Recensie: Anthony DeCurtis volgt Lou Reed kritisch maar met mededogen

Lou Reed schreef een groot aantal van de meest ontroerende liedjes aller tijden. Neem Perfect Day. De mooie dag met het meisje begint onschuldig en lieflijk, maar eindigt in een zelfbekentenis die naar de keel grijpt: “you made me forget myself, I thought I was someone else, someone good”. Biograaf Anthony DeCurtis merkt op dat deze regels “huiveringwekkend blootleggen dat Reed naar een gewoon leven hunkerde, al had hij zich overgegeven en verlustigd aan gedragingen, stijlen en milieus die juist bedoeld waren om conventionele waarden op te blazen”.

Zelden is er in de popmuziek iemand geweest die zich zo in de kaart liet kijken als Lou Reed. Wanneer hij zong over anderen mengde hij deze verhalen met gebeurtenissen uit zijn persoonlijke leven. Meestal recht voor de raap, cynisch en grimmig. Lou Reed was de eerste in de popmuziek die teksten schreef over drugsverslaving, travestie en sadomasochisme. In de jaren zeventig had hij een relatie met de transseksueel Rachel.

Rolling Stonejournalist DeCurtis ontmoette en interviewde Reed meerdere malen en sprak uitgebreid met vroegere echtgenotes, jeugdvrienden, muzikanten en ex-vriendinnen. Onder hen Shelly Albin. Over haar gaan de klassiek geworden ballads I’ll Be Your Mirror en Pale Blue Eyes. Maar DeCurtis gaat ook serieus en nauwgezet in op betekenis en context van alle albums en diverse songs. Met name de lawaaiplaat Metal Machine Music krijgt ruim aandacht, evenals het ondergewaardeerde Legendary Hearts. De auteur ontdekte talloze aanwijzingen in teksten en muziek van Reeds grote liefde voor rhythm & blues en doo-wopmuziek. Vanzelfsprekend komen ontstaan en ontwikkeling van de Velvet Underground ter sprake. De invloed van Delmore Schwartz wordt eveneens uitvoerig belicht. “He was the first great man that I had ever met”, zong Reed ooit onomwonden over de dichter die hij tevens als zijn mentor beschouwde. Reed zelf had de nodige twijfels over de kwaliteit van zijn eigen werk, dat hij soms publiekelijk afwees en later net zo makkelijk de hemel in prees.

Want Lou Reed was dus vooral iemand die met zichzelf en met zijn omgeving in de knoop lag. In het boek komt een parade langs van stemmingswisselingen en woedeaanvallen, paranoïde trekjes en neiging naar depressie. Tussen Reed en zijn ouders is het nooit meer goed gekomen nadat ze hem op jonge leeftijd een elektroshocktherapie lieten ondergaan. Vanaf dit voor hem traumatische voorval, koesterde hij een groot wantrouwen jegens alles en iedereen en dat 24 uur per etmaal. Luister voor de aardigheid maar eens naar zijn tirades op de live-lp Take No Prisoners. Het pleit voor DeCurtis dat hij zijn onderwerp kritisch op de voet volgt, maar ook met begrip en mededogen. Al lezend gaat de tragiek van Lou Reed de artiest, de mens, zelfs de dwangmatige controlefreak, toch in je hoofd zitten; net als zijn beste songs. Wat hierbij helpt is de uitstekende Nederlandse vertaling, die bovendien opvalt wat betreft vormgeving: op de gitzwarte cover Reeds hoofd verborgen achter het donkere glas van een pilotenzonnebril. Elke bladzijde versierd met een rouwrandje.

Ontluisterend zijn de gesprekken die DeCurtis voerde met Rob Bowman. De gelauwerde muziekhistoricus kreeg de opdracht om in samenwerking met Reed een boxset samen te stellen. Ze raakten zelfs bevriend met elkaar. Voor zolang het duurde tenminste, want de wispelturige New Yorker kon je zomaar als een baksteen laten vallen. En inderdaad. Lange tijd leek er geen vuiltje aan de lucht, totdat Reed zich plots niet kon vinden in de keuze van de archiefopnamen en de in zijn ogen te kritische essaybijlage. Zelfs het raadplegen van muzikanten waarmee hij had gewerkt wekte argwaan. Op hoge toon eiste de zanger van zijn platenmaatschappij meer zeggenschap over de uitgave. DeCurtis beweert dat dit de reden is waarom Between Thoughts And Expression voor iemand van Reeds status een tamelijk doorsnee uitgave werd. Zonder kritische kanttekeningen en zonder veel van de oorspronkelijk bedoelde archiefopnamen.

