van The Who opgekropte woede doorklinkt. Twee dagen voor het optreden was Martin Luther King vermoord. Aan het begin van de tournee werd de band in Australië getrakteerd op een vijandige houding van autoriteiten en pers. De krakkemikkige podiuminstallatie en de lange vliegreizen leidden tot vermoeidheid en frustratie bij met name Townshend, die bezwoer nooit meer in Australië te zullen optreden.

Spectaculair is My Generation, dat verdeeld over twee plaatkanten tot een half uur wordt opgerekt en desondanks geen moment verveelt. Opvallend is de lange versie van Relax (“lay down on the ground and listen to the sound of the band”) waar, in weerwil van de titel, Townshend verhaal gaat halen over wat er allemaal mogelijk is per elektrische gitaar. Tussen de solo’s en riffs, die hij afwisselt alsof het geen enkele moeite kost, citeert hij plots de intro van Sunshine Of Your Love van Cream. In vrijwel alle nummers zit Townshends spel vol venijn en hoogspanning, alsof hij de snaren van het hout loswrikt, één wordt met zijn instrument. Drummer Keith Moon roffelt en rommelt er als een bezetene achteraan om de gitarist, die inmiddels is opgegaan in zijn omgeving, weer in het gareel te te krijgen. Zelfs in aloude klassiekers als Shakin’ All Over en C’mon Everybody ontbrandt het vuur van tegendraadsheid en onrust. Medebandleden Roger Daltrey en John Entwistle moeten er een beetje van zijn geschrokken. Een aantal songs werd na dit concert nooit meer live gespeeld.

De befaamde meestertechnicus Miles Showell nam Live At The Fillmore East 1968 onder handen in de Abbey Road Studios. In de uitloopgroef van het vinyl staat zijn signature gegraveerd: Miles Abbey Road Room 30. Geluidskwaliteit? Recht in je smoel. De drie lp’s zitten in een stevige klaphoes met aan de binnenkant een amusante zwart-wit foto van The Who, gemaakt door Linda McCartney. Omdat er op elke kant hooguit drie, vier nummers zijn geperst (door het Tsjechische GZ Vinyl), krijgt de muziek voldoende dynamiek om uit de groeven te knallen. Hard afspelen dus!

The Who – Live At The Fillmore East 1968 (3lp Polydor/Universal 2018)

Ongetemde Jimi Hendrix op Both Sides Of The Sky

1969 was voor Jimi Hendrix achteraf gezien een overgangsjaar. Hij probeerde een muzikale weg in te slaan die afweek van het werk dat hij maakte met zijn eigen Experience. Misschien wilde hij zich op deze manier ook losmaken van de druk die op hem lag. Het dubbelalbum Electric Ladyland was een onverwacht commercieel succes, en Hendrix behoorde in die tijd tot een van de best betaalde rockmuzikanten. Op het Woodstockfestival speelde hij al met deels andere muzikanten dan met zijn vaste metgezellen. Maar pas tijdens de talloze studiosessies merkte hij dat Billy Cox en Buddy Miles de ideale sparringpartners waren om, al dan niet via improvisaties, rock te mengen met funk en rhythm & blues. Aldoende ontstond de basis voor het trio Band Of Gypsys.

Hendrix’ artistieke zoektocht is ook zijn erfgenamen niet ontgaan. Eind jaren negentig namen zij het besluit om materiaal uit te brengen dat zijn experimenteerdrang moest staven. Dat gebeurde telkens in samenwerking met Eddie Kramer, Hendrix’ vaste opnametechnicus. Of je een reeks albums moet uitgeven met nummers die meestal onvoltooid zijn, want daar hebben we het in feite over, is natuurlijk voer voor discussie. Dat de muzikale expeditie van de gitarist op deze manier wordt gerestaureerd en in historisch perspectief geplaatst, zal ongetwijfeld zwaarder wegen dan een puur artistieke reden.

Both Sides Of The Sky bevat veredelde demo’s uit ’69 waarop Hendrix voornamelijk is te horen met Band Of Gypsys. Dat zijn meteen de beste nummers. Spelurgentie gekoppeld aan vurige schwung. Met dank aan de doortastende ritmische punch van drummer Buddy Miles. Vertrekpunt voor Hendrix om vrijuit te soleren en te stoeien met de klank die daarbij hoort. Dat alleen al maakt dit album de moeite waard. De linkshandige gitarist in topvorm. Ongetemd en ogenschijnlijk terloops, alsof het hem geen enkele moeite kost.

