In The Art Life wekt David Lynch zijn kunst tot leven

David Lynch had ooit een voorstelling over zijn leven als beeldend kunstenaar: “koffie drinken, sigaretten roken en schilderen. Dat is het. Misschien komen er ook meisjes bij.”

De opzet van de documentaire The Art Of Life is vrij eenvoudig. We zien de filmregisseur aan het werk in zijn atelier, terwijl hij via zijn eigen voice-over zijn levensverhaal vertelt. De 71-jarige Lynch is behalve maker van films nadrukkelijk beeldend kunstenaar. Zijn doeken vallen te omschrijven als absurdistisch en surreëel. We zien hem aan het werk in zijn atelier dat uitzicht biedt over de heuvels van Hollywood Hills in Los Angeles. Af en toe gaat hij een stukje rijden.

The Art Life gaat dus over de kunstenaar en niet de regisseur Lynch. De enige film die ter sprake komt is Eraserhead. De beelden van dit bizarre, experimentele debuut komen nog het meest overeen met zijn doeken. Lynch is opvallend openhartig wanneer hij vertelt over zijn leven dat hij doorspekt met flink wat anekdotes. Die brengt hij met zoveel gevoel voor timing dat het bijna filmscènes worden. Zo had hij als klein jongetje een droom waarin een gewonde, naakte vrouw voorkomt. Ter illustratie zien we een kunstwerk dat hieraan refereert.

Verder zien we hem de ene na de andere filtersigaret opsteken waarna hij in rookwalmen naar een van zijn doeken blijft staren. Zijn vierjarige dochtertje Lula is eveneens vaak in beeld. Soms verft ze ijverig mee met pa die overigens een knalgeel polshorloge draagt.

Lynch praat graag en veelvuldig over zijn jeugdjaren, de verhouding tot zijn ouders en de invloed die de kunstacademie van Philadelphia op hem had. Toch raakte de jonge David gefascineerd door de schilderkunst toen hij voor het eerst de vader van een vriend ontmoette, kunstenaar Bushnell Keeler. Over hem maakte de latere speelfilmregisseur in 1967 een korte home movie. Het sterk biografische gehalte van de documentaire over Lynch wordt nog eens benadrukt aan de hand van foto’s en familiefilms uit het privébezit van het gezin waarin hij opgroeide. Gaandeweg ontstaat het beeld van een gedreven visionair die een eigen universum heeft gecreëerd dat volkomen losgekoppeld is van de wereld zoals wij die kennen.

 Documentairemaker Jon Nguynen werkte tweeënhalf jaar aan The Art Life. “We verzamelden uiteindelijk zo’n 25 uur aan interviewmateriaal, waaruit we de film samenstelden. De originele opnames geven we aan zijn dochter, als ze ouder is. Er is zo veel moois dat de film niet heeft gehaald. Ongelooflijke verhalen, over zijn grootouders en over zichzelf toen hij jong en ondeugend was. Maar die zijn alleen voor Lula.”
(eerder gepubliceerd op ZwartGoud en The Post Online)

Solotentoonstelling David Lynch in Bonnefantenmuseum

Het Bonnefantenmuseum zal vanaf november 2018 een grote solotentoonstelling presenteren met David Lynch. Bij het grote publiek staat hij bekend om zijn filmklassiekers Eraserhead, Blue Velvet, Mulholland Drive, en natuurlijk de tv-serie Twin Peaks. Minder bekend is dat hij ook jarenlang actief is als beeldend kunstenaar, fotograaf en componist. Op zijn Instagrampagina laat Bonnefantendirecteur Stijn Huijts zich eerder vandaag fotograferen met Lynch.

Stijn Huijts: “David Lynch is onmiskenbaar een spilfiguur in de internationale film- en tv-wereld, maar zijn werk als beeldend kunstenaar is veel minder bekend. Terwijl Lynch zelf altijd heeft benadrukt dat hij zichzelf vóór alles ziet als een beeldend kunstenaar. Zijn beheersing en gebruik van een rijkgeschakeerd scala aan media en technieken, van schilderijen tot installaties, maken hem ook in die hoedanigheid invloedrijk. Het is een uitzonderlijke artistieke kant van Lynch, die nog maar zelden is belicht en in musea getoond. Daarmee past hij perfect in het beleid van het Bonnefantenmuseum dat zich richt op de ‘verborgen canon’.”

