Het doolhof David Lynch – aanvallen op het onderbewustzijn in het Bonnefantenmuseum

Aan het begin van de tentoonstelling loeit een sirene. Een waarschuwing voor wat de bezoeker te wachten staat. Wat volgt is een metershoge foto van de schilder aan het werk. De meeste mensen zullen hem kennen van zijn films Blue Velvet en Mulholland Drive of de veelgeprezen tv-serie Twin Peaks. Maar voor het eerst in Nederland gaan we uitvoerig kennis maken met de beeldend kunstenaar David Lynch. Het Bonnefantenmuseum pakt flinkt uit: vijfhonderd kunstwerken verdeeld over vijftien zalen. Van de eerste schetsen die hij in de jaren vijftig maakte tot enorme doeken uit 2018. Dan gaat het om schilderijen, tekeningen en foto’s, staande lampen en ja, nogal wat werken met heel veel spulletjes erin.

Dat luchtalarm hoort overigens bij de “moving painting” Six Men Getting Sick, te zien aan de achterkant van de Lynchfoto. Onvermijdelijk zijn er meer raakvlakken met zijn films, want hé, doet dat misvormde hoofdje niet denken aan die monsterachtige baby uit Eraserhead? En ligt daar niet de eerste versie van het scenario voor Blue Velvet? David Lynch dus. Berucht om zijn weigering zijn kunst uit te leggen. Bekend om een voorliefde voor “a damn fine cup of coffee”. In de museumshop is zijn eigen merk koffiebonen te koop.

Snel wordt duidelijk dat hier iemand aan het werk is met een vrije geest. Iemand die alle ruimte en vrijheid neemt om te komen tot een eigen universum, een eigen realiteit als het ware. Om hieraan gestalte te geven gebruikt Lynch gek genoeg alledaagse materialen en voorwerpen. Zo heeft hij op een van de schilderijen enkele sigarettenpeuken uitgeduwd. Objecten die herkenbaar en alledaags zijn worden door Lynch gebruikt in beelden waarvan je niet precies weet wat ze voorstellen. Ze doen denken aan nachtmerries. Eerst raak je nieuwsgierig en word je naderbij gelokt, vervolgens gaan ze aanvallen uitvoeren op het onderbewustzijn. Net als zijn beste films inderdaad. Gelukkig is er ook humor. Een van de bijdragen aan de tentoonstelling heet I Was A Teenage Insect. Fragiel en grappig ogen de sculpturen van staande lampen. Gezellig bijeen in een kring alsof ze familie van elkaar zijn.

Laten we, naar adem happend, verdergaan met herkenning en houvast. In de multimediadoeken ontdekken we een mobiele telefoon half verstopt in een colbertje, een afgescheurde spijkerbroek, boomtakken, een dameshorloge, plastic rozen. Alles vet opgeplakt en vastgekoekt met klodders verf, lijm en klei en wat al niet. Met de kunstenaar zelf gaat het intussen prima. Tijdens de opening vertelt hij via een Skypeverbinding vanuit Los Angeles: “Ik zeg altijd maar: de kunstenaar zelf hoeft niet te lijden om ellende te kunnen tonen. Ik wil het laten zien in verhalen en schilderijen.“

Is het dan allemaal macaber en rauw? Wie de tijd neemt en zich niet laat overrompelen door de hoeveelheid indrukken, merkt dat David Lynch nog meer te bieden heeft. Bijna ontroerend zijn de Distorted Nudes: digitaal bewerkte collages van erotische foto’s uit begin vorige eeuw. Of neem de pentekeningetjes op luciferdoosjes, de zwartwit foto’s van verlaten fabrieken. Niet keurig in passe-partouts, nee lekker op groot formaat, waardoor ze iets spookachtigs en mysterieus krijgen.

