Inktzwarte groeven bij Teenage Slaves Of Satan

Hoes TSOS

Teenage Slaves Of Satan laat vaker en meer van zich horen. Een hernieuwde of voor sommigen eerste kennismaking is er op 2 september. Dan presenteert de deels Limburgse band een nieuw album dat onlangs van de persen rolde. Letterlijk. Een heuse vinyl-lp!

Ouder werk liet een band horen die associatief klonk, alsof rocksongs via een collage binnenstebuiten werden gekeerd. Muzikale raakvlakken met onder meer Kyuss en Black Sabbath kwamen steeds verder buiten gehoorsafstand te liggen. Zeker op de nieuwe plaat, die in twee dagen tijd werd opgenomen. Zoiets klinkt algauw als een statement. “Repeteren en opnemen is voor ons hetzelfde”, aldus Joan van Barneveld, zanger-gitarist én beeldend kunstenaar. Er is volgens hem nog een niet onbelangrijk verschil: “De muziek heeft iets duisters, maar ik leg er positieve teksten overheen. Dat gaat wringen.”

Wie de plaat beluistert hoort nog altijd geen hapklare brokken, maar wel muziek waar het schetsmatige uit is gehaald ten faveure van nummers met een begin en einde. Toch is het net alsof het album bij de luisteraar ter plekke in de huiskamer tot stand komt. Je hoort Van Barneveld af en toe commentaar leveren tussen de songs. Een eerbetoon bovendien aan de ouderwetse romantiek van het analoge tijdperk: wie het volume opkrikt hoort de versterkers brommen. Hier klinkt allesbehalve een aangeharkte, digitale uiting van populaire cultuur. In Absolutely Nothing klinkt de gitaar als klankbord voor onheilspellende ruis en vervormingen.

ITHLOYS (In The Heavy Light Of Your Sun) werd in een oplage van 300 exemplaren geperst. In tegenstelling tot de cd-hoesjes bevat de voorzijde van de lp geen artwork van Van Barneveld, maar een zwartwit fotoprint. Drummer Ed Romijn: “De foto doet me heel erg denken aan een ervaring die ik ooit had op het voodooeiland Siqior in de Filipijnen waar ik in het huis van zo’n witchdoctor woonde.”

 

Romijn, woonachtig in Rotterdam, kocht in 1977 op jonge leeftijd de lp Low van David Bowie. Puur en alleen om de hoes bekent hij. “Ik ging als kind iedere zaterdag met mijn vader en broer naar platenzaken, urenlang kijkend naar alle hoezen. En zoals je weet springt er om de zoveel platen waar je door heen ‘flipt’, een hoes uit die om wat voor reden dan ook je aandacht trekt. Zo kocht ik bijvoorbeeld Low van David Bowie toen hij uit kwam puur om de hoes. De androgyniteit sprak mij heel erg aan, ik zal elf geweest zijn.”

Joan van Barneveld atelier (2)

Ook bij Teenage Slaves Of Satan vormen ‘beleving’ lees: idee, teksten, muziek en hoes een onlosmakelijk geheel. Romijn: “De hoes is uiteraard een proces van een idee wat we hadden. Een bepaalde sfeer en richting. Deze veranderde een aantal keer en na een kleine fotoshoot met iemand die we kennen was daar ook de foto die nu gebruikt is. Een zekere heftigheid, intensiteit en duisterheid die het nieuwe album ook heeft. Het is een hoes geworden waar ik zelf op zou blijven hangen in een platenbak”.

ITHLOYS wordt 2 september gepresenteerd in de Nieuwe Nor in Heerlen. Met het entreekaartje kun je een exemplaar ophalen. Op de bühne wordt de band overigens muzikaal bijgestaan door bassist Sander Haagmans. De releaseavond is onderdeel van het kunstproject Parallel, waarin kunstenaars gedurende het komende seizoen, in samenwerking met kunststudenten en Kunstbende Limburg in de popzaal exposeren.

Een week later treedt Teenage Slaves Of Satan op in het Bonnefantenmuseum. Daar is het drietal te aanschouwen in een spiegelinstallatie ter aanvulling op Van Barnevelds lopende tentoonstelling Mirror/Stage. “Dat is meer een psychologisch experiment voor mij”, aldus de kunstenaar. In zijn atelier in Stadslab, een voormalig klooster in Sittard, staan tegen de muren ingepakte canvassen. In het midden een drumstel, gitaren en opnameapparatuur. Jarenlang maakte Van Barneveld doeken met een donkere laag acrylverf. Daaronder kwamen langzaam maar zeker afbeeldingen tevoorschijn van o.a. poppodia en landschappen. Uitingen van populaire cultuur gebed in de ouderwetse romantiek van de schilderkunst.

Teenage Slaves Of Satan – releaseparty lp (Nieuwe Nor, Heerlen, 2 september 2016)

Teenage Slaves Of Satan – Mirror/Stage (Bonnefantenmuseum, Maastricht, 9 september 2016)

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Wethouder Barry Braeken over ‘Urban Heerlen’: “mensen gaan overtuigd worden door daden”

H
Pancratiusplein Heerlen

In zijn ruime kantoor hangt een variatie beeldende kunst aan de muur. Toch heeft Barry Braeken als wethouder niet alleen cultuur in zijn pakket, maar ook centrumontwikkeling en ruimtelijke ordening. Tijdens onze ontmoeting maakt hij een indruk die je het beste kunt omschrijven als goedgehumeurd en ongedwongen. Type ik-laat-me-niet-gek-maken. De wethouder betreedt het stadhuis alsof hij bij de bakker om de hoek binnenloopt. Nadat hij het bezoek iets te drinken heeft aangeboden, schenkt hij voor zichzelf gretig een glas cola in. Cola light voor de zekerheid. “Hier zit geen suiker in”.