Gebruikelijk zal een kunstenaar met een grote tentoonstelling in het Bonnefanten zelf ook aanwezig zijn tijdens de opening. Ongetwijfeld zal Lynch worden uitgenodigd om langs te komen in Maastricht. Met het tonen van de kunst van Lynch gaat een lang gekoesterde wens van Bonnefantendirecteur Stijn Huijts in vervulling. Toen hij nog werkzaam was bij Schunck liep hij reeds met plannen rond om de kunstenaar/regisseur te kunnen strikken. In 2010 was er nog een tentoonstelling van Lynch in het Max Ernstmuseum in Brühl, nabij Keulen.

De werken van Lynch (1946) zijn net zo bizar, vervreemdend en ongrijpbaar als veel van zijn films. Lynch maakt multimediadoeken, installatie’s, foto’s van vergane industrie, vrouwelijk naakt of sneeuwpoppen. Het is de eerste keer dat er in een Nederland een grote tentoonstelling te zien is van de regisseur.

David Lynch is eveneens enthousiast over de samenwerking met het museum. Vanuit Los Angeles meldt hij kort: “I am happy and excited to work with the Bonnefanten on this exhibition of my work!”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud en The Post Online)

Lost Highway: ultieme soundtrack bij schizofrene David Lynchfilm

lh

Kun je onder allerlei omstandigheden dezelfde persoon zijn? David Bowie voert het raadselachtige van Lost Highway op met wat in feite de openingszin van de film is. “Funny how secrets travel”, zingt hij in I’m Deranged. Opmaat van een rolprent die weliswaar refereert aan gekende genres als film noir en thriller maar, als vanouds bij David Lynch, meer lijkt op een droom die je nauwelijks kunt navertellen.

Een klassieke scène is het moment waarop tijdens een feestje een witgeschminkte ‘mystery man’ de hoofdrolspeler aanspreekt. Deze voorloper van de horrorclown beweert doodleuk dat hij zich op het moment van het gesprek bij hem thuis bevindt. “I’m there right now. Call me. Dial your number.” Vervolgens gaan de luiken van een surreële koortsdroom wagenwijd open. Halverwege wordt simpelweg geruild van hoofdpersonage. Allemaal net zo prikkelend als de muziek in de film. “Half the film is picture, the other half is sound. They’ve got to work together”, zei Lynch erover.

Het soundtrackalbum verscheen in 1996, enkele maanden voordat Lost Highway in ons land werd vertoond. De bijdragen van o.a. Marilyn Manson, Rammstein en Nine Inch Nails, afgewisseld met instrumentale sfeermuziek, voerde de spanning en verwachting alleen maar op. Wie de dubbel lp twintig jaar later opnieuw beluistert via deze heruitgave, zal het opvallen dat de variatie aan rocksongs en sfeer & suspense door componist Angelo Badalamenti, nog altijd uitstekend ‘werkt’. Om tussendoor op adem te komen is er exotische jazz van Barry Adamson. Eigenlijk nodigen zowel de film als het album Lost Highway uit tot een totaal andere kijk- en luisterervaring. De plaat biedt wat dat betreft meer houvast dan de film; het auditieve laat zich minder van de wijs brengen dan het visuele.

Destijds verscheen een vinylversie in beperkte oplage. Gezien de populariteit van de artiesten werden sindsdien nogal wat imitaties in omloop gebracht. Het Nederlandse Music On Vinyl heeft nu exclusief de rechten verworven voor deze officiële vinylrelease, waar men een voortreffelijke heruitgave van heeft gemaakt. Tweeduizend exemplaren zijn bovendien genummerd en op geel vinyl met zwarte vlekjes erin geperst. Op de fraai vormgegeven klaphoes met bijlage, staat de album titel ferm in reliëf gebeiteld. In meerdere opzichten een prachtige uitgave.

