Jean-Michel Basquiat in Schunck: van krabbels naar vernieuwende schilderkunst

Basquiat in the apartment 1980 (foto: Alexis Adler)

Heerlen is zichzelf opnieuw aan het uitvinden. Urban luidt de ‘tag’ waarmee men de nabije toekomst tegemoet wil treden. Muurschilderingen tieren reeds welig in binnenstad en buitenwijken. Museum Schunck, het culturele geweten van de regio, hengelde geruime tijd naar een blockbuster over Jean-Michel Basquiat. De ooit als straatkunstenaar begonnen schilder is nu eindelijk te bewonderen in de vroegere mijnstad; overigens dankzij jarenlange wegbereiding en inspanningen van voormalig artistiek leider Lene ter Haar. De tentoonstelling biedt een blik op de beginjaren van de kunstenaar, toen hij buurten van New York ‘onveilig’ maakte met zogenaamde geveltags. Een primeur voor Europa. En het mocht wat kosten. Voor Schunck de duurste expositie ooit (ruim negen ton). Met als goede tweede naar het schijnt een retrospectief in 2011 over Niki de Saint Phalle. Bij Schunck kennen ze hun klassiekers.

Jean-Michel Basquiat volgde nooit een kunstopleiding, maar wist met steun van enkele galeriehouders uit te groeien tot een van de grootste en invloedrijkste namen uit de kunsthistorie. Eigenhandig zette Basquiat het schilderen weer op de kaart, als opgestoken middelvinger tegen de conceptuele ideeënkunst, de überkitsch van Jeff Koons en de video-art van de jaren tachtig. Vaak intuïtief, werkend aan meerdere canvassen tegelijk. Soms maakte hij twintig stuks in drie weken tijd. Zijn eerste doek verkocht hij voor tweehonderd dollar aan Debbie Harry van newwaveband Blondie. Tegenwoordig gaan ze voor miljoenen van de hand. De vier bruiklenen die bij Schunck nadrukkelijk in een aparte ruimte hangen, lopen alleen al verzekeringstechnisch flink in de papieren.

foto: Alexis Adler

Maar voordat hij beroemd werd maakte Basquiat kunst van voorwerpen die hij op straat vond. Kleding, een koelkast, een radiator, alles wat binnen handbereik was moest eraan geloven. Het merendeel bewaard door zijn toenmalige liefje Alexis Adler en nu te zien in Schunck. Rond 1980 woonde het stel in een goedkoop appartement in de New Yorkse kunstenaarswijk East Village. De woning fungeerde als atelier en canvas. Afgaand op de enorme wandfoto’s in het museum begon de creatieve explosie genaamd Basquiat al in het trappenhuis. Verder in de tentoonstelling een bekladde jumpsuit, schetsen, tekeningen en kleurenfoto’s van de ‘tag’ SAMO©. Uit te spreken als “same oh” ofwel een goedkeurend “same old shit” over marihuanajoint nummer zoveel. De veelzijdige schilder overleed in 1988 op 27-jarige leeftijd aan een overdosis heroïne.

De kunstenaar Basquiat is soms nog ver te zoeken in de wat keurige museale opstelling. Dat wringt een beetje met het ruige tijdsbeeld die de tentoonstelling probeert op te roepen. Basquiat (toen 19) maakte destijds nogal wat krabbels van een kinderlijk kaliber. Maar wel met humor. Non-descript White Man In His Thirties? Slechts een olijk bolletje met een plukje haar op ruitjespapier.

Wat de tentoonstelling sterk maakt zijn tientallen werken afkomstig uit The Times Square Show. Met onder meer een bijdrage van een toen eveneens onbekende Keith Haring. Eromheen levensgrote zwart-witfoto’s van straatbeelden van New York. Een bijna failliete stad middenin een economische crisis; dé voedingsbodem voor ambachtelijke kunstpunk.

