Wouter Bulckaert schrijft liefdevol en aanstekelijk eerbetoon over JJ Cale

“Het lijkt hem allemaal te overkomen. Alsof er plots noten uit de lucht vallen en op zijn gitaar belanden.” Bedoeld wordt JJ Cale, maker van muziek die simpel en ongrijpbaar is, toegankelijk en doorwrocht. Een van de eerste popmuzikanten die werkt met een drumcomputer en de techniek van de studio gebruikt als instrument. Maar JJ Cale is behalve een begenadigd gitarist lange tijd een ondergewaardeerd liedjesschrijver. Bovendien heeft hij een bloedhekel aan de muziekindustrie, geeft zelden interviews en over zijn privéleven kom je nog minder te weten.

Troubadour In De Woestijn zou zomaar het allereerste Nederlandstalige boek kunnen zijn dat over Cale verschijnt. De Vlaamse auteur Wouter Bulckaert blijkt kenner en liefhebber van met name de muziek van de zanger-gitarist. Eerder publiceerde hij een boek over het gitaarfenomeen Ry Cooder. Wanneer een schrijver zo dicht op zijn onderwerp gaat zitten kan dat soms nadelig uitpakken. Bulckaert benadrukt nogal vaak Cale’s klasse als componist en diens eigen gemaakte studiotechnieken. Eigenlijk gaan de beste hoofdstukken over de tijd dat Cale zich terug trekt uit de muziek, amper optreedt en geen platen meer maakt. Toch weet de schrijver zijn bewondering en kennis zo aanstekelijk te verwoorden dat je als lezer steeds meer waardering begint te krijgen voor JJ Cale, die wars is en blijft van sterallures. In onze huidige tijd van social media en hyperactieve artiesten, is het net of je een boek leest over iemand van een andere planeet.

Bulckaert sprak niet met betrokkenen of met Cale zelf. De gitarist overleed in 2013 aan een hartaanval. Wel koppelt hij een bezielde manier van schrijven aan informatie die hij vergaarde uit talloze publicaties en uit eigen waarneming. Eindelijk neemt een Nederlandstalige schrijver eens de moeite om uitvoerig albums, muziek, teksten en studiotechniek van JJ Cale te beschrijven en te analyseren. Tijdens het lezen krijg je het gevoel dat je toch wat gemist hebt al die jaren dat je weleens een plaatje draaide van Cale. Ineens krijgen diens vermeende beperkingen veel meer betekenis.

Vlot en aanstekelijk schrijft Bulckaert ook over Cale’s beginperiode, de jaren zestig. Toen de man uit Tulsa, Oklahoma nog een hardwerkende sessiegitarist was en niet de latere meester van de ironie en het understatement. Bulckaert noteert een hoop leuke weetjes en anekdotes. In 1966 maakt hij met onder meer Leon Russell, Greg en Duane Allman een noveltyplaat waarop bewerkingen staan van tunes uit Amerikaanse tv-series. Als geluidstechnicus is hij betrokken bij het eerste album van heavy metalband Blue Cheer. Maar nog voordat de opnamen goed en wel beginnen maakt Cale dat hij weg komt. De confrontatie met rock ’n roll gedoe en de overdaad aan decibellen in de studio wordt hem teveel. Hij heeft gewoon geen zin in dit soort flauwekul.

Zelfs wanneer zijn bekendheid toeneemt weigert Cale aan het marketingspel van de industrie mee te spelen. Als hij bij een optreden in een veel bekeken tv- show moet playbacken, maakt hij rechtsomkeert. Een contract dat platenmaatschappij Columbia hem biedt voor een miljoen dollar wimpelt hij laconiek af. Lange tijd bezit hij geen telefoon. “Waarom ik zelden op andermans platen speel? Ze kunnen me niet bellen, hè!” Het boek wemelt van de citaten waarin Cale droogkomisch zichzelf en zijn werk relativeert.

Dus wordt de gitarist vooral door muzikanten gewaardeerd. Eric Clapton is zijn grootste bewonderaar. Dankzij de hits die de Brit heeft met Cale’s composities After Midnight en Cocaine wordt deze tegen wil en dank internationaal beroemd. Achteraf gezien laten veel platen van Clapton zich beluisteren als één groot eerbetoon aan Cale. Luister nog maar eens naar speelwijze en klank van 461 Ocean Boulevard.

