Dankzij de murals krijgt Heerlen een kleurtje

Uitkijken geblazen dat je niet over een stoeprand struikelt. Op bijna elke hoek word je aangestaard door kunst in het groot. Gewoon buiten, recht voor de raap. Ofwel de muurschilderingen van Heerlen.

De murals dus. Bij voorkeur niet uit te spreken met Engelse tongval, maar op zijn Spaans por favor. De oorsprong stamt uit het Mexico van ruim honderd jaar geleden, ter verbeelding van de destijds ontstane la Revolución Mexicana. Rebellen tegen de regering. Toen waren de muurwerken bedoeld om de laaggeletterde bevolking in afgelegen gebieden te informeren over overheidsbesluiten. De kunstenaars die hiertoe de opdracht kregen, gaven echter steeds meer gehoor aan de onvrede van het volk. Die waren de wurggreep van de heersende klasse en de economische crisis spuugzat. Stakingen en onlusten leidden tot een heuse burgeroorlog onder leiding van onder meer Emiliano Zapata. Het zou de opmaat worden voor een modern Mexico.

Aldoende zijn de murals als serieuze kunststroming ontstaan. De erkenning en waardering volgde pas na een flinke boost, dankzij de talrijke werken in die ene stad die net als Heerlen een gedaantewisseling onderging: Berlijn. De eerste schilderingen stonden afgebeeld op een muur die symbool werd voor de Koude Oorlog, de grens tussen Oost en West. De betonnen wand werd nadien de East Side Gallery genoemd, met een lengte van 1,3 km het grootste openbare kunstwerk ter wereld.

Diezelfde kunstmuur, thans onder Denkmalschutz, mondde uit in de Berliner Mauerkunst. Wie wel eens in de Duitse hoofdstad is geweest, met name in de wijk Kreuzberg, weet wat wordt bedoeld. In Heerlen ontstond op gegeven moment eveneens de noodzaak om afbraak en bijna neergang in te kleuren. Dat leidde in 2011 tot het kunstproject Lak Aan Braak. Daarvoor was er de artistieke aanloop d’RAW, een ‘drawing showcase’ in museum Schunck. Tijdens deze expo was werk te zien van onder meer de beruchte straatkunstenaars Rammellzee en Dr. Rat.

Want ja, ook Heerlen was een stad in verval, zeker na de sluiting van de mijnen. Lange tijd maakte de Limburgse gemeente en het eromheen gelegen gebied Oostelijke Mijnstreek, tegenwoordig Parkstad, een weerloze indruk. De laatste tien jaar echter kregen met hulp van gemeenteinvestering gevels en gebouwen een opknapbeurt, waarna steeds meer initiatieven op gebied van kunst en cultuur ontstonden. Het toegenomen cultuuraanbod heeft het aantal evenementen in of nabij de binnenstad danig aangewakkerd. Spraakmakend zijn het theaterfestival Cultura Nova en het internationale breakdance-event The Notorious IBE.

Wie de Heerlense ontwikkelingen kritisch volgt ontdekt dat die metamorfose niet per se vlekkeloos verloopt. Heerlen kampt net als veel andere middelgrote gemeenten met leegstand, van het oude koopstadimago is het lastig afscheid nemen, en er is vanaf de eerste bouwsteen reuring over een prestigieus megabouwproject dat moet leiden tot een multifunctioneel treinstation. Wie Heerlen per spoor nadert ziet de hijskranen af en aan zwenken. Toch is er een verfrissend tegengeluid. Met het project Streetwise wordt lokaal ondernemerschap gestimuleerd, terwijl in het winkelcentrum steeds vaker jonge ondernemers een nering drijven op ambacht en specialisme.

In Mexico, Berlijn en Heerlen is er niet zomaar wat kunst op de muren gekliederd. Aan sommige van de weelderige schilderingen kleeft een symboliek van al dan niet verborgen boodschappen. Kunstenares Faith47 maakte in de Heerlense Coriovallumstraat een Maria-afbeelding. In een interview noemt ze haar voornaamste inspiratiebronnen, onder wie politiek activist Noam Chomsky en de Zapatistas, het vrijheidsleger uit de Mexicaanse revolutie. Haar Maria houdt zowel een handbel in de aanslag als een sleutel waarmee je een stadspoort opent. Is hier sprake van het luiden van de noodklok, terwijl een oplossing nabij is? Onder haar armen vindt een gevecht plaats tussen een hond en een zwaan, waarin de kwetsbare watervogel zo te zien het onderspit delft.