Mede onder zijn verantwoording is een twintig pagina’s tellend bidboek verschenen dat leest als een pamflet om het lang geteisterde Heerlen weer op de been te helpen. Urban wordt het begrip waarmee de stad zich de komende jaren wil gaan profileren. De eerste contouren zijn reeds zichtbaar. Loop door de binnenstad en ontdek de murals en het megastation Maankwartier. Van de muurschilderingen is met ingang 1 juli een plattegrond verkrijgbaar. Maar Heerlen heeft meer urbane plannen, samengevat als ambities.

Kun je uitleggen waaróm dit bidboek is geschreven? Waarom is het nodig voor de huidige situatie in Heerlen?
Braeken: “Het was nodig om na de centrumvisie van 2005 de vraag te stellen wat willen we nou met het centrum, zeker met alle leegstand, en wat hebben we bereikt met cultuur. Een andere reden is dat je als Heerlen nu eens een keuze wilt maken waar we echt voor gaan. De makke van de afgelopen decennia is dat er geen echte keuze is gemaakt. Ondanks dat de centrumvisie een goed verhaal was, zag je van daaruit geen duidelijk profiel oprijzen. Een derde reden is pragmatisch. De provincie heeft voor stedelijke ontwikkeling een kader vastgesteld waarin veertig miljoen beschikbaar is gemaakt voor Limburg en 32 voor de vier grootste steden. Dat was een aanleiding om te zeggen: nu schrijven we het ook goed op.”

barry_braeken

In het bidboek is duidelijk sprake van ambities. Een woord waarmee je je als gemeente indekt omdat je niet weet of een en ander kan worden gerealiseerd.
“Je kunt het op twee manier benaderen: of we formuleren vijf speerpunten en dan weten we honderd procent zeker dat we die gaan halen. Maar het gevaar is dat je dan alleen aandacht hebt voor die vijf. Dan denkt de buitenwereld: ik hoef blijkbaar niks te doen, niet alles is van belang. We hebben daarom bewust gekozen voor 25 ambities. Dat is veel. Er staat letterlijk in dat we denken dat niet alle ambities bereikt zullen worden. Ze zijn alle 25 belangrijk, maar bij vrijwel allemaal hebben we ook andere partijen nodig. Als andere partijen zich geen moeite doen dan is het helaas, dan gaan we die ambitie niet halen.
Dan grijp je ook naast de kans dat je overheidsgeld zou kunnen krijgen om ook je eigen ambities te realiseren.”

Zijn er ook ambities die je persoonlijk het liefst gerealiseerd ziet worden? Waarbij je als wethouder het gevoel hebt, nou deze moeten echt gaan lukken?
“Alle 25! Ik ga niet in die valkuil trappen. Ik ga niet binnen die 25 een prioritering aanbrengen. Dat ga ik gewoon niet doen. We gaan voor alle 25.”
De wethouder slaat de handen ineen om zijn betoog kracht bij te zetten: “en misschien worden het uiteindelijk maar twintig. Als we in 2020 er 20 hebben gerealiseerd ben ik een gelukkig man.”

In het bidboek is sprake van het aangaan van allianties met andere partijen en betrokkenen. Vastgoedmensen en pandeigenaren bezitten vaak meerdere panden in de stad en hebben zo veel macht. Zij kunnen zeggen bekijk het met je bidboek, wij trekken ons eigen plan. Hoe wil je deze partij over de streep trekken om samen te werken?
“Er is een paar maanden geleden vastgoedoverleg gestart. Er zijn meerdere gesprekken gevoerd met zeven partijen, grote vastgoedeigenaren. Met hen zijn de grote lijnen van het bidboek al eerder gedeeld met vragen als: herkennen jullie dit, zien jullie dit ook als een richting? Natuurlijk roepen ze: we behouden onze individuele rechten voor. Maar ze tonen zich wel bereid om hier verder over door te praten. We gaan ongetwijfeld veel hobbels tegen komen, en er zal hier en daar nog best ruzie ontstaan, maar ik ben er niet pessimistisch over. Het feit dat ze aan tafel zitten en meepraten in een goede sfeer geeft mij goede hoop.”

Veel van de plannen lijken vooral gericht op jongeren, de creatieve industrie en studenten. De oudere bewoner komt nauwelijks aan bod. Die moeten het maar uitzoeken zo lijkt het.
“Dit vind ik een interessante discussie. In een bidboek geef je vooral aan wat je nog niet hebt en wat je wil ontwikkelen. In het centrum wonen al veel ouderen. Dus je hoeft niet de ambitie uit te spreken dat er meer ouderen moeten gaan wonen. Die zijn goed vertegenwoordigd. Ik geloof niet meer in een generatiekloof. In het Amerika van de jaren vijftig kwam de popmuziek voor de blanken helemaal vanuit het niets. Die ouders schrokken zich wild. Dat was duivels, Elvis Presley, je kent het wel. Dat is niet meer. Degenen die toen naar Elvis luisterden zijn nu opa’s en oma’s, en die zijn nog steeds geïnteresseerd in popmuziek. Heel veel ouderen vinden urban elementen als murals en breakdance ook heel leuk. Ouderen zijn niet geïnteresseerd in een binnenstad waar ze alleen maar leeftijdgenoten tegen komen. Die willen ook een mix van verschillende generaties.”

Maar ze worden niet betrokken bij de initiatieven en plannen die nu op tafel liggen.
“We zijn nu aan het denken om in de tweede helft van 2016 een urban week te organiseren waarin je ook de bevolking betrekt en mee laat praten. Meer kan ik er nu nog niet over zeggen.” Na een slokje van zijn favoriete frisdrank benadrukt de wethouder: “de reacties die ik krijg zijn heel erg positief: ‘we kunnen niet precies de vinger leggen op wat urban is, maar het gevoel is goed’”.