Volgens DeCurtis had de mede-oprichter van de Velvet Underground commercieel gezien veel meer uit zijn carrière kunnen halen, maar zaten zijn ego en twijfels hem meer dan eens in de weg. Van marketingplannen was hij meestal niet gediend. Toen hij een keer een muziekwinkel binnenstapte en zag dat er geen posters hingen van zijn nieuwe album, ging het enfant terrible over de rooie. Dan kreeg een medewerker van de platenmaatschappij per telefoon een scheldkanonnade over zich heen. Uitgerekend op het moment dat deze een zondagmiddag doorbracht met zijn gezin.

Een publiek geheim was ook een conflict met John Cale tijdens de reünie van de Velvet Underground. Oorzaak was een vermeend geschil over auteursrechten en het leiderschap dat Reed zich wilde toe-eigenen. En telkens moest zijn toenmalige echtgenote en manager Sylvia Morales de vuile klusjes opknappen. Cale liet haar fijntjes weten dat zij weliswaar de manager was van Lou Reed maar niet van de Velvet Underground.

Kenmerkend zijn nog twee andere voorvallen. Toen Bowman en de chroniqueur van de zelfkant in de rij stonden voor een pinautomaat (!), maakte deze veel misbaar over een zwerver die in de voorhal de vrieskou wilde mijden. Tot verbijstering van Bowman liep Reed naar binnen om zich te beklagen bij een bankmedewerker over de aanwezigheid van de zwerver. Of deze onmiddellijk verwijderd kon worden, hetgeen inderdaad gebeurde. Een andere kant kwam tot uiting tijdens een signeersessie. Toen fans hem vertelden hoe belangrijk zijn teksten voor hen waren, raakte hij hierdoor zo geroerd dat hij na afloop in snikken uitbarstte.

Zo balanceerde het leven van de schrijver van Perfect Day tussen pijn en plezier. Veel geïnterviewden beweren dat hij gebukt ging onder eenzaamheid en zijn angst om alleen te zijn. Toch vertellen de weinige echte vrienden die hij had dat ze altijd konden rekenen op zijn steun en gastvrijheid. Zo bezocht Reed dagelijks het sterfbed van een doodzieke Sterling Morrison (ex-Velvet Underground).

Het veelbesproken huwelijk tussen de nachtburgemeester van New York en kunstenares Laurie Anderson, was minder idyllisch dan menigeen dacht. Anderson werkte jammer genoeg niet mee aan dit indrukwekkende eerbetoon in boekvorm. Uit gesprekken die DeCurtis voerde met mensen die bevriend waren met het stel, wordt duidelijk dat Reed zich bij haar voor het eerst gelukkig en op zijn gemak voelde. Des te schrijnender dat juist in die tijd zijn gezondheid achteruit ging. Toen hij in 2011 met Metallica werkte aan het beruchte Lulu wist bijna niemand dat hij al ernstig ziek was. Twee jaar later werd een langdurige leveraandoening hem fataal. Geheel in lijn met zijn onberekenbare karakter en muziek nam Lou Reed afscheid met een van zijn meest omstreden albums.

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Recensie: Af Ursin Murille eerbetoon aan het analoge

Dus zo kan het ook. We waren het bijna vergeten: avantgarde zonder gebruik te maken van een laptopcomputer. Want waar het uiteindelijk op aan komt zijn de ideeën, de durf, het talent, het muzikale inzicht. Zaken die bij Af Ursin volop aanwezig zijn. Af Ursin is het pseudoniem van de Belg Timo van Luijk. Zijn muziek weerspiegelt het adagium van John Cage, namelijk dat omgevingsgeluiden eveneens tot de muzikale taal behoren. Niet dat Af Ursin omgevingsgeluiden maakt, integendeel, maar zijn collageachtige gebruik van akoestische instrumenten en voorwerpen lijkt niettemin te refereren aan geluiden van alledag.