Maar laten we niet vergeten dat de plaat bovendien oefeningen en probeersels bevat. Zo is Cherokee Mist een improvisatie die veel belooft maar uiteindelijk nergens naartoe gaat. Eerder voorspelbaar dan verfrissend zijn twee nummers met typische kroegblues waar maar geen einde aan lijkt te komen. Een hoogtepunt is dan weer een gedreven en pittige uitvoering van het nummer Woodstock, mét zanger Stephen Stills die zichzelf begeleidt op orgel terwijl Hendrix enkele loopjes speelt op basgitaar. Ander bijzonder moment? Het vuurtje dat nog eenmaal oplaait in Hear My Train A Comin’, een van de laatste studio-opnamen van de Jimi Hendrix Experience.

Verwacht op dit album niet per se de weelderige, dwarse psychedelica waarmee we Hendrix hebben leren kennen. Vanwege zijn mateloze en veelzijdige talent is dit natuurlijk niet echt een gemis. Want het blijft verbazingwekkend hoe Hendrix ook nu weer te keer gaat. Hij bespeelt de Fender Stratocaster met hetzelfde gemak als waarmee de gewone sterveling bij de bakker om de hoek een broodje gaat halen. Het historische belang wordt extra wrang wanneer je bedenkt dat hij een jaar na deze welluidende vergezichten kwam te overlijden.

Both Sides Of The Sky verschijnt als dubbel-lp in een klaphoes. Het bijgevoegde boekje bevat veel foto’s en een uitgebreide, informatieve tekst. Omdat elke plaatkant hooguit drie à vier nummers bevat, is er voor de persing alle ‘ruimte’ om de ruwe dynamiek van de opnamen uit de groeven te laten knallen.

Jimi Hendrix – Both Sides Of The Sky (2lp, Sony Legacy 2018)

Ongrijpbare countrynoir van Melle de Boer op lp Temporary Bandage

Melle de Boer graaft zomaar een gat in de Garden Of Eden. Misschien om te ontsnappen aan het avontuur dat helemaal niet zo prettig begint. In de openingssong is namelijk sprake van een verband dat om een hardnekkige wond is gewikkeld. Desondanks komen De Boer en zijn muzikale metgezel Suzanne Ypma terecht in droombeelden en verhaaltjes vol verwondering en vermeend onheil. Over een man die liever geen bier meer drinkt met God maar met de duivel: “the only friend he got”. Over “a ghost too scared to scare you”.

Instrumenten worden door het tweetal niet gespeeld maar gebruikt om de liedjes in te kleuren. Personages in de teksten krijgen zo een duwtje in de rug, een hart onder de riem. Drums roffelen op en neer, een gitaar strijkt waar nodig de plooien glad en af en toen ontsnappen er excentrieke geluidjes uit een soort van synthesizer. Telkens gaat er een zekere onbevangenheid uit van muziek, zang en teksten. Net niet te zwaar op de hand, net niet te lichtvoetig. Juist daarom bevat deze plaat zoveel persoonlijkheid en karakter.

Opgediend met countrymuziek volgens beproefd Amerikaans recept. Maar dan wel de variant die onheilspellend klinkt, ingetogen en kwetsbaar. Songs die niet volgens een schematische structuur zijn opgebouwd, maar ter plekke wenden en keren, net als het leven zelf eigenlijk. Volgens de hoes werd de lp opgenomen in Billytown; een atelier- en studioruimte in Den Haag. Rafelend van klank en uitvoering. Zo hoor je het niet vaak meer. Dit is niet de klank van een kunstencentrum, maar van een boerenschuur op Neil Youngs Broken Arrow Ranch. Zoeken geblazen, bijna de hoop opgeven en ze tóch weten te vinden. Daar liggen de liedjes van Melle de Boer, als spelden in hooibergen.

