Debuutalbum Crazy Cult Roadshow maakt bij vlagen veel indruk

Bij een snelle eerste kennismaking maakt de Nederlandse gitaarband Crazy Cult Roadshow misschien niet meteen veel indruk, maar nadere beluistering leert dat op het debuutalbum heel geraffineerd het ene na het andere goede nummer wordt opgevoerd.

Het is de onderlinge dynamiek en inventiviteit van de gitarist, bassist en drummer die spelen alsof ze al tientallen jaren bij elkaar zijn. En frontman Roel Peijs blijkt zowel pakkende melodieën te zingen om even later in your face te kunnen uitbarsten. CCR heeft meer te bieden. Hoor de synthesizergeluiden die een enkele keer sfeerverhogend opduiken maar nergens overheersen, of het toepassen van stukjes dialogen uit films. “My God what the hell happened here?” Inderdaad.

Over film gesproken. De song Haddonfield, Oct. 31st gebruikt de band om van Halloween, toch eigenlijk een Amerikaanse feestdag, een grimmig verhaal te maken, indachtig de horrorklassieker van John Carpenter. Zo loopt er in de teksten wel meer fictie en werkelijkheid door elkaar in deze roadshow die geen moment een platte kermisattractie wordt.

Toch is er een minpuntje. Menig werkje op dit debuut bezit zoveel punch en daadkracht dat de gitaarsolo’s van Krit Verbeek geforceerd aandoen en het zaakje onnodig oprekken. Neem Rewind & Push Playmet zijn pakkende refrein, of het opvoeren van spanning door middel van riffs in That Thing From Another Planet. Binnen deze en veel andere in aanleg imponerende songs hebben de solouitstapjes geen enkele meerwaarde, temeer omdat ze bepaald niet uitblinken in creativiteit. Op zulke moment klinkt CCR ineens als een alledaags rockbandje.

De uitstekende opname komt goed tot zijn recht op deze plaat en persing die door de band in eigen beheer is uitgebracht. Geheel in lijn met sfeer en thema’s van het album heeft kunstenaar Lars Ickenroth op de hoes een tekening gemaakt van een menselijke schedel. Niet in staat van ontbinding maar in staat van ontploffing. Een doomy doodshoofd. Weer eens wat anders dan de kleurrijke sierschedels van Damien Hirst.

Overigens spelen bassist Steven van der Vegt en drummer Kiki Beemer ook in Nighthawker. Van deze band verscheen onlangs een uitstekende ep waarop melodieuze, maar pittig gekruide rocksongs zijn te horen.

Crazy Cult Roadshow – Crazy Cult Roadshow (Gnome Robot Records 2018)

Eindelijk weer op vinyl: Achtung Baby en Zooropa het onverwachte experiment van U2

Het scheelde niet veel of de wereld had het zonder U2 moeten stellen. Na het pompeuze optimisme in de jaren tachtig was er plots het experiment met beats en geluidseffecten. Een stijlbreuk die volstrekt onverwacht kwam en de Ieren drie albums volhielden. Na Pop in 1997 schakelde men simpelweg weer terug naar standje veilig. Sindsdien is de band bezig met wrijven in een vlek.

Aan het begin van de jaren negentig wisten de heren even niet goed hoe nu verder. “It’s no secret, ambition bites the nail of succes”, had Bono vast in zijn aantekenboekje genoteerd. Tijdens de opnamen vanAchtung Baby kwamen meningsverschillen over de te volgen richting opeens tot een uitbarsting. De spanningen liepen zo hoog op dat de meest succesvolle popgroep van dat moment zelfs dreigde uiteen te vallen. Bijna werd U2 een “accident waiting to happen.”

Achtung Baby ontstond in 1991, stoeiend met talloze sessies die voor een deel werden opgenomen in de Hansa Ton Studio van Berlijn. Het waren met name Bono en The Edge die aandrongen op een artistieke wending. De gitarist luisterde in die tijd vaak naar elektronische dance, Nine Inch Nails en Einstürzende Neubauten. Om te voorkomen dat de creatieve motor dreigde vast te lopen diende de ideeënmagie van Brian Eno als smeerolie. De Britse producer had zich voorgenomen alles te wissen dat teveel op U2 leek.