Ondanks Bulckaerts kritiek op sommige latere albums, valt hem de kentering in de teksten op. Beschrijft de zanger met de omfloerste stem in de jaren zeventig volop de geneugten van het minnespel, de laatste jaren bezingt hij een reflectieve en maatschappijkritische kant. Een opvallend slotakkoord in en van de Troubadour In De Woestijn. Bulckaerts boek is een mooi en respectvol eerbetoon aan JJ Cale. Bescheiden van opmaak. In plaats van foto’s houtskoolachtige schetsen bij elk hoofdstuk. Een monument in het klein, geheel in lijn met het fijnzinnige karakter en de muziek van de grootmeester.

Wouter Bulckaert – Troubadour In De Woestijn (illustraties Edward Hall) Uitgeverij EPO, 2018)

David Byrne legt op eigenzinnige wijze uit Hoe Muziek Werkt

David Byrne, zanger en tekstschrijver van de legendarische band Talking Heads, schreef een boek over zijn ervaringen als muziekliefhebber, muzikant en componist. De gemiddelde muziekfan tast doorgaans in het duister over wat er allemaal komt kijken bij de zakelijke kant van de platenbusiness. Byrne (66) kent de muziekindustrie van haver tot gort. Zijn inzage maakt Hoe Muziek Werkt alleen al de moeite van het lezen waard. Er is nu een nieuwe, uitgebreide Nederlandse editie verschenen.

David Byrne is een denker en doener. Tientallen door hem geraadpleegde naslagwerken over muziek koppelt hij aan zijn eigen kennis en ervaring als muzikant. Uitvoerig vertelt hij hoe hij als bandlid, soloartiest en componist overeind blijft in een muzieklandschap dat de laatste jaren ingrijpend is gewijzigd. Zo hebben mede onder invloed van hiphop producers een even grote auteursrol toebedeeld gekregen als de componist van de song. Byrne is maar vast begonnen hete hangijzers als copyright en authenticiteit los te schroeven.

Aan de hand van grafieken en uitleg geeft hij verder een inkijkje in allerlei soorten contracten die je als muzikant kunt aangaan met een platenmaatschappij. Hij noemt bedragen over verkoop, onkostenverdeling en opbrengst aan royalty’s van zijn eigen album Grown Backwards. Wanneer hij het voorschot van de platenmaatschappij aftrekt van de kosten blijkt hij over de verkoop nog geen 60.000 dollar te hebben over gehouden. Let wel, over een periode van zes jaar! Byrne hoor je echter niet klagen. Hij heeft genoeg opdrachten om van rond te komen. Via een andere rekensom komen we erachter dat zijn duoalbum uit 2008 met Brian Eno ruim drie ton de man in het laatje bracht.

Maar dit boek gaat niet alleen over geld. Fans van Talking Heads en de Eno-Byrne klassieker My Life In The Bush Of Ghosts, komen veel te weten over de voorbereiding en totstandkoming van deze albums uit de periode 1977-1981. Byrne noemt meer voorbeelden over de tijd toen hij begon als muzikant (halverwege de jaren zeventig) vergeleken met nu. Terecht constateert hij dat streamen en andere onlinediensten dusdanig veel hebben veranderd dat niet alleen contracten en verdienmodellen zijn aangepast. Daarom is aan deze editie een interessant en actueel hoofdstuk toegevoegd. Byrne beschrijft vier manieren waarop we muziek ontdekken in het digitale tijdperk: via aanbevelingen door experts, door de muziek zelf, door sociale en culturele krachten, en door verhaal en context. Ook uit hij zich kritisch over het fenomeen algoritmes. Traditionele media hebben volgens hem steeds minder invloed op de muzikale keuzes van mensen, waarbij hij voor- en nadelen signaleert van de machtsverschuiving naar de consument.