Het doet denken aan een schilderij uit 1650 van Jan Asselijn: een witte zwaan die haar nest eieren beschermt tegen een uit het water opduikende hond. Op een van die eieren staat ‘Holland’ geschreven. Het doek groeide uit tot symbool voor de bedreigde en later vermoorde staatsman Johan de Witt. Hij vond dat een land moest worden bestuurd door burgers. De Witt moest zijn manifest ‘De Ware Vrijheid’ uiteindelijk met de dood bekopen.

Diverse websites met aandacht voor urban art, beschouwen Heerlen als Nederlandse hoofdstad van de streetart. Dankzij de murals werden al meerdere prijzen in de wacht gesleept, waaronder de Dutch Street Award 2017. Tegenover de bushaltes langs de Spoorsingel staat een aantal gebouwen die er wat haveloos uitzien. Op de gevels omvangrijke muurschilderingen, zoals Ode Aan De Arbeider. Een werk dat het verleden van de voormalige mijnstad naar het heden haalt. De beste kunst is kunst die letterlijk terugkijkt, die de toeschouwer dwingt even pas op de plaats te maken. In Heerlen gebeurt dat laatste bijna op iedere straathoek.

In The Art Life wekt David Lynch zijn kunst tot leven

David Lynch had ooit een voorstelling over zijn leven als beeldend kunstenaar: “koffie drinken, sigaretten roken en schilderen. Dat is het. Misschien komen er ook meisjes bij.”

De opzet van de documentaire The Art Of Life is vrij eenvoudig. We zien de filmregisseur aan het werk in zijn atelier, terwijl hij via zijn eigen voice-over zijn levensverhaal vertelt. De 71-jarige Lynch is behalve maker van films nadrukkelijk beeldend kunstenaar. Zijn doeken vallen te omschrijven als absurdistisch en surreëel. We zien hem aan het werk in zijn atelier dat uitzicht biedt over de heuvels van Hollywood Hills in Los Angeles. Af en toe gaat hij een stukje rijden.

The Art Life gaat dus over de kunstenaar en niet de regisseur Lynch. De enige film die ter sprake komt is Eraserhead. De beelden van dit bizarre, experimentele debuut komen nog het meest overeen met zijn doeken. Lynch is opvallend openhartig wanneer hij vertelt over zijn leven dat hij doorspekt met flink wat anekdotes. Die brengt hij met zoveel gevoel voor timing dat het bijna filmscènes worden. Zo had hij als klein jongetje een droom waarin een gewonde, naakte vrouw voorkomt. Ter illustratie zien we een kunstwerk dat hieraan refereert.

Verder zien we hem de ene na de andere filtersigaret opsteken waarna hij in rookwalmen naar een van zijn doeken blijft staren. Zijn vierjarige dochtertje Lula is eveneens vaak in beeld. Soms verft ze ijverig mee met pa die overigens een knalgeel polshorloge draagt.

Lynch praat graag en veelvuldig over zijn jeugdjaren, de verhouding tot zijn ouders en de invloed die de kunstacademie van Philadelphia op hem had. Toch raakte de jonge David gefascineerd door de schilderkunst toen hij voor het eerst de vader van een vriend ontmoette, kunstenaar Bushnell Keeler. Over hem maakte de latere speelfilmregisseur in 1967 een korte home movie. Het sterk biografische gehalte van de documentaire over Lynch wordt nog eens benadrukt aan de hand van foto’s en familiefilms uit het privébezit van het gezin waarin hij opgroeide. Gaandeweg ontstaat het beeld van een gedreven visionair die een eigen universum heeft gecreëerd dat volkomen losgekoppeld is van de wereld zoals wij die kennen.

