Vertrouwd en verontrustend: de foto’s van William Eggleston

William Eggleston Memphis, ca 1965 1968, from the series Los Alamos 1965 1974 – ©Eggleston Artistic Trust 2004 Courtesy David Zwirner New York London

Op de beste foto’s van William Eggleston lijkt het alsof er elk moment iets staat te gebeuren. Of dat we net iets gemist hebben, de gebeurtenis zojuist heeft plaatsgevonden. Kleuren overheersen, net als de warme gloed die eroverheen lijkt te vallen. Eggleston (1939) bekommert zich minder om uitvoering en compositie, maar wil zijn foto’s liever een bepaald gevoel meegeven. Gevoel? Je kunt je gedachten de vrije loop laten bij het kijken naar zijn beelden die vertrouwd en tegelijk verontrustend aandoen.

Samen met kunstcurator Walter Hopps maakte Eggleston in het Amerika van de jaren zestig en zeventig een ‘roadmovie’ die bekend zou worden als de reportage Los Alamos. Hopps achter het stuur, de fotograaf met Leica in de aanslag. Volgens eigen zeggen recht op zijn doel afstappend, zonder teveel na te denken omdat anders de twijfel wel eens zou kunnen toeslaan. Een ervan is zijn allereerste foto in kleur: een jonge winkelbediende die een rij supermarktwagentjes voor zich uitduwt. Verder legde hij vast weidse landschappen, sleeën van auto’s, uitbundige kleding en kapsels. Je krijgt acuut zin om ook zo’n roadtrip door de States te maken.

Het werk van Eggleston doet het ook goed op albumcovers. Neem de lp Like Flies On Sherbert van Alex Chilton (zangergitarist van cultband Big Star). Speelgoedpoppen die lieflijk en onschuldig op de kap van een auto zijn uitgestald. Draai de plaat en je hoort rocksongs die te diep in het glaasje hebben gekeken. Eggleston was ooit bevriend met de ouders van Chilton, die in Memphis een kunstgalerie beheerden. De cover van het Big Staralbum Radio City laat een onheilspellend beeld zien van een gloeilamp aan een knalrood plafond.

Eggleston hééft iets met rood. En met veel andere warmbloedige kleuren die niet vanzelf ontstaan. Hij gebruikte hiervoor de ‘dye-transfer’ techniek die vroeger in reclamefoto’s werd toegepast. Technisch gezien een combinatie van verfijnde belichting en ontwikkeling voor gekleurde filters. Een bijna ambachtelijk proces dat allang in onbruik is geraakt, maar de mogelijkheid biedt om nuance in afbeeldingen aan te brengen of te intensiveren. Komt goed van pas, want Eggleston fotografeert volgens eigen zeggen “the ugly stuff”. Rauwe ‘stillevens’ van verlaten straten, benzinestations, auto’s, supermarkten en leegstaande huizen. Dat het ogenschijnlijk alledaagse toch onuitwisbare indrukken kan opleveren, is een van de grote mysteries in zijn werk.

Zijn fotografie heeft intussen school gemaakt. De rode loper uitgelegd voor de films van bijvoorbeeld David Lynch. En kijk nog eens goed naar No Country For Old Men of meer recent Nocturnal Animals. In een aantal shots herken je onmiddellijk de signatuur van Eggleston. Voor de fotograaf zelf liet erkenning lang op zich wachten. Kleur in kunstfotografie was lange tijd not done.

Pas in 1976 kreeg Eggleston in het Museum Of Modern Art zijn een grote tentoonstelling. De bijgaande catalogus was zelfs de allereerste publicatie van het museum over kleurenfotografie. Best bizar wanneer je bedenkt dat in films begin vorige eeuw al werd geëxperimenteerd met kleur, en de eerste kleurentelevisie zijn intrede deed in de jaren vijftig. Inmiddels wordt Eggleston gezien als de “godfather” van de kleurenfotografie. Voor zijn foto’s worden tegenwoordig tonnen neergeteld.

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

De terugkeer van Big Star op vinyl, meesterwerken tussen gloeilamp en neonletters

De meeste mensen zullen de liedjes van Big Star voor het eerst hebben gehoord in uitvoeringen van anderen. Van This Mortal Coil, The Bangles, Jeff Buckley of R.E.M. Toch behoren de drie albums die de Amerikaanse band in de jaren zeventig maakte tot hoogtepunten uit de popgeschiedenis. Gitaarrock en ballads waarin alles even scherpzinnig als vanzelfsprekend met elkaar verband houdt en in elkaar grijpt.