Zijn betoog over de ontwikkeling van opnametechnologie in de laatste honderd jaar, had hij best mogen illustreren met voorbeelden van uitvoeringen of albums waarop deze ontwikkelingen zijn te horen. Of hij had best wat meer erkenning mogen geven aan de opname-experimenten binnen de dubmuziek (Lee Perry, King Tubby). Meer dan een zuinig zinnetje kan er niet van af. Soms draaft hij pagina’s lang door over zijn podiumpresentatie en een nogal gortdroge, technische uitleg over de opnamen van zijn eigen werk. Beter op dreef is Byrne wanneer hij komt met interessante stellingen. Volgens hem bepalen culturele omstandigheden zowel bij pop als klassiek de aard en uitvoering van muziek, zet hij vraagtekens over het veranderen van smaak en hoe we naar muziek luisteren en wat ons brein ervan maakt. Prikkelend zijn de uitspraken “er is geen vooruitgang in creativiteit” of “wij maken geen muziek, de muziek maakt ons”. In een ander hoofdstuk rekent hij af met enkele theorieën van de “linkse criticus” Theodor Adorno. Volgens de zanger beweerde de Duitse socioloog “dat kapitalistische maatschappijen via een soort lopende band zowel arbeiders als muziek produceerden.” Byrne: “Daar gaan we weer, muziek verbinden met morele en ethische waarden.”

De talloze invalshoeken die hij overgens uiterst toegankelijk beschrijft vanuit theorie en praktijk, maken van Hoe Muziek Werkt een aanrader voor de meer dan gemiddelde muziekliefhebber. Ook wie als professioneel muzikant aan de slag wil kan er bijna niet om heen. David Byrne geeft weliswaar tips over het aangaan van een contract met een platenlabel, als je dat al zou willen, maar hij adviseert eigenlijk om zoveel mogelijk in eigen hand te houden en per afzonderlijk album een deal aan te gaan met een distributie- of marketingmaatschappij.

David Byrne – Hoe Muziek Werkt (Xander Uitgevers, 2018)

Heerlijke viering van vinyl in Passion For Vinyl deel 2

Voor wie er nog aan twijfelde, vinyl is een blijvertje. Vrijwel alle artiesten brengen tegenwoordig muziek uit op lp, de verkoop zit in de lift en een initiatief als Record Store Day is wereldwijd succesvol. In samenwerking met perserij Record Industry (goed voor bijna 11 miljoen platen per jaar), maakte muziekjournalist Robert Haagsma een vervolg op zijn interviewbundel Passion For Vinyl uit 2013. Omdat de eerste druk in een mum van tijd was uitverkocht, is wellicht gekozen voor eenzelfde opzet. Dus zit bij deel twee eveneens een vinylsingle bijgesloten. Op het plaatje staan bijdragen van Hasil Adkins (huisvlijtrock), Bloodshot Bill (Johnny Cash aan de valium) en technobeats van dj Ellen Allien. De muziek blijkt al net zo divers als de inhoud van het boek.

Haagsma sprak bekende en minder bekende vinylverslaafden. Aan het woord komen onder meer Steven van Zandt, Ryley Walker en onze eigen upcoming singersongwriter Yorick van Norden. Van Zandt, de rechterhand van Bruce Springsteen, noemt de comeback van het vinyl “het meest gezonde dat de muziekindustrie de laatste tien jaar is overkomen”. In bijna vijftig gesprekken komen de soms ongekende mogelijkheden van het vinyl aan bod. Een afwisselende selectie van muzikanten, verzamelaars, eigenaren van platenzaken en labels, hoesontwerpers, opnametechnici en dj’s. Haagsma tekende zelfs het verhaal op van iemand die uit plakken vinyl hippe brilmonturen fabriceert. Ene Jens Prueter heeft zich voorgenomen de rest van zijn leven uitsluitend platen te kopen uit 1967. Dit boek lezen is alsof je als klein kind weer door een snoepwinkel loopt.

Een enkel hoofdstuk is misschien wat summier. Over De Weergever, een Amsterdamse vereniging collectioneurs van 78-toerenplaten, zou je best meer willen weten. Grappig is de bijdrage van illustrator Robert Crumb. In een ingestuurde getypte brief geeft hij af op de volgens hem inferieure grammofoonplaat. Een lp bevat simpelweg veel teveel nummers. Overigens vertelt hij in Discaholics, een soortgelijke uitgave over verzamelaars, nochtans uitvoerig over zijn voorliefde voor schellakplaten.