Lost Highway Original Motion Picture Soundtrack (Universal/Music On Vinyl)

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

De opmerkelijkste fotoboeken van 2014

HvR

Heleen van Royen – Selfmade (softcover, 160 pagina’s, uitgever Lebowski)
De meest spraakmakende tentoonstelling van 2014 vond plaats in Den Haag. Aan de muren van het Letterkundig Museum prijkten de zelfportretten van schrijfster Heleen van Royen. Spraakmakend omdat Van Royen niet alleen in haar boeken en mediaoptredens recht voor de raap is, maar ook in haar überselfie’s. In plaats van een fotografische esthetiek toont van Royen vrouwelijkheid zonder gene; naakter dan naakt, stoer en onzeker. Hier ontbreekt de pose maar heerst de zelfobservatie van het eigen zeer blote lichaam. Het ontbreken van een kunstingeving maakt dat je snel op de foto’s raakt uitgekeken. We moeten er niet meer achter zoeken dan “een fotografisch zelfonderzoek”. Van Rooyen laat daarin inderdaad alles zien. Schaamteloos exhibitionistisch. Mooi meegenomen dat de bijna vijftigjarige is gezegend met een lichaam van meisjesachtige allure. Met navelpiercing!

Modern Times – Mattie Boom en Hans Roseboom (hardcover, 340 pagina’s, uitgever Rijksmuseum)
Lijvig boekwerk dat veel meer is dan een catalogus van het Rijksmuseum naar aanleiding van de tentoonstelling uit de eigen collectie. Samenstellers Mattie Boom en Hans Roseboom maakten een keuze gebaseerd op de historische en kunstzinnige ontwikkeling van de fotografie in de 20e eeuw. De foto’s zijn thematisch ingedeeld, met ter zake doende teksten. Duidelijk wordt dat het Rijks de nodige klassiekers bezit (o.a. Man Ray, Ed van der Elsken), maar ook amateur-, geschiedenisfotografie en oude straat- en stadsbeelden van o.a. Amsterdam. Smullen geblazen dus voor de liefhebber van (kwaliteits)fotografie in een boek dat louter hoogtepunten kent. Foto’s die een authentieke grandeur uitstralen omdat ze gemaakt zijn met oude (analoge) toestellen en prints met gelatinezilver als bindmiddel en beeldschakering.

New Photo Dutch Photography Talent 2014 (hardcover, vier verschillende covers, 411 pagina’s, oplage: 3000, uitgever XPublishers)
Het jaaroverzicht van fotografiemagazine GUP bevat werk van jong talent die ontzettend hun best doen om af te wijken en of kunstzinnig willen zijn. Wat ook al niet helpt zijn de variaties op bekende thema’s als straat- en locatiefotografie, gedrapeer met kleding en voorwerpen, designachtige composities en ander gekunsteld geknutsel met kleur en kadrering. Er zit opvallend weinig originaliteit en durf in veel van de werken. Regelmatig bekruipt je het gevoel dat je ze al eens eerder hebt gezien. Sommigen volstaan met fotograferen van voorwerp of natuurmoment, in de veronderstelling dat het dan ook meteen een goede foto is. Het zijn niet de studenten maar de autodidacten die de show stelen. Carla van Iersel’s beelden bezitten een merkwaardig soort ongrijpbaarheid, terwijl Caro Lenssen vrouwen vastlegt met een sterke en tegelijk kwetsbare oogopslag. Verder maakt de onbevangenheid van Marcel Kollen indruk, evenals de vervreemding door middel van kleurgebruik bij Joshua Hoogeboom.

Lynch

The Factory Photographs – David Lynch (hardcover, stofomslag, 220 pagina’s, uitgever Prestel Verlag)
Van regisseur David Lynch nu eens niet zijn bekende droombeelden of aanvallen op het onderbewustzijn. In het voorwoord van dit sjieke fotoboek blijft hij niettemin trouw aan zijn stijl: “I just like going into strange worlds”. Die vreemde wereld is vertrouwd unheimisch. Foto’s van muren die afbladderen, fabrieksgebouwen en industrie die er verlaten en verscholen bij ligt. Al vaker gedaan natuurlijk én sfeervoller. Bij Lynch is de vergankelijkheid van de gebouwen meedogenloos, barok en gitzwart. Wanneer je over de bladzijden wrijft voel je bijna het roet en de smeerolie op de muren en pijpleidingen.