Op zijn website mowingclub.com schrijft hij droogkomisch over de hindernissen die hij ondervond bij het uitbrengen van dit album. Over de muur aan bureaucratie bij rechtenorganisatie Sena, over de zakelijke deal wanneer de plaat zou verschijnen op het Excelsiorlabel. Na enig zelfberaad koos De Boer er voor om alles in eigen hand te houden. De financiering kwam tot stand via crowdfunding. Resultaat? Een lp geperst op zwart vinyl (zoals het hoort), een zeefdruktekening op de hoes, een poster met teksten en een bijgeleverde cd op een stukje karton. Dat krijg je dus allemaal in huis, en dan moet het echte avontuur nog beginnen. Prachtplaat!

Melle de Boer – Temporary Bandage (eigen beheer lp, 2018)

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Recensie: Anthony DeCurtis volgt Lou Reed kritisch maar met mededogen

Lou Reed schreef een groot aantal van de meest ontroerende liedjes aller tijden. Neem Perfect Day. De mooie dag met het meisje begint onschuldig en lieflijk, maar eindigt in een zelfbekentenis die naar de keel grijpt: “you made me forget myself, I thought I was someone else, someone good”. Biograaf Anthony DeCurtis merkt op dat deze regels “huiveringwekkend blootleggen dat Reed naar een gewoon leven hunkerde, al had hij zich overgegeven en verlustigd aan gedragingen, stijlen en milieus die juist bedoeld waren om conventionele waarden op te blazen”.

Zelden is er in de popmuziek iemand geweest die zich zo in de kaart liet kijken als Lou Reed. Wanneer hij zong over anderen mengde hij deze verhalen met gebeurtenissen uit zijn persoonlijke leven. Meestal recht voor de raap, cynisch en grimmig. Lou Reed was de eerste in de popmuziek die teksten schreef over drugsverslaving, travestie en sadomasochisme. In de jaren zeventig had hij een relatie met de transseksueel Rachel.

Rolling Stonejournalist DeCurtis ontmoette en interviewde Reed meerdere malen en sprak uitgebreid met vroegere echtgenotes, jeugdvrienden, muzikanten en ex-vriendinnen. Onder hen Shelly Albin. Over haar gaan de klassiek geworden ballads I’ll Be Your Mirror en Pale Blue Eyes. Maar DeCurtis gaat ook serieus en nauwgezet in op betekenis en context van alle albums en diverse songs. Met name de lawaaiplaat Metal Machine Music krijgt ruim aandacht, evenals het ondergewaardeerde Legendary Hearts. De auteur ontdekte talloze aanwijzingen in teksten en muziek van Reeds grote liefde voor rhythm & blues en doo-wopmuziek. Vanzelfsprekend komen ontstaan en ontwikkeling van de Velvet Underground ter sprake. De invloed van Delmore Schwartz wordt eveneens uitvoerig belicht. “He was the first great man that I had ever met”, zong Reed ooit onomwonden over de dichter die hij tevens als zijn mentor beschouwde. Reed zelf had de nodige twijfels over de kwaliteit van zijn eigen werk, dat hij soms publiekelijk afwees en later net zo makkelijk de hemel in prees.

Want Lou Reed was dus vooral iemand die met zichzelf en met zijn omgeving in de knoop lag. In het boek komt een parade langs van stemmingswisselingen en woedeaanvallen, paranoïde trekjes en neiging naar depressie. Tussen Reed en zijn ouders is het nooit meer goed gekomen nadat ze hem op jonge leeftijd een elektroshocktherapie lieten ondergaan. Vanaf dit voor hem traumatische voorval, koesterde hij een groot wantrouwen jegens alles en iedereen en dat 24 uur per etmaal. Luister voor de aardigheid maar eens naar zijn tirades op de live-lp Take No Prisoners. Het pleit voor DeCurtis dat hij zijn onderwerp kritisch op de voet volgt, maar ook met begrip en mededogen. Al lezend gaat de tragiek van Lou Reed de artiest, de mens, zelfs de dwangmatige controlefreak, toch in je hoofd zitten; net als zijn beste songs. Wat hierbij helpt is de uitstekende Nederlandse vertaling, die bovendien opvalt wat betreft vormgeving: op de gitzwarte cover Reeds hoofd verborgen achter het donkere glas van een pilotenzonnebril. Elke bladzijde versierd met een rouwrandje.