In een grote zaal bevinden zich een soort hangende vitrines van twee bij drie meter. Nog meer voorwerpen en materialen, maar dan op lappen karton. Eromheen of onderdoor stuiteren schots en scheve lettertjes die niet alleen de titel van het werk aangeven maar tegelijk de aanzet vormen tot een verhaal. Ook in deze beelden maakt het daglicht plaats voor schemer. “Dat fascineert me, zaken als insecten, vlees, verrotting. Ik houd ook van natuur die bloeit, maar wat ik wil schilderen is verval”, aldus Lynch in NRC Handelsblad. Soms is het net of je zit te kijken naar een staat van ontbinding. Niettemin branden in de canvassen vrolijk gekleurde lampjes.

In meerdere opzichten is dit museumbezoek een verademing. Lynch is geen kunstenaar die de tijdgeest wil vatten of er alles aan doet om een plek op te eisen in de kunstcanon. Lynch dringt niks op, maar tart meedogenloos de verbeelding en het voorstellingsvermogen. De titel van dit retrospectief had daarom net zo goed anders kunnen heten. Niet Someone Is In My House maar ‘someone is in my head’. Deze tentoonstelling is een belevenis die prikkelt en de geest verruimt. Goede zet van het Bonnefanten om in de zalen alvast het licht te dempen. A damn fine exhibition.

David Lynch – Someone Is In My House (Bonnefantenmuseum, Maastricht t/m 28 april 2019)

Someone Is In My House is tevens de titel van de fraaie Nederlandstalige tentoonstellingscatalogus. Ook aan te bevelen is het in 2007 verschenen The Air Is On Fire. Dit lijvige boekwerk bevat eveneens afbeeldingen van schilderijnen, foto’s en filmscènes, inclusief twee cd’s waarop Lynch uitgebreid vertelt over zijn werk.

Met zijn allen in de val: van Arctic Monkeys naar Blade Runner 2049

In een gefilmde toekomstfantasie worden gevoelens het hoofdpersonage noodlottig. Een album van een Britse band gaat over de afname van emoties en de toename van social mediagebruik. De zanger heeft woordenrijke volzinnen nodig om te verwijzen naar het verleden en de wereld van sciencefiction. Welkom bij Blade Runner 2049 en Tranquility Base Hotel + Casino. Ernaar kijken of luisteren is gaandeweg het gevoel krijgen dat er iets niet helemaal in de haak is.

Wie Blade Runner 2049 bekijkt raakt bijna in een trance. Het tempo is traag, de toon somber en gelaten. Over Los Angeles hangt anno 2049 een grauwsluier waarin het onafgebroken regent. Aan het begin van de film is agent K, de hoofdpersoon, in slaap gedommeld. Dan weet hij nog niet dat hij tijdens een opdracht verstrikt zal raken in een zoektocht naar een gebeurtenis uit het verleden. Lange tijd koestert hij hoop, maar uiteindelijk leidt de expeditie tot verbittering en desillusie. K blijkt niet de uitverkorene. “The future is female”, schreef een recensent.

In het Los Angeles van nu woont Alex Turner van Arctic Monkeys. Gedurende 2016 werkt hij aan de songs voor Tranquility Base Hotel + Casino. Op de hoes een bouwwerk dat er futuristisch en ouderwets uit ziet. Het herinnert aan het space-age design uit de jaren zestig van architect John Lautner. Meer in het bijzonder op diens Chemosphere, een huis tegen de heuvels van Hollywood dat vanuit de verte lijkt op een ufo. Turners bouwwerk steunt op een antieke Revox bandrecorder. De maquette is zijn variant op de plannen van hotelketen Hilton na de succesvolle ruimtevluchten: een fictieve rustbasis op de maan, een ‘tranquility base’. Voor het eerst als zodanig benoemd door de astronauten die een geschikte plek zochten om te landen met hun Apollo 11.

Toch was het een Duitse sciencefictionfilm die Alex Turner volgens eigen zeggen het laatste zetje gaf voor het albumthema. In Welt Am Draht van Rainer Werner Fassbinder laat een supercomputer met een simulatieprogramma mensen in een virtuele werkelijkheid leven zonder dat zij zich daarvan zelf bewust zijn. Meteen in de openingssong Star Treatment stelt de zanger schijnbaar tussen neus en lippen door een vraag die tegelijk een voorbode is: “hoe bedoel je, je hebt Blade Runner nooit gezien?”.