Tegelijkertijd weerklinkt er een samenspel tussen Westerse avantgarde en Aziatische muziek (zie wederom John Cage). Zoals onder meer blijkt uit de tuimelende gamelanklanken die in hun voortdurende aanwezigheid sijpelen en inkleuren. Andere geluiden en instrumenten vallen hierdoor extra op. Opeens is er die freejazz-saxofoonsolo, gevolgd door schrapende noise (in het werk Astral Twist), en soms zelfs rituele zang.

Blijkt niet alleen prima samen te gaan, het bezorgt de muziek zelfs een onderhuidse spanning. Een andere meerwaarde die al doende ontstaat is de ondertoon van melancholie, omdat je beseft naar iets te luisteren wat bijna uitgestorven is, zeker in de avantgarde. This Heat had het, Tortoise op zijn betere momenten, en voor mijn part de platen van het Nonesuch-label met Indonesische en Javaanse muziek: muziek die toegankelijk en experimenteel tegelijk is, vastberaden maar nooit opdringerig, bescheiden en uitnodigend, sierlijk en rudimentair, muziek die inelkaar vlecht en katalyseert. En alsof dit niet genoeg is, is Murrille ook een eerbetoon aan het analoge, want een grammofoonplaat uitgebracht in eigen beheer.

(eerder gepubliceerd via Cut-up, 2002)

Recensie album Cielo: Glice ontregelt met klankkastjes en strijkers

Doorgaans wordt Glice in verband gebracht met een genre dat binnen de officiële muziekhistorie stiekem haar eigen niche heeft gecreëerd: noise. Uit het nieuwe album Cielo blijkt echter dat je met ‘lawaai’ het Amsterdamse duo ernstig te kort doet. Hier gaat het niet om het opschroeven van decibellen maar om minder is meer. Ruben Braeken en Melle Kromhout verkennen de mogelijkheden van klank en geluid die voor de luisteraar en wellicht ook voor henzelf verrassend uitpakken. Opvallend aangenaam dat je niet altijd weet waar de muziek naartoe gaat. Een ander soort ontregelen kortom dan bij de gekende noise-niks Merzbow en Wolf Eyes.

De plaat begint met een schrapend gitaargeluid dat subtiel wordt ondermijnd door een meeglijdende doffe dreun. Dat leest natuurlijk raar en onwerkelijk maar al luisterend is het wonderlijk om te horen hoe het tweetal zulke contrasten gewoon gaat benadrukken, simpelweg door er heel geraffineerd de tijd voor te nemen. Er volgen meer tegenstellingen. Glice voegt ze samen alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

Volgens de oude Grieken laten zwanen zich pas horen wanneer de kauwen stil zijn. Een metafoor voor de stelling dat wijze en goed geïnformeerde mensen pas spreken wanneer anderen er het zwijgen toe doen. In Jackdaw (Engels voor kauw) komen na dissonante geluiden een melodie spelende cello en viool aan het woord. En slotstuk Animalicule eindigt zelfs in neuriënd, unheimisch gezang.

Glice kiest niet voor muziek die makkelijk in het gehoor ligt maar voor desoriëntatie en vervreemding. Hetzelfde gevoel dat je krijgt bij de soundtrack die Mica Levi maakte voor de film Under The Skin. Glice lijkt bovendien het gedachtegoed van Edgard Varèse te omarmen. De Franse componist beschouwde zichzelf als “een arbeider in ritmen, frequenties en intensiteiten”. Bij Glice ontstaan ritmen, frequenties en intensiteiten uit klankkastjes, effect- en vervormingsapparatuur, aan elkaar verbonden door kabeltjes en snoertjes. Het levert hoe dan ook een album op waarmee Glice zich buiten de niche van de noise plaatst. Prachtig ongrijpbare muziek.

Glice – Cielo (Narrominded lp 2017)

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Boek The Rolling Stones On Air In The Sixties: hoe de Stones zich een weg baanden door de heersende middenklasse

Het lijkt alweer heel lang geleden maar zelfs The Rolling Stones waren ooit onbekend en zeer onbemind. The Rolling Stones On Air In The Sixties geeft een aardig beeld van de wijze waarop de band begin jaren zestig in een mum van tijd groot en populair werd. Antwoord? Gewoon door hard te werken. De talloze optredens in de media, met name voor de Britse tv en radio, deden de rest. De Stones hadden in elk geval een enorme ambitie om het te gaan maken. Medeoprichter Brian Jones benaderde zelf maar vast de BBC voor een auditie, die overigens werd afgewezen. De rauwe bluescovers van de Stones vielen natuurlijk meteen op tussen de argeloze amusementsmuziek van toen.

