Anton Dautzenberg levert subtiel sluimerende kroniek van onze tijd

dedagdatdegierenbuigen

Anton Dautzenberg is een van de weinige schrijvers die buiten het veilige bastion van het literaire wereldje engagement toont. Onlangs verscheen op zijn initiatief een magazine over “stille armoede”. Inhoudelijk bleek deze Quiet500 veel meer dan een persiflage op miljonairsblad Quote500. De cover was gemaakt van schuurpapier.

Meer ongemak sluimert in Dautzenbergs recente boek De Dag Dat De Gieren Buigen. Aanvankelijk heb je als lezer niks in de gaten, maar beetje bij beetje worden zowel het verhaal over hoofdpersoon Tamalone en tientallen losstaande dialogen betekenisvol.

Tamalone is een plotsklaps blind geworden schrijver die stoutmoedig de stad verkent en de gesprekken tussen mensen beluistert. Een man zonder vrienden en liefde. Ter compensatie streeft hij naar onzichtbaarheid. “In het begin was het even zoeken naar de juiste houding, maar inmiddels weet Tamalone hoe onzichtbaarheid er voor de buitenwereld uitziet: hoofd buigen, schouders versmallen, handen op de knieën. En vooral: niet bewegen”. Tamalone is niet heel toevallig ook de hoofdfiguur uit een aloude bildungsroman van Arthur van Schendel (Een Zwerver Verliefd) dat bol schijnt te staan van de melancholie en verlangen naar geluk en eenzaamheid.

Typerend voor de afwijkende literaire vorm die Dautzenberg vaker kiest, is de constructie van het boek. Het verhaal over Tamalone wordt afgewisseld met dialogen die ogenschijnlijk niks met hem van doen hebben, maar wel de actualiteit raken of erlangs scheren; iemand bereidt een ontgroening voor, de Pokémonrage komt aan bod. Over sommige van de andere gespreksonderwerpen tast je als lezer in het duister, maar duidelijk wordt dat mensen het meer oneens dan eens zijn met elkaar, of op verwijtende toon langs elkaar heen praten. Misschien zijn het wel de gesprekken die Tamalone hoort wanneer hij in de stad op een bankje plaatsneemt in de buurt van het plezierplein. Zonder een duidelijk standpunt in te nemen, biedt Dautzenberg een kijkje in een tijd die bol staat van de meningen, korte lontjes, ophef en onrust.

Ook Tamalone ontsnapt ondanks zijn handicap niet aan de bittere realiteit. Ongewild raakt hij tijdens een wandeling betrokken bij een protestmars tegen moslims. Allengs wordt de tegenstelling tussen Tamalones persoonlijke vrijheidsdrang en de rest van de maatschappij voelbaar: zijn eenzaamheid, innerlijke verlangens en gedachten, tegenover de gesprekken en dialogen van mensen die luidkeels een eigen waarheid creëren. Het maakt Tamalones lot des hardvochtiger en aangrijpender. Evenals de volgende constatering:

“Seksuele verlangens heeft hij ook niet meer. Zonder beelden ook geen begeerte. Hij kan woorden niet langer omzetten in verraderlijke rondingen, brutale billen en glinsterende geheimen. Tamalone gaat met zwart naar bed en staat met zwart op. Zijn binnenwereld is dood, een diepe krater gevuld met niets.”

Anton Dautzenberg staat bekend om acties waarin hij als een hedendaagse situationist waarheid en werkelijkheid te lijf gaat en tegelijk het aan mens en media klevende decorum doorprikt. Als schrijver blijkt hij een begenadigd stilist en fijnzinnig chroniqueur in een boek dat veel meer omhelst dan die ene Dag Dat De Gieren Buigen.

A.H.J. Dautzenberg – De Dag Dat De Gieren Buigen (Atlas Contact 2016)

Stadsdichter Heerlen Michelle Bracke: “Ik wil bij mezelf blijven en ga niet echt anders schrijven

ZS8O3473-v2
foto: Roel Janssen

Een doordeweekse avond in de binnenstad van Heerlen. Op de hoek van de Saroleastraat staat een historisch pand uit de jaren twintig; de ‘binnenkomer’ van het winkelcentrum. Ooit was er café In de Poort van Herle gevestigd, nu brasserie De Passie. Michelle Bracke is er enkele minuten eerder dan afgesproken. Aan een tafeltje met uitzicht op het Royaltheater en een deel van het toekomstige station, vertelt ze over haar gedichten. Maar ook over Heerlen dat haar tot stadsdichter koos, over David Bowie en, kort voor sluitingstijd over zichzelf, openhartig.