Hij zinspeelt op het eerste deel uit 1982, maar de strekking is duidelijk. Vervreemding veroorzaakt door een naar binnen gekeerd toekomstperspectief gekoppeld aan innerlijke twijfel. Het verborgen thema van beide Blade Runnerfilms sijpelt ook door op de plaat van Arctic Monkeys. Zoals de beste sciencefiction andere werelden creëert waarin we onze eigen wereld kunnen herkennen, zo levert Turner commentaar op de huidige. En op zichzelf. En op zijn tekortkomingen. In de sóng Science Fiction bekent hij tegen zijn vriendin “I want to stay with you, my love.” Maar dan wel “the way some science fiction does”. Een van de personages in Blade Runner 2049 beweert: “soms moet je om van iemand te houden een vreemde zijn”. Die vreemde is agent K. Zijn geliefde is geen vriendin van vlees en bloed maar een vrouwelijk hologram dat al zijn wensen vervult. Die andere vreemde is wellicht Alex Turner. Het lijkt wel of hij een beetje in de war is. Hij observeert “reflections in the silver screen of strange societies”. En “massale paniek op een niet al te verre toekomstkolonie”. In de Blade Runnerfilms wordt terloops gesproken over buitenaardse koloniën.

Anders gezegd: de muziek maakt zich op voor een avondje uit, maar de zanger heeft er zo te horen niet zoveel zin in. Zijn stem klinkt bedrukt, zijn formuleringen breedvoerig. Woordkeuze en arrangementen lijken niet eens bij elkaar te passen. Het wringt een beetje. De songs krijgen hierdoor iets ondefinieerbaars. Turner laat van alles toe in zijn mengeling van metafoor en metafictie: humor, lichte ironie, flarden autobiografie. In sommige songs doet zijn timbre denken aan David Bowie. De gelijkenis is soms zo frappant dat de overleden Brit bijna weer tot leven komt. Overigens had de regisseur van Blade Runner 2049 voor de rol van een replicafabrikant oorspronkelijk David Bowie in gedachten.

Op het album van Arctic Monkeys gaat She Looks Like Fun over het beoordelen van mensen via datingapps. Man en vrouw geketend aan het dictaat van de smartphone. In het nummer Batphone, jargon voor het gebruik van een privételefoonlijn, zoekt Alex Turner naar een synoniem om apparaten te beschrijven die volgens hem de samenleving uit de realiteit doet verwijderen. Ironisch genoeg probeert hij het antwoord te vinden op de zoekfunctie van diezelfde telefoon. Een apparaat als redmiddel, als strohalm, de verbindende schakel voor huidige omgangsvormen.

Agent K bezit een ‘emanator’ waarmee hij zijn ‘vriendin’ kan aan- en uitschakelen. Tijdens zijn speurtocht naar de restanten van de menselijke ziel overkomt hem iets wat hij niet voelt aankomen. Nadat hij van zijn opdrachtgever krijgt te horen dat hij het zelf al die tijd prima redde zonder ziel, neemt de twijfel bezit van hem. Na terugkeer van een missie wordt hij aan een test onderworpen om iedere emotionele afwijking te meten. Pas wanneer hij slaagt kan hij aanspraak maken op een bonus. De laatste test wordt hem echter fataal. Zijn lichte aarzeling op sommige vragen is voldoende om hem vanaf dat moment te wantrouwen. Argwaan en angst, voor onthulling en opkomst van gevoel en emotie.

In The Art Life wekt David Lynch zijn kunst tot leven

David Lynch had ooit een voorstelling over zijn leven als beeldend kunstenaar: “koffie drinken, sigaretten roken en schilderen. Dat is het. Misschien komen er ook meisjes bij.”

De opzet van de documentaire The Art Of Life is vrij eenvoudig. We zien de filmregisseur aan het werk in zijn atelier, terwijl hij via zijn eigen voice-over zijn levensverhaal vertelt. De 71-jarige Lynch is behalve maker van films nadrukkelijk beeldend kunstenaar. Zijn doeken vallen te omschrijven als absurdistisch en surreëel. We zien hem aan het werk in zijn atelier dat uitzicht biedt over de heuvels van Hollywood Hills in Los Angeles. Af en toe gaat hij een stukje rijden.