Big Star had zomaar het Amerikaanse antwoord kunnen zijn op The Rolling Stones. Of The Beatles. Of glamrock. Invloeden die omgekeerd evenredig opduiken in het talent van zanger-componisten Alex Chilton en Chris Bell. Toen ze nog pubers waren hadden ze zich voorgenomen net zo’n songschrijversduo te worden als Lennon en McCartney. Toch doen de zangmelodieën van de heren vooral denken aan The Byrds; in songs waarnaar het telkens weer prettig én uitdagend luisteren is. Eveneens van belang is de herkomst van de band: Memphis, de swingende onderbuik van de popmuziek. Het Memphis van soul en rock waar je zweetplekken van onder je armen krijgt. Bij Big Star schemeren ze voortdurend tussen de composities en melodieën die, om het zomaar eens te zeggen, van zichtzelf al zo sterk zijn dat ze een eigen leven gaan leiden.

Wie voor het eerst kennismaakt met Big Star, hoort wellicht een feest der herkenning. In de jaren tachtig en later klonken veel Amerikaanse gitaarbands precies zo. Bedenk echter dat de eerste twee platen dus al begin jaren zeventig verschenen. Het complete oeuvre van R.E.M. kun je sowieso inruilen voor alleen al deze Big Star albums. Tijdlozer dan dit kom je het zelden tegen in de popmuziek.

Aan de muziek heeft het nooit heeft gelegen. Het uitblijven van succes werd toentertijd vooral veroorzaakt door alles wat er om die muziek heen gebeurde. Ondanks goede recensies waren de lp’s wegens slechte distributie onvindbaar. Andere randzaken groeiden eveneens uit tot hindernissen die een doorbraak in de weg stond. Vechtpartijen tussen bandleden, opnamebanden die zoek raakten, toenemende frustraties en een platenmaatschappij die zich geen raad wist met dit alles.

Typisch dat het debuut opent met een liedje genaamd Feel, waarin de zin “I feel like I’m dying” terugkeert. De wapperende gitaarrimpels aan het einde van het nummer waren ook heel mooi geweest als intro, maar nee, die worden dus als slotakkoord bewaard, klaterend als een bevrijdende douche. Thirteen gaat over het verlies van jeugdige onschuld via een meisjeskamer; luisterend naar de Stonesklassieker Paint It Black, dat ook al handelt over de zielenroerselen van de innerlijke adolescent. Bij het ondergaan van deze akoestische ballad kan het gebeuren dat er zomaar ineens een traantje wordt weggepinkt. Strohalm: “rock ’n roll is here to stay”, zingt Chilton.

Radio City wordt opgenomen zonder Chris Bell, maar met uitbreiding van kroegpiano, mellotron, en voorzien van licht experiment met opnametechnieken. Chilton neemt de band op sleeptouw. Gitaren gaan als hartjes kringelen om liedjes die zonder uitzondering fraai, kwetsbaar en weerbarstig zijn. Op de hoes een gloeilamp aan een plafond dat bloedrood kleurt. Zo rood dat het pijn doet aan je ogen, licht geeft in de duisternis, als een kaars die dooft maar telkens weer oplaait. Herbeluistering aan de hand van deze platen leert dat de muziek van Big Star op de een of andere ondoorgrondelijke manier er alleen maar indrukwekkender op is geworden.

De drie cultklassiekers van Big Star zijn meerdere malen opnieuw uitgebracht. Nu zijn de eerste twee weer verkrijgbaar in de overigens uitstekende reissueserie Back To Black van Universal Nederland. Het 180-grams vinyl zit in antistatische kunststofvoering en buitenhoezen van solide karton. Dat je wat in handen hebt. De persingen zijn schoon en vrij van oneffenheden. De klank van deze opgepoetste opname is direct, fris en urgent. Het komt de muziek alleen maar ten goede. Jammer genoeg is met het hoesontwerp van Radio City slordig omgesprongen. De foto’s van William Eggleston zijn op zowel de voor- als achterkant in afmeting iets kleiner dan op het originele album. In feite is deze nieuwe versie een herpersing van een reissue uit 2010. Een fout van toen is helaas niet hersteld: het nummer Back Of A Car wordt wederom tweemaal op de hoes vermeld.

Chris Bell komt in 1978 op zijn 27ste om bij een auto-ongeluk. Bassist en somtijds co-componist Andy Hummel sterft in 2010 aan kanker. Alex Chilton overlijdt datzelfde jaar aan een hartaanval. Als zanger van The Box Tops heeft hij op jonge leeftijd zijn claim to fame met de wereldhit The Letter. Als eerbetoon aan zijn song September Gurls, wijzigt Katy Perry, op verzoek van haar manager én Big Starfan, de spelling van haar hitsingle in California Gurls.