Schunck toont liefst vijftig originele en sfeerverhogende artefacten uit deze expositie uit 1980. Zoals een pornofilmstrip, al heb je om die te bekijken wel een vergrootglas nodig en, achter een rood gordijn, een als ‘peepshow’ vermomde installatie. Basquiats inbreng was onder meer een uithangbord met de letters SEX. Niet zo vreemd allemaal als je bedenkt dat The Times Square Show plaatsvond in een oud bordeel. Rake zet om deze blik op de kunst- en stadsgeschiedenis als scharniermoment te plaatsen tussen het begin van Basquiat en zijn doorbraak kort erna. Hijzelf begon steeds vaker te schilderen op doeken met grote afmetingen.

Want hèt hoogtepunt van de Schuncktentoonstelling is die ene ruimte met de vier topstukken. Inclusief permanente bewaking. Hier knallen en krioelen de kleuren en lijnen ogenschijnlijk chaotisch van het canvas. Skeletachtige lichamen en hoofden. Niet helemaal toevallig. Toen Basquiat als kind na een ongeluk in het ziekenhuis lag gaf zijn moeder hem een boek over anatomie. Taferelen vol symbolen en straatjargon, kriskrasfiguurtjes die ondanks de lukraak lijkende plaatsing een verhaal vertellen en tegelijk een eigen beeldtaal creëeren. Zo kennen we hem weer. Verwijzend naar collegakunstenaars (o.a. Lonnie Wood alias graffitiartiest Phase 2) of, in weer andere werken naar racisme, want dat was wel een thema. Na een feestje ter ere van zijn kunstenaarschap kon hij zelf niet eens een taxi krijgen.

Moeten we als de bliksem naar Heerlen afreizen? Reken maar. De tentoonstelling Basquiat: The Artist And His New York Scene is een buitenkansje, een dubbele aanrader. Zijn kunst wordt nog maar zelden getoond in een museum in ons land. En zoals gezegd voor het eerst te zien in Europa. De bijbehorende catalogus is tegelijk een fotoboek dat een mooie en inzichtelijke weergave geeft van sfeer en tijdsbeeld van Basquiat en de tentoonstelling.

Jean Michel Basquiat The Artist And His New York Scene – Schunck, Heerlen (t/m 2 juni 2019)

Klik hier voor het oorspronkelijke artikel op ZwartGoud 

Het doolhof David Lynch – aanvallen op het onderbewustzijn in het Bonnefantenmuseum

Aan het begin van de tentoonstelling loeit een sirene. Een waarschuwing voor wat de bezoeker te wachten staat. Wat volgt is een metershoge foto van de schilder aan het werk. De meeste mensen zullen hem kennen van zijn films Blue Velvet en Mulholland Drive of de veelgeprezen tv-serie Twin Peaks. Maar voor het eerst in Nederland gaan we uitvoerig kennis maken met de beeldend kunstenaar David Lynch. Het Bonnefantenmuseum pakt flinkt uit: vijfhonderd kunstwerken verdeeld over vijftien zalen. Van de eerste schetsen die hij in de jaren vijftig maakte tot enorme doeken uit 2018. Dan gaat het om schilderijen, tekeningen en foto’s, staande lampen en ja, nogal wat werken met heel veel spulletjes erin.

Dat luchtalarm hoort overigens bij de “moving painting” Six Men Getting Sick, te zien aan de achterkant van de Lynchfoto. Onvermijdelijk zijn er meer raakvlakken met zijn films, want hé, doet dat misvormde hoofdje niet denken aan die monsterachtige baby uit Eraserhead? En ligt daar niet de eerste versie van het scenario voor Blue Velvet? David Lynch dus. Berucht om zijn weigering zijn kunst uit te leggen. Bekend om een voorliefde voor “a damn fine cup of coffee”. In de museumshop is zijn eigen merk koffiebonen te koop.

