Dankzij de murals krijgt Heerlen een kleurtje

Uitkijken geblazen dat je niet over een stoeprand struikelt. Op bijna elke hoek word je aangestaard door kunst in het groot. Gewoon buiten, recht voor de raap. Ofwel de muurschilderingen van Heerlen.

De murals dus. Bij voorkeur niet uit te spreken met Engelse tongval, maar op zijn Spaans por favor. De oorsprong stamt uit het Mexico van ruim honderd jaar geleden, ter verbeelding van de destijds ontstane la Revolución Mexicana. Rebellen tegen de regering. Toen waren de muurwerken bedoeld om de laaggeletterde bevolking in afgelegen gebieden te informeren over overheidsbesluiten. De kunstenaars die hiertoe de opdracht kregen, gaven echter steeds meer gehoor aan de onvrede van het volk. Die waren de wurggreep van de heersende klasse en de economische crisis spuugzat. Stakingen en onlusten leidden tot een heuse burgeroorlog onder leiding van onder meer Emiliano Zapata. Het zou de opmaat worden voor een modern Mexico.

Aldoende zijn de murals als serieuze kunststroming ontstaan. De erkenning en waardering volgde pas na een flinke boost, dankzij de talrijke werken in die ene stad die net als Heerlen een gedaantewisseling onderging: Berlijn. De eerste schilderingen stonden afgebeeld op een muur die symbool werd voor de Koude Oorlog, de grens tussen Oost en West. De betonnen wand werd nadien de East Side Gallery genoemd, met een lengte van 1,3 km het grootste openbare kunstwerk ter wereld.

Diezelfde kunstmuur, thans onder Denkmalschutz, mondde uit in de Berliner Mauerkunst. Wie wel eens in de Duitse hoofdstad is geweest, met name in de wijk Kreuzberg, weet wat wordt bedoeld. In Heerlen ontstond op gegeven moment eveneens de noodzaak om afbraak en bijna neergang in te kleuren. Dat leidde in 2011 tot het kunstproject Lak Aan Braak. Daarvoor was er de artistieke aanloop d’RAW, een ‘drawing showcase’ in museum Schunck. Tijdens deze expo was werk te zien van onder meer de beruchte straatkunstenaars Rammellzee en Dr. Rat.

Want ja, ook Heerlen was een stad in verval, zeker na de sluiting van de mijnen. Lange tijd maakte de Limburgse gemeente en het eromheen gelegen gebied Oostelijke Mijnstreek, tegenwoordig Parkstad, een weerloze indruk. De laatste tien jaar echter kregen met hulp van gemeenteinvestering gevels en gebouwen een opknapbeurt, waarna steeds meer initiatieven op gebied van kunst en cultuur ontstonden. Het toegenomen cultuuraanbod heeft het aantal evenementen in of nabij de binnenstad danig aangewakkerd. Spraakmakend zijn het theaterfestival Cultura Nova en het internationale breakdance-event The Notorious IBE.

Wie de Heerlense ontwikkelingen kritisch volgt ontdekt dat die metamorfose niet per se vlekkeloos verloopt. Heerlen kampt net als veel andere middelgrote gemeenten met leegstand, van het oude koopstadimago is het lastig afscheid nemen, en er is vanaf de eerste bouwsteen reuring over een prestigieus megabouwproject dat moet leiden tot een multifunctioneel treinstation. Wie Heerlen per spoor nadert ziet de hijskranen af en aan zwenken. Toch is er een verfrissend tegengeluid. Met het project Streetwise wordt lokaal ondernemerschap gestimuleerd, terwijl in het winkelcentrum steeds vaker jonge ondernemers een nering drijven op ambacht en specialisme.

In Mexico, Berlijn en Heerlen is er niet zomaar wat kunst op de muren gekliederd. Aan sommige van de weelderige schilderingen kleeft een symboliek van al dan niet verborgen boodschappen. Kunstenares Faith47 maakte in de Heerlense Coriovallumstraat een Maria-afbeelding. In een interview noemt ze haar voornaamste inspiratiebronnen, onder wie politiek activist Noam Chomsky en de Zapatistas, het vrijheidsleger uit de Mexicaanse revolutie. Haar Maria houdt zowel een handbel in de aanslag als een sleutel waarmee je een stadspoort opent. Is hier sprake van het luiden van de noodklok, terwijl een oplossing nabij is? Onder haar armen vindt een gevecht plaats tussen een hond en een zwaan, waarin de kwetsbare watervogel zo te zien het onderspit delft.