Ontluisterend zijn de gesprekken die DeCurtis voerde met Rob Bowman. De gelauwerde muziekhistoricus kreeg de opdracht om in samenwerking met Reed een boxset samen te stellen. Ze raakten zelfs bevriend met elkaar. Voor zolang het duurde tenminste, want de wispelturige New Yorker kon je zomaar als een baksteen laten vallen. En inderdaad. Lange tijd leek er geen vuiltje aan de lucht, totdat Reed zich plots niet kon vinden in de keuze van de archiefopnamen en de in zijn ogen te kritische essaybijlage. Zelfs het raadplegen van muzikanten waarmee hij had gewerkt wekte argwaan. Op hoge toon eiste de zanger van zijn platenmaatschappij meer zeggenschap over de uitgave. DeCurtis beweert dat dit de reden is waarom Between Thoughts And Expression voor iemand van Reeds status een tamelijk doorsnee uitgave werd. Zonder kritische kanttekeningen en zonder veel van de oorspronkelijk bedoelde archiefopnamen.

Volgens DeCurtis had de mede-oprichter van de Velvet Underground commercieel gezien veel meer uit zijn carrière kunnen halen, maar zaten zijn ego en twijfels hem meer dan eens in de weg. Van marketingplannen was hij meestal niet gediend. Toen hij een keer een muziekwinkel binnenstapte en zag dat er geen posters hingen van zijn nieuwe album, ging het enfant terrible over de rooie. Dan kreeg een medewerker van de platenmaatschappij per telefoon een scheldkanonnade over zich heen. Uitgerekend op het moment dat deze een zondagmiddag doorbracht met zijn gezin.

Een publiek geheim was ook een conflict met John Cale tijdens de reünie van de Velvet Underground. Oorzaak was een vermeend geschil over auteursrechten en het leiderschap dat Reed zich wilde toe-eigenen. En telkens moest zijn toenmalige echtgenote en manager Sylvia Morales de vuile klusjes opknappen. Cale liet haar fijntjes weten dat zij weliswaar de manager was van Lou Reed maar niet van de Velvet Underground.

Kenmerkend zijn nog twee andere voorvallen. Toen Bowman en de chroniqueur van de zelfkant in de rij stonden voor een pinautomaat (!), maakte deze veel misbaar over een zwerver die in de voorhal de vrieskou wilde mijden. Tot verbijstering van Bowman liep Reed naar binnen om zich te beklagen bij een bankmedewerker over de aanwezigheid van de zwerver. Of deze onmiddellijk verwijderd kon worden, hetgeen inderdaad gebeurde. Een andere kant kwam tot uiting tijdens een signeersessie. Toen fans hem vertelden hoe belangrijk zijn teksten voor hen waren, raakte hij hierdoor zo geroerd dat hij na afloop in snikken uitbarstte.

Zo balanceerde het leven van de schrijver van Perfect Day tussen pijn en plezier. Veel geïnterviewden beweren dat hij gebukt ging onder eenzaamheid en zijn angst om alleen te zijn. Toch vertellen de weinige echte vrienden die hij had dat ze altijd konden rekenen op zijn steun en gastvrijheid. Zo bezocht Reed dagelijks het sterfbed van een doodzieke Sterling Morrison (ex-Velvet Underground).

Het veelbesproken huwelijk tussen de nachtburgemeester van New York en kunstenares Laurie Anderson, was minder idyllisch dan menigeen dacht. Anderson werkte jammer genoeg niet mee aan dit indrukwekkende eerbetoon in boekvorm. Uit gesprekken die DeCurtis voerde met mensen die bevriend waren met het stel, wordt duidelijk dat Reed zich bij haar voor het eerst gelukkig en op zijn gemak voelde. Des te schrijnender dat juist in die tijd zijn gezondheid achteruit ging. Toen hij in 2011 met Metallica werkte aan het beruchte Lulu wist bijna niemand dat hij al ernstig ziek was. Twee jaar later werd een langdurige leveraandoening hem fataal. Geheel in lijn met zijn onberekenbare karakter en muziek nam Lou Reed afscheid met een van zijn meest omstreden albums.