Dat heeft geholpen. Achtung Baby en Zooropa zijn de platen die zelfs bewondering afdwingen bij mensen die geen fan zijn. David Bowie schijnt ze ooit te hebben uitgeroepen tot zijn favoriete albums van de band. Zoals bekend experimenteerde de zanger eind jaren zeventig tamelijk onverwacht met elektronische muziekinvloeden, eveneens met dank aan Brian Eno. Achtung Baby en Zooropa zijn eigenlijk de Lowen Heroes van U2.

De hernieuwde kennismaking stemt bijna weemoedig. Zeker wanneer je beseft dat Achtung Baby misschien wel het enige echte meesterwerk van de band is. Ondanks het moderne klankdecor, de beats en fraaie melodieën, zijn de teksten, ingegeven door een ondertoon vol reflectie en religie, autobiografisch en ambivalent. In de song over Bono’s alter ego The Fly lezen we: “every artist is a cannibal, every poet is a thief. All kill their inspiration and sing about their grief”.

Wie Achtung Baby eveneens naar zich toe trekt is The Edge, de voor eeuwig ondergewaardeerde gitarist. Zijn manier van spelen uit zich in beetpakkende intro’s, bij de les blijvende overgangen en verrassende schijnbewegingen. Zich verschuilend vanachter een megazonnebril laat Bono de zwaarte van de melancholie neerdalen in misschien wel het allermooiste liedje dat U2 ooit opnam, het bitterzoete Love Is Blindness.

“Vorsprung durch Technik” zingt hij aan het begin van Zooropa. Een slagzin voor een Duits automerk en een referentie aan de koers van de band. De hoes toont een cartoonvariant op de vlag van Europa. Destijds werd het album beschouwd als commentaar op het continent dat de adem inhield na de val van de Berlijnse Muur. Maar Zooropa is net alsAchtung Baby persoonlijk en beschouwend. Zo gaat de titelsong onder meer over de twijfel die hoort bij het beginnen met een schone lei. Vervolgens ontstaat een muzikaal pretpark waarin we ballads tegenkomen, hypernerveuze ritmes, gekke geluidjes, een eerbetoon aan Charles Bukowski en een sample uit de pamfletfilm Triumph Des Willens van Leni Riefenstahl.

Tegenstellingen alom dus. Oprechte ontroering in The First Timetegenover een monotoon mompelend Numb. Het slotakkoord is een western in cinemascope: Johnny Cash in The Wanderer. Het zou de opmaat worden voor herwaardering van ‘the man in black’. Zooropalijkt op het eerste gehoor een zootje ongeregeld maar toch gaat het album ook nu nog onnadrukkelijk onder de huid kruipen.

Bizar dat twee albums van een van de meest succesvolle rockgroepen aller tijden tientallen jaren niet verkrijgbaar waren op vinyl. Dikke bult: er circuleren intussen ontelbare illegale kopieën in kleurtjes en picture discs. De officiële Achtung Baby en Zooropa zijn dubbel-lp’s in enkelvoudige hoezen. Het geluid is speciaal voor deze vinyluitgaven opgepoetst door Scott Sedillo (medewerker van Bernie Grundman Mastering).

De totaalklank is zo uitgebalanceerd en evenwichtig dat het aangenamer luisteren is dan naar de originele platen. Meer transparantie in zang en instrumenten blijken de luisterbeleving alleen maar te versterken. Natuurlijk helpt het dat de speelduur is verdeeld over twee platen, overigens in geruisloze persingen.

Achtung Baby werd eveneens geprezen om de foto’s van Anton Corbijn. Wie de voorzijde van de hoes in het licht reflecteert ontdekt net als bij de oorspronkelijke lp de glans op de ringen met het U2-embleem. Het grofkorrelige van de bruingetinte portretten verliest in de reproductie helaas wat scherpte en signatuur. Bassist Adam Clayton stond op de achterkant van de originele hoes nog in adamskostuum. In sommige landen werd in 1991 een variant uitgebracht waarop Claytons geslacht werd gek(r)uist met viltstift. De gecensureerde versie van toen is overgenomen voor deze reissue. Ook nu zit er weer een los tekstvel bij. Omdat Achtung Baby en Zooropa dubbel-lp’s zijn krijg je er een extra binnenhoes bij. Evenals twee tamelijk overbodige danceremixes op kant vier van laatstgenoemde plaat.