Het doet denken aan een schilderij uit 1650 van Jan Asselijn: een witte zwaan die haar nest eieren beschermt tegen een uit het water opduikende hond. Op een van die eieren staat ‘Holland’ geschreven. Het doek groeide uit tot symbool voor de bedreigde en later vermoorde staatsman Johan de Witt. Hij vond dat een land moest worden bestuurd door burgers. De Witt moest zijn manifest ‘De Ware Vrijheid’ uiteindelijk met de dood bekopen.

Diverse websites met aandacht voor urban art, beschouwen Heerlen als Nederlandse hoofdstad van de streetart. Dankzij de murals werden al meerdere prijzen in de wacht gesleept, waaronder de Dutch Street Award 2017. Tegenover de bushaltes langs de Spoorsingel staat een aantal gebouwen die er wat haveloos uitzien. Op de gevels omvangrijke muurschilderingen, zoals Ode Aan De Arbeider. Een werk dat het verleden van de voormalige mijnstad naar het heden haalt. De beste kunst is kunst die letterlijk terugkijkt, die de toeschouwer dwingt even pas op de plaats te maken. In Heerlen gebeurt dat laatste bijna op iedere straathoek.

Zwart goud delven op Record Store Day in vinylstad Heerlen

(foto: Harry Prenger)
(foto: Harry Prenger)

Geloof het of niet maar Heerlen was ooit energiehoofdstad van ons land. Dankzij steenkoolwinning voorzag de Limburgse gemeente gedurende een groot deel van de vorige eeuw Nederland van energie. Het is ook de enige stad in deze provincie waar de laatste veertig jaar doorlopend platenzaken zijn gevestigd. Tijdens de hoogtijdagen, eind jaren zeventig, halverwege de jaren tachtig, kon je beurtelings in liefst zeven winkels het zwarte goud aantreffen.

Ondanks de aandacht voor Record Store Day vooraf in de media, is het betrekkelijk rustig bij Satisfaction in de Oranje Nassaustraat. De winkel bestaat sinds 1971. De locatie is vernoemd naar een van de vroegere mijnbouwbedrijven. Eigenaar Rob is er vandaag wegens ziekte niet bij. Daarom helpt zijn dochter Nora vaste medewerker Ruud een handje. Beiden zien dat bezoekers zich niet laat afschrikken door de 50 euro die de dubbel-lp van The White Stripes moet kosten. De plaat gaat grif over de toonbank. Hij ziet er dan ook opvallend uit. Hologram op de voorzijde van de luxe klaphoes, vinyl in rood en wit. Bas (35) kan zich er niet druk om maken. Van een afstandje bekijkt hij de kopers. Intussen houdt hij Mastodon stevig onder de getatoeëerde arm. De kleurrijke picturedisc van de metalband schaft hij niet aan “vanwege de muziek, maar als hebbeding”, geeft hij toe.

Door de ligging in een steegje onttrekt het kleine zaakje Gong zich enigszins aan het zicht van het winkelend publiek. De vinyldrang is er niet minder om. Tientallen belangstellenden merken bij binnenkomst dat Gong er geen gras over heeft laten groeien. Een indrukwekkend aantal Record Store Dayplaten ligt voor het oprapen. Dringen geblazen, nog net geen duwen en trekken.

“Ik ben eigenlijk te laat geboren”, zegt Mark (28) uit Kerkrade. Hij vist een stapeltje oude muziek uit het gevarieerde aanbod. Mee naar huis gaan een speciale editie met opnamen van jazzpianist Thelonious Monk, waarvan er wereldwijd 2000 stuks zijn verschenen. Andere aanwinsten: een minischijfje van Frank Sinatra en een dubbelaar mét bonussingle van soulzanger Otis Redding. Glimlachend: “Liefst was ik er al geweest in de jaren twintig”. Terwijl hij zijn pinpasje tevoorschijn haalt, verschijnt een brede glimlach op zijn gezicht.

In de loop van de dag groeit bij Gong Typhoons Lobi Da Basi zomaar uit tot een van de verkooptoppers. Speciaal voor Record Store Day is de veelbejubelde en bekroonde plaat in prijs verlaagd. 15 euro kost ie en je krijgt er een arty print op A2-formaat bij. Ook de heruitgave van The Doorsklassieker Strange Days is binnen no-time weg. In het smalle straatje ontstaat rond het middaguur een ‘samenscholing’. Het linnen tasje om de schouders met het Record Store Day logo schept een band. Aandachtig wordt er geluisterd naar de akoestische blues van het duo Five House Of The Left.

Een van de bands die voor de etalage van Satisfaction optreden is Wallace Vanborn uit Gent. Het drietal speelt voor de gelegenheid een zonnige variant op hun doorgaans donker gehumeurde stonerrock. Er is aardig wat bekijks. Jong en minder jong dromt in een halve cirkel om de band heen. Na afloop doet Heerlen zijn reputatie als vinylstad eer aan. Nog voordat de drummer vanachter zijn drumkit op kan staan, snelt een deel van het publiek naar het door de band meegebrachte grammofoonkoffertje. Volgens de Belgen bevinden zich daarin “herinterpretaties van eerder werk”. Geen probleem. Er kan weer zwart goud worden aangeboord. Al is het betreffende vinyl voorzien van een spierwit kleurtje.

