Solotentoonstelling David Lynch in Bonnefantenmuseum

Het Bonnefantenmuseum zal vanaf november 2018 een grote solotentoonstelling presenteren met David Lynch. Bij het grote publiek staat hij bekend om zijn filmklassiekers Eraserhead, Blue Velvet, Mulholland Drive, en natuurlijk de tv-serie Twin Peaks. Minder bekend is dat hij ook jarenlang actief is als beeldend kunstenaar, fotograaf en componist. Op zijn Instagrampagina laat Bonnefantendirecteur Stijn Huijts zich eerder vandaag fotograferen met Lynch.

Stijn Huijts: “David Lynch is onmiskenbaar een spilfiguur in de internationale film- en tv-wereld, maar zijn werk als beeldend kunstenaar is veel minder bekend. Terwijl Lynch zelf altijd heeft benadrukt dat hij zichzelf vóór alles ziet als een beeldend kunstenaar. Zijn beheersing en gebruik van een rijkgeschakeerd scala aan media en technieken, van schilderijen tot installaties, maken hem ook in die hoedanigheid invloedrijk. Het is een uitzonderlijke artistieke kant van Lynch, die nog maar zelden is belicht en in musea getoond. Daarmee past hij perfect in het beleid van het Bonnefantenmuseum dat zich richt op de ‘verborgen canon’.”

Gebruikelijk zal een kunstenaar met een grote tentoonstelling in het Bonnefanten zelf ook aanwezig zijn tijdens de opening. Ongetwijfeld zal Lynch worden uitgenodigd om langs te komen in Maastricht. Met het tonen van de kunst van Lynch gaat een lang gekoesterde wens van Bonnefantendirecteur Stijn Huijts in vervulling. Toen hij nog werkzaam was bij Schunck liep hij reeds met plannen rond om de kunstenaar/regisseur te kunnen strikken. In 2010 was er nog een tentoonstelling van Lynch in het Max Ernstmuseum in Brühl, nabij Keulen.

De werken van Lynch (1946) zijn net zo bizar, vervreemdend en ongrijpbaar als veel van zijn films. Lynch maakt multimediadoeken, installatie’s, foto’s van vergane industrie, vrouwelijk naakt of sneeuwpoppen. Het is de eerste keer dat er in een Nederland een grote tentoonstelling te zien is van de regisseur.

David Lynch is eveneens enthousiast over de samenwerking met het museum. Vanuit Los Angeles meldt hij kort: “I am happy and excited to work with the Bonnefanten on this exhibition of my work!”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud en The Post Online)

De realistische droombeelden van filmmaker Kahlil Joseph

De opening is nog typisch hiphopvideo. Een flitsende montage met bijna voorspelbare beelden. Maar na een minuut dendert opeens de zwaarte naarbinnen, uitmondend in een portret over het leven in Compton, Los Angeles. Kahlil Joseph wordt doorgaans in een adem genoemd met Kendrick Lamar. Geïnspireerd op het doorbraakalbum van de rapper, Good Kid m.A.A.d. City, maakte hij een film van een kwartier over de beruchte wijk waarin Lamar opgroeide. De rolprent toont hét handelsmerk van de filmmaker. Kahlil Joseph neemt de tijd. Voor droombeelden vermengd met realisme, hypnotiserend, reflectief. De film was te zien in een museum voor hedendaagse kunst, het MOCA in Los Angeles.

In het werk van Kahlil Joseph (1981) worden gebeurtenissen vertraagd weergegeven en details uitvergroot. Camerastandpunten en geluid lijken buiten de muziek te vallen. Een schets van het alledaagse leven wisselt hij net zo makkelijk af met beelden uit de natuur, duisternis met oogverblindende lichtval. Een video die hij maakte bij de jazzelektronica van Flying Lotus heeft meer weg van een visueel ballet: de camera volgt een neergeschoten buurtbewoner die uit de dood herrijst, waarna hij zich ontpopt tot een danser van elastiek. Ondanks de haast uitbundige stijl, is Josephs beeldkeuze tegelijk verontrustend. Dat wordt nog eens versterkt doordat hij het flikkerende licht dat slowmotionopnamen soms veroorzaken gewoon laat voor wat het is. Of kijk eens naar Video Girl, waarin zangeres FKA Twigs amper de neiging kan onderdrukken de liefde te willen bedrijven met een ter dood veroordeelde. Confronterende beelden in zwart-wit.