The Art Life gaat dus over de kunstenaar en niet de regisseur Lynch. De enige film die ter sprake komt is Eraserhead. De beelden van dit bizarre, experimentele debuut komen nog het meest overeen met zijn doeken. Lynch is opvallend openhartig wanneer hij vertelt over zijn leven dat hij doorspekt met flink wat anekdotes. Die brengt hij met zoveel gevoel voor timing dat het bijna filmscènes worden. Zo had hij als klein jongetje een droom waarin een gewonde, naakte vrouw voorkomt. Ter illustratie zien we een kunstwerk dat hieraan refereert.

Verder zien we hem de ene na de andere filtersigaret opsteken waarna hij in rookwalmen naar een van zijn doeken blijft staren. Zijn vierjarige dochtertje Lula is eveneens vaak in beeld. Soms verft ze ijverig mee met pa die overigens een knalgeel polshorloge draagt.

Lynch praat graag en veelvuldig over zijn jeugdjaren, de verhouding tot zijn ouders en de invloed die de kunstacademie van Philadelphia op hem had. Toch raakte de jonge David gefascineerd door de schilderkunst toen hij voor het eerst de vader van een vriend ontmoette, kunstenaar Bushnell Keeler. Over hem maakte de latere speelfilmregisseur in 1967 een korte home movie. Het sterk biografische gehalte van de documentaire over Lynch wordt nog eens benadrukt aan de hand van foto’s en familiefilms uit het privébezit van het gezin waarin hij opgroeide. Gaandeweg ontstaat het beeld van een gedreven visionair die een eigen universum heeft gecreëerd dat volkomen losgekoppeld is van de wereld zoals wij die kennen.

 Documentairemaker Jon Nguynen werkte tweeënhalf jaar aan The Art Life. “We verzamelden uiteindelijk zo’n 25 uur aan interviewmateriaal, waaruit we de film samenstelden. De originele opnames geven we aan zijn dochter, als ze ouder is. Er is zo veel moois dat de film niet heeft gehaald. Ongelooflijke verhalen, over zijn grootouders en over zichzelf toen hij jong en ondeugend was. Maar die zijn alleen voor Lula.”
(eerder gepubliceerd op ZwartGoud en The Post Online)

Solotentoonstelling David Lynch in Bonnefantenmuseum

Het Bonnefantenmuseum zal vanaf november 2018 een grote solotentoonstelling presenteren met David Lynch. Bij het grote publiek staat hij bekend om zijn filmklassiekers Eraserhead, Blue Velvet, Mulholland Drive, en natuurlijk de tv-serie Twin Peaks. Minder bekend is dat hij ook jarenlang actief is als beeldend kunstenaar, fotograaf en componist. Op zijn Instagrampagina laat Bonnefantendirecteur Stijn Huijts zich eerder vandaag fotograferen met Lynch.

Stijn Huijts: “David Lynch is onmiskenbaar een spilfiguur in de internationale film- en tv-wereld, maar zijn werk als beeldend kunstenaar is veel minder bekend. Terwijl Lynch zelf altijd heeft benadrukt dat hij zichzelf vóór alles ziet als een beeldend kunstenaar. Zijn beheersing en gebruik van een rijkgeschakeerd scala aan media en technieken, van schilderijen tot installaties, maken hem ook in die hoedanigheid invloedrijk. Het is een uitzonderlijke artistieke kant van Lynch, die nog maar zelden is belicht en in musea getoond. Daarmee past hij perfect in het beleid van het Bonnefantenmuseum dat zich richt op de ‘verborgen canon’.”

Gebruikelijk zal een kunstenaar met een grote tentoonstelling in het Bonnefanten zelf ook aanwezig zijn tijdens de opening. Ongetwijfeld zal Lynch worden uitgenodigd om langs te komen in Maastricht. Met het tonen van de kunst van Lynch gaat een lang gekoesterde wens van Bonnefantendirecteur Stijn Huijts in vervulling. Toen hij nog werkzaam was bij Schunck liep hij reeds met plannen rond om de kunstenaar/regisseur te kunnen strikken. In 2010 was er nog een tentoonstelling van Lynch in het Max Ernstmuseum in Brühl, nabij Keulen.