(eerder gepubliceerd op Vinyl50.nl)

Joep Dohmen: “Er zijn weinig steden in Nederland die zoveel problemen hebben als Heerlen”

JD

“Ik denk dat je na het lezen van dit boek meer begrip hebt voor Heerlen. Je oordeelt er minder snel hard over. Deze stad is zoveel overkomen door de komst en het vertrek van de mijnen.”

Aan het woord is Joep Dohmen. Hij schreef een kritische maar meeslepende biografie over Heerlen; over de opkomst en de ondergang van een bruisende industriestad. Maar De Geur Van Kolen is ook een persoonlijke familiekroniek, over onder meer zijn vader die hij nauwelijks gekend heeft. Tijdens zijn onderzoek naar de geschiedenis van de voormalige mijnstad, ontdekte Dohmen in het Nationaal Archief dat oud-burgemeester Marcel van Grunsven zich tijdens de oorlog net iets teveel met de Duitsers bemoeide.

In het Heerlense uitgaanscentrum baden drukbevolkte terrassen volop in het zonlicht. Op de warmste dag van oktober ontmoeten we de in Heerlen geboren onderzoeksjournalist. Hij werd bekend om zijn geruchtmakende artikelen in NRC Handelsblad over onder meer corruptie en bouwschandalen. Dohmen is een half uur te vroeg op onze interviewafspraak. Zijn sigaartje heeft hij al half opgerookt.

“Acht jaar geleden overleed mijn moeder, mijn vader Hub was al heel vroeg overleden. Ik was toen in 1979 nog een puber. Ik heb mijn vader eigenlijk nooit goed gekend. Ik had vaak ruzie met hem. Door de koffer die ze mij achterlieten kwam ik mijn vader weer tegen. Ik had toen veel verdriet over mijn moeder en begon daarom al die dingen op te schrijven. Twee jaar geleden dacht ik: wat doe ik daarmee? Als ik het in mijn laatje laat liggen is dat hetzelfde als dat ik de koffer op zolder laat staan.”

“Er zijn zoveel boeken over de mijnen, mijnwerkers en Limburg geschreven. Ik heb geprobeerd het in een wat breder kader te plaatsen om te begrijpen hoe de samenleving vóór ons in elkaar zat, waarin je dus die hele ontwikkeling meemaakt, niet alleen gefocust op de mijnen. Je ziet dat mijn ouders zich ontworstelen aan al die tradities, hoe de kerk verdwijnt uit het leven van de mensen, hoe de mijn verdwijnt, hoe de KVP verdwijnt.“

Winkel 191  Heerlen, Emmaplein

“Ik ben bij diverse mensen die mijn vader hebben gekend op bezoek geweest met de vraag: wie was dat nou die man? Dat werden hele ontroerende ontmoetingen met mensen die heel oud zijn, met de paar mensen die nog leefden en nog iets konden vertellen over mijn vader. Ik heb nog iemand gevonden die in mijn vaders eindexamenklas van de HBS zat. Sommigen hadden ook moeite om mij dingen te vertellen. Het is een openhartig iets waar ik ook met mijn broers en zus over gesproken heb. Ik denk dat het beeld dat je van mijn vader krijgt als je het boek helemaal gelezen hebt, je ook iets van diezelfde compassie ziet die je ook met Heerlen kunt hebben. Die parallel zit er in. Het is heel sneu hoe het gegaan is met hem. Hij had een gezond stel hersens, ging naar de HBS. Dat deden niet zoveel jongens voor de oorlog. Hij had makkelijk kunnen gaan studeren. Door omstandigheden blijft hij hier hangen in een baantje. Zijn karakter werd deels gevormd door thuis, met een hele strenge vader die bezig was met carrière maken. Die was de baas van de administratie van de Staatsmijnen. Reed al in een leaseauto, een Ford Consul, toen er nog nauwelijks auto’s rondreden.”

“Er zijn passages in het boek over de naderende dood van mijn vader, als hij depressief wordt. Max de Bruin, die nu heel oud is en met wie ik sprak over mijn vader, voorvoelde iets. (De Bruin was met Hub Dohmen mede-uitgever van Mosalect, Bloemlezing Uit De Limburgse Dialectliteratuur-HP). Over dat je een naderende dood en afscheid kunt voorvoelen. Hij vraagt zich af of dat bij mijn vader misschien het geval was. Dat zie je ook aan de gedichten die hij mijn vader schrijft, die zijn somber, richting het levenseinde.”