Snel wordt duidelijk dat hier iemand aan het werk is met een vrije geest. Iemand die alle ruimte en vrijheid neemt om te komen tot een eigen universum, een eigen realiteit als het ware. Om hieraan gestalte te geven gebruikt Lynch gek genoeg alledaagse materialen en voorwerpen. Zo heeft hij op een van de schilderijen enkele sigarettenpeuken uitgeduwd. Objecten die herkenbaar en alledaags zijn worden door Lynch gebruikt in beelden waarvan je niet precies weet wat ze voorstellen. Ze doen denken aan nachtmerries. Eerst raak je nieuwsgierig en word je naderbij gelokt, vervolgens gaan ze aanvallen uitvoeren op het onderbewustzijn. Net als zijn beste films inderdaad. Gelukkig is er ook humor. Een van de bijdragen aan de tentoonstelling heet I Was A Teenage Insect. Fragiel en grappig ogen de sculpturen van staande lampen. Gezellig bijeen in een kring alsof ze familie van elkaar zijn.

Laten we, naar adem happend, verdergaan met herkenning en houvast. In de multimediadoeken ontdekken we een mobiele telefoon half verstopt in een colbertje, een afgescheurde spijkerbroek, boomtakken, een dameshorloge, plastic rozen. Alles vet opgeplakt en vastgekoekt met klodders verf, lijm en klei en wat al niet. Met de kunstenaar zelf gaat het intussen prima. Tijdens de opening vertelt hij via een Skypeverbinding vanuit Los Angeles: “Ik zeg altijd maar: de kunstenaar zelf hoeft niet te lijden om ellende te kunnen tonen. Ik wil het laten zien in verhalen en schilderijen.“

Is het dan allemaal macaber en rauw? Wie de tijd neemt en zich niet laat overrompelen door de hoeveelheid indrukken, merkt dat David Lynch nog meer te bieden heeft. Bijna ontroerend zijn de Distorted Nudes: digitaal bewerkte collages van erotische foto’s uit begin vorige eeuw. Of neem de pentekeningetjes op luciferdoosjes, de zwartwit foto’s van verlaten fabrieken. Niet keurig in passe-partouts, nee lekker op groot formaat, waardoor ze iets spookachtigs en mysterieus krijgen.

In een grote zaal bevinden zich een soort hangende vitrines van twee bij drie meter. Nog meer voorwerpen en materialen, maar dan op lappen karton. Eromheen of onderdoor stuiteren schots en scheve lettertjes die niet alleen de titel van het werk aangeven maar tegelijk de aanzet vormen tot een verhaal. Ook in deze beelden maakt het daglicht plaats voor schemer. “Dat fascineert me, zaken als insecten, vlees, verrotting. Ik houd ook van natuur die bloeit, maar wat ik wil schilderen is verval”, aldus Lynch in NRC Handelsblad. Soms is het net of je zit te kijken naar een staat van ontbinding. Niettemin branden in de canvassen vrolijk gekleurde lampjes.

In meerdere opzichten is dit museumbezoek een verademing. Lynch is geen kunstenaar die de tijdgeest wil vatten of er alles aan doet om een plek op te eisen in de kunstcanon. Lynch dringt niks op, maar tart meedogenloos de verbeelding en het voorstellingsvermogen. De titel van dit retrospectief had daarom net zo goed anders kunnen heten. Niet Someone Is In My House maar ‘someone is in my head’. Deze tentoonstelling is een belevenis die prikkelt en de geest verruimt. Goede zet van het Bonnefanten om in de zalen alvast het licht te dempen. A damn fine exhibition.

David Lynch – Someone Is In My House (Bonnefantenmuseum, Maastricht t/m 28 april 2019)

Someone Is In My House is tevens de titel van de fraaie Nederlandstalige tentoonstellingscatalogus. Ook aan te bevelen is het in 2007 verschenen The Air Is On Fire. Dit lijvige boekwerk bevat eveneens afbeeldingen van schilderijnen, foto’s en filmscènes, inclusief twee cd’s waarop Lynch uitgebreid vertelt over zijn werk.