 Documentairemaker Jon Nguynen werkte tweeënhalf jaar aan The Art Life. “We verzamelden uiteindelijk zo’n 25 uur aan interviewmateriaal, waaruit we de film samenstelden. De originele opnames geven we aan zijn dochter, als ze ouder is. Er is zo veel moois dat de film niet heeft gehaald. Ongelooflijke verhalen, over zijn grootouders en over zichzelf toen hij jong en ondeugend was. Maar die zijn alleen voor Lula.”
(eerder gepubliceerd op ZwartGoud en The Post Online)

Rob Eijsvogels overleden, eigenaar Satisfaction, oudste platenzaak van Limburg

Na een langdurige ziekte is Rob Eijsvogels, tot voor kort eigenaar van de oudste platenzaak van Limburg, op woensdagavond 19 juli overleden. Welke Heerlenaar kocht niet zijn of haar eerste plaat bij Satisfaction? In de jaren tachtig groeide de winkel uit tot ontmoetingsplek voor fans van toen opkomende metalbands als Iron Maiden.

De allereerste keer dat ik Satisfaction bezocht was in 1977. De laatste keer vorige week. In mijn herinnering heette de winkel destijds nog toepasselijk Elpee, gevestigd aan de Geleenstraat. In de tussenliggende decennia, tussen mijn eerste en meest recente aanschaf, tussen Rumours van Fleetwood Mac en Damn van Kendrick Lamar, werd Satisfaction een begrip onder muziekliefhebbers. Eigenaar Rob Eijsvogels bleek net zo markant als zijn winkel die hij in 1973 startte.

Rob was iemand die er er alles aan deed om de winkel draaiende te houden. Terwijl hij voor de zoveelste keer de cd Close To The Edge van zijn favoriete band Yes opzette, merkte hij dat klanten steeds vaker vroegen om liveopnamen van hun favoriete bands. Geen probleem. Korte tijd later verkochten zogenaamde bootlegs als de bekende warme broodjes. Ook niet bepaald voor de hand liggende undergroundgenres als gothic, electro en hardcore lagen in de winkel voor het oprapen.

Omstreeks 1985 heb ik een poosje als hulpje achter de toonbank gestaan in het huidige pand aan de Oranje Nassaustraat. Met lede ogen zag ik de overgang aan van de lp naar de kort ervoor geïntroduceerde cd. Rob verdroeg mijn laten we zeggen andere muzieksmaak en bestelde zonder morren voor de winkel mijn soms zéér obscure albumtips. Toch stuurde hij me een keer naar huis omdat ik tijdens de jaarlijkse balansopmaak telkens de slappe lach kreeg bij het monotoon opdreunen van pakweg elf keer achterelkaar 17 gulden 90. De onbedoelde lachpauzes waren voor Rob aanleiding om teneinde raad uit te roepen: “zo komen we niet verder Harry”.

Toch waren het gouden tijden voor Satisfaction, dé plek om je Pinkpopkaartje te kopen. Op zaterdagen en koopavonden stond de winkel bomvol. Om een plaat te beluisteren moest je soms wachten op een vrije plek bij de koptelefoons. Rob bekeek de latere opkomst van internet en downloaden met gemengde gevoelens. Soms benadrukte hij de gestaag teruglopende omzet met uitspraken als “internet heeft alles kapotgemaakt”.

In de loop der jaren sprak ik wel eens oud-medewerkers die zich beklaagden over de volgens hen op zijn zachtst gezegd niet al te soepele samenwerking met Rob. Ook klanten die de laatste jaren de winkel bezochten, zagen iemand die zich te pas en te onpas negatief uitliet over van alles en nog wat. Desondanks leidde dat weleens tot de nodige hilariteit. Zeker wanneer hij zich tegenover mij beklaagde over het schoonhouden van zijn privézwembad! Ik herinnerde hem er fijntjes aan dat hij bij mijn weten toch maar mooi de enige plaatverkoper was in Nederland met een eigen zwembad in de tuin!

Samen met Rob heb ik wel eens een uitwedstrijd bezocht van Roda. Tegen PSV. Wij naar Eindhoven. Zagen we op een zaterdagavond in het Philips Stadion hoe de thuisclub Roda van de mat veegde met 4-0. Gelukkig zaten we op een door Rob gekozen tribune met stoelverwarming.

De laatste keer dat ik hem sprak was toen we elkaar per toeval tegen het lijf liepen op een zonnige middag in de stad. Ondanks zijn ziekte maakte hij een montere indruk. Hij had zelfs vakantieplannen. De bittere realiteit heeft hem intussen ingehaald. Rob Eijsvogels werd 64 jaar. Satisfaction gaat gewoon door, per 1 januari is de winkel in handen van nieuwe eigenaar Ruud. Rob zou niet anders willen. Met het toch onverwachte verlies wens ik zijn vriendin en vier dochters veel sterkte.