300px-Nationaal-Mijncentrum-Heerlen

“Het was eigenlijk niet de bedoeling om onderzoek te doen naar Marcel van Grunsven. Tijdens familiebijeenkomsten werd nooit over oom Albert gesproken. Die was in oorlogstijd burgemeester geweest in Echt. In het Nationaal Archief heb ik gekeken wat er over hem nog te vinden was. Daar lag zijn zuiveringsdossier waaruit blijkt dat hij in de oorlog verhinderde dat er een NSB’er als burgemeester kwam. Hij was dus niet echt fout in de oorlog. Ik dacht toen: hoe is het eigenlijk met Van Grunsven afgelopen? Ik kon er hier niks over vinden behalve de positieve verhalen. Er zijn veel boekjes verschenen die gingen over zijn heldendaden. Een stad wil het verleden altijd wat rooskleuriger opstellen dan het is. Vervolgens ben ik gedoken in de zuiveringsdossiers van politieagenten. De voorzitter van de zuiveringscommissie was Van Grunsven. In de eerste vergadering van de commissie zegt hij: ‘Ik moet afscheid nemen als voorzitter want ik ben zelf nog niet gezuiverd. Dit moet maar iemand anders doen.’ Na de ontdekking in de archieven beschrijf ik wat ik ontdekte, afstandelijk, niet veroordelend. Mensen moeten zelf maar beoordelen wat ze er van vinden. Maar het bleek dus dat er toch wel wat aan de hand was.”

“Op de internetsite van de gemeente is hij nog een held. Er is een plein naar hem vernoemd. Kijk, die man heeft een visie gehad en ook goede dingen gedaan. Toch denk ik dat Heerlen de oorlogsgeschiedenis nog eens onder de loep moet nemen. Lag de werkelijkheid niet toch iets genuanceerder dan dat heldenverhaal? Een stad moet zijn geschiedenis op orde hebben. Mijn boek is een aanwijzing dat er dossiers zijn die men niet goed kent. Dat moet je gewoon willen weten. Voor het collectieve geheugen moet dat gewoon kloppen. En nu klopt het niet.“

still07_content-expanded

“Veel mensen verbinden het lot van Heerlen aan het Maankwartier, terwijl dat Maankwartier niet het panacee is voor deze stad, daarvoor zijn de problemen veel te groot. Dat er meer kunst en cultuur is lijkt me prima, het biedt de stad in deze sombere tijden verstrooiing, maar het is geen oplossing voor de problemen. Die zijn door een gemeentebestuur ook heel moeilijk op te lossen. Ik zou niet graag gemeentebestuurder willen zijn. Wat deze stad is overkomen is heel erg. Er zijn weinig steden in Nederland die zoveel sociaaleconomische problemen hebben als Heerlen. Er zijn hier wijken die quasi afgeschakeld zijn van de gewone samenleving waar bijna niemand meer werkt. Wel klagen aan de bar maar niet gewend zelf initiatief te nemen en in een soort verkramping achterblijven. Van generatie op generatie groeien er kinderen op in wijken die niet met de paplepel krijgen ingegoten dat je voor je inkomen moet werken. Het is niet eens meer een kwestie dat ze geen werk meer kunnen vinden; het is uit het systeem.”

S
(foto: Harry Prenger)

“Er is volgens mij wel een vingerwijzing in de richting waarin Heerlen moet evolueren: richting Aken. Ik denk dat dat de oplossing kan zijn. Het is natuurlijk te gek dat daar studenten in containers wonen en er miljarden worden geïnvesteerd. Wat men hier nodig heeft is werk. En dat ligt aan de andere kant van de grens. De toekomst ligt niet alleen in Maastricht maar voor Heerlen richting zuidoost, aan de andere kant. Daar ligt een gigantisch potentieel. Aken heeft hoogwaardige, lage en middelbare banen. Als je kijkt hoe daar de IT sector bloeit. Daar is science, automotive, technische banen waar veel vraag naar is, maar dan moeten de kinderen hier wel Duits leren. Toen wij opgroeiden met Duitse tv-programma’s zoals Bonanza zat het Duits in de oren, dat was een vanzelfsprekendheid. Nu is dat niet meer zo. Bij het Bernadinuscollege is dat sinds kort veranderd. Er wordt nu minimaal drie jaar Duits gegeven, wat een heel goed initiatief is.”