TEFAF 2018: ondanks huidige tijdgeest veel vrouwelijk naakt

“Een reliëf konden we helaas niet meenemen, we staan hier op de afdeling papier en foto’s.” Wat de Franse galeriehouder Zlotowski wél van Kurt Schwitters toont zijn ‘schilderijtjes’ die de kunstenaar in de jaren twintig en dertig maakte. Collages van papier en karton in miniatuurkader. Gekocht van een privéverzamelaar volgens de galeriemedewerker. Best bijzonder. Werk van dadaïst Schwitters kom je nog maar zelden tegen.

Wandelend door het MECC in Maastricht zie je de complete kunstgeschiedenis aan je voorbij trekken. Honderden internationale galeries zijn verdeeld in periodes en stromingen. Er is dus nogal wat te zien en te belopen. Een enkele galerie heeft zulk zacht tapijt dat je er bijna in wegzakt. Soms moet je er even bij gaan zitten. Er zijn waterautomaten met bekertjes geplaatst naast de grijsgetinte zitbankjes. Het lichtroze papier van de stapeltjes Financial Times steekt er opvallend bij af. In de kunstbijlage een grote advertentie van de TEFAF.

Toch is de Maastrichtse beurs niet per se de plek waar uitsluitend prominenten en het sjiek en sjoen zich vergapen aan kunst. Met zijn getatoeëerd gezicht en ringen door mond en oren is Etienne Dumont (journalist uit Zwitserland) zelf een wandelend kunstwerk. Tijdens het betreden van gangpaden en galeries hoor je voortdurend flarden Engels, Frans en jawel, Russisch. Drie jonge vrouwen uit Rusland becommentariëren driftig de schilderijen om hen heen. D66 leider Alexander Pechtold zit aan een van de lange tafels van de Seafood Bar.

Perlen (56x32x48 cm) 2009 – Carolein Smit

In weerwil van de huidige tijdgeest laat de TEFAF veel naakt zien. Tranen van parels draperen het blote lichaan van een vrouw in keramiek. Volgens Carolein Smit “is het niet zo moeilijk om mijn werk leuk te vinden. Alles glanst en schittert, is schattig en de details van ogen, tongen, neuzen en oren zijn vertederend,” legt ze uit op haar website.

Volledig in zichzelf gekeerd oogt een werk uit 1906 van Odilon Redon. Het Fillette Nue houdt de armen zedig voor haar lichaam. Redon werd bekend om zijn droombeelden van vreemde objecten en fantasiefiguren, maar dit pastel op papier is nadrukkelijk vredig en verstild. Ingetogen is ook de jonge dame in een hyperrealistische foto van Andres Serrano, die discreet om een hoekje hangt, op enkele meters van klassiekers in stemmig zwartwit van Dennis Hopper en Edward Weston. Onverbloemd staat een vrouw in zeegolven die zo bruisen dat ze onmiddellijk naar vakantieoorden doen snakken. Franz Gertsch maakte het verlangen tastbaar door een houtsnede te verwerken in lichtblauwe fotografie. Dankzij de afmetingen van twee bij bijna drie meter amper over het hoofd te zien.

Fillette Nue (50,8-35,8 cm) 1906 – Odilon Redon

Deze editie mist wellicht de kunstknallers waar iedereen nieuwsgierig omheen dromt. In het recente verleden was dat nog het geval bij Damien Hirsts doorgesneden varken op sterk water; of bij een turquoise standbeeld van Jeff Koons. Behalve een belangrijke hotspot voor handelaren en verzamelaars, biedt de TEFAF voor oplettende liefhebbers hét onderscheid tussen galerie- en museumcollecties. Veel van de internationale kunsthuizen bezitten geheel andere werken van een kunstenaar dan een museum. Daarnaast zie je in waarde stijgende kunstwerken steeds minder vaak in een museale setting omdat ze simpelweg onbetaalbaar zijn geworden. En waar en wanneer kun je tegenwoordig meerdere werken tegelijk bewonderen van Kurt Schwitters?