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Recensie: Af Ursin Murille eerbetoon aan het analoge

Dus zo kan het ook. We waren het bijna vergeten: avantgarde zonder gebruik te maken van een laptopcomputer. Want waar het uiteindelijk op aan komt zijn de ideeën, de durf, het talent, het muzikale inzicht. Zaken die bij Af Ursin volop aanwezig zijn. Af Ursin is het pseudoniem van de Belg Timo van Luijk. Zijn muziek weerspiegelt het adagium van John Cage, namelijk dat omgevingsgeluiden eveneens tot de muzikale taal behoren. Niet dat Af Ursin omgevingsgeluiden maakt, integendeel, maar zijn collageachtige gebruik van akoestische instrumenten en voorwerpen lijkt niettemin te refereren aan geluiden van alledag.

Tegelijkertijd weerklinkt er een samenspel tussen Westerse avantgarde en Aziatische muziek (zie wederom John Cage). Zoals onder meer blijkt uit de tuimelende gamelanklanken die in hun voortdurende aanwezigheid sijpelen en inkleuren. Andere geluiden en instrumenten vallen hierdoor extra op. Opeens is er die freejazz-saxofoonsolo, gevolgd door schrapende noise (in het werk Astral Twist), en soms zelfs rituele zang.

Blijkt niet alleen prima samen te gaan, het bezorgt de muziek zelfs een onderhuidse spanning. Een andere meerwaarde die al doende ontstaat is de ondertoon van melancholie, omdat je beseft naar iets te luisteren wat bijna uitgestorven is, zeker in de avantgarde. This Heat had het, Tortoise op zijn betere momenten, en voor mijn part de platen van het Nonesuch-label met Indonesische en Javaanse muziek: muziek die toegankelijk en experimenteel tegelijk is, vastberaden maar nooit opdringerig, bescheiden en uitnodigend, sierlijk en rudimentair, muziek die inelkaar vlecht en katalyseert. En alsof dit niet genoeg is, is Murrille ook een eerbetoon aan het analoge, want een grammofoonplaat uitgebracht in eigen beheer.

(eerder gepubliceerd via Cut-up, 2002)

Recensie album Cielo: Glice ontregelt met klankkastjes en strijkers

Doorgaans wordt Glice in verband gebracht met een genre dat binnen de officiële muziekhistorie stiekem haar eigen niche heeft gecreëerd: noise. Uit het nieuwe album Cielo blijkt echter dat je met ‘lawaai’ het Amsterdamse duo ernstig te kort doet. Hier gaat het niet om het opschroeven van decibellen maar om minder is meer. Ruben Braeken en Melle Kromhout verkennen de mogelijkheden van klank en geluid die voor de luisteraar en wellicht ook voor henzelf verrassend uitpakken. Opvallend aangenaam dat je niet altijd weet waar de muziek naartoe gaat. Een ander soort ontregelen kortom dan bij de gekende noise-niks Merzbow en Wolf Eyes.

De plaat begint met een schrapend gitaargeluid dat subtiel wordt ondermijnd door een meeglijdende doffe dreun. Dat leest natuurlijk raar en onwerkelijk maar al luisterend is het wonderlijk om te horen hoe het tweetal zulke contrasten gewoon gaat benadrukken, simpelweg door er heel geraffineerd de tijd voor te nemen. Er volgen meer tegenstellingen. Glice voegt ze samen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

Volgens de oude Grieken laten zwanen zich pas horen wanneer de kauwen stil zijn. Een metafoor voor de stelling dat wijze en goed geïnformeerde mensen pas spreken wanneer anderen er het zwijgen toe doen. In Jackdaw (Engels voor kauw) komen na dissonante geluiden een melodie spelende cello en viool aan het woord. En slotstuk Animalicule eindigt zelfs in neuriënd, unheimisch gezang.

Glice kiest niet voor muziek die makkelijk in het gehoor ligt maar voor desoriëntatie en vervreemding. Hetzelfde gevoel dat je krijgt bij de soundtrack die Mica Levi maakte voor de film Under The Skin. Glice lijkt bovendien het gedachtegoed van Edgard Varèse te omarmen. De Franse componist beschouwde zichzelf als “een arbeider in ritmen, frequenties en intensiteiten”. Bij Glice ontstaan ritmen, frequenties en intensiteiten uit klankkastjes, effect- en vervormingsapparatuur, aan elkaar verbonden door kabeltjes en snoertjes. Het levert hoe dan ook een album op waarmee Glice zich buiten de niche van de noise plaatst. Prachtig ongrijpbare muziek.