A House Is Not A Home – Lilith (hardcover, 228 pagina’s, oplage: 750 waarvan 175 handgenummerd en gesigneerd met ingeplakte foto, eigen beheer)
Op de foto’s die kunstenaar-fotograaf Lilith (Henriëtte van Gasteren) maakt plaatst ze zichzelf in alledaagse en onalledaagse situaties. Voor wie er oog voor heeft bevat de stilering aanvullende details. Nogal eens overheersen het gevoel en de emotie die ze weet over te brengen in beelden die speels, ondeugend en prikkelend zijn, maar evengoed controversieel en taboedoorbrekend. Haar werk vind je óf helemaal niks óf prachtig. Meer dan menigeen lief is, meer dan een tafereel dat huiselijk is: de schone schijn van de huiselijke geborgenheid. Zo ontstaat een dialoog tussen het gevoel in haar beelden en de gevoelens bij de kijker. Vrouwen zullen zich beslist herkennen in het maatschappelijke ‘rollenspel’ van moeder, echtgenote, huisvrouw en minnares. De hoeveelheid foto’s in het boek leveren erg veel indrukken op. Advies: gedoseerd bladeren.

Wayward Cognitions – Ed Templeton (hardcover, 155 pagina’s, oplage: 3500, uitgever Um Yeah Arts)
Ongewone foto’s van gewone mensen. Ogenblikken waarop je liever niet wordt gefotografeerd, of misschien net wel. Een jonge vrouw heeft zojuist een bloedende hoofdwond opgelopen. Andere mensen zijn aan het werk, staren voor zich uit, lijken het geluk voorgoed kwijtgeraakt, of er weer naar op zoek te gaan. De Amerikaanse kunstenaar en fotograaf (voorheen skateboarder) Ed Templeton toont zijn foto’s niet in hard zwart-wit maar in zacht grijs. Omdat het leven van alledag evenmin zwart wit is, maar zich afspeelt in een grijze zone waarin ongrijpbare en spannende momenten plaatsvinden. Aanleiding voor onuitgesproken gedachten die je krijgt bij het zien van zijn werk. Templeton vult niks in, geeft geen antwoorden. Oogwenken tussen wat geweest is en wat mogelijk staat te gebeuren. Zijn stijl is dat hij geen nadrukkelijke stijl nastreeft, waardoor de kijker ruimte krijgt voor eigen interpretatie.

(eerder gepubliceerd in The Post Online)

In The Big Dream droomt David Lynch het verleden naar het heden

a

“Je had het gevoel dat je alles aankon. De toekomst zag er rooskleurig uit. Things were going up instead of going down.” Aan het woord is David Lynch. Met The Big Dream herbeleeft hij de tijd waarin hij opgroeide. Als muzikant.

Wie zijn films heeft gezien weet dat David Lynch een preoccupatie onderhoudt met de jaren vijftig, het tijdsgewricht van hoop en voorspoed. Kleding, kapsels en decors in de serie Twin Peaks zijn geïnspireerd op de jeugdjaren van de regisseur; Blue Velvet begint met beelden van een maagdelijk wit hekwerk in een aangeharkte “bedroom community”.

Tussen 1950 en 1960 trokken steeds meer Amerikanen naar dergelijke slaapwijken, in de volksmond ook wel suburbs genoemd. In dezelfde film playbackt een van de personages Roy Orbison die, net als Elvis Presley, zijn eerste platenopnamen in de Sun studio van Memphis maakte. Destijds het epicentrum van de opkomende rock ‘n roll.

De in 1946 geboren Lynch staart zich niet door een hippe retrobril blind op het tijdvak, dat achteraf de aanloop vormde voor politieke spanningen en sociaal-maatschappelijke onrust. “Wat we niet wisten was dat we toen de basis legden voor een desastreuze toekomst. Natuurlijk waren er problemen, maar op de een of andere manier werden die verbloemd. Vervolgens brak de glans eraf, waardoor alles bedierf en uitlekte”. De hoes van The Big Dream toont een door een bliksemschicht geschrokken, achterover tuimelend mannetje.