De werken van Lynch (1946) zijn net zo bizar, vervreemdend en ongrijpbaar als veel van zijn films. Lynch maakt multimediadoeken, installatie’s, foto’s van vergane industrie, vrouwelijk naakt of sneeuwpoppen. Het is de eerste keer dat er in een Nederland een grote tentoonstelling te zien is van de regisseur.

David Lynch is eveneens enthousiast over de samenwerking met het museum. Vanuit Los Angeles meldt hij kort: “I am happy and excited to work with the Bonnefanten on this exhibition of my work!”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud en The Post Online)

De realistische droombeelden van filmmaker Kahlil Joseph

De opening is nog typisch hiphopvideo. Een flitsende montage met bijna voorspelbare beelden. Maar na een minuut dendert opeens de zwaarte naarbinnen, uitmondend in een portret over het leven in Compton, Los Angeles. Kahlil Joseph wordt doorgaans in een adem genoemd met Kendrick Lamar. Geïnspireerd op het doorbraakalbum van de rapper, Good Kid m.A.A.d. City, maakte hij een film van een kwartier over de beruchte wijk waarin Lamar opgroeide. De rolprent toont hét handelsmerk van de filmmaker. Kahlil Joseph neemt de tijd. Voor droombeelden vermengd met realisme, hypnotiserend, reflectief. De film was te zien in een museum voor hedendaagse kunst, het MOCA in Los Angeles.

In het werk van Kahlil Joseph (1981) worden gebeurtenissen vertraagd weergegeven en details uitvergroot. Camerastandpunten en geluid lijken buiten de muziek te vallen. Een schets van het alledaagse leven wisselt hij net zo makkelijk af met beelden uit de natuur, duisternis met oogverblindende lichtval. Een video die hij maakte bij de jazzelektronica van Flying Lotus heeft meer weg van een visueel ballet: de camera volgt een neergeschoten buurtbewoner die uit de dood herrijst, waarna hij zich ontpopt tot een danser van elastiek. Ondanks de haast uitbundige stijl, is Josephs beeldkeuze tegelijk verontrustend. Dat wordt nog eens versterkt doordat hij het flikkerende licht dat slowmotionopnamen soms veroorzaken gewoon laat voor wat het is. Of kijk eens naar Video Girl, waarin zangeres FKA Twigs amper de neiging kan onderdrukken de liefde te willen bedrijven met een ter dood veroordeelde. Confronterende beelden in zwart-wit.

Hoe dan ook is de camera voortdurend in beweging. Gracieus glooiend van onder naar boven en omgekeerd, personages meestal van achteren gevolgd. De aanpak doet denken aan de associatieve cinema van Terrence Malick. Joseph werkte kort samen met de cultregisseur. Ervaring deed hij ook op bij multimediakunstenaar Doug Aitken. Er zijn meer invloeden. Voor de korte film The Mirror Between Us baseerde Joseph zijn script op een gedicht van een soefimysticus. Zelf treedt de jonge filmmaker liever niet op de voorgrond, interviews geeft hij zelden en een eigen website is er evenmin.

Toch krijgt vorm af en toe de overhand in zijn video’s. De openingsshots van de eerder genoemde Flying Lotusclip lijken expliciet bedoeld om een statement te maken. Variety draait er niet lang om heen. Volgens het filmmagazine is zijn eerste full-length documentaire, over de totstandkoming van een album van The Arcade Fire, “een ongeorganiseerd ratjetoe van visuele gimmicks en leeg exotisme”. Een clip die Joseph maakte van Beyoncé’s Sorry oogt zelfs gewoontjes voor zijn doen. Hij houdt zich keurig aan het ritme van de muziek, terwijl de beelden vooral zijn bedoeld ter meerdere eer en glorie van de zangeres.