Voorafgaand aan het debuutalbum uit 1964 had de band er al honderden optredens op zitten: in achterafzaaltjes, als onderdeel van packagedeals waarbij je op een avond het podium deelde met andere acts, of in lokale en landelijke tv-programma’s. We hebben het over de tijd van de zwart-wit beeldbuis, van zangers die niet live ‘zongen’ maar met een geluidsband (playback). De opmars van de rock-‘n-roll werd destijds vooral opgepikt door piratenzenders op zee of het lastig te ontvangen Radio Luxemburg.

Het keurige Engeland wist zich lange tijd geen raad met een tienerpubliek dat hysterisch reageerde tijdens Stonesoptredens die vaak ontaardden in vechtpartijen met de politie. Onderling werden door de bandleden zelfs weddenschappen afgesloten over hoe lang een concert zou duren.

The Rolling Stones botsten met de goede zeden, met de burgerlijke ethiek en de autoriteiten in het korset dat Groot-Brittannië heette. Je kunt het je tegenwoordig nauwelijks meer voorstellen. Op zeker moment werden ze vanwege hun kleding zelfs geweigerd in een restaurant. “Ze waren van kwajongens uitgegroeid tot voer voor de tabloids”. Journalisten stelden vaker vragen over de langharige kapsels die ze droegen dan over de muziek.

Dit lijvige hardcoverboek handelt met name over hoe de Britse media omsprongen met de onwennig aanvoelende popmuziek in het algemeen en de Stones in het bijzonder. Men veronderstelde dat het na twee jaar wel zou overwaaien. Prachtig onderwerp dus. Helaas wil de tekst van auteur Richard Havers maar geen verhaal worden dat je bij de lurven grijpt. Hij beperkt zich tot een droog relaas van feiten en datums. Tot vervelens toe noemt hij telkens alle tv-presentatoren en andere acts van een bewuste uitzending. Om maar te zwijgen van de slordige gewoonte om het programma Ready Steady Go! soms voluit te schrijven, dan weer als afkorting. Verder stipt hij zaken aan zonder ze nader te duiden. Dat de Stones 1 miljoen dollar ontvingen voor de bijdrage aan de speelfilm Only Lovers Left Alive is leuk om te weten, maar Havers laat na te melden dat de film nooit werd voltooid.

De vele prachtige zwart-wit foto’s maken veel zo niet alles goed, evenals de replica’s van originele documenten, waaronder entreekaartjes en de correspondentie die op gegeven moment ontstond over de irritatie tussen het Stonesmanagement en de BBC. Ook Brian Jones’ handgeschreven brief met het auditieverzoek staat erin. Verder wordt duidelijk in het overzichtelijk vormgegeven boek dat The Rolling Stones meedogenloos en zonder ver om te kijken zich een weg baanden door de oudere, heersende middenklasse. Brave pa en ma moesten tot hun verbijstering toegeven dat de opmars van de rock-‘n-roll en die van de Stones niet meer was te stuiten.

The Rolling Stones On Air In The Sixties (achter de schermen bij een band in opkomst) (Kosmos Uitgevers 2017)

Jubileumuitgave smeekt om eerherstel: Their Satanic Majesties Request – The Rolling Stones

Het zwarte schaap in de Rolling Stonesfamilie. Toen Their Satanic Majesties Request in december 1967 het licht zag, moest de wereld nog bijkomen van dat ene Beatlesalbum. Sindsdien is de plaat van de Stones een minderwaardigheidscomplex en imagoprobleem aangepraat. 1967 was toch al een rampjaar voor Mick Jagger, Keith Richards en Brian Jones. Om zich te verantwoorden voor drugsbezit kwamen de heren elkaar vaker tegen in de rechtszaal dan in een muziekstudio. Verspreid over enkele maanden werd met frisse tegenzin alsnog het album voltooid.