20160609_100557

In meerdere opzichten ligt in Heerlen het best bewaarde geheim van Nederland. Het Romeinse badhuis uit vermoedelijk 40 na Christus, is min of meer verborgen onder het immense dak van het Thermenmuseum. Er tegenover, in een kantoortje van makelaar Aquina, bevinden zich onder een glasplaat de resten van een Romeinse kelder. Het muurtje is ook te zien door een luchtrooster aan de zijkant van het kantoorgebouw. Het besef van de archeologische waarde voor Heerlen begint echter nu pas langzaam door te dringen; mede dankzij de inspanningen van archeoloog en museumconservator Karen Jeneson.

Ondanks dat alle plannen rondom het badhuis en de omliggende omgeving (Romeins kwartier) nog moeten worden opgestart, wordt in het bidboek gesproken van het verdubbelen van het aantal bezoekers aan het archeologisch erfgoed. Hoe denkt de gemeente dit voor elkaar te krijgen?
Glimlachend: “Ah, da’s een makkie. Een van de gemakkelijkste ambities die erin staat.”

Echt?
“Ja echt. Het aantal bezoekers aan het Thermenmuseum is nu schokkend laag. Dat is heel erg zonde want daar ligt natuurlijk een van de meest bijzondere monumenten van Nederland. Dat gebouw dat er om heen staat is natuurlijk een gribus. Met de ontwikkeling van het Romeinse kwartier willen we ook toewerken naar een nieuw gebouw, liefst transparanter, dat veel meer bezoekers zal trekken, ook omdat het hele gebied veel meer over archeologie en erfenis zal gaan. Dat is een ambitie waarvoor ik mijn hand in het vuur durf te steken, die gaan we zeker halen.”

Kun je iets meer vertellen over deze ‘urban heritage’.
“Het liefst willen we ook het Raadhuisplein (pal achter het stadhuis-red.) open leggen. Er zijn vermoedens op basis van kaarten uit de jaren dertig dat er een publiek gebouw heeft gelegen, langs een Romeinse weg. Op dit plein is nooit bebouwing geweest, misschien alleen in de Romeinse tijd.”

Ondanks alle ontwikkelingen en initiatieven blijft er een hardnekkige groep inwoners voor wie ‘het nooit goed is’. Zij zullen, al dan niet via sociale media, met argusogen naar de ideeën kijken. Hoe wil je die mensen overtuigen van het belang van het bidboek?
“De categorie mensen ‘het is nooit goed’ gaan we niet overtuigen. Voor hen maakt het niet uit wat we opschrijven. Ik ga geen namen noemen, maar die categorie bestaat. Als ik op social media kijk vind ik de berichten over het algemeen heel positief, maar het gevaar is natuurlijk dat je vooral in je eigen kring reacties hoort. Ik denk dat veel mensen overtuigd gaan worden door daden, zeker als die eenmaal worden uitgevoerd vanuit het bidboek.”

Noem eens een voorbeeld.
“Ik had onlangs een gesprek met een aantal ondernemers. Daar was de kritiek: ‘heeft de gemeente wel een visie? Wat wil de gemeente met het centrum?’ Maar nadat ze het bidboek hadden gelezen werd er gezegd: ‘oké, dit is een goed verhaal, er is wél een keuze gemaakt. We zijn blij dat er iets gaat gebeuren.’”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

 

Kunstenaar Michel Huisman: “Met het Maankwartier kunnen we onszelf opnieuw uitvinden”

20150802_163446
(foto Harry Prenger)

Op een waterkoude oktoberdag wordt het bezoek niet zomaar welkom geheten, maar gewoon aan de jas naar binnen getrokken. In het riante jaren twintig huis houdt de Staffordshire bullterriër Abel de visite nauwlettend in de gaten. Achter de woning bevinden zich enkele kunstwerken in de tuin, die je gezien de omvang gerust een park mag noemen. Onder het keukenraam houdt een tijgerkatje een middagdutje.

Michel Huisman (Heerlen, 1957) is geestelijk vader van het Maankwartier. Het prestigieuze bouwwerk vervangt het oude stationsgebied met de beruchte voetgangerstunnel dat in Heerlen lange tijd gold als toevluchtsoord voor verslaafden en dealers. Du moment dat Huismans ontwerp het groene licht kreeg kwam ook de kritiek. Het project zou te megalomaan zijn, niet passen bij een stad als Heerlen dat gebukt gaat onder leegstand en dalende inwonersaantallen. Veel wil Huisman er niet over kwijt, maar de kritiek raakt hem wel geeft hij toe. In de keuken laat hij ogenschijnlijk gemoedereerd de koffie door de filterzakjes pruttelen. “Met het Maankwartier is de stad niet af. Met het Maankwartier kunnen we onszelf opnieuw uitvinden.”

007
(foto Harry Prenger)

Huisman neemt geen genoegen met voldongen feiten en veronderstellingen. Zijn antwoorden en beschouwingen leiden tot verbaal mooi weergegeven vergezichten, waar nodig voorzien van een welluidende schaterlach. Aan de hand van filmbeelden en foto’s illustreert hij in de boven de woning gelegen werkruimte via een beeldscherm zijn uiteenzettingen. Dan wordt gaandeweg duidelijk waarom volgens Huisman het nieuwe station voor Heerlen zo belangrijk is. “Je moet niet wachten totdat de stad iets doet, maar je moet kijken wat je zelf kunt doen.” Droogkomisch voegt hij eraan toe: “God is naar huis, die doet niks meer.”