“De voorwaarde voor een bloeiende samenleving is in de eerste plaats economie en daarop volgt dan een culturele opleving. Toen de mijnen er waren was er veel geld, dan groeit ook het culturele leven. Er komen kunstenaars op af, mensen met geld, een katalysator voor veel ontwikkelingen. Heerlen mist die katalysator. Het is zeer te prijzen dat er allerlei culturele activiteiten zijn, ondanks het gebrek aan die andere zaken. Op zich is dat goed, je moet er niet aan denken dat zelfs dat er niet zou zijn.“

De daag sjpówwe zich vuurbij
wie auto’s op ‘n autobaan.
Van vreugjoar noa zoeëmer,
van herfs noa wingkter.
‘t Leëve geet wier,
mit of zónger ós.
Ouwer en messjie wieëzer gewoeëde
dinkt me, ooch dek mit ironie
an wat woar en neet mieë is.
Leëve en doeëd,
ze ligke zoeë kót neëve ee
es twieë geleefde i ge bed.

Hubert van Caumer (pseudoniem van Hub Dohmen)

Joep Dohmen – De Geur Van Kolen (LVD-U 2013)

(eerder verschenen op ZwartGoud)

Joep Dohmen De Geur Van Kolen kritische biografie over Heerlen

9200000020674072

Heerlen krijgt het boek dat het verdient. Een kritische, meeslepende biografie van de stad die ooit gold als een van de meest welvarende en snelstgroeiende steden van ons land. Menigeen zal er van opkijken. Heerlen? Energiehoofdstad van Nederland? De gemeente die de rest van het land van energie voorzag? Tijdens het lezen ontstaat een geheel ander beeld dan het nog altijd hardnekkige imago van toevluchtsoord voor dealers en verslaafden.

De Geur Van Kolen is het derde in korte tijd verschenen boek dat zich afspeelt in de mijnstreek, het huidige Parkstad. Na het autobiografische Extra Tijd van Anton Dautzenberg en Wiel Kusters’ familieschets In En Onder Het Dorp, beschrijft onderzoeksjournalist en Heerlenaar Joep Dohmen de historie aan de hand van het ontstaan van de mijnindustrie. Parallel hieraan verloopt zijn eigen familieverhaal.

Meer in het bijzonder over Hub en Annemieke Dohmen, Joeps ouders. Aanleiding is een koffer vol persoonlijke bezittingen die zijn vader achterliet. Voor Dohmen aanleiding voor een speurtocht in het verleden. Hij dook in archieven, sprak met betrokkenen. Zijn schrijfstijl helpt een handje: vlot, no-nonsense, haarscherp, niet om de hete brij draaiend. Over zijn ouders schrijft hij mooi observerend, alsof ze figuren uit een roman zijn. Dat Dohmen in de eerste plaats onderzoeksjournalist is blijkt uit zijn scherpe analyse van de invloed die de mijndirecteuren en de katholieke kerk hadden op Heerlen, zeker in hun gezamenlijke strijd tegen alles wat socialistisch was.

Opvallend is Dohmens ontdekking over burgemeester Marcel van Grunsven. In Heerlen wordt hij gezien als held, als een van de vernieuwers van het voormalige plattelandsdorp dat Heerlen ooit was. Met behulp van de winsten uit de mijnwinning kon Heerlen de moderne stad worden die de jonge burgemeester voor ogen stond. Dat is voor een deel gelukt. Wat volgden waren architectonische hoogstandjes (Glaspaleis) en een strategische herindeling van de binnenstad. Dohmen beschrijft het ontstaan en de ontwikkelingen ervan tot in detail. Zo ook over de bemoeienissen van de “autoritaire” Van Grunsven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Die gingen veel verder dan het te vriend houden van de bezetter. Op eigen houtje ondernam hij initiatieven waar hem door de Duitsers niet om was gevraagd.

In Heerlen is men een beetje geschrokken van Dohmens ontdekking. Grote kans dat de geschiedschrijving dient te worden bijgesteld na een mogelijk onderzoek naar de handel en wandel van de oud-burgemeester. Dat een en ander gevoelig ligt blijkt uit de toespraak van stadshistoricus Roelof Braad tijdens de presentatie van Dohmens boek. Hardop vraagt hij zich af of de passage over het oorlogsverleden van Van Grunsven op deze wijze in het boek had moeten staan.

Heerlen mag als mijnstad geruïneerd zijn, Dohmen eindigt zijn boek gematigd positief. De stad bouwt, letterlijk, stap voor stap, met hindernissen (bevolkingskrimp, economische crisis, leegstand) aan een nieuwe toekomst. De voltooiing van het nieuwe station Maankwartier, restauraties van historische gebouwen en investering in kunst en cultuur, hebben Heerlen de afgelopen jaren een nieuw elan gegeven. De damp uit de mijnschachten is opgetrokken, de steenkoolgruis bijeengeveegd. Het is Dohmen niet ontgaan. Nu de rest van Nederland nog.