De reacties op het album zijn hier en daar opmerkelijk negatief. Pitchfork zoekt een vergelijking met Crazy Clown Time, de vorige plaat van Lynch die op momenten beslist iets van ingehouden gekte kent. De opvolger is “weinigzeggend, bezit geen nieuwe ideeën, verrassingen of momenten van herkenning”. De Volkskrant gaat een stapje verder: “Het album had net zo goed niet gemaakt hoeven worden. Het is allemaal niet donker en duister genoeg. En de liedjes die hij praatzingt zijn ook nauwelijks de moeite waard.”

Wat is The Big Dream dan wél? Losjes associërend op de film noir die tegen het einde van de jaren vijftig op zijn einde liep, dringt Lynch niks aan ons op dat expliciet en tastbaar is. The Big Dream is meer schemer dan daglicht, meer schets dan song. Evenals in zijn films laat hij heel wat aan ons voorstellingsvermogen over. Kom daar maar eens om bij de gemiddelde popplaat van tegenwoordig.

Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, en vintage Lynch is nou eenmaal het onbenoembare benoembaar maken, voegen hij en zijn handlanger Dean Hurley (beroep: filmgeluiddesigner) naadloos de muziek van toen aan de klank van nu. Een vertragende galm, typisch voor opnamen in de Sun studio, op moderne, rafelige beats; de ‘twang’ van de elektrische gitaar herinnert aan de rockabilly, maar zodra de mangel van effectpedalen erover heen gaat, ontstaan er improvisaties die je eerder associeert met ambientmuziek. Duane Eddy aan de valium.

Nee, dan de teksten. Het veelvuldig herhalen van nogal wat ultrakorte zinnetjes lijkt vooral bedoeld het sjabloongehalte ervan te benadrukken. Bestond de inhoud van de gemiddelde jarenvijftig popsong ook niet uit louter clichés? Herkenbaar zijn hooguit enkele flarden die in de buurt komen van hét thema van de popmuziek: de verloren of onbereikbare liefde.

David-Lynch-The-Big-Dream

Curieus is de zang. Ondanks, of misschien wel dankzij een elektronische vervorming, bezit de stem van Lynch een weemoedig gevoel van gemis en verlangen. Een verlangen naar wat ooit was en nooit meer terugkeert. Het wrange besef dat het verlangen zo’n beetje het enige is dat de grote droom heeft opgeleverd. “The line it curves, a certain way, bend back to the start”, zingt Lynch misschien wel tegen beter weten in. In het boekje bij de plaat lezen de songtitels als hardop gedroomde neonletters tegen een achtergrond van schimmige objecten. De songs knipperlichten heden en herinnering, verleden en verbeelding.

Over zijn werk heeft David Lynch nooit veel uitleg verschaft. Van het commentaar dat hij via Spotify op The Big Dream geeft steek je, behalve wat voorzetjes, niet al te veel op. Voorlopig moeten we het doen met dit oude interviewcitaat: “Ik ben een schilder, ik hou ervan wanneer mijn schilderijen korte verhalen bevatten, met muziek gaat het op dezelfde manier.”

En toch. Ook bij Lynch kruipt spreekwoordelijk het bloed. De woorden ‘say it’ in het gelijknamige nummer worden zo vaak herhaald dat je alsnog een louche figuur uit een van zijn films ziet opdoemen.