Huismans uitspraken vormen de specie in de muur van weerstand op het Maankwartier. Zíjn Maankwartier. Bedacht met criteria die nadrukkelijk afwijken van de geijkte ontwerp- en architectuurprincipes. “Als je als architect iets ontwerpt dan wordt het ontwerp intellectueel eigendom van de opdrachtgever. Als kunstenaar valt jouw werk onder de auteurswet van 1912, en als zodanig heb ik, voordat ik er aan begon, het Maankwartier gedeponeerd. De mensen die met mij dit zijn gaan bouwen hebben met elkaar afgesproken zich te houden aan die auteurswet. Dat is een fundamenteel ander uitgangspunt. Dit kan een architect zich meestal niet permitteren. Het eerste dat volgens mij moest gebeuren was dat de ziel van de stad moest veranderen, die moest ombuigen. Dat is wat het Maankwartier in eerste lijn doet. De cynici onder ons zeggen: je gaat toch niet een ding bouwen en je dan afvragen wat je ermee moet? Maar dat komt omdat cynici cynisch zijn. Een liefdeloze ontmanteling is iets anders dan fantasie of empathie.”

017
(foto Harry Prenger)

Opvallend zijn de vele details die hij in het gebouw heeft verwerkt. Een ervan is de Heliostaat. Een hoge toren met een halfronde spiegelbol. Die vangt en weerkaatst het zonlicht naar een beneden gelegen vijver. Daaronder bevindt zich de parkeergarage. Het is de bedoeling dat daar een kloostertuin wordt aangelegd met oude Franse zitbankjes. Huisman: “Als je vandaar naar boven kijkt zie je de zon door het water heen schuiven.”

Je zou na alle recente publiciteit over het nieuwe station bijna vergeten dat de bedenker ervan al geruime tijd beeldend kunstenaar is. In zijn installatie-achtige werken laat hij onder meer dier en (vergane) technologie samen komen in beelden die tegelijk vervreemding en herkenning oproepen. Uit het voorwoord van zijn overzichtsboek Garden Night And Farewell: “Michel Huisman gaat op zoek naar de teloorgegane eenheid van mens en wereld in een maatschappij waar zoveel ingrijpend verandert en fundamentele waarden op de helling staan”.

In 1999 had de Heerlenaar een tentoonstelling in het Stedelijk Museum. Nu terugkijkend beweert hij resoluut: “Dat wordt gezien als het walhalla voor kunstenaars, maar daar ben ik somber van geworden. Ik dacht: dit zijn afwerkplekken.” Huisman ziet de blik met onbegrip bij zijn toehoorder. Hij benadrukt zijn engagement als kunstenaar. “Het heeft niets meer met sociaaleconomische realiteit te maken. We zijn een derivaat geworden. De realiteit trekt zich niets aan van wat de kunsten vinden. Je moet iets doen waarbij je emotionele intelligentie implementeert in de realiteit. Hoe komt het zo smerig en wie ruimt het op? Dat betekent: de vaat gaan doen. Dan blijkt dat iedereen het wel goed vindt.”

022
(foto Harry Prenger)

“Iedereen is eenzaam. Kunstenaars zijn erg gevoelig. Je kunt dan troost vinden in het feit dat veel mensen je kennen. Dat geldt ook voor wethouders en politici. Iedereen heeft wel zo’n verlangen. Wat wezenlijk is, is dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden: van kunst die gaat over mededeling en boodschap; en over kunst die mooi is, als omhooggevallen design. Daar maak ik graag een onderscheid tussen. Als jij een telefoonboek uit je hoofd kent ben je nog niet erudiet. Dan heb je aangetoond dat je iets kan onthouden. Als jij een Sinterklaasgedicht kan maken dat perfect rijmt ben je nog geen dichter. Iedereen heeft een geweten. Dat geweten werd vroeger gevoed door een soort collectieve godsvrees en een sociale omgeving. Dat is geleidelijk aan vrij geworden. Daarin zijn we te ver doorgeschoten: het enige wat van belang is, is datgene wat het meeste oplevert. Dat is misschien inherent aan de manier waarop we in elkaar zitten.”

rondleiding (30)
Michel Huisman (midden) tijdens rondleiding Maankwartier (foto Harry Prenger)

In Huismans woorden weerklinkt een onverstoorbare romanticus; maar wel met visie op verleden, heden en toekomst. Wanneer hij het Heerlen vanaf de jaren dertig tot vijftig, met het Heerlen van pakweg de laatste drie decennia vergelijkt, gaat het over de veranderingen en toenemende gevoelsarmoede die de binnenstad heeft ondergaan.

“Kijk eens hoe mooi de markt was, die kiosk.” Huisman wijst op oude foto’s van marktplein de Bongerd, nog niet ontsierd door een mengeling van reclamegevels. En op de afwezigheid van non-descripte, lukraak neergezette gebouwen, die volgens de kunstenaar de verbinding tussen de verschillende stadscentra onderbreken. “Wat onze grootouders wilden vinden wij niet meer belangrijk. We breken het af. Dat is een waanzinnige fout geweest. Wij hebben een moord gepleegd. Dat zou je moeten kunnen herstellen, ware het niet dat in de openbare ruimte privaatrechtelijk gebieden ontstaan die zich als een eiland verhouden tot de gemeenschap. Vastgoedmensen die panden in de stad bezitten kunnen gewoon zeggen: ik doe er niet aan mee….dat is de vrije markt. De vraag is hoe gaan we hiermee om? We hebben onszelf in een crisis geholpen door de rug niet recht te houden en te kiezen voor hetgeen niks kostte en zoveel mogelijk rendement had. Dat is geen waarde, dat is alleen maar functie. Allemaal bedacht vanuit de gedachte: ik heb geen boodschap aan jouw emoties, ik heb iets dat ik verkopen wil.”