Joep Dohmen – De Geur Van Kolen (Uitgeverij LVD-U, 2013)

Architect Frits Peutz: beroepsidealist

foto_173_groot

Tijdens een bezoek aan Heerlen raakte Rosa Visser-Zaccagnini onder de indruk van een bijzonder gebouw: het fier omhoog daverende Glaspaleis, middenin het winkelcentrum. Ze ontdekte dat de architect van het voormalige Schunck-modehuis ene Frits Peutz was. De “noorderling” bleek bovendien verantwoordelijk voor veel andere markante gebouwen in Limburg. Haar ontdekking leidde tot een onderzoek in boekvorm en omvangrijke oeuvrecatalogus: F.P.J. Peutz Romanticus Rationalist.

Het was simpelweg de liefde die Peutz naar het zuiden voerde. Tijdens zijn studiejaren in de jaren twintig in Delft, leerde hij de Maastrichtse Leonie Tissen kennen. Dochter Netty, een van de veertien kinderen uit het gezin Peutz, zou hem later typeren als een “vriendelijke, rustige, bescheiden man”. Het is een van de weinige persoonlijke details die de lezer te weten komt over het leven van de Groninger, want bovenal is het boek een biografie van zijn bouwwerken.

Oude Lindestraat, Heerlen (woonhuis Peutz)

woonhuis familie Peutz (Oude Lindestraat, Heerlen)

Omdat Peutz algauw goed kon aarden in het Limburgse en het vermogen had “de wensen van de opdrachtgevers te begrijpen en uit te voeren”, stroomden vrijwel meteen na vestiging van het echtpaar in Heerlen, de bouwopdrachten binnen. Peutz’ eigen huis ontwierp hij volgens zijn opvatting van wat volgens hem architectuur inhield: “moderniteit met eigen persoonlijke toevoegingen.” Behalve de familie Schunck, die opdracht gaf voor het bouwen van het gelijknamige modehuis (Glaspaleis), behoorden tot zijn clientèle particuliere opdrachtgevers, ondernemers, kerken en lokale overheden.

Het was de tijd dat Heerlen dankzij de mijnwinning kon uitgroeien tot een van de welvarendste steden van Nederland. Marcel van Grunsven toonde als jonge burgemeester een meer dan gemiddelde interesse voor moderne architectuur en vond in zijn leeftijdgenoot Peutz een medestander om van Heerlen een moderne stad te maken. Vaak bemiddelde Van Grunsven tussen de architect en ondernemers.

Peutz ontwierp huizen en appartementen voor de gewone burger, waarbij gebruiksgemak in relatie tot de omgeving en terrein centraal stond. Met name in de Heerlense wijken Aarveld en Heeserveld bevinden zich een aantal etagewoningen van zijn hand. Peutz was dermate vooruitstrevend dat zijn gebouwen ook nu nog opvallen; ze getuigen van de bloei die Heerlen gedurende een groot deel van de vorige eeuw doormaakte.

Peutz Mtricht

Sonnehuys (Scharnerweg, Maastricht)

Verspreid over de provincie Limburg is meer werk van hem te zien: landhuizen, winkelwoningen, ziekenhuizen, bioscopen en fabrieksgebouwen. Langs de drukke Scharnerweg in Maastricht pronkt op nummer 104 het Sonnehuys (bouwjaar 1933). Van het wat streng ogende woonhuis met plat dak, ontwierp Peutz het meubilair, waaronder de klapbedden voor de kinderen van het gezin. Opvallend is het voormalige stadhuis van Tegelen met zijn klassieke gevelvorm en Egyptische zuilen.

In het 250 pagina’s tellende boek wordt nauwkeurig het interieur van de gebouwen uit de doeken gedaan. Daarom is het een beetje jammer dat de beschrijvingen nauwelijks worden geïllustreerd met authentieke foto’s van het binnenwerk. Hiervoor zou je de uitgebreide Peutzmonografie uit 1981 moeten aanschaffen, geschreven door architect Wiel Arets, warm pleitbezorger van Peutz’ werk.

RK Kerk Minderbroederstraat, Roermond

RK Kerk (Minderbroederstraat, Roermond)

Niet alleen gaat Visser-Zaccagni, zelf architecte, grondig in op alle al dan niet voltooide werken en de variëteit van zijn bouwstijl, en passant verdedigt ze hem tegen de kritiek die er natuurlijk ook was in die tijd. De eigengereide Groninger botste nogal eens met collega’s en organisaties. Van zijn meeste vakgenoten moest hij niks hebben. Dat bleek uit publicaties waarin Peutz zich afzette tegen een architectuur van “verstarring, het academische en dogmatisme.”

Volgens de schrijfster was voor hem architectuur een kwestie van ordening van verschillende elementen: “het oog moet ontvankelijk zijn voor ritme, voor het tot stand komen van een gebouw moet een melodie worden gekozen met een krachtig slotakkoord.” Zo vond Peutz dat gewapend beton – het verharden van beton door ijzeren staven en ijzergaas – bij de constructie van kerken moest worden toegepast.