TEFAF (MECC, Maastricht 9 t/m 18 maart 2018)

Audiovisuele installatie van Brian Eno beleeft wereldpremière in Amsterdam

Brian Eno en Peter Chilvers presenteren in Amsterdam de interactieve muziekinstallatie Bloom: Open Space. De wereldpremière vindt plaats vanaf 21 februari in het Transformatorhuis, een van de locaties van de Westergasfabriek. Het audiovisuele werk is gebaseerd op de prijswinnende app Bloom uit 2008. Nu is er dus als variant een ‘mixed reality-installatie’, die volgens een persbericht de grenzen laat vervagen tussen het fysieke en het virtuele. Eno en Chilvers zullen overigens aanwezig tijdens een persbijeenkomst.

Bezoekers aan Bloom: Open Space stappen in een centrale ruimte omringd door schermen, waar ze de installatie fysiek kunnen ervaren. Hierbij worden ze omringd door schermen en geluid. Net als bij de app kunnen deelnemers met simpele handgebaren de meest ingewikkelde patronen en melodieën creëren.

Brian Eno staat bekend om zijn inventieve popmuziek en het maken van geluidskunst. Hij wordt gezien als pionier op het gebied van ‘oneindige’ ambientklanken en werkte als producer samen met o.a. U2 en David Bowie. Peter Chilvers is multi-instrumentalist en software-engineer. Een eerdere samenwerking leidde onder meer tot het in 2017 verschenen album Reflection.

Bloom: Open Space van 21 t/m 25 februari.

Léon Hanssen bekijkt Piet Mondriaan doortastend en eigenzinnig

Mooi meegenomen wanneer een voorpublicatie leidt tot ophef. Léon Hanssen, hoogleraar en biograaf van Piet Mondriaan fronste zijn wenkbrauwen toen hij tijdens een expositie in Brussel een verloren gewaand doek van de kunstenaar zag. Na uitgebreid onderzoek kwam hij samen met een restauratrice tot de ontdekking dat het echter om een vervalsing ging. Extra pijnlijk omdat het schilderij was uitgeleend door het Stedelijk Museum. De eigenaar bleek bovendien bevriend met museumdirecteur Beatrice Ruf. Dan zal het wel goed zijn dacht men bij museum zonder nader onderzoek te verrichten. De ontdekking is een van de spannendste hoofdstukken in Alleen Een Wonder Kan Je Dragen.

Léon Hanssen (Kerkrade 1955) is al langere tijd bezig schilder en de mens Mondriaan te ontrafelen en opnieuw te duiden. In 2015 verscheen het eerste deel van zijn biografie. Een tweede deel is momenteel in voorbereiding. Deze uitgave van de in Rimburg gevestigde cultuitgeverij Huis Clos kunnen we zien als een ‘tussendoortje’. Maar wel eentje waar Mondriaanadepten niet omheen kunnen.

De tien verschillende essay-achtige stukken vertellen onderling misschien geen samenhangend verhaal over een van de pioniers van de moderne kunst. Hanssen bekijkt zijn onderwerp vanuit perspectieven waarin wel degelijk biografische aspecten doorsijpelen, waaronder het veelbesproken kluizenaarsleven van de schilder dat geheel in dienst stond van zijn kunst. In het Nederland van begin vorige eeuw had men moeite met deze zonderling en “controlefreak”. Mondriaan was zo volstrekt autonoom dat men zelfs in kunstenaarskring de kriebels van hem kreeg.