Dankzij de veelzijdige benadering wordt Passion For Vinyl Part II meer dan een voorspelbare hang naar nostalgie met een “vroeger was alles beter” toontje. Ontroerend is de ontmoeting met Miriam Linna. Zij beheerde met haar echtgenoot het cultlabel Norton Records. Totdat orkaan Sandy de inboedel grotendeels verwoestte en tot overmaat van ramp haar man in 2016 overleed. Ze had hem ooit leren kennen op een platenbeurs. Informatief en persoonlijk is ook het onderhoud met Ian MacKaye van de band Fugazi. Ondanks alles punker in hart en nieren. Dat laatste geldt zeker voor Jimi Lalumia, voormalig rockjournalist met een grote bek. Zo kom ze je niet vaak meer tegen. Tegenwoordig werkt hij in de verpleging.

Mark Kneppers werd bekend van het dj-duo Wipneus en Pim. In het boek feliciteert hij vooral zichzelf als handelaar in tweedehands platen. Over het huidige vinylaanbod, waaronder de gestage stroom heruitgaven, meldt hij: “Het is verontreiniging. Hetzelfde met nieuwe titels. Er is teveel voorraad”. Van The Beatles en Lou Reed moet hij ook al niks hebben. Zo maak je al lezend meer ontdekkingen. Over Mandy Parnell, een van de weinige vrouwelijke ‘mastering engineers’. Of over de recente herwaardering voor gestileerde Amerikaanse rock uit de jaren zeventig. Weliswaar wordt de muziek soms denigrerend aangeduid met ‘yacht rock’, de interesse voor Eagles, Fleetwood Mac en Hall & Oates lijkt alleen maar toe te nemen. Net als voor de bijzondere herontdekking in het genre Ned Doheny.

Het leesplezier wordt vooral vergroot doordat Robert Haagsma zich telkens onbevangen opstelt als interviewer, zonder enig dedain voor muzieksoorten en onderwerpen. Hierdoor krijgt hij zijn gesprekspartners aanstekelijk en enthousiast aan de praat over hun eerste kennismaking en latere ervaringen met vinyl. Nog voordat je het boek uit hebt voel je zelf ook de aandrang om naar de platenzaak te gaan en een lp aan te schaffen. Op zoek naar Ned Doheny’s cultplaat met de toepasselijke titel Hard Candy.

Passion For Vinyl Part II An Ode To Analog – Robert Haagsma (Record Industry 2018)

Harrie Sevriens, stadsdichter van Heerlen, overleden

De markantste inwoner van Heerlen heeft zich niet aan de afspraak gehouden. Hadden we niet geroepen ‘wie schrijft die blijft’? Stadsdichter Harrie Sevriens kwam je zo vaak tegen in de stad dat hij bij het meubilair van Heerlen begon te horen. Zoals het terras van café Bracke. Achter een pot bier, sjekkie binnen handbereik. Gewoon om 11 uur ’s ochtends. En nu is hij dood. Longkanker. 61 is hij geworden.

Harrie ging er steeds slechter uitzien, zijn eeuwige spijkerjasje losjes om de smaller wordende schouders. De laatste keer dat ik hem zag was van de zomer tijdens Cultura Nova. Wanneer we elkaar tegen kwamen vond ik onze begroeting best grappig. “Hoi Harry”. “Hoi Harrie”. Soms droeg hij ter plekke een gedicht voor dat hij enkele uren eerder had geschreven. Andere keren belde hij op om door de telefoon een vers aforisme voor te lezen. Gedichten in miniatuur. Die waren grappig, kritisch en ontroerend. Een enkele keer mopperde hij over een andere stadsdichter, of vroeg hij of ZwartGoud aandacht wilde besteden aan een nieuwe bundel van hem, de zoveelste.

De laatste jaren woonde Harrie in een appartement midden in het centrum. Daar bevond zich een opmerkelijke verzameling Afrikaanse beelden. De andere kant van de stadsdichter. Net zo apart als zijn sprechgesang op enkele muziekalbums die hij in eigen beheer uitbracht. In 2011 maakten Sandra Israel en Anita Hondong voor ZwartGoud een mooi interview met Harrie Sevriens, in feite de allereerste stadsdichter van Heerlen. Openhartig was hij tegenover de dames: “Ik ben het slachtoffer van kindermishandeling. Dat verleden brak me op tijdens mijn studie natuurkunde en biologie aan de lerarenopleiding. Ik kreeg last van angsten en moest met mijn studie stoppen.”