Frits Peutz

Frits Peutz

De traditionalist Grandpré Molière dacht daar anders over. In 1934 vergeleek deze prediker van een nederige en dwangmatige bouwmethode, werken met gewapend beton met de opkomst van het communisme. Sterker, als een opstand tegen God. Peutz wuifde de kritiek lacherig weg: ‘bij het bouwen heb ik wat wijwater bij het beton gedaan’.

Visser-Zaccagnini portretteert in haar boek vakkundig de legendarische bouwmeester, maar tegelijk schetst ze een historisch beeld van Heerlen als ultieme Peutzstad. Dat laatste blijkt onder meer uit het nog te bouwen nieuwe stadskantoor, waarvan het ontwerp is geïnspireerd op de stijl van de inmiddels erkende architect.

Tegenwoordig zijn er in de stad naast de bekende gebouwen, waarvan een aantal tot rijksmonumenten zijn verklaard, gevels, etage- en winkelwoningen te bewonderen. Andere panden werden in de loop der jaren “zonder pardon” afgebroken. Zelfs modehuis Schunck “het sprookjespaleis met de duizend oogen”, werd eind vorige eeuw tot tweemaal toe op het nippertje behoed voor de sloop. Tegenwoordig is het door de Union of International Architects op de lijst gezet van duizend belangrijkste gebouwen van de twintigste eeuw.

cover_Peutz2

Rosa Visser-Zaccagnini (m.m.v. Harry Broekman) – F.P.J. Peutz 1896-1975 Romantisch Rationalist (Stichting Bonas, Rotterdam, www.bonas.nl)

(eerder verschenen op ZwartGoud)

De kunstpunk van Gregor Wintgens

GW

Doe maar ruig. In het digitale gemak van nu terugkeren naar het ambachtelijke knip- en plakwerk van toen. Het métier van het zelfdoen laten herleven en in ere houden. Punk, maar dan op canvas. Of liever gezegd op karton. Ook al haalt hij plaatjes uit tijdschriften en andere bronnen, Gregor Wintgens wil dat kunst zíjn kunst wordt. Niet het resultaat telt maar de zoektocht ernaar, waarbij hij ons de ontwikkelingen van zijn werk, de uitdagingen en invloeden wil laten zien. Van bestaande beelden een nieuwe beeldtaal creëren op zoek naar kunst die bij hem past. “Mijn werk is een doorlopend experiment”.

Op de grond liggen lange stukken op maat gesneden karton. In de hoek staat een grote stapel verhuisdozen klaar voor het stanleymes. Wintgens, gekleed in oldskool trainingsjack en alpinopet, legt de laatste hand aan zijn tentoonstelling bij Etage 32 in hartje Heerlen. Voor diehardHeerlenaren: het gebouw waar ooit aankomende kappers werden opgeleid. Tegenwoordig is Etage 32 een opgeruimde antikraak waar creatieve ondernemers en kunstenaars zich hebben bijeen gepakt.

GW

Wintgens zegt dat hij zijn werk niet aan de muur wil hangen maar aan het plafond, zodat de bezoeker die langs de plakkaten wandelt tegen iets aanloopt. Letterlijk en figuurlijk. Zijn beelden vormen een explosie van punktypografie en collage-achtige graffiti. Foto’s, tekeningen en leuzen gaan lukraak bewerkt en overgeplakt tegen elkaar aan schuren. Herkenning tegenover verandering. Een mix die zijn werk fris en spannend maakt.

De titel van de expo Tijdelijke Iconen refereert volgens Wintgens aan het gerecyclede en goedkope materiaal waar hij mee werkt. “Het gaat over de tijdelijkheid van het werk. Het materiaal is beperkt houdbaar.” Ook gereed voor hergebruik is  een portret van een gezichtsloos meisje met Paris Hilton zonnebril. Over de lengte van een meter lang karton plakt de kunstenaar een serie anatomische prenten; de mens van binnen bekeken.

GW

Opvallend zijn de grote vellen met vette zwarte lijnen. Wat begint bij een herkenbare letter gaat bijna als vanzelf over in een nieuw soort geometrisch handschrift. Sierlijk en hoekig tegelijk. Wintgens: “wat ik er zelf zo mooi aan vind is de vorm die hieruit ontstaat, juist omdat je niet kunt lezen wat er staat. Het begint met letters die elkaar aanvullen, daarna zoek je naar het gewicht van de lijnen, naar de verdeling. Voor mij voelde het als een creatieve doorbraak, iets nieuws dat mij als het ware is overkomen zonder dat ik het door had. Dit is eigenlijk nog maar het begin.”