Big Star – #1 Record (Universal/Back To Black 1972/2017)
Big Star – Radio City (Universal/Back To Black 1974/2017)

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Alex Chilton, beroep: levende legende

Op 30 november 1999 interviewde ik Alex Chilton per telefoonverbinding voor het muziekblad Heaven. Aanleiding was zijn kort tevoren verschenen soloalbum Loose Shoes And Tight Pussy. Aangezien het alweer een hele tijd stil is rond de legendarische zanger-gitarist van Big Star lijkt het me aardig de volledige weergave van het gesprek nogmaals te publiceren. Laatst bekende wapenfeiten: vlak nadat Katrina zijn woonplaats New Orleans overstroomde werd Chilton als vermist opgegeven. Enkele dagen later kwam het bericht dat hij zich tijdig had weten te redden uit zijn woning. In 2005 verscheen er opeens een gloednieuw album van Big Star, dat met gemengde gevoelens werd ontvangen. Beide gebeurtenissen komen niet ter sprake in onderstaand artikel.

Toen Alex Chilton zestien was had hij als zanger van The Box Tops een wereldhit met The Letter. Maar The Box Tops zaten in de tang bij producer Chips Moman en zanger/songschrijver Dan Penn. ‘Wanneer ik naar The Box Tops luister, hoor ik Dan Penn, niet mezelf’, zei Chilton ooit in een interview. Alex Chilton wilde liever zijn eigen songs schrijven, maar had de pech zijn artistieke doop te beleven in een wereld van tegenstrijdige belangen (lees: dubieuze contracten en ongeïnteresseerde platenmaatschappijen). De jaren die volgden, bijvoorbeeld met zijn in 1971 opgerichte band Big Star hadden meer weg van de boottocht in Apocalypse Now.

Chilton verloor al snel de greep op zijn leven en kwam terecht in een draaikolk van paranoia, drank en drugs. Maar Chilton wist dat hij prachtige songs had geschreven en dat hij er op een dag de waardering en erkenning voor zou krijgen. Die dag wilde hij meemaken. Begin jaren tachtig zwoer hij de genotmiddelen af en begon bij leven en welzijn aan een even onvoorspelbaar als grillig solo-oeuvre. Sindsdien brengt hij om de pakweg twee, drie jaar een plaat uit. Al was het maar om even hallo te zeggen. Nadat hij in 1997 onverwacht opdraafde bij een Box Tops-reünie, verscheen eind vorig jaar zijn cd Loose Shoes And Tight Pussy. Reden hem thuis in New Orleans te bellen voor een interview.

Tijdens een vergadering van president Nixons regeringsmedewerkers over sexisme en racisme in de Amerikaanse samenleving, vroeg zich iemand hardop af wat die verdomde zwarten nou eigenlijk wilden. ‘Loose shoes and tight pussy’, antwoordde een van hen. De opmerking lekte echter uit naar de pers en Nixon liet, mede om zijn slechte imago wat op te vijzelen, de betreffende medewerker ontslaan. Loose Shoes And Tight Pussy is ook de titel van Alex Chiltons meest recente cd waarop hij zijn liefde betuigt voor oude jazz en rhythm & blues.

Dat deed hij al op het ultieme solo-album Clichés. Begeleidde hij zichzelf toen op gitaar in losjes gespeelde jazz-standards, op Loose Shoes… is hij met drummer Richard Dworkin en bassist Ron Easley te horen. Zij geven Chilton voldoende ruimte voor zijn groovy en tegelijk elegante gitaarspel. Chilton: ‘De laatste jaren raakte ik steeds meer geïnteresseerd in Count Basie en heb eens wat van zijn nummers op gitaar uitgeprobeerd. Ik ken verder niemand die deze muziek op gitaar speelt en het leek me daarom de moeite waard het eens te proberen. Het zijn nummers die ik nog net kan spelen; wanneer het op improviseren of soleren aankomt vind ik mezelf niet veel soeps. Ik ben niet zo’n jazzkenner. Toen ik nog thuis woonde draaide mijn vader veel platen en waren er altijd wel muzikanten in huis. Jazz was de eerste muziek waar ik mee in aanraking kwam, nog voor rock & roll. Charles Mingus, Cannonball Adderley en Chet Baker waren mijn favorieten. Toen ik een jaar of zeven, acht was, was ik helemaal weg van Baker’s stem.’