(eerder gepubliceerd via ZwartGoud)

 

Three Willow Park: muzikale rariteiten van Raymond Scott

Vanaf industrieterrein Willow Park Center op Long Island, runde Raymond Scott een winkel waar hij experimenteerde met klankmachines. In zijn ‘muzieklaboratorium’, zijn ‘electronic inner space’, spendeerde hij zoveel tijd dat hij amper nog in de openbaarheid trad als componist en performer. Het zou zomaar een van de redenen kunnen zijn waarom de in 1994 overleden Scott altijd de status van cultfiguur is blijven behouden.

Toch behoort hij beslist tot de pioniers van de elektronische muziek. Tegenwoordig keert zijn werk terug in de vorm van samples op platen van rapper-producers Flying Lotus, Madlib, J Dilla en Danny Brown. Een van de door hemzelf in elkaar geknutselde muziekinstrumenten is het Electronium. Gebaseerd op de analoge communicatietechniek in oude telefooncentrales, kan het apparaat gelijktijdig componeren en uitvoeren. Naar verluidt werkte Scott tien jaar aan de enorme houten klankkast.

Veel van de muziek uit dit gevaarte, ontstaan in de jaren zestig, is te horen op deze set van drie lp’s. Zijn composities zijn dikwijls ironisch, frivool, een tikje extravagant. Soms lijken ze vooruit te lopen op wat we nu zouden omschrijven als technopop, zoals Toy Funk uit 1970 of Cindy Flair Look Rhythm, afkomstig uit een ander speeltje van de uitvinder.

Andere titels geven precies aan wat je hoort: Nice Sound #3. Bij Scott is het goed toeven voor wie elektronische muziek academisch of abstract vindt. Al zou je willen dat zijn composities net iets minder ludiek en meer doorwrocht klinken. Vaak neigen ze naar oefeningen in klank, naar muziek die nergens naartoe gaat of gewoon frequentiegeluiden aan elkaar verbindt. Dan worden het schelle deuntjes die wel erg vrijblijvend klinken, zeker voor een beetje avontuurlijk ingestelde luisteraar. Deze albumset moeten we daarom vooral zien als een aanvullend curiosum op het oeuvre van Raymond Scott.

Three Willow Park is een pakket van drie losse lp’s inclusief boekwerk van twintig pagina’s, verzorgd door grafisch ontwerper Piet Schreuders (van o.a. VPRO Gids). Zoals vanouds is er door Basta Music veel aandacht besteed aan de kwaliteit van de persing en de vormgeving van de hoezen. Bij dit Nederlandse label werken muziekarcheologen die doorgaan met spitten waar anderen stoppen. Aldoende legde men de afgelopen decennia een compleet erfgoed bloot met exotische en andere, minder gangbare muziek.

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Raymond Pettibon: kunstpunk in het Bonnefantenmuseum

Raymond Pettibon (foto: Harry Prenger)

Kijken naar het werk van Raymond Pettibon is kijken naar Amerika. Naar de weerbarstige samenleving en cultuur zoals die zich de laatste veertig jaar heeft voltrokken voor het netvlies van de kunstenaar. Dat is nogal wat. Want het Bonnefantenmuseum laat vooral heel veel zien, overdonderend bijna.

Vervelend? Welnee, in A Pen Of All Work zoals de tentoonstelling heet, heerst de verkwikking van het politiek en cultureel incorrecte. Waar kom je dat nog tegen in een museum? Ondanks de hoeveelheid worden Pettibons werken ook nog eens bij elkaar gehouden door een prettig soort satire, sarcasme en zwarte humor. Een beetje kunstenaar refereert uiteraard aan de actualiteit. Reken maar dat er een aantal spotprenten hangen over Donald Trump.

Ondanks dat hij nimmer een kunstopleiding heeft gevolgd, mag Pettibon graag binnen de afgebakende vorm van de cartoon stilistisch uitpakken. Om vervolgens na een blik van herkenning een grimmige draai te geven aan bekende beelden met oneliners of uitgebreid commentaar, die de illustratie eerder tegenspreken dan ondersteunen. Juist zo’n tegenstelling levert momenten op die uitroepteken en kronkel in het denken plaatsen, best raar en altijd spannend. Crimineel Charles Manson afgebeeld als Jezus aan het kruis. Of een prent waarop een dame naakt door de lucht zweeft met opschrift “the revolution sounds like fun”.