Gregor Wintgens – Tijdelijke Iconen (Etage 32, Geleenstraat 32, Heerlen, 2, 3, 9 en 10 maart 2013)

(eerder verschenen op ZwartGoud)

Kuepers Art moderne kunst tussen klapdeuren en kantine

Het is even zoeken tussen de ‘blokkendozen’ van het voormalige CBS-gebouw in Heerlen. Na de verhuizing van de kantoormedewerkers kreeg het pand een nieuwe bestemming en een andere naam. Behalve het stadstuinbouwproject en mogelijk een nieuw mijnmuseum, is in het kolossale Carbon6, galerie Kuepers Art gevestigd. Hoezo leegstaande panden in Heerlen? Op de plek waar ooit de mijnschoorsteen Lange Jan uittorende, is men vast begonnen. Moderne kunst tussen klapdeuren en kantine.

Vanaf de drukke verkeersader Kloosterstraat valt niet te zien dat er binnen in het complex een kunstgalerie zit. Wie de moeite neemt naar de binnenplaats te lopen weet zich omringd door hoogbouw met honderden kleine ramen. Een draaideur biedt toegang tot de galerie van Leonie Kuepers. Ze windt er verder geen doekjes om. Kuepers wil alles laten zien zoals het is achtergelaten. De kunstwerken van haar eerste expo hangen aan betonnen muren in ruw houten bekisting. Gewoon naast de bordjes voor de nooduitgang of de richting naar het toilet. Kunst naast klapdeuren. Kantinewagentjes staan nog achter de toonbank, alsof het kantoorpersoneel elk moment kan aanschuiven voor de middagpauze.

Ondanks haar jonge leeftijd van vijfentwintig mag Kuepers zich galerist noemen. En kunsthistorica. Ervaring deed ze op in galerieën in onder meer de Randstad. Heerlen mag nu meeprofiteren van haar kennis en liefde voor de kunst. “De stad is een interessante broedplaats voor kunst en cultuur,” beweert de van oorsprong Roermondse. “Heerlen kent een roerige geschiedenis, waar tegelijkertijd nog veel open ligt om door creatieve personen ingevuld te worden. De centrale ligging binnen de Euregio brengt een internationale oriëntatie met zich mee die noodzakelijk is voor de kunstsector. Heerlen is een spannende plek. De komende jaren gaat de stad zich manifesteren op allerlei gebieden, waaronder cultuur.”

Wanneer je met je neus dicht bij een van de enorme doeken staat van Arlaque de Clerque, ruik je de indringende geur van verf. In vette lagen over- en langselkaar gesmeerd. Tegenover een nogal bedachtzame vlakverdeling op de kleinere doeken, zijn er de immense canvassen waarop een dwingende, primitieve directheid plaatsvindt. Dan komen de vormen in beweging, wordt abstract niet afstandelijk. De industriële omgeving waarin ze hangen valt opeens in het niet.

In het werk van Raquel Rodrigo Iglesias is intimiteit het toverwoord. Slechts een deel van een lichaam wordt getoond; hoofden met de ogen geloken. De kunstenaar laat zien wat gezien mag worden. Mensen weggerukt uit een nachtmerrie-achtige cartoon. Ze worden afgebeeld op geteerde zeildoeken; materiaal waar normaal gesproken scheepsluiken en dekladingen mee worden afgedekt.

Kuepers Art wil zich met name richten op kunst uit de Euregio, op jong talent. Schilderijen, videokunst, installaties. “Ik hou heel erg van het ambachtelijke, niet zozeer van conceptuele kunst waarbij je een dik boek nodig hebt om het te begrijpen.” Behalve exposities organiseert ze Pollock workshops. Hiermee verwijst ze naar de schildertechniek van Jackson Pollock die bekend werd met het zogenaamde ‘action painting’. Samen met een kunstenaar kunnen geïnteresseerden schilderijen of meubelstukken bewerken volgens de techniek van de Amerikaanse expressionist. Druppelen, smijten en spatten met verf. Niet in het wilde weg, eerder weloverwogen.

Een galerie wil natuurlijk graag kunst verkopen. De prijzen van de tentoongestelde doeken variëren in prijs van achttienhonderd tot ruim zesduizend euro. Kuepers vindt het onverstandig dat ze bij het bepalen van de prijs rekening zou moeten houden met de economische crisis: “Wat je niet moet doen is kunst in de uitverkoop gooien. Als er ergens géén crisis is, is het wel in de kunstwereld”.

Underneath My Skin – Arlaque de Clerque en Raquel Rodrigo Iglesias (Kuepers Art, Carbon6, Heerlen, t/m 8 november 2012)

(eerder gepubliceerd op Zwart Goud)