rondleiding (27)
(foto Harry Prenger)

Leidraad in Huismans verhaal is het mogelijk verlies van een eigen identiteit tijdens de veranderingen die mens en stad ondergaan. “Als je je identiteit kwijtraakt heb je maar drie manieren om het terug te krijgen. Door reconstructie, het nú definiëren van wat je mooi vindt, of emotionele intelligentie. Dat laatste is een ondergesneeuwd kindje. Die is terecht gekomen bij c-films, daar doen we niet meer aan. Ga er van uit dat onze twee hersenhelften worden gerepresenteerd in het beleven en het bedenken. Wat er tegenwoordig gebeurt is dat die twee hersenhelften niet bij elkaar worden gehouden, nee, die moeten met alle geweld uit elkaar!”

“Marketingmensen zeggen: ik heb geen behoefte aan creativiteit. Kénnis daar gaat het om. Dat is zo onvoorstelbaar dom. Dat is zo’n belediging voor het menselijk brein. Zoals de mystici in de middeleeuwen al zeiden: je leeft voor je ziel en het verstand is daar het gereedschap van. Wij keren het om. We zeggen alle emotie is sentimenteel. Wat rationeel is, is functioneel. En wat is het gevolg? Kijk naar Mark Rutte, die regeert maar met een hersenhelft. Dat is niet omdat hij zelf zo is, maar omdat we dat met zijn allen zo besloten hebben.”

Wanneer we aanstalten maken het gesprek te beëindigen, toont Huisman niet zonder trots zijn maquette van het Maankwartier. In 2003 gepresenteerd tijdens een informatieavond. De laatste steen van het imposante bouwwerk moet worden gelegd in 2018. Het begin van het nieuwe Heerlen, met of zonder leegstand. Huisman: “Ik zie de leegstand als een kans, maar alleen als het die kans ook gegund wordt. Als er leegstand is zakken de huurprijzen. Tenminste, als het goed is. Behalve bij sommige arrogante pandeigenaren die zeggen: ik laat het leeg liggen. Dan zie je dat er boeven bezig zijn om roofbouw te plegen op de gemeenschap.”

“Je moet je voorstellen dat zo’n stad niet zomaar is ontstaan. Daar gaan honderden jaren over heen. Daar is allemaal belastinggeld en gemeenschapsgeld in verdwenen. Dat heeft gezorgd voor een weefwerk, dat ons als een spinnenweb langs de draden leidt van ons bestaan. Overal zie je aspecten van het menselijk bestaan geëtaleerd in etalages waar mensen je vriendelijk te woord staan en proberen je iets te slijten. De stad is een weerspiegeling van wat er allemaal te doen is, van wat er te koop is, wat er verandert, hoe dat aanvoelt en eruit ziet.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Mette Sterre en het ongemak als kunstvorm

8960202_orig
Fishwife 2012 55 x 40 cm digital print on dibond 3

Op het eerste gezicht oogt de kunst die ze maakt bizar, afstandelijk en vervreemdend. Omdat haar werk zich niet meteen in een hokje laat duwen kun je er niet onmiddellijk je vinger op leggen. De kunst van Mette Sterre!? Uitroep en vraagteken tegelijk.

Mette Sterre wil het liefst alle mogelijke kunsthokjes open gooien door grenzen te verkennen én te overschrijden met kostuums, tekeningen en performances. Daarnaast schuren haar werken langs theater en mode. Met kunstenaarsgroep Crystal Mette & the Fictions voerde ze de afgelopen jaren optredens uit in Berlijn, Londen en New York.

We ontmoeten de kunstenaar ‘s ochtends aan het ontbijt in Villa Eikhold, op enkele minuten van het Heerlense winkelcentrum. De parkachtige tuin om het monumentale pand accentueert de afstand tot de hectiek van de binnenstad. De Rotterdamse maakt een montere indruk. Ze heeft zojuist een boterham gesmeerd met plakjes hardgekookt ei. Op haar hoofd draagt ze een petje, lekker scheef.

Haar werk doet denken aan die andere kunstenaar van de multimedia, Mike Kelley. Kunst als middel om het comfortabele uit de weg te weg te gaan en het ongemak op te zoeken. Al draait het in het universum van Sterre (1983) vooral om het groteske en bizarre. “In het groteske zit veel humor. Ik denk dat humor een belangrijke drager is om dingen aan de kaak te stellen. Humor is een sterk middel om taboes te doorbreken, dat je nadenkt over dingen, waarna je ze minder zwart-wit ziet.” Op haar site legt ze uit dat ze bovendien inspiratie haalt uit sociologie en de culturele geschiedenis van horrorfilms. “Horrorfilms en sociologie zijn eigenlijk heel erg aan elkaar gelinkt. Waar we bang voor zijn is ook afhankelijk van hoe onze maatschappij in elkaar zit.”

20150625_171654-940x529

Belichamen de personages en karakters in haar kostuums de schaduwzijde van mens en maatschappij? Sterre, zelfverzekerd: “Vanaf de eerste dag dat we iets konden bedenken hebben we van alles geprobeerd om dingen te verklaren, vaak met een religieuze insteek. Mensen zoeken voor alles een reden en die reden is er soms ook. Dat merk je nu wel met het opgelaaide debat over asielzoekers. Mensen zijn bang voor het onbekende, bang voor verandering, bang om de controle te verliezen, terwijl je eigenlijk nooit ergens controle over hebt.”