In een van zijn video’s heeft Joseph een hommage verstopt aan Charles Burnett, voormalig lid van de Black Independent Movement. Dit collectief regisseurs was verantwoordelijk voor enkele geruchtmakende documentaires en speelfilms, waarin politiek en cultuur van de jaren zestig werden gezien vanuit Afro-Amerikaans perspectief. In het werk van Joseph is het engagement eveneens volop aanwezig. Sluimerend, telkens binnen een door hemzelf gevormd cinematografisch raamwerk gesteund volgens een eigen interpretatie: donker tegenover licht, dreiging van stadsgeweld tegenover aardse beeldpoëzie. Ondanks de verschillende invalshoeken en opdrachten, zowel visueel als muzikaal, keert bij Joseph één onderwerp terug: het leven van Afro-Amerikanen in achterstandswijken waar armoede heerst, geweld op de loer ligt en hiphopcultuur de laatste strohalm is.

(Stills uit Josephs video’s waren al eerder te zien in een tentoonstelling. In het Underground Museum in Los Angeles, samen met schilderijen gemaakt door kunstenaar Noah Davis, Josephs jongere broer die op 32-jarige leeftijd overleed aan een zeldzame vorm van kanker.)

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Lumière Cinema aan het Bassin: de nieuwe filmbeleving van Maastricht

20160923_122611

“Mannen vragen zich af waarom die rode stoelen er zijn, vrouwen gaan er gewoon in zitten”. Als romantische blikvangers keren ze terug in elke zaal, gezellig naast elkaar, twee felrood gekleurde zitplaatsen. Grapje van David Deprez, artistiek directeur van Lumière Cinema. Het filmhuis van Maastricht gaat verhuizen. Van de knusse locatie aan de Bogaardenstraat naar de voormalige elektriciteitscentrale van Sphinx, fabrikant van aardewerk en sanitair.

Het pand uit 1910, inmiddels rijksmonument, is flink gerestaureerd. Volgens Deprez hebben de ingehuurde architecten de oorspronkelijke staat zoveel mogelijk willen behouden. De overblijfselen van weleer zijn met name zichtbaar in het restaurantgedeelte met zijn kekke stoeltjes, kroonluchters en hoge dakplafond. Buizen en pijpleidingen met draaiwielen lopen tegen een van de muren fier omhoog. Een roestlaag geeft ze een tintje industriële vergankelijkheid, net als de inwendige staalconstructie die werd weggehaald, elders aanelkaar gelast en weer teruggeplaatst. Op een andere muur zijn rijen borden en schoteltjes geplakt.

Ondanks een jarenlange rake programmering met actuele arthousecinema, was verhuizen volgens Deprez hard nodig. De oude plek werd te krap voor activiteiten met veel publiek. De uit Vlaanderen afkomstige directeur introduceert tijdens een rondgang het nieuwe gebouw met begrippen als “beleving” en een “totale upgrading van filmfaciliteiten”.

20160923_124206

Zes zalen huisvest het nieuwe Lumière Cinema. Een aantal is aan de buitenkant betimmerd met langwerpige houten latjes. Volgens Deprez heeft elke zaal een eigen kleur en karakter. Degelijk is een ander begrip om het afgemeten interieur vooralsnog te duiden. Maar uit de wanden steken veelbelovend kluwen kabeltjes voor de nog ontbrekende spotjes. Een schril contrast is de toiletruimte waar het state-of-the-art design vanaf spat. Dankzij de tl-buisjes aan weerszijden van de spiegels, waan je je even in een artiestenkleedkamer. Handig voor als de nood hoog is: bij het openen van de wc-deur springt meteen een lampje aan.

Wat doelbewust lijkt achtergelaten tijdens de verhuizing is het ouderwetse filmhuisgevoel. Volgens Deprez moet het nieuwe Lumière gewoon “de broek ophouden” en “investeren in wat er onder het doek gebeurt”. Men zal nauw gaan samenwerken met de plaatselijke kunstacademie of modefestival FashionClash. Een piepkleine studio is ingericht voor verhuur, workshops of performances.