Hanssen maakt duidelijk dat de maker van de abstracte stilteschilderijen net als Van Gogh werd weggepest uit ons land. Hanssen staat er uitvoerig bij stil, evenals bij Mondriaans verblijf in New York. Hier zou hij vanaf eind jaren dertig zijn bekendste doeken maken, waaronder het nooit voltooide Victory Boogie Woogie. “De visie op Mondriaan zoals we hem vandaag de dag kennen als de meester van het modernisme, is eerst en vooral een prestatie van Amerika.” Daar zit je dan in 2017 met je honderdjarige jubileum van De Stijl, de kunststroming waartoe ook Mondriaan behoorde.

Hanssen maakt verder fijntjes van de gelegenheid gebruik om met een andere biografie over Mondriaan korte metten te maken. Dit boek van Hans Janssen, conservator van het Haags Gemeentemuseum, “ademt iets van de hedendaagse zucht naar idolen”. Ook andere publicaties over de schilder moeten het ontgelden. Hanssen heeft duidelijk weinig op met biografieën die volgens hem zijn opgeleukt om een groot lezerspubliek te trekken. Hanssen heeft een beetje een drang naar gelijkhebberigheid waarin hij zich het Mondriaanschap min of meer lijkt toe te eigenen. Dat gaat soms ver. Zelfs het graf van de kunstenaar, een houten bord op een plank die door de wind scheef is komen te staan, moet het ontgelden. “Had Mondriaan zich tijdens zijn leven consequent verzet tegen het gebruik van de diagonaal, nu werd zijn graf gemarkeerd door zo’n lamme, schuine lijn.” Waarna de hoogleraar tot actie over gaat: “Ik besloot tot een daad van rechtvaardiging en trok het bord uit de grond.”

Maar verder is Hanssen de observerende en onderzoekende “vagebond”: minder oog voor de “hoofdwegen en een voorkeur voor de rafelranden van het geciviliseerde leven.” In feite houdt hij zijn onderwerp telkens via een andere invalshoek tegen het rigide licht van de kunsthistorie. Zo vergelijkt hij in een hoofdstuk het leven van Mondriaan met de componist Prokofjev, of voert hij diverse redenen aan waarom Mondriaan op zeker moment de letter a weglaat in zijn achternaam. Nederland is het enige land waar de kunstenaar Mondriaan wordt genoemd, in het buitenland staat hij bekend als Mondrian.

Ook gaat de schrijver in op de verschillende dimensies van de molens die de kunstenaar in het begin van zijn carrière schilderde. Hanssen schermt niet per se met nieuwe kunsthistorische feiten, behalve dan de eerder genoemde ontmaskering, maar omzeilt de encyclopedische kunstgeschiedenis in stukken die doortastend zijn geschreven. Hier heerst de prikkeling, de verbeelding én omzeiling van clichés en aannames, waardoor je toch anders gaat kijken naar leven en werk van een al even eigenzinnig kunstenaar.

Léon Hanssen – Alleen Een Wonder Kan Je Dragen over het sublieme bij Mondriaan (Huis Clos 2017)

Dankzij de murals krijgt Heerlen een kleurtje

Uitkijken geblazen dat je niet over een stoeprand struikelt. Op bijna elke hoek word je aangestaard door kunst in het groot. Gewoon buiten, recht voor de raap. Ofwel de muurschilderingen van Heerlen.

De murals dus. Bij voorkeur niet uit te spreken met Engelse tongval, maar op zijn Spaans por favor. De oorsprong stamt uit het Mexico van ruim honderd jaar geleden, ter verbeelding van de destijds ontstane la Revolución Mexicana. Rebellen tegen de regering. Toen waren de muurwerken bedoeld om de laaggeletterde bevolking in afgelegen gebieden te informeren over overheidsbesluiten. De kunstenaars die hiertoe de opdracht kregen, gaven echter steeds meer gehoor aan de onvrede van het volk. Die waren de wurggreep van de heersende klasse en de economische crisis spuugzat. Stakingen en onlusten leidden tot een heuse burgeroorlog onder leiding van onder meer Emiliano Zapata. Het zou de opmaat worden voor een modern Mexico.