Ondanks het vroege tijdstip spreekt Sterre openhartig over zwaar beladen onderwerpen. Ze praat makkelijk, kiest zorgvuldig haar woorden. Tussendoor neemt ze kleine slokjes van haar thee. Ze beweert dat ze met opzet kleding en kostuums ontwerpt die ongemakkelijk zijn om te dragen en in voort te bewegen. “Ik noem het liever geen kleding. Kleding is voor mij iets wat je aantrekt. Een kostuum is iets wat een karakter opbouwt. Als mensen vragen of ik een jurk wil maken denk ik: je kunt toch ook naar de winkel gaan. Ik zie mezelf als beeldhouwer rondom het lichaam, met sculpturale vormen. De uitdaging is om zoveel mogelijk de menselijke vorm te verstoppen.”

Mette Sterre is net terug van een reis naar New York waar ze meewerkte aan een project van experimenteel theatermaker Robert Wilson. Ze relativeert haar drukke agenda en verre uitstapjes: “Als je veel reist ben je ook wel eens eenzaam. Je leeft dan in het moment, al is voor niemand echt duidelijk wie je bent, waar je vandaan komt of wat je achtergrond is. Iedereen doet gezellig in het begin, dat is leuk, maar je moet zelf weer verder.” Sinds drie jaar verblijft ze beurtelings in Londen en Rotterdam, waar ze achter het centraal station haar atelier heeft. Sterre: “Rotterdam is niet zeiken, lekker werken. Ik heb nu wel het idee dat ik ergens ben waar ik wil zijn.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Didi Recordshop gaat door waar anderen stoppen

02

Didi? Massagesalon met happy ending? Relaxhuis waar heren worden ontvangen door dames van lichte zeden? Of toch gewoon de naam van de onontkoombare nagelstudio? Niks van dit alles. Aangenaam: Didi Recordshop, in de volksmond liefkozend Didi geheten, ooit de bijnaam voor oprichter John Diederen. Na diens onverwachte overlijden nam Mat Villain het stokje over. Als vijftienjarige bracht hij de schier eindeloze bakken vinyl al op orde in het pand waar het allemaal begon, aan de Akerstraat in Hoensbroek.

Sinds 2006 is Didi gevestigd in een enorme loods net buiten het centrum van Heerlen. Stiekem misschien wel het best bewaarde geheim van Nederland op vinylgebied. Voor de zekerheid liet de NS in de buurt vast een klein perron aanleggen. “De euregio is een groot gebied met enorm veel inwoners en naar verhouding weinig platenzaken,” verklaart Villain de toenemende drukte in zijn winkel. “Ik heb een actief netwerk, koop wekelijks honderden platen in, heb een brede klantenkring.” De klanten komen niet alleen uit Limburg. “Ik zie steeds vaker mensen uit de Randstad, die een bezoek combineren met een weekendje heuvelland.”

Hij is zo iemand die aan een half woord meer dan genoeg heeft. Laat de term vinyl vallen en je begrijpt waarom de collectie onophoudelijk wordt uitgebreid en ververst. Voorbeeld. Brengt de gewone sterveling Hemelvaartsdag door op de nabij gelegen woonboulevard, Villain start om 4 uur ‘s ochtends zijn Ford Transit bestelbus die hem naar Noord-Frankrijk voert. Doel: opkopen platencollectie. Wanneer de partij eenmaal in huis is, zien we in de gauwigheid een kleinood van bluesgitarist John Lee Hooker voorbij komen.

“Ik heb misschien een miljoen platen in mijn handen gehad, maar er zijn nog miljoenen meer. Er komt geen einde aan. Soms hoor ik wel eens iemand zeggen ‘ik heb alles’. Niemand heeft alles. Ik kom elke dag vijftig platen tegen die ik nooit eerder gezien heb waarvan ik niet weet hoe ze klinken en welke muziekrichting het is. Kijk maar eens naar de eindeloze stroom aan wereldmuziek”. Op zijn kantoor annex keukentje midden in het pand, steekt de huidige eigenaar van Didi de brand in de zoveelste peuk. Naast de koffiemok liggen NRC Handelsblad en de Volkskrant op tafel.

06

Mat Villain (32) groeide op in de buurt van het Belgische Lanaken. Daar was zijn eerste kennismaking met vinyl The Sounds Of Mars. Die werd door de kleine Mat gebruikt om het huispickupje te slopen, tot woede van zijn moeder. Van zijn eerste zakgeld kocht hij geen plaat maar een cd. Wel meteen een dubbele: Use Your Illusion van Guns ‘n Roses. Na de middelbare school begon hij aan een studie bedrijfseconomie. Ok, die achternaam. “Mijn vader heeft Franse voorouders, maar hij stamt zelf uit Kerkrade waar de naam vaak voorkomt. Meestal schrijf je het met één l, maar mijn overgrootvader maakte bij aangifte in het gemeentehuis een fout door de naam met dubbele l op te geven.”

Didi Recordshop moeten we ruim zien. Behalve de, volgens de website 350.000 lp’s en singles, treft de bezoeker boeken, cd’s, dvd’s, strips en games; overzichtelijk verdeeld in rekken, plastic bakken en kartonnen dozen. Maar het zal hem bij binnenkomst niet ontgaan dat het hier vooral draait om vinyl, “van klassiek tot grindcore”, voor beginners en gevorderden. Behalve het meer gangbare spul vind je er privépersingen en andere lp’s waarvoor de term obscuur beslist van toepassing is. Wie amechtig van het aanbod nog in staat is een blik te werpen boven de toonbank, ziet een andere opvallende cultuuruiting: hoesjes met schaars geklede dames. Hier is geen sprake van een platenzaak, maar van een, excusez le mot, beleving. Waarna de naam Didi niet meer liefkozend wordt uitgesproken maar vol ontzag.