U2 – Achtung Baby (Island/Universal 1991/2018)

U2 – Zooropa (Island/Universal 1993/2018)

Met House Of The Blues deed John Lee Hooker het licht uit

Het is mijn eigen schuld. Nadat je me verliet belde ik stad en land af in de hoop dat je me nog een kans zou geven. Aan het woord is een man met gitaar. Op de achtergond probeert een piano hem op te vrolijken. Wanneer de liefde plaatsmaakt voor het verlangen kruipt vanzelf de blues naderbij. Na de zelfbekentenis It’s My Fault wil hij die ene High Priced Woman aan de haak slaan al weet hij dat zij hem alleen maar geld gaat kosten. En aan geld heeft hij een groot gebrek ondanks zijn hit in 1948 met Boogie Chillen’. Meer dan een miljoen keer over de toonbank maar zelf zag hij er geen cent van terug.

Zijn vader, een doopsgezinde predikant, heeft hem nog gewaarschuwd dat de blues muziek was van de duivel, maar John Lee was toen al lang en breed onderweg naar Detroit. Om de Deltablues, de primitieve, landelijke variant naar de grote stad te brengen. Het enige wat hij nodig had waren één, hooguit twee akkoorden en het verkondigen van zijn eigen waarheid. Eerst Boogie Chillen’ nog eens dikjes overdoen in Walkin’ The Boogie; meer gitaren, meer geluid, meer inhoud, inclusief overname van de volledige tekst.

Toen Muddy Waters met zijn elektrisch versterkte gitaar het licht aandeed maakte John Lee Hooker het licht weer uit. Staren naar de duisternis in het huis dat hij om zijn eigen bluesgevoel heen bouwde. In Ramblin’ By Myself zingt hij tien keer het woordje “gone”. Achtmaal opent een zin met “she left me”. Zelfs de kakkerlakken maken dat ze weg komen uit de kieren van de kale muren.

Volgens Keith Richards negeert John Lee Hooker akkoordenwisselingen; ze worden meer gesuggereerd dan gespeeld. Intussen stompt zijn voet ongedurig op een stuk hout. In vrijwel alle boeken over The Rolling Stones staat Hookers naam in het register gebeiteld. Dat zou ook het geval moeten zijn in de biografieën over al die andere artiesten die wel eens in aanraking zijn geweest met een gitaar, het ritme, het zelfinzicht, de weemoed, het verlangen, de aanwezigheid en bovenalles de afwezigheid van een vrouw. Hooker nam House Of The Blues op tussen 1951 en 1954. Mooi meegenomen om met de kennis van nu de halve rockmuziek erin terug te horen. Een klassieker dus én naamgever van de huidige keten bluesclubs in Amerika.

Van alle persingen die de laatste jaren zijn verschenen biedt deze van Music On Vinyl ongetwijfeld het beste geluid. Vergeet de dubieuze heruitgaven waar kopers op forums over klagen, uitgebracht door cowboylabels die slechts profijt trekken van verlopen auteursrechten. Nee, hier is werk van gemaakt. John Lee Hooker en zijn stem, gitaar, blok hout onder het been en de godganse blues gaan gewoon onder je huid kruipen. Music On Vinyl heeft hoes en label zoveel mogelijk overgenomen van de Amerikaanse lp uit 1959. Die barcode doet natuurlijk een beetje pijn aan de ogen. Gelukkig wel geperst op zwart vinyl!

John Lee Hooker – House Of The Blues (lp, Chess/Music On Vinyl 1959/2018)

The Who Live At The Fillmore East 1968: samengebald venijn

Gek genoeg zijn er tijdens de hoogtijdagen van The Who weinig officiële livealbums van de band verschenen. Deze uitgave met drie lp’s maakt niet alleen een hoop goed, je kunt meteen horen waarom de Britten zo’n geduchte podiumreputatie hadden. Live At The Fillmore East 1968 bevat de weergave van een vrijwel compleet concert in de befaamde muziektempel in New York. Omdat door technische problemen de oorspronkelijke registratie nooit eerder werd uitgebracht, circuleren er sindsdien tientallen varianten op bootleg. De opnamen van toen zijn nu zodanig gerestaureerd dat ze vijftig jaar later ronduit imponerend klinken. Je zult er maar bij zijn geweest op 6 april 1968. Zelden knalde The Who zo energiek en explosief, rauw en fris van de lever uit de luidsprekers.