Pettibon, geboren in 1957 als Raymond Ginn, zegt dat er wat hem betreft eigenlijk niet zoveel is veranderd sinds zijn begintijd. Hij ziet weinig verschil tussen wat hij nu maakt en eind jaren zeventig. Toen startte zijn broer het punklabel SST en mocht Raymond hoezen en flyers ontwerpen voor bands als Minutemen en Black Flag. Voor die laatste groep (met zanger Henry Rollins) bedacht hij de bandnaam en het embleem met de zwarte ‘bewegende’ balkjes; sindsdien een van de meest getatoeëerde logo’s. Op sommige hoesjes wordt zijn naam nog gespeld als Pettibone. In het museum zijn ook enkele kladjes te bewonderen uit zijn kindertijd. De tentoonstelling maakt duidelijk dat het tekentalent van Pettibon tot op de dag vandaag alsmaar doordendert. Voorafgaand aan de opening heeft hij vlakbij de ingang een muurschildering aangebracht.

De Amerikaan maakt een zachtmoedige indruk. Man van weinig drukte en nog minder woorden. Tussen enkele zinnen laat hij een opvallend lange stilte vallen. Zichtbaar vermoeid. Volgens een medewerkster heeft hij daarom weinig trek in interviews. Met meer plezier deelt hij handtekeningen uit aan fans die stapels albumhoezen hebben meegenomen, boekjes en catalogussen. Pettibons signatuur bestaat trouwens uit het simpel opschrijven van zijn naam, maar dan wel met een sierlijk hupje aan beginletter R. Enkele dagen na de opening vertrekt hij naar Moskou voor wat hij kortweg omschrijft als “een nieuw project”.

No Title (I mean alarmed), 2013,Collection Joseph and Kimberley Mimran. Courtesy David Zwirner, New York

Zoals gezegd kom je ogen tekort. Meer dan zevenhonderd werken verdeeld over elf zalen. Doordat het licht in elke ruimte gedimd is lijken met name de pikzwarte inkttekeningen de bezoeker dichterbij te willen lokken. Veel werken zijn zonder lijst aan de muur bevestigd met pushpins; krul of kreuk zitten nog in het papier. Lekker punk. Om toch een beetje orde te scheppen is hier en daar een verdeling bedacht op stijl en onderwerp. Duidelijk wordt dat Pettibon zijn inspiratiebronnen haalt uit films, literatuur, strips, politiek en sport. Ze keren als een boemerang terug in zijn beelden. Of daar is ineens zo’n tafereel dat je niet verwacht van Pettibon: surfers die worden opgeslokt door een immense, helblauwe zee van golven.

Ondanks de veelheid aan indrukken is deze expositie een bescheiden sensatie. Het is bijna ontroerend om te ontdekken wat Raymond Pettibon nu al veertig jaar bezighoudt. Elk werk gemaakt met een urgentie alsof het zojuist uit zijn atelier komt. Wie de tijd neemt alles te bekijken, neem af en toe pauze, merkt dat hij zijn talent al decennialang op hetzelfde hoge niveau heeft weten vast te houden. En hoeveel kunstenaars die al zolang bezig zijn zeggen hem dat na?

No Title (O.D. a Hippie), 1982. Pen and ink on paper, Collection Bruno Brunnet. Courtesy Contemporary Fine Arts, Berlin
No Title (O.D. a Hippie), 1982. Pen and ink on paper, Collection Bruno Brunnet. Courtesy Contemporary Fine Arts, Berlin

En dan die variatie. Want niet alles is van een rauw geknalde expressie. Soms worden de contouren ingehouden, ja zelfs elegant weergegeven. Of het nu gaat om miniportretjes of schilderijen die alleen al qua afmeting de aandacht trekken. Bovenop de uitvoering is er nog een andere meerwaarde. Pettibon is iemand die onophoudelijk binnen én buiten de lijntjes, bekeken vanuit zijn eigen persoonlijke vizier, telkens de schone schijn doorprikt. Rot op met je iconen, clichés en mythes lijkt hij te willen zeggen. In 1990 tekende hij zijn eigen oogopslag (overigens niet te zien in het museum). Erboven de slogan “sometimes it’s better to see through the eyes of Pettibon”.