De premièrezaal is met 160 stoelen bedoeld voor de blockbusters onder de arthousefilms. In een andere ruimte zijn aan de stoelleuning houdertjes voor consumpties bevestigd. Bier en koffie mogen voortaan worden meegenomen naar de film. Ander nieuwtje: Lumière is dagelijks vanaf 11 uur geopend, gevolgd door een middagvoorstelling. De voorpret begint dus bij binnenkomst, onder meer in het restaurant dat uitkijk biedt op het Bassin, de oude binnenhaven met zijn werfkelders. Het echte filmwerk gaat zich uiteraard af spelen in een van de zalen. Plastic plaatjes achterop de rugleuning van menige stoel bevatten een citaat uit een filmscène. Gauw lezen vlak voordat de lichten doven. Zoals deze uit de klassieker All About Eve: “Fasten your seat belts, it’s going to be a bumpy night”.

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Film met een reputatie: Rolling Stones doen de Cocksucker Blues

sl65o6

Mick Jagger graait met zijn hand expliciet naar zijn geslacht. Keith Richards neemt een snuifje coke van een stilettopunt. Wijdbeens streelt en smeert een blote dame zich in met scheerzeep. Welkom bij de Rolling Stones, middenin de seks, drugs en rock & roll van 1972.

Het is allemaal te zien in Cocksucker Blues, een film met een reputatie. Vrijwel direct na de eerste vertoning namen de Stonesleden afstand van de documentaire. Maker Robert Frank werd contractueel verplicht de film alleen op festivals te vertonen in zijn nadrukkelijke aanwezigheid. Om erop toe te zien dat er geen kopieën van werden gemaakt. Officieel bestaat Cocksucker Blues niet eens. Wel is er een onofficiële dvd versie van in omloop.

Cocksucker Blues doet zijn reputatie alle eer aan. Buiten beeld gebeurt niets, in beeld gebeurt alles. De provocatieve stijl waarin de handcamera opzettelijk wazig filmt, in- en uitzoomt, en het beeld soms asynchroon loopt met het geluid, heet cinema verité. Eerder werd de filmstijl toegepast door D.A Pennebaker in de documentaire Don’t Look Back, over een tournee met Bob Dylan.

Het unieke aan Cocksucker Blues is niet de filmische aanpak. Het is de onbekommerde vanzelfsprekendheid van de gebeurtenissen èn het feit dat een camera het al even doodgewoon vastlegt. Aan de ene kant amusant en voorspelbaar vanwege de uitvergroting van rockclichés. Maar ook tamelijk verbijsterend omdat je je tijdens het kijken het culturele en min of meer politiek incorrecte van 1972 realiseert. Een film als Cocksucker Blues zou voor een rockband van nu volstrekt ondenkbaar zijn. Geen enkele muzikant van naam zal zich en zijn entourage tegenwoordig op deze manier laten filmen; geen muziekdocumentaire ontstaat meer zonder bemoeienis vooraf van manager of platenmaatschappij. Nu is nu. Toen was toen.

Frank toont bovendien de meligheid en de irritaties die een maandenlange tour met zich meebrengt. Zelfs deze beelden zijn bijzonder. Dat geldt zeker voor de liveopnamen van de songs Midnight Rambler en Satisfaction: dampende soulfunk met een hoofdrol voor Stevie Wonder.

Wat valt er verder te beleven aan dit historische document, waarin de geluidsman op gegeven moment zijn rol van observator verruilt voor actieve deelname aan de bacchanalen? Dat Robert Frank bijvoorbeeld gewoon stug door filmt in kleed- en hotelkamers, ook op het moment wanneer een van de groupies een shot heroïne neemt. Even later zien we de Stones Andy Warhol en schrijver Truman Capote ontvangen, of zijn we getuige hoe vanaf een balkon Keith Richards en saxofonist Bobby Keys een tv naar beneden smijten. Aandoenlijk zijn de blikken van Jagger en Richards die aandachtig een testpersing van een vinylsingle op hun hotelkamer afspelen.

Richards zorgt voor meer onvergetelijke momenten. In contrast met al het voorafgaande is het best grappig dat hij aan de roomservice doodleuk vraagt of deze wil zorgen voor “strawberries, blueberries and three apples”.

(eerder gepubliceerd op The Post Online)