Fillmore zal de komende jaren weleens kunnen gaan wedijveren met het altijd zo geroemde Live At Leeds. Dat de status van dat album uit 1970 vanaf nu opeens in twijfel wordt getrokken. Is Live At Leeds relatief gecontroleerde, vet aangezette rock, Fillmore daarentegen is kaal en weerbarstig. “Haaaaard rock” schreeuwt Pete Townshend op zeker moment. Het is net of er in de uitvoeringen van The Who opgekropte woede doorklinkt. Twee dagen voor het optreden was Martin Luther King vermoord. Aan het begin van de tournee werd de band in Australië getrakteerd op een vijandige houding van autoriteiten en pers. De krakkemikkige podiuminstallatie en de lange vliegreizen leidden tot vermoeidheid en frustratie bij met name Townshend, die bezwoer nooit meer in Australië te zullen optreden.

Spectaculair is My Generation, dat verdeeld over twee plaatkanten tot een half uur wordt opgerekt en desondanks geen moment verveelt. Opvallend is de lange versie van Relax (“lay down on the ground and listen to the sound of the band”) waar, in weerwil van de titel, Townshend verhaal gaat halen over wat er allemaal mogelijk is per elektrische gitaar. Tussen de solo’s en riffs, die hij afwisselt alsof het geen enkele moeite kost, citeert hij plots de intro van Sunshine Of Your Love van Cream. In vrijwel alle nummers zit Townshends spel vol venijn en hoogspanning, alsof hij de snaren van het hout loswrikt, één wordt met zijn instrument. Drummer Keith Moon roffelt en rommelt er als een bezetene achteraan om de gitarist, die inmiddels is opgegaan in zijn omgeving, weer in het gareel te te krijgen. Zelfs in aloude klassiekers als Shakin’ All Over en C’mon Everybody ontbrandt het vuur van tegendraadsheid en onrust. Medebandleden Roger Daltrey en John Entwistle moeten er een beetje van zijn geschrokken. Een aantal songs werd na dit concert nooit meer live gespeeld.

De befaamde meestertechnicus Miles Showell nam Live At The Fillmore East 1968 onder handen in de Abbey Road Studios. In de uitloopgroef van het vinyl staat zijn signature gegraveerd: Miles Abbey Road Room 30. Geluidskwaliteit? Recht in je smoel. De drie lp’s zitten in een stevige klaphoes met aan de binnenkant een amusante zwart-wit foto van The Who, gemaakt door Linda McCartney. Omdat er op elke kant hooguit drie, vier nummers zijn geperst (door het Tsjechische GZ Vinyl), krijgt de muziek voldoende dynamiek om uit de groeven te knallen. Hard afspelen dus!

The Who – Live At The Fillmore East 1968 (3lp Polydor/Universal 2018)

Ongetemde Jimi Hendrix op Both Sides Of The Sky

1969 was voor Jimi Hendrix achteraf gezien een overgangsjaar. Hij probeerde een muzikale weg in te slaan die afweek van het werk dat hij maakte met zijn eigen Experience. Misschien wilde hij zich op deze manier ook losmaken van de druk die op hem lag. Het dubbelalbum Electric Ladyland was een onverwacht commercieel succes, en Hendrix behoorde in die tijd tot een van de best betaalde rockmuzikanten. Op het Woodstockfestival speelde hij al met deels andere muzikanten dan met zijn vaste metgezellen. Maar pas tijdens de talloze studiosessies merkte hij dat Billy Cox en Buddy Miles de ideale sparringpartners waren om, al dan niet via improvisaties, rock te mengen met funk en rhythm & blues. Aldoende ontstond de basis voor het trio Band Of Gypsys.

Hendrix’ artistieke zoektocht is ook zijn erfgenamen niet ontgaan. Eind jaren negentig namen zij het besluit om materiaal uit te brengen dat zijn experimenteerdrang moest staven. Dat gebeurde telkens in samenwerking met Eddie Kramer, Hendrix’ vaste opnametechnicus. Of je een reeks albums moet uitgeven met nummers die meestal onvoltooid zijn, want daar hebben we het in feite over, is natuurlijk voer voor discussie. Dat de muzikale expeditie van de gitarist op deze manier wordt gerestaureerd en in historisch perspectief geplaatst, zal ongetwijfeld zwaarder wegen dan een puur artistieke reden.