Hoe dan ook is de camera voortdurend in beweging. Gracieus glooiend van onder naar boven en omgekeerd, personages meestal van achteren gevolgd. De aanpak doet denken aan de associatieve cinema van Terrence Malick. Joseph werkte kort samen met de cultregisseur. Ervaring deed hij ook op bij multimediakunstenaar Doug Aitken. Er zijn meer invloeden. Voor de korte film The Mirror Between Us baseerde Joseph zijn script op een gedicht van een soefimysticus. Zelf treedt de jonge filmmaker liever niet op de voorgrond, interviews geeft hij zelden en een eigen website is er evenmin.

Toch krijgt vorm af en toe de overhand in zijn video’s. De openingsshots van de eerder genoemde Flying Lotusclip lijken expliciet bedoeld om een statement te maken. Variety draait er niet lang om heen. Volgens het filmmagazine is zijn eerste full-length documentaire, over de totstandkoming van een album van The Arcade Fire, “een ongeorganiseerd ratjetoe van visuele gimmicks en leeg exotisme”. Een clip die Joseph maakte van Beyoncé’s Sorry oogt zelfs gewoontjes voor zijn doen. Hij houdt zich keurig aan het ritme van de muziek, terwijl de beelden vooral zijn bedoeld ter meerdere eer en glorie van de zangeres.

In een van zijn video’s heeft Joseph een hommage verstopt aan Charles Burnett, voormalig lid van de Black Independent Movement. Dit collectief regisseurs was verantwoordelijk voor enkele geruchtmakende documentaires en speelfilms, waarin politiek en cultuur van de jaren zestig werden gezien vanuit Afro-Amerikaans perspectief. In het werk van Joseph is het engagement eveneens volop aanwezig. Sluimerend, telkens binnen een door hemzelf gevormd cinematografisch raamwerk gesteund volgens een eigen interpretatie: donker tegenover licht, dreiging van stadsgeweld tegenover aardse beeldpoëzie. Ondanks de verschillende invalshoeken en opdrachten, zowel visueel als muzikaal, keert bij Joseph één onderwerp terug: het leven van Afro-Amerikanen in achterstandswijken waar armoede heerst, geweld op de loer ligt en hiphopcultuur de laatste strohalm is.

(Stills uit Josephs video’s waren al eerder te zien in een tentoonstelling. In het Underground Museum in Los Angeles, samen met schilderijen gemaakt door kunstenaar Noah Davis, Josephs jongere broer die op 32-jarige leeftijd overleed aan een zeldzame vorm van kanker.)

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Kunstenaar Martijn Lucas van Erp: “Ik ben niet zo bezig met kunst maken”

Het imago van landschapsschilderkunst is niet al te best. Velen beschouwen het als wanddecoratie, een manier om je vaardigheden onder de knie te krijgen. Je kunt er inderdaad vele wegen mee bewandelen. Van edelkitsch tot de mystieke cult van bijvoorbeeld Caspar David Friedrich. Dat het genre steeds meer uit de gratie is geraakt binnen hedendaagse kunstopvattingen, lijkt Martijn Lucas van Erp niet te deren. Zijn werk reikt verder dan een blik op de horizon. Zeker de doeken die hij in 2016 maakte bieden ruim baan voor interpretatie en beschouwing. Van Erp: “Ik ben niet zo bezig met kunst maken. Je moet je verhouden tot de wereld waarin je leeft.”

Zijn atelier ligt verscholen in een statig pand aan de Wycker Grachtstraat in Maastricht. Ooit was hier de stoombierbrouwerij De Keyzer gevestigd, waarvan de oorsprong teruggaat naar de 17e eeuw. In een kelderachtige ruimte laat Van Erp canvassen zien die staan ingepakt voor een solo-expositie. Speciaal voor het bezoek wordt de noppenfolie eraf gehaald. Dan blijken de schilderijen vergezichten die opeens dichterbij komen.

Een van de panorama’s bevat bergen en wolken die dreigend opdoemen. Omgevallen containers die de blik op de voorgrond beïnvloeden. Zonlicht straalt strategisch over weidse vlakten. Van Erp: “Voor mij heeft het iets feestelijks. Je oog wordt ernaar toegetrokken, naar de dozen die uit de container zijn gevallen. Net als het zonlicht. Voor je het weet ben je heel frivool aan het kijken naar een gebeurtenis die best dramatisch is. Dat is het ambivalente in mijn werk.”