Bracke (31) studeerde filosofie in Sofia, kunst- en cultuurwetenschappen aan de Universiteit Maastricht. Overdag werkt ze bij een bewindvoerderskantoor. Haar vader was eigenaar van een bekende kroeg in het Heerlense uitgaanscentrum. Talent voor schrijven ontwikkelde ze al vanaf jonge leeftijd. Dat het goed voelde merkte ze toen ze bij zichzelf een waarneembare ontwikkeling ontdekte. Bracke: “Ik had al vanaf mijn tiende de behoefte om te schrijven. Ik wilde een dagboek bijhouden, maar ik merkte dat dat niet lukte omdat ik dingen ging verzinnen en zinnen herlezen. Ik vroeg me toen af hoe ik dat mooier kon opschrijven, en beter verwoorden. Op een gegeven moment werd mijn dagboek poëtisch proza.”

Terwijl ze enkele slokjes drinkt van haar glas thee zegt Bracke kritisch te zijn op haar teksten en niks voor lief te nemen. “Om van mezelf te zeggen dat ik in de buurt kom van iets dat je poëzie mag noemen, is eigenlijk pas sinds een paar jaar, dat ik mezelf voorzichtig durf te meten aan mensen die ik zelf ook goed vind. Dichters die ik graag lees variëren van de nieuwe dichters tot de klassieken. Ilja Leonard Pfeiffer is voor mij echt een taalgod, maar ook Ellen Deckwitz en Lieke Marsman zijn voorbeelden van dichters die begrijpelijk en goed schrijven.”

Ze maakt een onderscheid tussen het stadsdichterschap en haar ‘complexere’ poëzie. “Poëzie produceer je niet op commando”, beweert ze. “Ik vind dat gedichten weloverwogen geschreven moeten zijn. Goed en tegelijkertijd toegankelijk schrijven is best een uitdaging. Het is leuk als mensen het meteen snappen en leuk vinden om te lezen. Daar doe je het natuurlijk ook voor, althans, als stadsdichter. Ik ben nu bezig met een afscheidsgedicht voor Paul Depla (de burgemeester vertrekt in maart-red.). De ‘echte’ poëzie kan ik daarnaast doen; daar heb je andere gelegenheden voor, andere mensen. Ik wil bij mezelf blijven en ga niet echt anders schrijven. Ik zou dat ook niet kunnen, maar je schippert toch een beetje om het wat toegankelijker te maken. Goede teksten vinden hun eigen weg wel.”

ZS8O3797-v2-580x870
foto: Roel Janssen

Haar gedichten gaat Bracke voordragen tijdens poëziebijeenkomsten en bij culturele activiteiten in Heerlen. De jury die haar tot stadsdichter koos schreef: ‘Michelle weet de kwaliteit en diepgang van haar gedichten te verbinden met een pakkende, toegankelijke schrijfstijl’. Zelf werd ze bevangen door twijfel. “Bij de jurering vond ik het gesprek vreselijk slecht gaan. Ik dacht: die willen me absoluut niet hebben. Ik had het idee dat ze al iemand hadden gekozen, mensen die meer contacten hadden, dat dat een veilige keuze voor ze zou zijn.” De uiteindelijke winnares werd op het hart gedrukt dat ze best kritisch mag zijn, een ander geluid mag laten horen. Bracke: “Je wordt geenszins beperkt in je kritiek. Dat is prettig, maar ik vind dat je wel een dichter moet blijven. Dat je juist dingen moet kunnen vangen die niet zo voor de hand liggen, dat je daarop krachtig inzoomt en niet de makkelijk dingen kiest.”