Raymond Pettibon – A Pen Of All Work (Bonnefantenmuseum, Maastricht t/m 29 oktober 2017)

(eerder gepubliceerd via The Post Online en ZwartGoud)

50 jaar later klinkt Sgt. Pepper’s van The Beatles als herboren

Dit is de plaat die de popmuziek weer een extra zetje gaf richting vernieuwing en experiment. Volgens Paul McCartney, bedenker van de meeste ideeën voor het album, moest elk liedje klinken alsof het werd gespeeld door de fictieve Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band.

Nadat The Beatles definitief waren gestopt met liveoptredens was er alle tijd voor een grensverleggende muzikale ontdekkingsreis. In 1967 leidde dit tot een gesamtkunstwerk waarin persoonlijke invloeden uitmondden in kleurrijke popsongs, orkestmuziek, vaudevilleliedjes, Indiase psychedelica, studio- en geluidsexperimenten. Ongehoord destijds, letterlijk en figuurlijk. De allereerste lp bovendien met songteksten op de hoes. En net als bij Pet Sounds van The Beach Boys werd opnametechnologie in het compositieproces toegepast. Hét visitekaartje van de Abbey Roadstudio, met zijn state of the art apparatuur en natuurlijk met George Martin, de huisproducer die gaandeweg uitgroeide tot “de vijfde Beatle”.

50 jaar na de officiële releasedatum (1 juni 1967) moest hier uiteraard een jubileumeditie van komen. Ook op vinyl. Voorzien van een vernieuwd stereogeluid en een bonusplaat met niet eerder verschenen probeersels. Mooie gelegenheid om ook een jonge generatie te laten kennismaken met deze klassieker. In de bijlage wordt nog een andere niet onbelangrijke reden genoemd. The Beatles werden in 1967 niet betrokken bij de totstandkoming van de stereomix. Toentertijd lag de voorkeur bij weergave in mono.

Reden voor Giles Martin, zoon van, om na “forensisch” vooronderzoek van de oude opnamebanden, het totaalgeluid te wijzigen. Op platen uit de jaren zestig wordt de muziek vaak weergegeven met een voor het gehoor onnatuurlijke spreiding van het stereobeeld. Drums in de linkerluidspreker, de leadzang rechts. Zo komen op veel vroege persingen van Sgt. Pepper’s de vocalen van John Lennon in Lucy In The Sky With Diamonds hardnekkig uit één speaker. Martin heeft de zang nu meer plaatsing gegeven binnen de muziek. Hierdoor komt het door Paul McCartney gezongen She’s Leaving Home een stuk geloofwaardiger over. Details in arrangementen en studiogeluiden zijn eveneens prominenter hoorbaar. Good Morning Good Morning bezit zelfs een verfrissend soort schwung; die blazers en wat een venijn ineens in die gitaarsolo!

De afwisseling aan klankkleur en sfeer van de nummers, geheel volgens McCartneys albumconcept, komt nu veel beter tot zijn recht dan voorheen. De sound is simpelweg dynamisch en vitaal. Je hoort niet meer de jaren zestig, je hoort niet meer de nostalgie, je hoort The Beatles, het bandje; tijdlozer dan ooit. En wat waren ze goed! Knap dat al die verbeteringen de luisterbeleving niet in de weg is gaan zitten. Volgens een interview met de LA Times wilde Martin per se het gevoel van de muziek handhaven. “But at the end of it, the important thing is: does the song make you feel the same?“ Nou dat is gelukt. De plaat klinkt prachtig.

De Sgt. Pepper’s Sessions op de extra lp bieden een inkijkje in de wijze waarop het album tot stand is gekomen. Terwijl de melodielijn al in de verf staat, schaven en schuren The Beatles in zogenaamde ‘takes’ aan diverse uitvoeringen. Kale versies, deels instrumentaal, studiograpjes, improvisaties met op- en aanmerkingen tussen de bandleden.