Schrikken geblazen. Het rauwe geluid van de Stones opzij gezet voor een op muziek gezet experiment; om de geest te verruimen en in het geval van de band, het geluk weer op gang te brengen. En geluk is zoals we weten los zand, ongrijpbaar, iets dat soms vlak voor je neus ligt zonder dat je het in de gaten hebt. Zo is het ook met Their Satanic Majesties Request. Een aantal songs balanceert aanvankelijk halfslachtig tussen vorm en improvisatie, maar kiep als luisteraar de ballast van het verleden achterover, ga er eens goed voor zitten en ontdek patsboem dat de meeste nummers zich inventief en flamboyant uitkristalliseren. Met dank aan de superieure geluidskwaliteit van deze heruitgave.

En The Rolling Stones zoals we ze kennen duiken bij nader inzien regelmatig op tussen de hoeveelheid uitheemse instrumenten en de fijnzinnig gearrangeerde strijkers (door John Paul Jones de latere bassist van Led Zeppelin). Over vrijwel de hele plaat prikkelen gitaarriffs als rotsjes in de psychedelische branding. Best uitdagend om al herontdekkend terug te horen: dat gitaarwerk en Jaggers stem van elastiek in een sfeer die exotisch, oriëntaals en uitgelaten is. Tijdens de intro van Sing This All Together (And See What Happens) vraagt Jagger: “where’s the joint?”. En net als bij The Beatles en andere bands die toendertijd de psychedelica omarmden, begint de hallucinerende trip van de Stones bij het hoesontwerp: op de cover een duizelig makende driedimensionale foto (uniek in 1967!), in de klaphoes een doolhof tegenover een Jeroen Bosch-achtig schilderij.

De beste nummers zijn ook vijftig jaar later nog de beste nummers: Citadel, She’s A Rainbow en natuurlijk 2000 Light Years From Home, waarin een glansrol voor Brian Jones. Met de sinistere klank van een mellotron stuurt hij de song richting onheil. Mick Jaggers tekstuele metafoor over eenzaamheid wordt zo wel heel erg wrang. Naar verluidt schreef hij de tekst in een politiecel. Een liedje geschreven door bassist Bill Wyman, In Another Land, is een ‘druggy’ sprookje dat herinnert aan de vroege Pink Floyd. Zo zie je maar weer. Een jubileumuitgave kan zoveel meer zijn dan een marketingconcept. Zeker in dit geval maakt de speciale editie een weerloos album weer waardevol.

Bovendien ziet deze handgenummerde “50th anniversary edition” er prachtig uit. Meervoudig valt de hoes uit te vouwen en op de voorzijde pronkt de bandfoto in het bekende 3D effect. In bijgaand boekje heeft muziekhistoricus Rob Bowman zo zijn eigen opvattingen. Het instrumentale deel van Sing This All Together (And See What Happens) verwijst volgens hem naar de muzikale gekte in The Return Of The Son Of Monster Magnet van The Mothers Of Invention. Inderdaad, dat zou zomaar eens kunnen, maar om vervolgens te beweren dat de Stones met hun aanpak vooruitblikken op de “sonic textures” van Miles Davis’ Bitches Brew is op zijn zachtst gezegd nogal vergezocht. Wel houdt Bowman terecht een pleidooi om Their Satanic Majesties Request te beschouwen als een belangrijke stap in de ontwikkeling van de Stones, van rhythm-and-blues band naar uitvinders van moderne rock voor de jaren zeventig.

De luxe set bevat lp’s en sacd’s in zowel mono als stereo. Met name de stereoversie op vinyl laat een ongekunstelde plaatsing horen van zang, muziek en geluidseffecten. De weergave is zo helder en energiek dat het experiment met effecten en afwijkende instrumenten er volop van profiteert. Hierbij vergeleken klinkt de monovariant stug en eendimensionaal. Opvallend is de gelijkenis tussen de heruitgave en een originele Engelse lp in stereo. Op de laatste is de muziek misschien iets pittiger, maar ook rommeliger in details (o.a. bekkens).