In de landschappen van Martijn Lucas van Erp (Heerlen, 1975) komen werelden samen die ogenschijnlijk niks met elkaar te maken hebben. Het is de plek, hoe tegenstrijdig soms ook, waar verbeelding van verstilling op heterdaad wordt betrapt. Telkens gemaakt vanuit een gedachte, een motivatie. “Ik wil altijd iets van schoonheid en kritiek in mijn werk. Dat je kan kiezen of je er in mee wilt gaan of niet.” Zijn nieuwe schilderijen ogen fantasierijk en ongrijpbaar. Bedachtzaam impressionisme. Herten die berustend grazen ondanks dat ze plots zijn terecht gekomen in een droomlandschap.

Van Erp is sinds 1993 kunstenaar. Dat ging niet vanzelf. “Ik kom uit een marechausseegezin en was niet veel met kunst bezig. Op school deed ik niet heel erg mijn best zoals mijn ouders dat graag hadden gewild. Ik was niet gemotiveerd. Toen ik veertien was heb ik geld van mijn rekening gehaald en een gitaar gekocht. Dat ik elke dag de gitaar kon oppakken en erop spelen was een bevrijding.” In zijn atelier ligt een stapeltje cd’s met bovenop Radiohead.

Van Erp vertelt dat schilderen voor hem ook een zoektocht is naar de werking van het canvas, van vlakverdeling en verf. “Het kan niet alleen maar uit mij komen. Het gaat om de samenwerking, het meewerken in de verf. Als je iets benadrukt merk je dat het spanning genereert. Ik moet er net zo lang mee doorgaan tot het schilderij zichzelf is.”

Terwijl hij nog een recent schilderij laat zien benadrukt hij dat feedback hem helpt bij de artistieke weg die hij momenteel is ingeslagen. “Ik heb dit doek onlangs op Facebook gezet, dan komen er reacties en merk ik: oh wacht, dit wérkt, dan snap ik zelf ook meer hoe het zit. Ik heb iets als Facebook nodig om te zien hoe mensen ernaar kijken en reageren.” Na een korte aarzeling, zijn landschappen bekijkend, zegt hij: “Als de verf mij goed gezind is vind ik dat ik blij mag zijn met het resultaat. Het volgende doek is gewoon weer wit, dan voel ik me weer zo groot (duidt enkele centimeters aan tussen duim en wijsvinger), en hoop ik dat het wonder weer gaat gebeuren.”

Expositie Martijn Lucas van Erp – Huub Hannen Galerie, Boschstraat 50, Maastricht, t/m 22 april 2017

(eerder gepubliceerd via ZwartGoud)

Boek Art Record Covers toont liefdevolle relatie popmuziek, beeldende kunst en vinyl

art-record-covers-omslag

De band tussen popmuziek en beeldende kunst is meer dan innig sinds Andy Warhols iconische bananenhoes voor de Velvet Underground. Of anders wel sinds de Beatlesplaat Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band. Kunstenaars Peter Blake en Jann Haworth bedachten in 1967 de beroemde collage-enscenering op de voorkant. Popmuziek en beeldende kunst zijn intussen uitgegroeid tot een complementaire verstrengeling van massacultuur en museumkunst. Ondanks dat er niet altijd een verband bestaat tussen het artwork op de hoes en inhoud van de plaat, zijn beide kunstdisciplines in een echelon beland waarin ze elkaar versterken. Dan gaat het om opdrachthoezen, samenwerking tussen artiest en kunstenaar, of licentiegebruik van een bestaand schilderij (Gerhard Richters Kerze voor Daydream Nation van Sonic Youth).

De omvangrijke Taschenuitgave Art Record Covers bevat niet alleen de klassiekers, maar, heel prettig, een lichte voorkeur voor de “post-internet generatie”. Relatief nog onbekende kunstenaars die internet en digitale technologie als onderwerp en medium gebruiken. Die keuze leidt tot verrassingen en ontdekkingen. Albumhoezen vanaf pakweg 2000 waarvan je niet eens wist dat ze gemaakt zijn door kunstenaars. In de ruim vijfhonderd afbeeldingen wordt daarnaast geen onderscheid gemaakt tussen arrivés en autodidacten, tussen museumkunst en graffiti.