Both Sides Of The Sky bevat veredelde demo’s uit ’69 waarop Hendrix voornamelijk is te horen met Band Of Gypsys. Dat zijn meteen de beste nummers. Spelurgentie gekoppeld aan vurige schwung. Met dank aan de doortastende ritmische punch van drummer Buddy Miles. Vertrekpunt voor Hendrix om vrijuit te soleren en te stoeien met de klank die daarbij hoort. Dat alleen al maakt dit album de moeite waard. De linkshandige gitarist in topvorm. Ongetemd en ogenschijnlijk terloops, alsof het hem geen enkele moeite kost.

Maar laten we niet vergeten dat de plaat bovendien oefeningen en probeersels bevat. Zo is Cherokee Mist een improvisatie die veel belooft maar uiteindelijk nergens naartoe gaat. Eerder voorspelbaar dan verfrissend zijn twee nummers met typische kroegblues waar maar geen einde aan lijkt te komen. Een hoogtepunt is dan weer een gedreven en pittige uitvoering van het nummer Woodstock, mét zanger Stephen Stills die zichzelf begeleidt op orgel terwijl Hendrix enkele loopjes speelt op basgitaar. Ander bijzonder moment? Het vuurtje dat nog eenmaal oplaait in Hear My Train A Comin’, een van de laatste studio-opnamen van de Jimi Hendrix Experience.

Verwacht op dit album niet per se de weelderige, dwarse psychedelica waarmee we Hendrix hebben leren kennen. Vanwege zijn mateloze en veelzijdige talent is dit natuurlijk niet echt een gemis. Want het blijft verbazingwekkend hoe Hendrix ook nu weer te keer gaat. Hij bespeelt de Fender Stratocaster met hetzelfde gemak als waarmee de gewone sterveling bij de bakker om de hoek een broodje gaat halen. Het historische belang wordt extra wrang wanneer je bedenkt dat hij een jaar na deze welluidende vergezichten kwam te overlijden.

Both Sides Of The Sky verschijnt als dubbel-lp in een klaphoes. Het bijgevoegde boekje bevat veel foto’s en een uitgebreide, informatieve tekst. Omdat elke plaatkant hooguit drie à vier nummers bevat, is er voor de persing alle ‘ruimte’ om de ruwe dynamiek van de opnamen uit de groeven te laten knallen.

Jimi Hendrix – Both Sides Of The Sky (2lp, Sony Legacy 2018)

Ongrijpbare countrynoir van Melle de Boer op lp Temporary Bandage

Melle de Boer graaft zomaar een gat in de Garden Of Eden. Misschien om te ontsnappen aan het avontuur dat helemaal niet zo prettig begint. In de openingssong is namelijk sprake van een verband dat om een hardnekkige wond is gewikkeld. Desondanks komen De Boer en zijn muzikale metgezel Suzanne Ypma terecht in droombeelden en verhaaltjes vol verwondering en vermeend onheil. Over een man die liever geen bier meer drinkt met God maar met de duivel: “the only friend he got”. Over “a ghost too scared to scare you”.

Instrumenten worden door het tweetal niet gespeeld maar gebruikt om de liedjes in te kleuren. Personages in de teksten krijgen zo een duwtje in de rug, een hart onder de riem. Drums roffelen op en neer, een gitaar strijkt waar nodig de plooien glad en af en toen ontsnappen er excentrieke geluidjes uit een soort van synthesizer. Telkens gaat er een zekere onbevangenheid uit van muziek, zang en teksten. Net niet te zwaar op de hand, net niet te lichtvoetig. Juist daarom bevat deze plaat zoveel persoonlijkheid en karakter.

Opgediend met countrymuziek volgens beproefd Amerikaans recept. Maar dan wel de variant die onheilspellend klinkt, ingetogen en kwetsbaar. Songs die niet volgens een schematische structuur zijn opgebouwd, maar ter plekke wenden en keren, net als het leven zelf eigenlijk. Volgens de hoes werd de lp opgenomen in Billytown; een atelier- en studioruimte in Den Haag. Rafelend van klank en uitvoering. Zo hoor je het niet vaak meer. Dit is niet de klank van een kunstencentrum, maar van een boerenschuur op Neil Youngs Broken Arrow Ranch. Zoeken geblazen, bijna de hoop opgeven en ze tóch weten te vinden. Daar liggen de liedjes van Melle de Boer, als spelden in hooibergen.