Het geluid van de reissue bezit een prettige schwung waarnaar het heerlijk luisteren is. Voor beide sacd’s gaat min of meer hetzelfde op, maar zoals wel vaker klinken opnamen uit de jaren zestig gewoon veel beter op vinyl. Vanzelfsprekend zijn audiovergelijkingen vaak afhankelijk van smaak, persoonlijke voorkeuren en kwaliteit van de afspeelapparatuur. Over details gesproken. Op het vinyllabel van de lp’s is de vermelding van de oorspronkelijke platenmaatschappij Decca gehandhaafd in het originele lettertype. Voor de kenners: unboxed!

The Rolling Stones – Their Satanic Majesties Request (ABKCO/Universal 2017)

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

Léon Hanssen bekijkt Piet Mondriaan doortastend en eigenzinnig

Mooi meegenomen wanneer een voorpublicatie leidt tot ophef. Léon Hanssen, hoogleraar en biograaf van Piet Mondriaan fronste zijn wenkbrauwen toen hij tijdens een expositie in Brussel een verloren gewaand doek van de kunstenaar zag. Na uitgebreid onderzoek kwam hij samen met een restauratrice tot de ontdekking dat het echter om een vervalsing ging. Extra pijnlijk omdat het schilderij was uitgeleend door het Stedelijk Museum. De eigenaar bleek bovendien bevriend met museumdirecteur Beatrice Ruf. Dan zal het wel goed zijn dacht men bij museum zonder nader onderzoek te verrichten. De ontdekking is een van de spannendste hoofdstukken in Alleen Een Wonder Kan Je Dragen.

Léon Hanssen (Kerkrade 1955) is al langere tijd bezig schilder en de mens Mondriaan te ontrafelen en opnieuw te duiden. In 2015 verscheen het eerste deel van zijn biografie. Een tweede deel is momenteel in voorbereiding. Deze uitgave van de in Rimburg gevestigde cultuitgeverij Huis Clos kunnen we zien als een ‘tussendoortje’. Maar wel eentje waar Mondriaanadepten niet omheen kunnen.

De tien verschillende essay-achtige stukken vertellen onderling misschien geen samenhangend verhaal over een van de pioniers van de moderne kunst. Hanssen bekijkt zijn onderwerp vanuit perspectieven waarin wel degelijk biografische aspecten doorsijpelen, waaronder het veelbesproken kluizenaarsleven van de schilder dat geheel in dienst stond van zijn kunst. In het Nederland van begin vorige eeuw had men moeite met deze zonderling en “controlefreak”. Mondriaan was zo volstrekt autonoom dat men zelfs in kunstenaarskring de kriebels van hem kreeg.

Hanssen maakt duidelijk dat de maker van de abstracte stilteschilderijen net als Van Gogh werd weggepest uit ons land. Hanssen staat er uitvoerig bij stil, evenals bij Mondriaans verblijf in New York. Hier zou hij vanaf eind jaren dertig zijn bekendste doeken maken, waaronder het nooit voltooide Victory Boogie Woogie. “De visie op Mondriaan zoals we hem vandaag de dag kennen als de meester van het modernisme, is eerst en vooral een prestatie van Amerika.” Daar zit je dan in 2017 met je honderdjarige jubileum van De Stijl, de kunststroming waartoe ook Mondriaan behoorde.

Hanssen maakt verder fijntjes van de gelegenheid gebruik om met een andere biografie over Mondriaan korte metten te maken. Dit boek van Hans Janssen, conservator van het Haags Gemeentemuseum, “ademt iets van de hedendaagse zucht naar idolen”. Ook andere publicaties over de schilder moeten het ontgelden. Hanssen heeft duidelijk weinig op met biografieën die volgens hem zijn opgeleukt om een groot lezerspubliek te trekken. Hanssen heeft een beetje een drang naar gelijkhebberigheid waarin hij zich het Mondriaanschap min of meer lijkt toe te eigenen. Dat gaat soms ver. Zelfs het graf van de kunstenaar, een houten bord op een plank die door de wind scheef is komen te staan, moet het ontgelden. “Had Mondriaan zich tijdens zijn leven consequent verzet tegen het gebruik van de diagonaal, nu werd zijn graf gemarkeerd door zo’n lamme, schuine lijn.” Waarna de hoogleraar tot actie over gaat: “Ik besloot tot een daad van rechtvaardiging en trok het bord uit de grond.”