Over het grote bouwproject dat de nieuwe stationsomgeving van Heerlen moet worden is ze resoluut: “Ik vind het zo’n slordig plan dat Maankwartier. Daarmee ga je het centrum leeg trekken. Ik vind dat ze moeten centraliseren zoals Maastricht dat doet. Nu wordt er teveel verdeeld in plaats van naar een centrum toe te werken, wat ook economisch beter is.” Haar issues met Heerlen bekruipen haar het meest als ze weer eens een andere stad opzoekt, zoals onlangs Berlijn. “De mensen zijn wat minder bekrompen en ze vinden niet zo gauw iets gek. Een verademing.” Maar vooroordelen over poëzie zijn overal. “Iets wat mensen maar moeilijk kunnen volgen, bijvoorbeeld, is dat ik naar metal luister. Dat matcht niet met de connotatie die mensen bij poëzie hebben, hetgeen lief en braaf is.”

De naam van David Bowie valt. De tijd dat hij in Berlijn woonde, eind jaren zeventig, bezorgde zijn muziek een artistieke opleving. De zanger is een groot voorbeeld voor Bracke: “David Bowie was mijn eerste liefde. Wat ik aan hem zo fascinerend vind is dat hij van gedaante verandert alsof het een natuurlijk ding is. Dat herken ik, die behoefte om al je gezichten te laten zien. Bowie was lekker androgyn en had daar gewoon schijt aan. Ik mag daar graag een voorbeeld aan nemen. Niet dat ik zelf ook zo ben, maatschappelijke conventies houden me in toom. Gewoon voor de lol zet ik wel eens een pruik op. In vind het fijn om fysiek te veranderen, om een andere kant van me naar buiten te laten. Ik ben gewoon mezelf maar heb soms de behoefte er anders uit te willen zien.”

Ze laat enkele foto’s zien vanaf haar smartphone. Daarop draagt ze een pruik met telkens een ander kleurtje en passende oogopslag. Over haar voorkeur om zichzelf soms een ander uiterlijk te geven: “Iedereen moet altijd een keuze maken. Op de een of andere manier kan ik daar niet tussen kiezen. Mensen vinden dat raar, en dat vind ik dan weer raar en dan ga ik het juíst doen. Ik weet ook niet waar dat vandaan komt. Je moet niet alternatief zijn om het alternatief zijn. Het is meer gevoelsmatig, iets waar ik plezier in heb. Ik moest wel eerst dertig worden om dit te kunnen doen.”

Op de achtergrond klinkt het geluid van glazen die worden omgespoeld en klaargezet voor de volgende dag. De laatste gasten hebben De Passie intussen verlaten. Kort voor sluitingstijd. De jonge stadsdichter neemt nog een laatste teugje van haar groene thee. Aan haar handen draagt ze opvallende ringen. Ze praat bedachtzaam maar zelfverzekerd, aangenaam en bescheiden. “Het is pas na mijn dertigste dat ik in alle oprechtheid kan zeggen: ik heb er schijt aan wat iedereen van me denkt. Daarvoor durfde ik dat niet. Ik ben niet heel erg ad rem en nogal introvert van karakter. Ik liet niemand binnen, bouwde een muur om me heen. Dat begon tegen me te werken. Ik zat helemaal in mezelf opgesloten. Het is een van de redenen waarom ik poëzie ben gaan schrijven, een manier om je te uiten, een uitlaatklep. Inmiddels is de muur gesloopt en dat voelt heerlijk.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Boek Lucebert & Jazz alleen voor fijnproevers

Lucebert - De Raddraaiers (1993) olieverf op doek
Lucebert – De Raddraaiers (115 x 145 cm, olieverf op doek, 1993)

Kunstenaar Lucebert dichtte door woorden niet met rust te laten. Zelf vond hij dat zijn jazzpoëzie hardop moest worden voorgelezen. Hoe talentvol hij als dichter en schilder ook was, gedurende zijn aardse bestaan voelde Lucebert zich naar eigen zeggen een “gemankeerde saxofonist”. Het liefst wilde hij in gereïncarneerde vorm terugkeren als “fantastische saxofonist”.