Aldoende zijn de murals als serieuze kunststroming ontstaan. De erkenning en waardering volgde pas na een flinke boost, dankzij de talrijke werken in die ene stad die net als Heerlen een gedaantewisseling onderging: Berlijn. De eerste schilderingen stonden afgebeeld op een muur die symbool werd voor de Koude Oorlog, de grens tussen Oost en West. De betonnen wand werd nadien de East Side Gallery genoemd, met een lengte van 1,3 km het grootste openbare kunstwerk ter wereld.

Diezelfde kunstmuur, thans onder Denkmalschutz, mondde uit in de Berliner Mauerkunst. Wie wel eens in de Duitse hoofdstad is geweest, met name in de wijk Kreuzberg, weet wat wordt bedoeld. In Heerlen ontstond op gegeven moment eveneens de noodzaak om afbraak en bijna neergang in te kleuren. Dat leidde in 2011 tot het kunstproject Lak Aan Braak. Daarvoor was er de artistieke aanloop d’RAW, een ‘drawing showcase’ in museum Schunck. Tijdens deze expo was werk te zien van onder meer de beruchte straatkunstenaars Rammellzee en Dr. Rat.

Want ja, ook Heerlen was een stad in verval, zeker na de sluiting van de mijnen. Lange tijd maakte de Limburgse gemeente en het eromheen gelegen gebied Oostelijke Mijnstreek, tegenwoordig Parkstad, een weerloze indruk. De laatste tien jaar echter kregen met hulp van gemeenteinvestering gevels en gebouwen een opknapbeurt, waarna steeds meer initiatieven op gebied van kunst en cultuur ontstonden. Het toegenomen cultuuraanbod heeft het aantal evenementen in of nabij de binnenstad danig aangewakkerd. Spraakmakend zijn het theaterfestival Cultura Nova en het internationale breakdance-event The Notorious IBE.

Wie de Heerlense ontwikkelingen kritisch volgt ontdekt dat die metamorfose niet per se vlekkeloos verloopt. Heerlen kampt net als veel andere middelgrote gemeenten met leegstand, van het oude koopstadimago is het lastig afscheid nemen, en er is vanaf de eerste bouwsteen reuring over een prestigieus megabouwproject dat moet leiden tot een multifunctioneel treinstation. Wie Heerlen per spoor nadert ziet de hijskranen af en aan zwenken. Toch is er een verfrissend tegengeluid. Met het project Streetwise wordt lokaal ondernemerschap gestimuleerd, terwijl in het winkelcentrum steeds vaker jonge ondernemers een nering drijven op ambacht en specialisme.

In Mexico, Berlijn en Heerlen is er niet zomaar wat kunst op de muren gekliederd. Aan sommige van de weelderige schilderingen kleeft een symboliek van al dan niet verborgen boodschappen. Kunstenares Faith47 maakte in de Heerlense Coriovallumstraat een Maria-afbeelding. In een interview noemt ze haar voornaamste inspiratiebronnen, onder wie politiek activist Noam Chomsky en de Zapatistas, het vrijheidsleger uit de Mexicaanse revolutie. Haar Maria houdt zowel een handbel in de aanslag als een sleutel waarmee je een stadspoort opent. Is hier sprake van het luiden van de noodklok, terwijl een oplossing nabij is? Onder haar armen vindt een gevecht plaats tussen een hond en een zwaan, waarin de kwetsbare watervogel zo te zien het onderspit delft.

Het doet denken aan een schilderij uit 1650 van Jan Asselijn: een witte zwaan die haar nest eieren beschermt tegen een uit het water opduikende hond. Op een van die eieren staat ‘Holland’ geschreven. Het doek groeide uit tot symbool voor de bedreigde en later vermoorde staatsman Johan de Witt. Hij vond dat een land moest worden bestuurd door burgers. De Witt moest zijn manifest ‘De Ware Vrijheid’ uiteindelijk met de dood bekopen.