Glice – Cielo (Narrominded lp 2017)

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Boek The Rolling Stones On Air In The Sixties: hoe de Stones zich een weg baanden door de heersende middenklasse

Het lijkt alweer heel lang geleden maar zelfs The Rolling Stones waren ooit onbekend en zeer onbemind. The Rolling Stones On Air In The Sixties geeft een aardig beeld van de wijze waarop de band begin jaren zestig in een mum van tijd groot en populair werd. Antwoord? Gewoon door hard te werken. De talloze optredens in de media, met name voor de Britse tv en radio, deden de rest. De Stones hadden in elk geval een enorme ambitie om het te gaan maken. Medeoprichter Brian Jones benaderde zelf maar vast de BBC voor een auditie, die overigens werd afgewezen. De rauwe bluescovers van de Stones vielen natuurlijk meteen op tussen de argeloze amusementsmuziek van toen.

Voorafgaand aan het debuutalbum uit 1964 had de band er al honderden optredens op zitten: in achterafzaaltjes, als onderdeel van packagedeals waarbij je op een avond het podium deelde met andere acts, of in lokale en landelijke tv-programma’s. We hebben het over de tijd van de zwart-wit beeldbuis, van zangers die niet live ‘zongen’ maar met een geluidsband (playback). De opmars van de rock-‘n-roll werd destijds vooral opgepikt door piratenzenders op zee of het lastig te ontvangen Radio Luxemburg.

Het keurige Engeland wist zich lange tijd geen raad met een tienerpubliek dat hysterisch reageerde tijdens Stonesoptredens die vaak ontaardden in vechtpartijen met de politie. Onderling werden door de bandleden zelfs weddenschappen afgesloten over hoe lang een concert zou duren.

The Rolling Stones botsten met de goede zeden, met de burgerlijke ethiek en de autoriteiten in het korset dat Groot-Brittannië heette. Je kunt het je tegenwoordig nauwelijks meer voorstellen. Op zeker moment werden ze vanwege hun kleding zelfs geweigerd in een restaurant. “Ze waren van kwajongens uitgegroeid tot voer voor de tabloids”. Journalisten stelden vaker vragen over de langharige kapsels die ze droegen dan over de muziek.

Dit lijvige hardcoverboek handelt met name over hoe de Britse media omsprongen met de onwennig aanvoelende popmuziek in het algemeen en de Stones in het bijzonder. Men veronderstelde dat het na twee jaar wel zou overwaaien. Prachtig onderwerp dus. Helaas wil de tekst van auteur Richard Havers maar geen verhaal worden dat je bij de lurven grijpt. Hij beperkt zich tot een droog relaas van feiten en datums. Tot vervelens toe noemt hij telkens alle tv-presentatoren en andere acts van een bewuste uitzending. Om maar te zwijgen van de slordige gewoonte om het programma Ready Steady Go! soms voluit te schrijven, dan weer als afkorting. Verder stipt hij zaken aan zonder ze nader te duiden. Dat de Stones 1 miljoen dollar ontvingen voor de bijdrage aan de speelfilm Only Lovers Left Alive is leuk om te weten, maar Havers laat na te melden dat de film nooit werd voltooid.

De vele prachtige zwart-wit foto’s maken veel zo niet alles goed, evenals de replica’s van originele documenten, waaronder entreekaartjes en de correspondentie die op gegeven moment ontstond over de irritatie tussen het Stonesmanagement en de BBC. Ook Brian Jones’ handgeschreven brief met het auditieverzoek staat erin. Verder wordt duidelijk in het overzichtelijk vormgegeven boek dat The Rolling Stones meedogenloos en zonder ver om te kijken zich een weg baanden door de oudere, heersende middenklasse. Brave pa en ma moesten tot hun verbijstering toegeven dat de opmars van de rock-‘n-roll en die van de Stones niet meer was te stuiten.

The Rolling Stones On Air In The Sixties (achter de schermen bij een band in opkomst) (Kosmos Uitgevers 2017)