Lucebert & Jazz is een onderonsje tussen uitgeverij Huis Clos uit Rimburg (Landgraaf) en het Limburgse ontwerpersduo Maud van Rossum en Piet Gerards. De vormgeving van het boek ziet er bedrieglijk eenvoudig uit maar springt vanaf enkele meters afstand in het oog dankzij de vette roodzwarte letters op de kaft. Dat belooft wat. Helaas gaat het ontwerp niet veel verder dan de cover. Binnenin zijn vormgeving en typografie zo karig dat de publicatie soms wat weg heeft van een streng schoolboek.

L

 

Lubertus Jacobus Swaanswijk (1924-1994) liet zich bij een groot deel van zijn experimentele poëzie en doeken inspireren door de swing en weemoed van de jazz. Muziek waarmee hij een levenslang pact sloot. Indachtig de vernieuwende stromingen van destijds, bebop en freejazz, wilde ook hij iets creëren wat er nog niet was, iets van toenemende waarde minder weerloos maken. Belangrijkste getuige vormt zijn uit bijna tweeduizend titels omvattende platenverzameling. De privédiscografie staat keurig achterin het boek gerangschikt. De als hommage bedoelde uitgave, subtitel “Ik Ben Een Gemankeerde Saxofonist”, bevat verder deels eerder verschenen artikelen, essays en interviews. Wie de slipcase eraf haalt ontdekt in de achterflap twee cd’s: opnamen van het Flex Bent Braam ensemble dat jolige herbewerkingen van jazzstandards speelt, en een liveregistratie uit 1965 met jazz & poetry door o.a. Lucebert en het Misha Mengelberg/Piet Noordijkkwartet tijdens de uitreiking van de Constatijn Huygensprijs.

Een van de hoogtepunten van het boek is het interview dat Bert Vuijsje met Lucebert had. Inzichtelijk, invoelbaar en raak geschreven. Dat geldt ook de scriptie van Jan van Gilst. Een enkele bijdrage is echter onnodig academisch van toon. Het essay van Johanneke van Slooten, een abstracte analyse van de fonetiek en woordtechniek in Luceberts jazzgedichten, ligt zeventien pagina’s lang zwaar op de maag. Zekerheidshalve wordt erbij vermeld dat de kunstenaar zich goed kon vinden in haar benadering, althans volgens de schrijfster zelf. De bijdrage van Ben IJpma komt door de opsomming van talloze namen de leesbaarheid evenmin ten goede. Je mist in dit boek een beetje de prikkeling en schwung om ook andere dan ingevoerde lezers te interesseren voor het werk van Lucebert en jazz.

Misschien was het beter geweest wanneer de samenstellers enkele jonge schrijvers of essayisten hadden gevraagd om meer duiding te geven aan de huidige waarde en betekenis van Lucebert, in relatie tot zijn favoriete muziek. Temeer omdat de hoogtijdagen van de jazz, met swing, bebop en freejazz, al lang voorbij zijn (zie de programmering van het North Sea Jazz Festival). Lucebert en jazz verdienen eigenlijk meer dan een niche-uitgave voor fijnproevers.

Ik Ben Een Gemankeerde Saxofonist. Lucebert & Jazz (Huis Clos 2013)

Figuur

 

Interview met schrijver A.H.J. Dautzenberg: “ik hou niet van refreintjes”

Midden: A.H.J. in boekhandel ’t Raethuys, Heerlen (foto: Anita Hondong)

Tweemaal in korte tijd ontmoeten we de schrijver A.H.J. Dautzenberg. Tijdens de zogenaamde signeersessie in Kerkrade komen vooral bekenden van zijn familie op hem af. Aanleiding is de autobiografische roman Extra Tijd, waarin Dautzenberg over zijn overleden vader, Kerkrade en Roda JC schrijft. Het ziekteproces van vader verloopt parallel aan de mogelijk degradatie van de Kerkraadse voetbalclub.

Tussen de dramatische gebeurtenissen door doemt op de achtergrond met enige regelmaat een raadselachtige gedaante op in de vorm van een in het zwart geklede cowboy. Een ietwat unheimische verschijning die te pas en te onpas de hoofdpersoon opzoekt. Extra Tijd is ontroerend en zonder opsmuk geschreven, geen moment sentimenteel. Enkele weken later treffen we de auteur in boekhandel ‘t Raethuys in Heerlen. We mogen intussen Anton zeggen.