Het schrijven en dichten leverde hem in 2012 een koninklijke onderscheiding op. Typisch Harrie: knaloranje lintje op de revers van zijn vaalblauwe spijkerjack. Daar wandelde hij wel eens meer door de stad. Met zijn typische loopje leek hij op een cowboy die elk moment een saloon kon betreden. Denkbeeldig begonnen klapdeurtjes open te zwaaien en de houten vloer te kraken. Geluid voor de kronkels en gedachten die onophoudelijk door zijn hoofd moeten hebben gespookt.

Bezinning
Weet de stilte
stil te begroeten
Weet jezelf
stil te ontmoeten

Erfenis
Wie in het zicht
van de dood
of erdoor
nog erkenning zoekt
heeft in onvermogen
wat nagelaten

Recensie: Anthony DeCurtis volgt Lou Reed kritisch maar met mededogen

Lou Reed schreef een groot aantal van de meest ontroerende liedjes aller tijden. Neem Perfect Day. De mooie dag met het meisje begint onschuldig en lieflijk, maar eindigt in een zelfbekentenis die naar de keel grijpt: “you made me forget myself, I thought I was someone else, someone good”. Biograaf Anthony DeCurtis merkt op dat deze regels “huiveringwekkend blootleggen dat Reed naar een gewoon leven hunkerde, al had hij zich overgegeven en verlustigd aan gedragingen, stijlen en milieus die juist bedoeld waren om conventionele waarden op te blazen”.

Zelden is er in de popmuziek iemand geweest die zich zo in de kaart liet kijken als Lou Reed. Wanneer hij zong over anderen mengde hij deze verhalen met gebeurtenissen uit zijn persoonlijke leven. Meestal recht voor de raap, cynisch en grimmig. Lou Reed was de eerste in de popmuziek die teksten schreef over drugsverslaving, travestie en sadomasochisme. In de jaren zeventig had hij een relatie met de transseksueel Rachel.

Rolling Stonejournalist DeCurtis ontmoette en interviewde Reed meerdere malen en sprak uitgebreid met vroegere echtgenotes, jeugdvrienden, muzikanten en ex-vriendinnen. Onder hen Shelly Albin. Over haar gaan de klassiek geworden ballads I’ll Be Your Mirror en Pale Blue Eyes. Maar DeCurtis gaat ook serieus en nauwgezet in op betekenis en context van alle albums en diverse songs. Met name de lawaaiplaat Metal Machine Music krijgt ruim aandacht, evenals het ondergewaardeerde Legendary Hearts. De auteur ontdekte talloze aanwijzingen in teksten en muziek van Reeds grote liefde voor rhythm & blues en doo-wopmuziek. Vanzelfsprekend komen ontstaan en ontwikkeling van de Velvet Underground ter sprake. De invloed van Delmore Schwartz wordt eveneens uitvoerig belicht. “He was the first great man that I had ever met”, zong Reed ooit onomwonden over de dichter die hij tevens als zijn mentor beschouwde. Reed zelf had de nodige twijfels over de kwaliteit van zijn eigen werk, dat hij soms publiekelijk afwees en later net zo makkelijk de hemel in prees.

Want Lou Reed was dus vooral iemand die met zichzelf en met zijn omgeving in de knoop lag. In het boek komt een parade langs van stemmingswisselingen en woedeaanvallen, paranoïde trekjes en neiging naar depressie. Tussen Reed en zijn ouders is het nooit meer goed gekomen nadat ze hem op jonge leeftijd een elektroshocktherapie lieten ondergaan. Vanaf dit voor hem traumatische voorval, koesterde hij een groot wantrouwen jegens alles en iedereen en dat 24 uur per etmaal. Luister voor de aardigheid maar eens naar zijn tirades op de live-lp Take No Prisoners. Het pleit voor DeCurtis dat hij zijn onderwerp kritisch op de voet volgt, maar ook met begrip en mededogen. Al lezend gaat de tragiek van Lou Reed de artiest, de mens, zelfs de dwangmatige controlefreak, toch in je hoofd zitten; net als zijn beste songs. Wat hierbij helpt is de uitstekende Nederlandse vertaling, die bovendien opvalt wat betreft vormgeving: op de gitzwarte cover Reeds hoofd verborgen achter het donkere glas van een pilotenzonnebril. Elke bladzijde versierd met een rouwrandje.