Maar verder is Hanssen de observerende en onderzoekende “vagebond”: minder oog voor de “hoofdwegen en een voorkeur voor de rafelranden van het geciviliseerde leven.” In feite houdt hij zijn onderwerp telkens via een andere invalshoek tegen het rigide licht van de kunsthistorie. Zo vergelijkt hij in een hoofdstuk het leven van Mondriaan met de componist Prokofjev, of voert hij diverse redenen aan waarom Mondriaan op zeker moment de letter a weglaat in zijn achternaam. Nederland is het enige land waar de kunstenaar Mondriaan wordt genoemd, in het buitenland staat hij bekend als Mondrian.

Ook gaat de schrijver in op de verschillende dimensies van de molens die de kunstenaar in het begin van zijn carrière schilderde. Hanssen schermt niet per se met nieuwe kunsthistorische feiten, behalve dan de eerder genoemde ontmaskering, maar omzeilt de encyclopedische kunstgeschiedenis in stukken die doortastend zijn geschreven. Hier heerst de prikkeling, de verbeelding én omzeiling van clichés en aannames, waardoor je toch anders gaat kijken naar leven en werk van een al even eigenzinnig kunstenaar.

Léon Hanssen – Alleen Een Wonder Kan Je Dragen over het sublieme bij Mondriaan (Huis Clos 2017)

Plaatsvervangers van Thomas Heerma van Voss: popmuziek als autobiografie

Wanneer Thomas Heerma van Voss over popmuziek schrijft bedoelt hij eigenlijk zíjn vorm van popmuziek. In Plaatsvervangers is de Amsterdamse romanschrijver geobsedeerd door zijn favoriete artiesten en tegelijk uiterst openhartig over zijn eigen leven in samenhang met de muziek.

Zijn streven is duidelijk: “Ik heb geen maatschappelijke boodschap of missie, wellicht niet eens een educatief oogpunt, ik wil alleen de onrust in mijn hoofd verdrijven, alles op een rijtje krijgen om het de zweem van een functie te geven.”

Volgens de achterflap schrijft Heerma van Voss over muzikanten die iets kunnen wat hij niet kan. Over rappers die overal lak aan hebben. Hij schaamt zich er bijna voor. Dan is hij nog de puber die veilig achter zijn pc zit in zijn jongenskamer in Amsterdam Oud-Zuid. Op de omslag een grammofoonplaat met ezelsoortje.

Heerma van Voss is niet alleen idolaat maar ook in staat om op journalistieke wijze muziek te duiden en in een context te plaatsen. Bijna je reinste gonzoverslaggeving. Je komt het nauwelijks meer tegen in de Nederlandse media. Een van de beste stukken in deze bundel met zes omvangrijke verhalen, is zijn eerbetoon van vijftig pagina’s over de omstreden hiphopartiest Tim Dog. Een fascinerende figuur waarover Heerma van Voss bevlogen en net zo fascinerend schrijft. Een ander hoogtepunt is zijn avontuur in New Orleans op bezoek bij de vergeten rapper Master P.

De schrijver gaat persoonlijke teleurstellingen niet uit de weg wanneer hij merkt dat artistieke verrassingen bij de door hem bewonderde muzikant op gegeven moment uitblijven. Bijvoorbeeld wanneer hij gaandeweg zijn interesse verliest in de Britse zanger Damon Albarn en diens talrijke muziekprojecten. “Wanneer kwam er eindelijk weer een twist die ik niet had zien aankomen of meteen kon begrijpen?”

Plaatsvervangers handelt zoals gezegd over popmuziek en Heerma van Voss zelf. “Ik bevind me in een ruimte waarvan ik geen idee heb hoe ik er ben beland en ik tast anderen af om te achterhalen wat ze denken, om tevergeefs te voorkomen dat ze me vergeten.” Dat de schrijver zich oprecht en kwetsbaar opstelt, versterkt de kracht en klasse van deze autobiografische verhalen. Of ze nu over hiphop gaan, filmcomponist Hans Zimmer, of over zijn voormalige website Hiphopleeft. “Er zijn mensen die muziek vooral beschouwen als vorm van vermaak. Voor mij draaide mijn bestaan erom. Ik vormde mijn identiteit aan de hand van klanken die uit mijn cd-speler kwamen.”

Thomas Heerma van Voss – Plaatsvervangers (Thomas Rap/De Bezige Bij 2017)

(eerder gepubliceerd via The Post Online)