Interviewcitaten:
Chris Rodley – Lynch On Lynch (Faber And Faber, 1997)
Eddy Lawrence – David Lynch (www.shortlist.com, 2013)
Randy Lewis – Exclusive: David Lynch unveils his new album The Big Dream (Los Angeles Times, 2013)

The making of The Big Dream 

(eerder gepubliceerd op The Post Online, augustus 2013)

Stijn Huijts, directeur Schunck*: “tegelijkertijd remmen en gasgeven”

Stijn Huijts (foto: Jeff Jaspar)

“Ach, hadden we allang kunnen hebben, maar het museum in Brühl werkte niet mee om er samen iets mee te doen. Het is zeker niet van de baan. Misschien kunnen we er aan beginnen door het gewoon zelf te organiseren. We gaan hem eens benaderen. Wie weet gaan er dan wat weirde dingen gebeuren, dat het gebouw begint te bewegen of zo.” Aan het woord is Stijn Huijts, directeur van cultuurpaleis Schunck* over een mogelijke tentoonstelling van de excentrieke filmregisseur en beeldend kunstenaar David Lynch. Wat het Max Ernstmuseum in het Duitse Brühl in 2010 lukte, zou toch zeker ook in Heerlen moeten kunnen.

Lees verder op ZwartGoud:  Zwartgoud Stijn Huijts

In de films van David Lynch is iedereen schuldig totdat het tegendeel wordt bewezen

Zoals het hoort zijn goede kunstenaars alomtegenwoordig. Desnoods om volgens eigen zeggen via transcendentale meditatietechnieken een betere creativiteit en vrede te stimuleren. De uitleg die filmregisseur David Lynch in interviews eraan geeft komt aannemelijker, minder eng en zweverig over dan het spiritueel geneuzel van de gemiddelde meditatiegoeroe. Het is een vorm van meditatie waarmee Lynch zich overigens sinds 1973 bezighoudt. Bijzonder is ook zijn het Interview Project. Hierin stuurt Lynch een cameraploeg kriskras door Amerika om gewone Amerikanen te interviewen. Nou ja gewoon? Oprecht schrijnende verhalen over mensen die slachtoffer werden van persoonlijke omstandigheden tijdens de Amerikaanse recessie. Een onthutsend document dat het Amerika van nu pijnlijker blootlegt dan politici en media ooit zullen doen.

luidspreker voor nachtclub Silencio

De man die sinds 2006 geen speelfilm meer heeft gemaakt moet natuurlijk ook gewoon ordinair de kost verdienen. Voor dure modemerken en popbands die hun suffige imago willen afschudden, maakt hij commercials en clips; Duran Duran zag een compleet optreden door Lynch geregisseerd. Op youtube zijn een paar voorbeelden te zien van zijn commerciële werkjes. Tussen de ongetwijfeld vele koppen koffie door, Lynch is een verwoed koffiedrinker, ruimt hij ook tijd in voor popmuziek. In zijn songs vervormt hij zijn stem  en geven beats een hippe draai aan de songs die nogal vervreemdend overkomen.

Nee, dan ’s mans beeldende kunst. In 2010 bezocht ik de tentoonstelling Dark Splendor in Brühl, vlakbij Keulen. Zijn kunstwerken verzamelen visioenen waarin het absurdisme, het ongrijpbare en het surreëele om voorrang strijden. Elk beeld lijkt te willen zeggen: het maakt niet uit wat van je me vindt, probeer me vooral niet te duiden. (Meer hierover via een link onderaan dit artikel). Lynch is van veel markten thuis, zeker als de schemer inzet en de duisternis valt. In september opent in Parijs de exclusieve nachtclub Silencio. Decor en meubilair werden door Lynch ontworpen.

bankstel voor Club Silencio

Want hoe zat het nu ook weer met die films van hem? Wie ze heeft gezien omschrijft bizarre, onverklaarbare situaties uit het dagelijkse leven als Lynchiaans, niet zelden benadrukt door het aanhalen van specifieke filmscène. Zo bevond ik me een tijdje geleden in een restaurant van het station in Venlo. Aan een tafel zaten drie vrouwen van ruimschoots de middelbare leeftijd. Twee van hen hielden luidruchtig drukpratend en gebarend een conversatie op gang. De derde dame hoorde het stilzwijgend en wellicht noodgedwongen aan, ongetwijfeld ingegeven door de flagrante misvorming van haar onderkaak. Dit tafereel aanschouwend, gekoppeld aan de nogal bedompte sfeer in de eetgelegenheid, ontlokte aan mijn gesprekspartner de uitspraak: “dit restaurant heeft een hoog Twin Peaksgehalte!” Hij doelde vanzelfsprekend op de door David Lynch geschreven tv-serie, waarin vervreemding en surrealisme wordt geschetst aan de hand van even sinistere als absurdistische personages.