Op zijn website mowingclub.com schrijft hij droogkomisch over de hindernissen die hij ondervond bij het uitbrengen van dit album. Over de muur aan bureaucratie bij rechtenorganisatie Sena, over de zakelijke deal wanneer de plaat zou verschijnen op het Excelsiorlabel. Na enig zelfberaad koos De Boer er voor om alles in eigen hand te houden. De financiering kwam tot stand via crowdfunding. Resultaat? Een lp geperst op zwart vinyl (zoals het hoort), een zeefdruktekening op de hoes, een poster met teksten en een bijgeleverde cd op een stukje karton. Dat krijg je dus allemaal in huis, en dan moet het echte avontuur nog beginnen. Prachtplaat!

Melle de Boer – Temporary Bandage (eigen beheer lp, 2018)

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Recensie: Anthony DeCurtis volgt Lou Reed kritisch maar met mededogen

Lou Reed schreef een groot aantal van de meest ontroerende liedjes aller tijden. Neem Perfect Day. De mooie dag met het meisje begint onschuldig en lieflijk, maar eindigt in een zelfbekentenis die naar de keel grijpt: “you made me forget myself, I thought I was someone else, someone good”. Biograaf Anthony DeCurtis merkt op dat deze regels “huiveringwekkend blootleggen dat Reed naar een gewoon leven hunkerde, al had hij zich overgegeven en verlustigd aan gedragingen, stijlen en milieus die juist bedoeld waren om conventionele waarden op te blazen”.

Zelden is er in de popmuziek iemand geweest die zich zo in de kaart liet kijken als Lou Reed. Wanneer hij zong over anderen mengde hij deze verhalen met gebeurtenissen uit zijn persoonlijke leven. Meestal recht voor de raap, cynisch en grimmig. Lou Reed was de eerste in de popmuziek die teksten schreef over drugsverslaving, travestie en sadomasochisme. In de jaren zeventig had hij een relatie met de transseksueel Rachel.

Rolling Stonejournalist DeCurtis ontmoette en interviewde Reed meerdere malen en sprak uitgebreid met vroegere echtgenotes, jeugdvrienden, muzikanten en ex-vriendinnen. Onder hen Shelly Albin. Over haar gaan de klassiek geworden ballads I’ll Be Your Mirror en Pale Blue Eyes. Maar DeCurtis gaat ook serieus en nauwgezet in op betekenis en context van alle albums en diverse songs. Met name de lawaaiplaat Metal Machine Music krijgt ruim aandacht, evenals het ondergewaardeerde Legendary Hearts. De auteur ontdekte talloze aanwijzingen in teksten en muziek van Reeds grote liefde voor rhythm & blues en doo-wopmuziek. Vanzelfsprekend komen ontstaan en ontwikkeling van de Velvet Underground ter sprake. De invloed van Delmore Schwartz wordt eveneens uitvoerig belicht. “He was the first great man that I had ever met”, zong Reed ooit onomwonden over de dichter die hij tevens als zijn mentor beschouwde. Reed zelf had de nodige twijfels over de kwaliteit van zijn eigen werk, dat hij soms publiekelijk afwees en later net zo makkelijk de hemel in prees.

Want Lou Reed was dus vooral iemand die met zichzelf en met zijn omgeving in de knoop lag. In het boek komt een parade langs van stemmingswisselingen en woedeaanvallen, paranoïde trekjes en neiging naar depressie. Tussen Reed en zijn ouders is het nooit meer goed gekomen nadat ze hem op jonge leeftijd een elektroshocktherapie lieten ondergaan. Vanaf dit voor hem traumatische voorval, koesterde hij een groot wantrouwen jegens alles en iedereen en dat 24 uur per etmaal. Luister voor de aardigheid maar eens naar zijn tirades op de live-lp Take No Prisoners. Het pleit voor DeCurtis dat hij zijn onderwerp kritisch op de voet volgt, maar ook met begrip en mededogen. Al lezend gaat de tragiek van Lou Reed de artiest, de mens, zelfs de dwangmatige controlefreak, toch in je hoofd zitten; net als zijn beste songs. Wat hierbij helpt is de uitstekende Nederlandse vertaling, die bovendien opvalt wat betreft vormgeving: op de gitzwarte cover Reeds hoofd verborgen achter het donkere glas van een pilotenzonnebril. Elke bladzijde versierd met een rouwrandje.