Ontluisterend zijn de gesprekken die DeCurtis voerde met Rob Bowman. De gelauwerde muziekhistoricus kreeg de opdracht om in samenwerking met Reed een boxset samen te stellen. Ze raakten zelfs bevriend met elkaar. Voor zolang het duurde tenminste, want de wispelturige New Yorker kon je zomaar als een baksteen laten vallen. En inderdaad. Lange tijd leek er geen vuiltje aan de lucht, totdat Reed zich plots niet kon vinden in de keuze van de archiefopnamen en de in zijn ogen te kritische essaybijlage. Zelfs het raadplegen van muzikanten waarmee hij had gewerkt wekte argwaan. Op hoge toon eiste de zanger van zijn platenmaatschappij meer zeggenschap over de uitgave. DeCurtis beweert dat dit de reden is waarom Between Thoughts And Expression voor iemand van Reeds status een tamelijk doorsnee uitgave werd. Zonder kritische kanttekeningen en zonder veel van de oorspronkelijk bedoelde archiefopnamen.

Volgens DeCurtis had de mede-oprichter van de Velvet Underground commercieel gezien veel meer uit zijn carrière kunnen halen, maar zaten zijn ego en twijfels hem meer dan eens in de weg. Van marketingplannen was hij meestal niet gediend. Toen hij een keer een muziekwinkel binnenstapte en zag dat er geen posters hingen van zijn nieuwe album, ging het enfant terrible over de rooie. Dan kreeg een medewerker van de platenmaatschappij per telefoon een scheldkanonnade over zich heen. Uitgerekend op het moment dat deze een zondagmiddag doorbracht met zijn gezin.

Een publiek geheim was ook een conflict met John Cale tijdens de reünie van de Velvet Underground. Oorzaak was een vermeend geschil over auteursrechten en het leiderschap dat Reed zich wilde toe-eigenen. En telkens moest zijn toenmalige echtgenote en manager Sylvia Morales de vuile klusjes opknappen. Cale liet haar fijntjes weten dat zij weliswaar de manager was van Lou Reed maar niet van de Velvet Underground.

Kenmerkend zijn nog twee andere voorvallen. Toen Bowman en de chroniqueur van de zelfkant in de rij stonden voor een pinautomaat (!), maakte deze veel misbaar over een zwerver die in de voorhal de vrieskou wilde mijden. Tot verbijstering van Bowman liep Reed naar binnen om zich te beklagen bij een bankmedewerker over de aanwezigheid van de zwerver. Of deze onmiddellijk verwijderd kon worden, hetgeen inderdaad gebeurde. Een andere kant kwam tot uiting tijdens een signeersessie. Toen fans hem vertelden hoe belangrijk zijn teksten voor hen waren, raakte hij hierdoor zo geroerd dat hij na afloop in snikken uitbarstte.

Zo balanceerde het leven van de schrijver van Perfect Day tussen pijn en plezier. Veel geïnterviewden beweren dat hij gebukt ging onder eenzaamheid en zijn angst om alleen te zijn. Toch vertellen de weinige echte vrienden die hij had dat ze altijd konden rekenen op zijn steun en gastvrijheid. Zo bezocht Reed dagelijks het sterfbed van een doodzieke Sterling Morrison (ex-Velvet Underground).

Het veelbesproken huwelijk tussen de nachtburgemeester van New York en kunstenares Laurie Anderson, was minder idyllisch dan menigeen dacht. Anderson werkte jammer genoeg niet mee aan dit indrukwekkende eerbetoon in boekvorm. Uit gesprekken die DeCurtis voerde met mensen die bevriend waren met het stel, wordt duidelijk dat Reed zich bij haar voor het eerst gelukkig en op zijn gemak voelde. Des te schrijnender dat juist in die tijd zijn gezondheid achteruit ging. Toen hij in 2011 met Metallica werkte aan het beruchte Lulu wist bijna niemand dat hij al ernstig ziek was. Twee jaar later werd een langdurige leveraandoening hem fataal. Geheel in lijn met zijn onberekenbare karakter en muziek nam Lou Reed afscheid met een van zijn meest omstreden albums.