Deze ‘anniversary edition’ verschijnt uiteraard in de bekende klaphoes. Binnenin facsimile’s van de kartonnen knip- en plakkaart en de psychedelische beschermhoes, die overigens is ontworpen door de Nederlandse kunstenaars Simon Posthuma en Marijke Koger. Een uitklapbare bijlage bevat een voorwoord van Paul McCartney en uitleg over opnamen en hoesontwerp.

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

Vertrouwd en verontrustend: de foto’s van William Eggleston

William Eggleston Memphis, ca 1965 1968, from the series Los Alamos 1965 1974 – ©Eggleston Artistic Trust 2004 Courtesy David Zwirner New York London

Op de beste foto’s van William Eggleston lijkt het alsof er elk moment iets staat te gebeuren. Of dat we net iets gemist hebben, de gebeurtenis zojuist heeft plaatsgevonden. Kleuren overheersen, net als de warme gloed die eroverheen lijkt te vallen. Eggleston (1939) bekommert zich minder om uitvoering en compositie, maar wil zijn foto’s liever een bepaald gevoel meegeven. Gevoel? Je kunt je gedachten de vrije loop laten bij het kijken naar zijn beelden die vertrouwd en tegelijk verontrustend aandoen.

Samen met kunstcurator Walter Hopps maakte Eggleston in het Amerika van de jaren zestig en zeventig een ‘roadmovie’ die bekend zou worden als de reportage Los Alamos. Hopps achter het stuur, de fotograaf met Leica in de aanslag. Volgens eigen zeggen recht op zijn doel afstappend, zonder teveel na te denken omdat anders de twijfel wel eens zou kunnen toeslaan. Een ervan is zijn allereerste foto in kleur: een jonge winkelbediende die een rij supermarktwagentjes voor zich uitduwt. Verder legde hij vast weidse landschappen, sleeën van auto’s, uitbundige kleding en kapsels. Je krijgt acuut zin om ook zo’n roadtrip door de States te maken.

Het werk van Eggleston doet het ook goed op albumcovers. Neem de lp Like Flies On Sherbert van Alex Chilton (zangergitarist van cultband Big Star). Speelgoedpoppen die lieflijk en onschuldig op de kap van een auto zijn uitgestald. Draai de plaat en je hoort rocksongs die te diep in het glaasje hebben gekeken. Eggleston was ooit bevriend met de ouders van Chilton, die in Memphis een kunstgalerie beheerden. De cover van het Big Staralbum Radio City laat een onheilspellend beeld zien van een gloeilamp aan een knalrood plafond.

Eggleston hééft iets met rood. En met veel andere warmbloedige kleuren die niet vanzelf ontstaan. Hij gebruikte hiervoor de ‘dye-transfer’ techniek die vroeger in reclamefoto’s werd toegepast. Technisch gezien een combinatie van verfijnde belichting en ontwikkeling voor gekleurde filters. Een bijna ambachtelijk proces dat allang in onbruik is geraakt, maar de mogelijkheid biedt om nuance in afbeeldingen aan te brengen of te intensiveren. Komt goed van pas, want Eggleston fotografeert volgens eigen zeggen “the ugly stuff”. Rauwe ‘stillevens’ van verlaten straten, benzinestations, auto’s, supermarkten en leegstaande huizen. Dat het ogenschijnlijk alledaagse toch onuitwisbare indrukken kan opleveren, is een van de grote mysteries in zijn werk.

Zijn fotografie heeft intussen school gemaakt. De rode loper uitgelegd voor de films van bijvoorbeeld David Lynch. En kijk nog eens goed naar No Country For Old Men of meer recent Nocturnal Animals. In een aantal shots herken je onmiddellijk de signatuur van Eggleston. Voor de fotograaf zelf liet erkenning lang op zich wachten. Kleur in kunstfotografie was lange tijd not done.

Pas in 1976 kreeg Eggleston in het Museum Of Modern Art zijn een grote tentoonstelling. De bijgaande catalogus was zelfs de allereerste publicatie van het museum over kleurenfotografie. Best bizar wanneer je bedenkt dat in films begin vorige eeuw al werd geëxperimenteerd met kleur, en de eerste kleurentelevisie zijn intrede deed in de jaren vijftig. Inmiddels wordt Eggleston gezien als de “godfather” van de kleurenfotografie. Voor zijn foto’s worden tegenwoordig tonnen neergeteld.

(eerder gepubliceerd via The Post Online)