In tegenstelling tot veel andere platenzaken schittert Didi Recordshop op facebook door afwezigheid. Mat Villain haalt zijn schouders op. “Ik ben nooit een groot liefhebber geweest van social media. Je kunt wel van alles posten op facebook, maar zonder al teveel reclame heb ik het gewoon bijna iedere dag druk. Ik maak online liever wat minder heisa. De mensen moeten langskomen. In de ruim zes jaar dat ik de winkel nu run vertoont de verkoop een stijgende lijn”. Hij klopt een paar keer op tafel.

“Mensen weten dat als ik een goede collectie binnenkrijg het in de winkel komt te staan en niet online. Anders kun je net zo goed studenten achter computers neerzetten en zeggen voer het maar in. Dat is helemaal niet leuk. Je moet er wel voor zorgen dat je altijd wat nieuws in huis hebt. Vernieuwen en contacten leggen. Je moet er bovenop zitten en niet op je lauweren rusten. Het is gewoon veel werk, daar staan mensen niet bij stil. Tien jaar geleden was het veel makkelijker. Toen waren er minder mensen die platen kochten. De platen die nu hot zijn (Hotel California, Rumours) lagen toen in de één eurobakken. Dat kocht niemand. Liefhebbers hadden het al, maar nu ook jongeren platen kopen is het steeds lastiger om te krijgen. Vorige week kwam hier een meisje van vijftien dat tien platen van Nat King Cole kocht.“

02

Niet alles wat Mat Villain inkoopt is voor de winkel bestemd. Hij houdt er als vinylliefhebber ook een privéverzameling op na. Die moet aardig uit de hand lopen aangezien de collectie al begint op kantoor. “Gewoon wat dingen die ik nog zocht”, beweert hij met gevoel voor understatement. Uit een doos plukt hij oude Blue Note lp’s en een stapeltje singles van hetzelfde jazzlabel. Of de eerste Nederlandse persing van Miles Davis’ Kind Of Blue. Hé, het debuut van punkband The Ex, mét single!

Mooi meegenomen dus als er na speurtochten door uithoeken en windstreken iets bijzonders tussen zit. Glimlachend wordt er een lp in de lucht gehouden van de Noorse folkgroep Folque. Doet met boekje erbij algauw zo’n 200 euro. In dossierkasten staan geen saaie ordners maar voorraadjes van door platenmaatschappijen afgeprijsde lp’s. Voor de winkel uiteraard. “Wat mij betreft ga ik graag nog dertig jaar door”, roept hij terwijl hij een exemplaar tevoorschijn tovert van de bekende Velvet Underground lp met banaanhoes. “Van deze verkoop ik er vijf per week”.

In 2016 doet Didi mee aan Record Store Day.

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Stadsdichter Heerlen Michelle Bracke: “Ik wil bij mezelf blijven en ga niet echt anders schrijven

ZS8O3473-v2
foto: Roel Janssen

Een doordeweekse avond in de binnenstad van Heerlen. Op de hoek van de Saroleastraat staat een historisch pand uit de jaren twintig; de ‘binnenkomer’ van het winkelcentrum. Ooit was er café In de Poort van Herle gevestigd, nu brasserie De Passie. Michelle Bracke is er enkele minuten eerder dan afgesproken. Aan een tafeltje met uitzicht op het Royaltheater en een deel van het toekomstige station, vertelt ze over haar gedichten. Maar ook over Heerlen dat haar tot stadsdichter koos, over David Bowie en, kort voor sluitingstijd over zichzelf, openhartig.

Bracke (31) studeerde filosofie in Sofia, kunst- en cultuurwetenschappen aan de Universiteit Maastricht. Overdag werkt ze bij een bewindvoerderskantoor. Haar vader was eigenaar van een bekende kroeg in het Heerlense uitgaanscentrum. Talent voor schrijven ontwikkelde ze al vanaf jonge leeftijd. Dat het goed voelde merkte ze toen ze bij zichzelf een waarneembare ontwikkeling ontdekte. Bracke: “Ik had al vanaf mijn tiende de behoefte om te schrijven. Ik wilde een dagboek bijhouden, maar ik merkte dat dat niet lukte omdat ik dingen ging verzinnen en zinnen herlezen. Ik vroeg me toen af hoe ik dat mooier kon opschrijven, en beter verwoorden. Op een gegeven moment werd mijn dagboek poëtisch proza.”

Terwijl ze enkele slokjes drinkt van haar glas thee zegt Bracke kritisch te zijn op haar teksten en niks voor lief te nemen. “Om van mezelf te zeggen dat ik in de buurt kom van iets dat je poëzie mag noemen, is eigenlijk pas sinds een paar jaar, dat ik mezelf voorzichtig durf te meten aan mensen die ik zelf ook goed vind. Dichters die ik graag lees variëren van de nieuwe dichters tot de klassieken. Ilja Leonard Pfeiffer is voor mij echt een taalgod, maar ook Ellen Deckwitz en Lieke Marsman zijn voorbeelden van dichters die begrijpelijk en goed schrijven.”

Ze maakt een onderscheid tussen het stadsdichterschap en haar ‘complexere’ poëzie. “Poëzie produceer je niet op commando”, beweert ze. “Ik vind dat gedichten weloverwogen geschreven moeten zijn. Goed en tegelijkertijd toegankelijk schrijven is best een uitdaging. Het is leuk als mensen het meteen snappen en leuk vinden om te lezen. Daar doe je het natuurlijk ook voor, althans, als stadsdichter. Ik ben nu bezig met een afscheidsgedicht voor Paul Depla (de burgemeester vertrekt in maart-red.). De ‘echte’ poëzie kan ik daarnaast doen; daar heb je andere gelegenheden voor, andere mensen. Ik wil bij mezelf blijven en ga niet echt anders schrijven. Ik zou dat ook niet kunnen, maar je schippert toch een beetje om het wat toegankelijker te maken. Goede teksten vinden hun eigen weg wel.”