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Boek The Rolling Stones On Air In The Sixties: hoe de Stones zich een weg baanden door de heersende middenklasse

Het lijkt alweer heel lang geleden maar zelfs The Rolling Stones waren ooit onbekend en zeer onbemind. The Rolling Stones On Air In The Sixties geeft een aardig beeld van de wijze waarop de band begin jaren zestig in een mum van tijd groot en populair werd. Antwoord? Gewoon door hard te werken. De talloze optredens in de media, met name voor de Britse tv en radio, deden de rest. De Stones hadden in elk geval een enorme ambitie om het te gaan maken. Medeoprichter Brian Jones benaderde zelf maar vast de BBC voor een auditie, die overigens werd afgewezen. De rauwe bluescovers van de Stones vielen natuurlijk meteen op tussen de argeloze amusementsmuziek van toen.

Voorafgaand aan het debuutalbum uit 1964 had de band er al honderden optredens op zitten: in achterafzaaltjes, als onderdeel van packagedeals waarbij je op een avond het podium deelde met andere acts, of in lokale en landelijke tv-programma’s. We hebben het over de tijd van de zwart-wit beeldbuis, van zangers die niet live ‘zongen’ maar met een geluidsband (playback). De opmars van de rock-‘n-roll werd destijds vooral opgepikt door piratenzenders op zee of het lastig te ontvangen Radio Luxemburg.

Het keurige Engeland wist zich lange tijd geen raad met een tienerpubliek dat hysterisch reageerde tijdens Stonesoptredens die vaak ontaardden in vechtpartijen met de politie. Onderling werden door de bandleden zelfs weddenschappen afgesloten over hoe lang een concert zou duren.

The Rolling Stones botsten met de goede zeden, met de burgerlijke ethiek en de autoriteiten in het korset dat Groot-Brittannië heette. Je kunt het je tegenwoordig nauwelijks meer voorstellen. Op zeker moment werden ze vanwege hun kleding zelfs geweigerd in een restaurant. “Ze waren van kwajongens uitgegroeid tot voer voor de tabloids”. Journalisten stelden vaker vragen over de langharige kapsels die ze droegen dan over de muziek.

Dit lijvige hardcoverboek handelt met name over hoe de Britse media omsprongen met de onwennig aanvoelende popmuziek in het algemeen en de Stones in het bijzonder. Men veronderstelde dat het na twee jaar wel zou overwaaien. Prachtig onderwerp dus. Helaas wil de tekst van auteur Richard Havers maar geen verhaal worden dat je bij de lurven grijpt. Hij beperkt zich tot een droog relaas van feiten en datums. Tot vervelens toe noemt hij telkens alle tv-presentatoren en andere acts van een bewuste uitzending. Om maar te zwijgen van de slordige gewoonte om het programma Ready Steady Go! soms voluit te schrijven, dan weer als afkorting. Verder stipt hij zaken aan zonder ze nader te duiden. Dat de Stones 1 miljoen dollar ontvingen voor de bijdrage aan de speelfilm Only Lovers Left Alive is leuk om te weten, maar Havers laat na te melden dat de film nooit werd voltooid.

De vele prachtige zwart-wit foto’s maken veel zo niet alles goed, evenals de replica’s van originele documenten, waaronder entreekaartjes en de correspondentie die op gegeven moment ontstond over de irritatie tussen het Stonesmanagement en de BBC. Ook Brian Jones’ handgeschreven brief met het auditieverzoek staat erin. Verder wordt duidelijk in het overzichtelijk vormgegeven boek dat The Rolling Stones meedogenloos en zonder ver om te kijken zich een weg baanden door de oudere, heersende middenklasse. Brave pa en ma moesten tot hun verbijstering toegeven dat de opmars van de rock-‘n-roll en die van de Stones niet meer was te stuiten.

The Rolling Stones On Air In The Sixties (achter de schermen bij een band in opkomst) (Kosmos Uitgevers 2017)

Léon Hanssen bekijkt Piet Mondriaan doortastend en eigenzinnig

Mooi meegenomen wanneer een voorpublicatie leidt tot ophef. Léon Hanssen, hoogleraar en biograaf van Piet Mondriaan fronste zijn wenkbrauwen toen hij tijdens een expositie in Brussel een verloren gewaand doek van de kunstenaar zag. Na uitgebreid onderzoek kwam hij samen met een restauratrice tot de ontdekking dat het echter om een vervalsing ging. Extra pijnlijk omdat het schilderij was uitgeleend door het Stedelijk Museum. De eigenaar bleek bovendien bevriend met museumdirecteur Beatrice Ruf. Dan zal het wel goed zijn dacht men bij museum zonder nader onderzoek te verrichten. De ontdekking is een van de spannendste hoofdstukken in Alleen Een Wonder Kan Je Dragen.