Ontluisterend zijn de gesprekken die DeCurtis voerde met Rob Bowman. De gelauwerde muziekhistoricus kreeg de opdracht om in samenwerking met Reed een boxset samen te stellen. Ze raakten zelfs bevriend met elkaar. Voor zolang het duurde tenminste, want de wispelturige New Yorker kon je zomaar als een baksteen laten vallen. En inderdaad. Lange tijd leek er geen vuiltje aan de lucht, totdat Reed zich plots niet kon vinden in de keuze van de archiefopnamen en de in zijn ogen te kritische essaybijlage. Zelfs het raadplegen van muzikanten waarmee hij had gewerkt wekte argwaan. Op hoge toon eiste de zanger van zijn platenmaatschappij meer zeggenschap over de uitgave. DeCurtis beweert dat dit de reden is waarom Between Thoughts And Expression voor iemand van Reeds status een tamelijk doorsnee uitgave werd. Zonder kritische kanttekeningen en zonder veel van de oorspronkelijk bedoelde archiefopnamen.

Volgens DeCurtis had de mede-oprichter van de Velvet Underground commercieel gezien veel meer uit zijn carrière kunnen halen, maar zaten zijn ego en twijfels hem meer dan eens in de weg. Van marketingplannen was hij meestal niet gediend. Toen hij een keer een muziekwinkel binnenstapte en zag dat er geen posters hingen van zijn nieuwe album, ging het enfant terrible over de rooie. Dan kreeg een medewerker van de platenmaatschappij per telefoon een scheldkanonnade over zich heen. Uitgerekend op het moment dat deze een zondagmiddag doorbracht met zijn gezin.

Een publiek geheim was ook een conflict met John Cale tijdens de reünie van de Velvet Underground. Oorzaak was een vermeend geschil over auteursrechten en het leiderschap dat Reed zich wilde toe-eigenen. En telkens moest zijn toenmalige echtgenote en manager Sylvia Morales de vuile klusjes opknappen. Cale liet haar fijntjes weten dat zij weliswaar de manager was van Lou Reed maar niet van de Velvet Underground.

Kenmerkend zijn nog twee andere voorvallen. Toen Bowman en de chroniqueur van de zelfkant in de rij stonden voor een pinautomaat (!), maakte deze veel misbaar over een zwerver die in de voorhal de vrieskou wilde mijden. Tot verbijstering van Bowman liep Reed naar binnen om zich te beklagen bij een bankmedewerker over de aanwezigheid van de zwerver. Of deze onmiddellijk verwijderd kon worden, hetgeen inderdaad gebeurde. Een andere kant kwam tot uiting tijdens een signeersessie. Toen fans hem vertelden hoe belangrijk zijn teksten voor hen waren, raakte hij hierdoor zo geroerd dat hij na afloop in snikken uitbarstte.

Zo balanceerde het leven van de schrijver van Perfect Day tussen pijn en plezier. Veel geïnterviewden beweren dat hij gebukt ging onder eenzaamheid en zijn angst om alleen te zijn. Toch vertellen de weinige echte vrienden die hij had dat ze altijd konden rekenen op zijn steun en gastvrijheid. Zo bezocht Reed dagelijks het sterfbed van een doodzieke Sterling Morrison (ex-Velvet Underground).

Het veelbesproken huwelijk tussen de nachtburgemeester van New York en kunstenares Laurie Anderson, was minder idyllisch dan menigeen dacht. Anderson werkte jammer genoeg niet mee aan dit indrukwekkende eerbetoon in boekvorm. Uit gesprekken die DeCurtis voerde met mensen die bevriend waren met het stel, wordt duidelijk dat Reed zich bij haar voor het eerst gelukkig en op zijn gemak voelde. Des te schrijnender dat juist in die tijd zijn gezondheid achteruit ging. Toen hij in 2011 met Metallica werkte aan het beruchte Lulu wist bijna niemand dat hij al ernstig ziek was. Twee jaar later werd een langdurige leveraandoening hem fataal. Geheel in lijn met zijn onberekenbare karakter en muziek nam Lou Reed afscheid met een van zijn meest omstreden albums.

(eerder gepubliceerd via The Post Online)