Af en toe glippen er in tegenspraak met de titel van het boek cd-hoesjes tussendoor. Ongeacht de bescheiden afmeting komen we werk tegen van grote namen uit de kunstgeschiedenis (Gilbert & George, Anish Kapoor).

julian-schnabel-madre
Julian Schnabel – Red Hot Chili Peppers

Uitgebreid vertellen kunstpunkers Shepard Fairey en Raymond Pettibon over hun werkwijze in verhouding tot hun voorliefde voor popmuziek. Pettibon bekent dat hij vrijwel nooit geld vraagt voor zijn bijdragen aan een albumhoes. Ook Kim Gordon, Tauba Auerbach en Albert Oehlen (van de anarchistische kunstbeweging Neue Wilden) komen aan het woord. Overigens bevat het boek niet alleen rockalbums. Bij een handjevol rapplaten tonen de samenstellers oprechte belangstelling voor graffitikunstenaar Futura 2000. Ruim aandacht is er ook voor een van de zeldzaamste uitgaven op vinylgebied. In 1976 vervaardigde multimediakunstenaar Jack Goldstein een audiosuite van negen gekleurde vinylsingles met o.a. geluiden van The Tornado en Two Wrestling Cats.

Hoezen fotograferen én realistisch weergeven over een hele pagina blijkt niet eenvoudig. Sommige afbeeldingen missen de ‘sfeer’ van de originele hoes. Zo blijft er van het metallic artwork op Lady Gaga’s Art Pop door Jeff Koons, weinig over dan een fletse weergave. Maar dit zijn slechts minpuntjes. Er valt zoals gezegd heel veel te ontdekken: bij elke hoes wordt uitleg verschaft over muzikant en kunstenaar, beknopt en inzichtelijk. Bovendien zijn de samenstellers niet over een nacht ijs gegaan. Tien jaar onderzoek ging aan de inhoud van het bijna vier kilo wegende boek vooraf. Verzamelingen en muziekarchieven werden doorgespit, waaronder het 47.000 platen tellende ARChive Of Contemporary Music in New York en de ongetwijfeld eveneens omvangrijke discotheek van Radio France.

Art Record Covers is een prachtig boek voor liefhebbers van popmuziek, beeldende kunst en vinyl. De keuze van de albums nodigt uit je eigen platencollectie nog eens na te kijken op hoezen met kunst én kan mogelijk aanzetten tot een nieuwe verzamelwoede.

taschen art_record_covers

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Kunstenaar Michel Huisman: “Met het Maankwartier kunnen we onszelf opnieuw uitvinden”

20150802_163446
(foto Harry Prenger)

Op een waterkoude oktoberdag wordt het bezoek niet zomaar welkom geheten, maar gewoon aan de jas naar binnen getrokken. In het riante jaren twintig huis houdt de Staffordshire bullterriër Abel de visite nauwlettend in de gaten. Achter de woning bevinden zich enkele kunstwerken in de tuin, die je gezien de omvang gerust een park mag noemen. Onder het keukenraam houdt een tijgerkatje een middagdutje.

Michel Huisman (Heerlen, 1957) is geestelijk vader van het Maankwartier. Het prestigieuze bouwwerk vervangt het oude stationsgebied met de beruchte voetgangerstunnel dat in Heerlen lange tijd gold als toevluchtsoord voor verslaafden en dealers. Du moment dat Huismans ontwerp het groene licht kreeg kwam ook de kritiek. Het project zou te megalomaan zijn, niet passen bij een stad als Heerlen dat gebukt gaat onder leegstand en dalende inwonersaantallen. Veel wil Huisman er niet over kwijt, maar de kritiek raakt hem wel geeft hij toe. In de keuken laat hij ogenschijnlijk gemoedereerd de koffie door de filterzakjes pruttelen. “Met het Maankwartier is de stad niet af. Met het Maankwartier kunnen we onszelf opnieuw uitvinden.”

007
(foto Harry Prenger)

Huisman neemt geen genoegen met voldongen feiten en veronderstellingen. Zijn antwoorden en beschouwingen leiden tot verbaal mooi weergegeven vergezichten, waar nodig voorzien van een welluidende schaterlach. Aan de hand van filmbeelden en foto’s illustreert hij in de boven de woning gelegen werkruimte via een beeldscherm zijn uiteenzettingen. Dan wordt gaandeweg duidelijk waarom volgens Huisman het nieuwe station voor Heerlen zo belangrijk is. “Je moet niet wachten totdat de stad iets doet, maar je moet kijken wat je zelf kunt doen.” Droogkomisch voegt hij eraan toe: “God is naar huis, die doet niks meer.”