Sinds 1982 leidt Chilton een ongestoord leventje in New Orleans. Niemand zeurt meer aan zijn kop en hij kan eindelijk doen en laten wat hij wil. Overdag speelt hij thuis op de piano wat ragtime-deuntjes. Heeft hij zin om een plaat op te nemen, dan neemt hij een plaat op. Vragen ze hem voor een optreden in de plaatselijke club, dan pakt hij zijn gitaar en als hij er zijn in heeft speelt hij zelfs een oude Big Star-klassieker. We moeten het niet overdrijven, want ‘als ik te vaak optreed gaan ze me minder betalen, ha, ha. ‘Hier in New Orleans spelen duizenden goede muzikanten die elkaar in een prettig soort competitie het hemd van het lijf spelen. Jongens van achttien, negentien, ze kunnen veel beter spelen dan ik. Ik besef dat ik zeker niet tot de beste muzikanten van New Orleans behoor. Ik woon er nu zo’n achttien jaar en ben er heel erg aan gehecht, maar ik voel me nog steeds een buitenstaander. Toch is New Orleans fijn om te wonen. Het is een land op zich. Het lijkt een beetje op Nederland. Jullie leven in de delta van de Rijn en wij leven in de delta van de Mississippi; ook hier is er in de wijde omtrek geen heuvel te zien.’

‘Ik ken Nederland goed. Zeven jaar lang had ik een relatie met een meisje uit Drente, afkomstig uit Curaçao. Ze leerde me het gezegde over de boer, “what the farmer doesn’t know, he doesn’t like”. Nederland is een geweldig land. Als je bedenkt dat alle plaatsen zo verschillend van elkaar zijn, komt Nederland op mij over als een enorm groot land. Chet Baker stierf in Amsterdam, moet je nagaan, had hij toch nog een happy ending’.

Chilton werd in december negenenveertig en kan als levende legende terugblikken op een paar rumoerige decennia. Chilton: ‘Het feit dat ik nog leef is denk ik al opmerkelijk genoeg, ha, ha. Je kunt er op verschillende manieren naar kijken. Je had achteraf dingen kunnen doen die je niet gedaan hebt, maar je kunt ook kijken naar de goede dingen die je wel gedaan hebt. Aan de andere kant kun je zeggen, wow, ik heb geluk gehad, al wil dat natuurlijk niemand weten. Mensen vertelden me altijd dat ik alles verkeerd deed, maar vijftien jaar later zeggen ze dat ik mijn tijd vooruit was.’

Over de slechte ervaringen van vroeger met als dieptepunt de miskenning van zijn groep Big Star praat Chilton zonder aarzeling. Toch klinkt in zijn stem een mengeling van weemoed en ontgoocheling. ‘Natuurlijk frustreert mij dit. Voor al die Big Star-albums heb ik nooit geld gekregen. Het zou me nog meer frustreren als ik geen geld had om van te kunnen leven. Ik weet nog steeds niet hoeveel platen er verkocht zijn. Wat ze met de derde Big Star lp hebben gedaan, daar ben ik nooit blij mee geweest, ook niet over die laatste release (de heruitgave Sister Lovers op Rykodisc-HP). Telkens als ze deze plaat uitbrengen is er niemand die mij iets vraagt of me er bij betrekt. John Fry, die eigenaar is van de productiemaatschappij, neemt al sinds de eerste release van de plaat alle beslissingen. Bij elke nieuwe uitgave overlegt hij met Jim Dickinson welke songs er op komen te staan, wat de titel wordt en meer van dat soort dingen. Bij geen enkele uitgave ben ik ooit betrokken geweest.’

Desondanks zegt Chilton trots te zijn op de kwetsbare, vernuftige gitaarsongs die hij ten tijde van Big Star schreef, waarvan een aantal uitgegroeide tot regelrechte en vaak gecoverde klassiekers. Hij is echter gelukkiger met de wetenschap dat hij, in tegenstelling tot veel generatiegenoten, wist te ontsnappen aan de duivelse klauwen van drank en drugs. Het einde van die periode werd pijnlijk samengevat op Like Flies On Sherbert, een plaat die klinkt als een zinkend schip.

Chilton: ‘In die tijd dronk ik veel. Ik was soms zo knettergek van al het drinken dat ik nauwelijks in staat was om aandacht te besteden aan mijn muziek. Op mijn 31e verjaardag besloot ik dat er wat moest veranderen. Van de een op de andere dag stopte ik met drinken en vertrok naar New Orleans. Maar ik had werk nodig om ergens van te kunnen leven. Ik werd bordenwasser in een restaurant en heb een tijdje allerlei klusjes gedaan.’