Erg veel belangstelling is er niet voor Dautzenbergs tweede signeermiddag. Behoudens een poster aan het raam, heeft de winkel geen enkele moeite genomen iets aan publiciteit te doen. Stapeltjes Extra Tijdliggen nauwelijks zichtbaar niet op maar achter de toonbank. Doodleuk bekent een van de medewerkers het boek niet eens te hebben gelezen. Bepaald blij toont de schrijver zich niet met de onprofessionele gang van zaken. Van de reiskostenvergoeding neemt hij na afloop slechts een deel in ontvangst. Die fles Chardonnay is natuurlijk wel mooi meegenomen. Dautzenberg wil nog maar een ding. “Ik heb zin in een biertje”.

ad

Wanneer we muziekwinkel Satisfaction Records binnenlopen geeft de schrijver blijk van zijn voorliefde voor alles wat anders is; liefst heavy metal. Meer dan twintig jaar geleden verruilde hij zijn geboortestad Heerlen voor Tilburg. Daar is hij kind aan huis bij Roadburn, festival voor aanbidders van loodzware muziekkost. Anton Dautzenberg schrijft, vermoedelijk als enige in Nederland, met de logge maar bezwerende klanken van de groep Sunn 0))) op de achtergrond. De spelling van de curieuze bandnaam moeten we zien als een grafische transliteratie van de geluidsgolven die de band voortbrengt. In het nawoord van Extra Tijd: ‘het album Black One lijkt me een geschikte soundtrack voor deZandruiter part 1. De gitaardrones zorgen voor weidse en verbindende sfeer’.

Dautzenberg: “De hoofdstukken De Zandruiter schreef ik met albums van Sunn 0))) om de sfeer te pakken van het desolate, het melancholische. In wat ze doen zit natuurlijk die riff van Black Sabbath. Black Sabbath maakt eigenlijk ingenieuze muziek op bluesschema’s waar ze een andere toonsoort op hebben gelegd. Een nieuw idioom met laag gestemde gitaren. Sunn 0))) spelen gewoon een nummer van een uur en driekwartier. Ik heb ze een paar keer live meegemaakt. Hàrd. Verplicht oordopjes in. Ik ben een keer met mijn rug naar de luidsprekers gaan staan bij een optreden van Sunn 0))). Heel fysiek voelde dat. Je kon bijna leunen tegen het geluid.”

Grand café Oppidom bevindt zich midden in het centrum van Heerlen. Binnen deint de zalvende nostalgie der schlagermuziek. Meisjes in witte bloesjes zijn druk in de weer achter het buffet. De een verdwijnt naar de keuken, de ander komt zo te zien onze bestelling opnemen. Wanneer ze even later bij ons aan tafel staat, is zelfs Dautzenberg, de man die erom bekendstaat aan een half woord genoeg te hebben, met stomheid geslagen. Boven haar linkerborst zien we een klein deel van een tatoeage. Ze heeft net een knoopje teveel dicht om de hele huidversierende schepping te kunnen bewonderen. Daarom blijven we haar net zo lang aanstaren totdat de grens van het betamelijke ruimschoots wordt overschreden. Tot onze verbazing knipt ze met een laconiek gebaar het bovenste knoopje los. De contouren van een in zwarte kleding gestoken gestalte worden duidelijk zichtbaar. Marianne Rosenberg zet in: Ich Bin Wie Du. Grijnzend bestelt Dautzenberg een Palmbier.

foto Anita Hondong
foto: Anita Hondong

“Op de lagere school week ik al af van de top veertig. In je tienerjaren ga je daar je imago aan ontlenen, ga je dat sturen. Ik voelde al meteen: dit is lekker, dit is goed. Dat was nog een primair gevoel, daar zat nog geen aanstellerij bij. Op de middelbare school ben je daar nog bewuster mee bezig en ga je er ook een deel van je identiteit aan ontlenen. Dan ga je dat cultiveren, er verdieping in zoeken. Ik had niks met Van Halen, Kiss en die mainstream metal. Ik zocht meteen dat obscure op: Mercyful Fate, Metal Church. Metal was toen nog pure underground. Het begon op een hele conservatieve manier, maar ik zocht algauw de eilandjes binnen de metal op.”