De filmbeelden van David Lynch blijven namelijk in het hoofd van de kijker rondspoken. Neem Inland Empire: een drie uur durende aanval op en ondermijning van het onderbewustzijn. De ogenschijnlijk lukraak achterelkaar gemonteerde scènes lokken een subvertelling uit waarin beelden, belichting, montage, acteerwerk en muziek een tuimelende hybride vormen die de kijker in een audiovisuele achtbaan doet belanden. Tenminste, als je er ontvankelijk voor bent.

Iedereen is gewend films te bekijken volgens een vaststaande en min of meer met jezelf afgesproken verhaalstructuur. Films waarin het plot doorgaans voorspelbaar verloopt via een begin, een midden en een eenduidige afloop. Enkele van Lynch’ films, volgens mij zijn allerbeste, wijken duidelijk af van dit patroon, al bevatten ze wel degelijk een dramatische ontwikkeling. Lynch filmt het plot volgens een geheel eigen verhaallijn waarvan de zijwegen aanvankelijk onwennig aandoen maar nooit doodlopen. David Lynch daagt de kijker uit een stapje extra te zetten om te komen tot een andere kijk- en gevoelservaring. Eenmaal gewend blijkt de filmtaal van Lynch helemaal niet zo ontoegankelijk of ingewikkeld.

Lynch: ”Je begint met een verhaal dat logischerwijs een bepaalde kant op moet gaan. Maar zo voorspelbaar mag het nooit zijn. Aan elk element moet worden getrokken, zodat een nieuwe realiteit ontstaat. Dat kan vooral heel mooi met film worden gedaan. Je speelt in op het onderbewustzijn van de kijker. Hij verwacht A te zien, maar ik trek hem naar B, terwijl B niets met A heeft te maken. Of misschien wel. Dat moet de kijker allemaal zelf maar uitmaken. Zo bereik je dat iedereen zijn eigen film ziet. Ik ben degene die alles aanreikt, daarna is het up to you.”

Met zijn verbeeldingskracht en verteltrant reikt hij dus een weinig voor de hand liggende manier van filmkijken aan en daarmee feitelijk ook een andere wijze van het kijken naar kunst. Lynch maakt het aannemelijk dat je kunst kunt ondergaan zonder dat je jezelf voortdurend vragen hoeft te stellen. Vragen die de acceptatie van ontoegankelijke kunstwerken mogelijk belemmeren. Vragen als: mag ik dit wel goed vinden? Waarom vind ik dit irritant? Wat Lynch betreft hoef je je dergelijke vragen niet meer te stellen. Zelfs gebeurtenissen uit het leven van alledag, hoe banaal ook, moet je vooral niet proberen te duiden: “It’s better not to know so much about what things mean or how they might be interpreted. Psychology destroys the mystery, this kind of magic quality”.

De filmkunst van Lynch gaat over het onbenoembare en over de acceptatie van het onbenoembare. Wanneer de acceptatie volledig is gaat hij een stapje verder. Iemand omschreef het als een vreemd soort ironie waarin het macabere en het aardse op zo’n manier samengaan dat blijkt dat het eerste voortdurend in het laatste zit opgesloten.

En ja, dan raken de personages in de films van Lynch met zichzelf in conflict. Levenservaring staat op losse schroeven, zekerheden worden bij het grofvuil gezet. Mensen verworden tot individuen die ambivalent in het leven staan, er een verborgen agenda of moraal op nahouden en zelfs paranoïde trekjes vertonen, soms zonder dat ze zich hiervan bewust zijn. Opeens is iedereen schuldig totdat het tegendeel wordt bewezen. De mens als wandelende tijdbom. De duivelskunstenaar Lynch doet niet anders dan de bewustwording van deze ommekeer geraffineerd registreren. Te zien in Blue Velvet, Lost Highway, Mulholland Drive en Inland Empire.

Dark Splendor in Brühl