Het hanteren van de botte rock & roll-bijl was hij echter nog niet verleerd. Als producer gaf hij The Cramps en The Gories, de band van Mick Collins (‘Mick Collins is het ware genie van de huidige popmuziek’), het geluid van schuurpapier.  Als begeleidend gitarist strooide hij gekreukelde gitaarriffs in het morsige Tav Falco’s Panther Burns. Intussen ontdekten steeds meer muzikanten en critici dat Alex Chilton ooit zanger-gitarist was van Big Star, de band die in de loop van de jaren tachtig de cultstatus eindelijk zou ontstijgen.

BSNo1

De drie legendarische Big Star-lp’s werden opnieuw uitgebracht; een herboren Chilton kon de platen maken die hij wilde maken. Platen voor kleine labels, waarop hij hardnekkig weigerde toe te geven aan de verwachtingen. Dus kwam Alex Chilton de voormalige rock & roller op de proppen met aanstekelijke Memphis soul, rhythm & blues en een single getiteld No Sex. Dat hij nu tenminste kan leven van zijn eigen muziek ziet hij als zijn grootste overwinning. Chilton: ‘Ik werk graag met kleine independentlabels. Bij hen kan ik platen uitbrengen onder mijn eigen voorwaarden. Als ik er eentje af heb mogen ze hem een aantal jaren uitbrengen. Daarna word ik weer de eigenaar van de opnamen, zodat ik het contract kan verlengen of de songs kan verkopen aan een ander label. Als je zo een stuk of tien albums kunt maken, ontstaat er een voortdurende reeks van releases die samen net genoeg opbrengen om van te kunnen leven.’

‘De laatste vijftien jaar heb ik me alleen maar met muziek bezig gehouden, al maak ik me wel eens zorgen of iemand over zes maanden nog in me geïnteresseerd is. Ik ben altijd bang dat opeens niemand me meer wil zien optreden of dat ik opeens geen plaat meer mag maken. Muziek maken is niet het meest zekere beroep ter wereld, maar ik mag niet klagen.’

BSRadio

BS3rd

Aanbevolen platen:

Box Tops

THE LETTER (Stateside 7”, 1967)

Bereikte in oktober 1967 de derde plaats in Nederlandse Top 40!

THE HAPPY SONG (Bell 7”, 1969)

Minder bekend dan The Letter maar daarom niet minder fraai. Melodie en refrein fluit je zo mee in Chilton’s eerste en laatste feelgood-song.

Big Star
#1 RECORD (Ardent/Stax 1972/Big Beat 1986)
RADIO CITY (Ardent/Stax 1973/Big Beat 1986)

3RD ALBUM/SISTER LOVERS (Ardent 1978/Rykodisc 1992) Ondanks Chiltons bezwaren de beste heruitgave tot nu toe. Gedetailleerde remastering en betere nummervolgorde dan alle andere reissues.

Solo
LIKE FLIES ON SHERBERT (Aura 1980)

LIVE IN LONDON (Aura 1982) Heerlijk wrakkige uitvoeringen van The Letter en No More The Moon Shines On Lorena van The Carter Family. Met The Soft Boys als begeleidingsband. Hoesfoto: Anton Corbijn.

LOST DECADE (Fan Club 1986) Archiefopnamen, de single Bangkok en Chilton als producer van obscure liedjesschrijvers.
HIGH PRIEST (New Rose 1987)

1970 (Ardent/Rev-Ola 1996) Uitstekende plaat waarmee Chilton in 1970 had willen debuteren op het Atlantic-label, maar meneer was ontevreden over het contract. Banden bleven vervolgens tot 1996 op de plank van Ardent Studios liggen.

LOOSE SHOES AND TIGHT PUSSY (Last Call 1999)

In het prachtboek It Came From Memphis van Robert Gordon wordt uitvoerig de muzikale onderkant van Memphis belicht. Nu eens niet Elvis, de Sun Studios en het Stax-label, maar alles over Big Star, Jim Dickinson, Alex Chilton, Dann Penn, Tav Falco, de Ardent Studios en natuurlijk Mud Boy & the Neutrons.

The Box Tops – The Letter clip

Toenemende meligheid en desinteresse bij Chilton en The Box Tops tijdens het playbacken van The Letter.

(eerder gepubliceerd in Heaven nr 2, 2000)