Diverse websites met aandacht voor urban art, beschouwen Heerlen als Nederlandse hoofdstad van de streetart. Dankzij de murals werden al meerdere prijzen in de wacht gesleept, waaronder de Dutch Street Award 2017. Tegenover de bushaltes langs de Spoorsingel staat een aantal gebouwen die er wat haveloos uitzien. Op de gevels omvangrijke muurschilderingen, zoals Ode Aan De Arbeider. Een werk dat het verleden van de voormalige mijnstad naar het heden haalt. De beste kunst is kunst die letterlijk terugkijkt, die de toeschouwer dwingt even pas op de plaats te maken. In Heerlen gebeurt dat laatste bijna op iedere straathoek.

In The Art Life wekt David Lynch zijn kunst tot leven

David Lynch had ooit een voorstelling over zijn leven als beeldend kunstenaar: “koffie drinken, sigaretten roken en schilderen. Dat is het. Misschien komen er ook meisjes bij.”

De opzet van de documentaire The Art Of Life is vrij eenvoudig. We zien de filmregisseur aan het werk in zijn atelier, terwijl hij via zijn eigen voice-over zijn levensverhaal vertelt. De 71-jarige Lynch is behalve maker van films nadrukkelijk beeldend kunstenaar. Zijn doeken vallen te omschrijven als absurdistisch en surreëel. We zien hem aan het werk in zijn atelier dat uitzicht biedt over de heuvels van Hollywood Hills in Los Angeles. Af en toe gaat hij een stukje rijden.

The Art Life gaat dus over de kunstenaar en niet de regisseur Lynch. De enige film die ter sprake komt is Eraserhead. De beelden van dit bizarre, experimentele debuut komen nog het meest overeen met zijn doeken. Lynch is opvallend openhartig wanneer hij vertelt over zijn leven dat hij doorspekt met flink wat anekdotes. Die brengt hij met zoveel gevoel voor timing dat het bijna filmscènes worden. Zo had hij als klein jongetje een droom waarin een gewonde, naakte vrouw voorkomt. Ter illustratie zien we een kunstwerk dat hieraan refereert.

Verder zien we hem de ene na de andere filtersigaret opsteken waarna hij in rookwalmen naar een van zijn doeken blijft staren. Zijn vierjarige dochtertje Lula is eveneens vaak in beeld. Soms verft ze ijverig mee met pa die overigens een knalgeel polshorloge draagt.

Lynch praat graag en veelvuldig over zijn jeugdjaren, de verhouding tot zijn ouders en de invloed die de kunstacademie van Philadelphia op hem had. Toch raakte de jonge David gefascineerd door de schilderkunst toen hij voor het eerst de vader van een vriend ontmoette, kunstenaar Bushnell Keeler. Over hem maakte de latere speelfilmregisseur in 1967 een korte home movie. Het sterk biografische gehalte van de documentaire over Lynch wordt nog eens benadrukt aan de hand van foto’s en familiefilms uit het privébezit van het gezin waarin hij opgroeide. Gaandeweg ontstaat het beeld van een gedreven visionair die een eigen universum heeft gecreëerd dat volkomen losgekoppeld is van de wereld zoals wij die kennen.

 Documentairemaker Jon Nguynen werkte tweeënhalf jaar aan The Art Life. “We verzamelden uiteindelijk zo’n 25 uur aan interviewmateriaal, waaruit we de film samenstelden. De originele opnames geven we aan zijn dochter, als ze ouder is. Er is zo veel moois dat de film niet heeft gehaald. Ongelooflijke verhalen, over zijn grootouders en over zichzelf toen hij jong en ondeugend was. Maar die zijn alleen voor Lula.”
(eerder gepubliceerd op ZwartGoud en The Post Online)