ZS8O3797-v2-580x870
foto: Roel Janssen

Haar gedichten gaat Bracke voordragen tijdens poëziebijeenkomsten en bij culturele activiteiten in Heerlen. De jury die haar tot stadsdichter koos schreef: ‘Michelle weet de kwaliteit en diepgang van haar gedichten te verbinden met een pakkende, toegankelijke schrijfstijl’. Zelf werd ze bevangen door twijfel. “Bij de jurering vond ik het gesprek vreselijk slecht gaan. Ik dacht: die willen me absoluut niet hebben. Ik had het idee dat ze al iemand hadden gekozen, mensen die meer contacten hadden, dat dat een veilige keuze voor ze zou zijn.” De uiteindelijke winnares werd op het hart gedrukt dat ze best kritisch mag zijn, een ander geluid mag laten horen. Bracke: “Je wordt geenszins beperkt in je kritiek. Dat is prettig, maar ik vind dat je wel een dichter moet blijven. Dat je juist dingen moet kunnen vangen die niet zo voor de hand liggen, dat je daarop krachtig inzoomt en niet de makkelijk dingen kiest.”

Over het grote bouwproject dat de nieuwe stationsomgeving van Heerlen moet worden is ze resoluut: “Ik vind het zo’n slordig plan dat Maankwartier. Daarmee ga je het centrum leeg trekken. Ik vind dat ze moeten centraliseren zoals Maastricht dat doet. Nu wordt er teveel verdeeld in plaats van naar een centrum toe te werken, wat ook economisch beter is.” Haar issues met Heerlen bekruipen haar het meest als ze weer eens een andere stad opzoekt, zoals onlangs Berlijn. “De mensen zijn wat minder bekrompen en ze vinden niet zo gauw iets gek. Een verademing.” Maar vooroordelen over poëzie zijn overal. “Iets wat mensen maar moeilijk kunnen volgen, bijvoorbeeld, is dat ik naar metal luister. Dat matcht niet met de connotatie die mensen bij poëzie hebben, hetgeen lief en braaf is.”

De naam van David Bowie valt. De tijd dat hij in Berlijn woonde, eind jaren zeventig, bezorgde zijn muziek een artistieke opleving. De zanger is een groot voorbeeld voor Bracke: “David Bowie was mijn eerste liefde. Wat ik aan hem zo fascinerend vind is dat hij van gedaante verandert alsof het een natuurlijk ding is. Dat herken ik, die behoefte om al je gezichten te laten zien. Bowie was lekker androgyn en had daar gewoon schijt aan. Ik mag daar graag een voorbeeld aan nemen. Niet dat ik zelf ook zo ben, maatschappelijke conventies houden me in toom. Gewoon voor de lol zet ik wel eens een pruik op. In vind het fijn om fysiek te veranderen, om een andere kant van me naar buiten te laten. Ik ben gewoon mezelf maar heb soms de behoefte er anders uit te willen zien.”

Ze laat enkele foto’s zien vanaf haar smartphone. Daarop draagt ze een pruik met telkens een ander kleurtje en passende oogopslag. Over haar voorkeur om zichzelf soms een ander uiterlijk te geven: “Iedereen moet altijd een keuze maken. Op de een of andere manier kan ik daar niet tussen kiezen. Mensen vinden dat raar, en dat vind ik dan weer raar en dan ga ik het juíst doen. Ik weet ook niet waar dat vandaan komt. Je moet niet alternatief zijn om het alternatief zijn. Het is meer gevoelsmatig, iets waar ik plezier in heb. Ik moest wel eerst dertig worden om dit te kunnen doen.”

Op de achtergrond klinkt het geluid van glazen die worden omgespoeld en klaargezet voor de volgende dag. De laatste gasten hebben De Passie intussen verlaten. Kort voor sluitingstijd. De jonge stadsdichter neemt nog een laatste teugje van haar groene thee. Aan haar handen draagt ze opvallende ringen. Ze praat bedachtzaam maar zelfverzekerd, aangenaam en bescheiden. “Het is pas na mijn dertigste dat ik in alle oprechtheid kan zeggen: ik heb er schijt aan wat iedereen van me denkt. Daarvoor durfde ik dat niet. Ik ben niet heel erg ad rem en nogal introvert van karakter. Ik liet niemand binnen, bouwde een muur om me heen. Dat begon tegen me te werken. Ik zat helemaal in mezelf opgesloten. Het is een van de redenen waarom ik poëzie ben gaan schrijven, een manier om je te uiten, een uitlaatklep. Inmiddels is de muur gesloopt en dat voelt heerlijk.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Met Corporeal maakt Hadassah Emmerich haar eigen Gesamtkunstwerk

HADASSAH-14
(foto: Anita Hondong)

Hadassah Emmerich laat iets zien dat zich niet meteen gewonnen geeft. Wat op het eerste oog een bont spektakel lijkt waarin kleuren en vrije vormen overheersen, is in werkelijkheid een samenpakkend Gesamtkunstwerk. Achter de schilderijen, tekeningen, linosnedes en muurschilderingen gaan begrippen schuil als vrouwelijke identiteit, exotisme en zelfreflectie. Emmerich toont ze onnadrukkelijk. Toch voel je dat er meer aan de hand is, veel meer. Corporeal heet haar tentoonstelling in Schunck. Een Engelse aanduiding voor het lichaam dat niet kan bestaan zonder het fysieke en het persoonlijke.

Lees verder