Dautzenberg somt er een paar op: “thrashmetal, deathmetal, blackmetal, speedmetal, en zo voorts. Toen ik kranten ben gaan bezorgen had ik geld om die platen te kopen. Bij Satisfaction heb ik heel veel geld achtergelaten. Internet was er nog niet, de radio draaide het niet. Ik weet nog dat de eerste van Slayer uitkwam en Kill ‘Em All van Metallica. Dat was me toen toch een rauw geproduceerd album! Ze werkten allemaal met die Brian Slagel. Ik hield dat ook bij: platen die door Brian Slagel werden uitgebracht.”

“Wat ik waardeerde in metal was de puurheid en oprechtheid, het buiten de lijntjes kleuren. Ik hou niet van refreintjes. Dat donkere, occulte sprak me aan. Ik heb me daar in gewenteld. Dat werd een soort overlevingsmechanisme. Met lang haar! Die identiteit was natuurlijk een schild om mijn verlegenheid te verbergen.” In een interview met de Volkskrant zegt Dautzenberg daarover: “Ik durfde niets te zeggen. Ik wilde onzichtbaar zijn. Of blind, zodat ik de blikken van anderen niet kon zien.”

s

Alsof ze tegenwicht willen bieden voor Dautzenbergs betoog over heavy metal, galmen de schlagers vastberaden door het grand café. Dankzij de koperen gloed van kroonluchters boven bruinhouten wanden en glas-in-loodramen glimt er binnenshuis een behaaglijke, poëtische grandeur. Omdat schrijver en verslaggever in het gebied Oostelijke Mijnstreek opgroeiden, komen gevoelens van herkenning en jeugdsentiment spontaan bovendrijven. Omstandig wordt het fenomeen schlagermuziek uit de doeken gedaan. Met het legendarische tv-programma Die ZDF Hitparade nog vers in het geheugen, geschiedt de oratie via enkele hardop gezongen tekstfragmenten. Het plots opwellend zangtalent wordt echter ruw onderbroken wanneer de naam Nena valt. De destijds drieëntwintigjarige zangeres, die in 1983 de hitparades besteeg met 99 Luftballons, bezorgde menig puber ook een andere vorm van inspiratie. Dautzenberg: “Ik kan me nog herinneren dat ze met een strakke spijkerbroek in de Bravo stond. Ik heb me toen vaak op haar afgetrokken.”

Nena
Nena

Ingenomen is de schrijver over de louter jubelende recensies waarmee zijn boek Extra Tijd werd onthaald. Hij mocht aanschuiven bij VPRO’s Boeken en kreeg een vijfsterrenrecensie in de NRC. Kiezen voor de makkelijkste weg is hem echter vreemd. “Ik ben nu bezig met een bundel donkere verhalen. Ik wil elk verhaal een eigen soundtrack meegeven. Ik laat het gewoon op me af komen om in een bepaalde sfeer te geraken. Dat werkt bij mij het beste. Commercieel gezien is het misschien niet zo goed om nu met een verhalenbundel te komen, nu ik enigszins ben doorgebroken met deze toegankelijke roman. Ik zou net zo goed een tweede roman kunnen schrijven, maar dat interesseert me niet, ik volg gewoon mijn hart. De lijntjes loslaten. Nieuwe betekenis geven aan het literaire idioom. Het hoeft niet allemaal binnen de kaften van het boek plaats te vinden. Bij Extra Tijd heb ik wat dat betreft even gas teruggenomen.”

Ondanks de wat lacherige naam bezit het grand café Oppidom alles waarbij kunstenaars en schrijvers zich op hun gemak zouden moeten voelen. De schlager als aanjager voor hunkerend heimwee naar de jonge jaren. Jongedames die troost biedend tapgenot serveren. Een tableau vivant dat zich, althans tijdens onze aanwezigheid, ter plekke heeft gevormd. Alsof men hier rekening houdt met leeftijd en de dienovereenkomstige gedachtekronkels bij de clientèle. Anton Dautzenberg neemt een laatste slok uit zijn taps toelopende Palmglas. De fles Chardonnay mag de verslaggever mee naar huis nemen. Nog een laatste groet naar de toog, naar het meisje met de zwarte figuur boven haar linkerborst. Haar knoopje staat inmiddels op standje discreet.

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)