Léon Hanssen (Kerkrade 1955) is al langere tijd bezig schilder en de mens Mondriaan te ontrafelen en opnieuw te duiden. In 2015 verscheen het eerste deel van zijn biografie. Een tweede deel is momenteel in voorbereiding. Deze uitgave van de in Rimburg gevestigde cultuitgeverij Huis Clos kunnen we zien als een ‘tussendoortje’. Maar wel eentje waar Mondriaanadepten niet omheen kunnen.

De tien verschillende essay-achtige stukken vertellen onderling misschien geen samenhangend verhaal over een van de pioniers van de moderne kunst. Hanssen bekijkt zijn onderwerp vanuit perspectieven waarin wel degelijk biografische aspecten doorsijpelen, waaronder het veelbesproken kluizenaarsleven van de schilder dat geheel in dienst stond van zijn kunst. In het Nederland van begin vorige eeuw had men moeite met deze zonderling en “controlefreak”. Mondriaan was zo volstrekt autonoom dat men zelfs in kunstenaarskring de kriebels van hem kreeg.

Hanssen maakt duidelijk dat de maker van de abstracte stilteschilderijen net als Van Gogh werd weggepest uit ons land. Hanssen staat er uitvoerig bij stil, evenals bij Mondriaans verblijf in New York. Hier zou hij vanaf eind jaren dertig zijn bekendste doeken maken, waaronder het nooit voltooide Victory Boogie Woogie. “De visie op Mondriaan zoals we hem vandaag de dag kennen als de meester van het modernisme, is eerst en vooral een prestatie van Amerika.” Daar zit je dan in 2017 met je honderdjarige jubileum van De Stijl, de kunststroming waartoe ook Mondriaan behoorde.

Hanssen maakt verder fijntjes van de gelegenheid gebruik om met een andere biografie over Mondriaan korte metten te maken. Dit boek van Hans Janssen, conservator van het Haags Gemeentemuseum, “ademt iets van de hedendaagse zucht naar idolen”. Ook andere publicaties over de schilder moeten het ontgelden. Hanssen heeft duidelijk weinig op met biografieën die volgens hem zijn opgeleukt om een groot lezerspubliek te trekken. Hanssen heeft een beetje een drang naar gelijkhebberigheid waarin hij zich het Mondriaanschap min of meer lijkt toe te eigenen. Dat gaat soms ver. Zelfs het graf van de kunstenaar, een houten bord op een plank die door de wind scheef is komen te staan, moet het ontgelden. “Had Mondriaan zich tijdens zijn leven consequent verzet tegen het gebruik van de diagonaal, nu werd zijn graf gemarkeerd door zo’n lamme, schuine lijn.” Waarna de hoogleraar tot actie over gaat: “Ik besloot tot een daad van rechtvaardiging en trok het bord uit de grond.”

Maar verder is Hanssen de observerende en onderzoekende “vagebond”: minder oog voor de “hoofdwegen en een voorkeur voor de rafelranden van het geciviliseerde leven.” In feite houdt hij zijn onderwerp telkens via een andere invalshoek tegen het rigide licht van de kunsthistorie. Zo vergelijkt hij in een hoofdstuk het leven van Mondriaan met de componist Prokofjev, of voert hij diverse redenen aan waarom Mondriaan op zeker moment de letter a weglaat in zijn achternaam. Nederland is het enige land waar de kunstenaar Mondriaan wordt genoemd, in het buitenland staat hij bekend als Mondrian.

Ook gaat de schrijver in op de verschillende dimensies van de molens die de kunstenaar in het begin van zijn carrière schilderde. Hanssen schermt niet per se met nieuwe kunsthistorische feiten, behalve dan de eerder genoemde ontmaskering, maar omzeilt de encyclopedische kunstgeschiedenis in stukken die doortastend zijn geschreven. Hier heerst de prikkeling, de verbeelding én omzeiling van clichés en aannames, waardoor je toch anders gaat kijken naar leven en werk van een al even eigenzinnig kunstenaar.

Léon Hanssen – Alleen Een Wonder Kan Je Dragen over het sublieme bij Mondriaan (Huis Clos 2017)