Huismans uitspraken vormen de specie in de muur van weerstand op het Maankwartier. Zíjn Maankwartier. Bedacht met criteria die nadrukkelijk afwijken van de geijkte ontwerp- en architectuurprincipes. “Als je als architect iets ontwerpt dan wordt het ontwerp intellectueel eigendom van de opdrachtgever. Als kunstenaar valt jouw werk onder de auteurswet van 1912, en als zodanig heb ik, voordat ik er aan begon, het Maankwartier gedeponeerd. De mensen die met mij dit zijn gaan bouwen hebben met elkaar afgesproken zich te houden aan die auteurswet. Dat is een fundamenteel ander uitgangspunt. Dit kan een architect zich meestal niet permitteren. Het eerste dat volgens mij moest gebeuren was dat de ziel van de stad moest veranderen, die moest ombuigen. Dat is wat het Maankwartier in eerste lijn doet. De cynici onder ons zeggen: je gaat toch niet een ding bouwen en je dan afvragen wat je ermee moet? Maar dat komt omdat cynici cynisch zijn. Een liefdeloze ontmanteling is iets anders dan fantasie of empathie.”

017
(foto Harry Prenger)

Opvallend zijn de vele details die hij in het gebouw heeft verwerkt. Een ervan is de Heliostaat. Een hoge toren met een halfronde spiegelbol. Die vangt en weerkaatst het zonlicht naar een beneden gelegen vijver. Daaronder bevindt zich de parkeergarage. Het is de bedoeling dat daar een kloostertuin wordt aangelegd met oude Franse zitbankjes. Huisman: “Als je vandaar naar boven kijkt zie je de zon door het water heen schuiven.”

Je zou na alle recente publiciteit over het nieuwe station bijna vergeten dat de bedenker ervan al geruime tijd beeldend kunstenaar is. In zijn installatie-achtige werken laat hij onder meer dier en (vergane) technologie samen komen in beelden die tegelijk vervreemding en herkenning oproepen. Uit het voorwoord van zijn overzichtsboek Garden Night And Farewell: “Michel Huisman gaat op zoek naar de teloorgegane eenheid van mens en wereld in een maatschappij waar zoveel ingrijpend verandert en fundamentele waarden op de helling staan”.

In 1999 had de Heerlenaar een tentoonstelling in het Stedelijk Museum. Nu terugkijkend beweert hij resoluut: “Dat wordt gezien als het walhalla voor kunstenaars, maar daar ben ik somber van geworden. Ik dacht: dit zijn afwerkplekken.” Huisman ziet de blik met onbegrip bij zijn toehoorder. Hij benadrukt zijn engagement als kunstenaar. “Het heeft niets meer met sociaaleconomische realiteit te maken. We zijn een derivaat geworden. De realiteit trekt zich niets aan van wat de kunsten vinden. Je moet iets doen waarbij je emotionele intelligentie implementeert in de realiteit. Hoe komt het zo smerig en wie ruimt het op? Dat betekent: de vaat gaan doen. Dan blijkt dat iedereen het wel goed vindt.”

022
(foto Harry Prenger)

“Iedereen is eenzaam. Kunstenaars zijn erg gevoelig. Je kunt dan troost vinden in het feit dat veel mensen je kennen. Dat geldt ook voor wethouders en politici. Iedereen heeft wel zo’n verlangen. Wat wezenlijk is, is dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden: van kunst die gaat over mededeling en boodschap; en over kunst die mooi is, als omhooggevallen design. Daar maak ik graag een onderscheid tussen. Als jij een telefoonboek uit je hoofd kent ben je nog niet erudiet. Dan heb je aangetoond dat je iets kan onthouden. Als jij een Sinterklaasgedicht kan maken dat perfect rijmt ben je nog geen dichter. Iedereen heeft een geweten. Dat geweten werd vroeger gevoed door een soort collectieve godsvrees en een sociale omgeving. Dat is geleidelijk aan vrij geworden. Daarin zijn we te ver doorgeschoten: het enige wat van belang is, is datgene wat het meeste oplevert. Dat is misschien inherent aan de manier waarop we in elkaar zitten.”

rondleiding (30)
Michel Huisman (midden) tijdens rondleiding Maankwartier (foto Harry Prenger)

In Huismans woorden weerklinkt een onverstoorbare romanticus; maar wel met visie op verleden, heden en toekomst. Wanneer hij het Heerlen vanaf de jaren dertig tot vijftig, met het Heerlen van pakweg de laatste drie decennia vergelijkt, gaat het over de veranderingen en toenemende gevoelsarmoede die de binnenstad heeft ondergaan.

“Kijk eens hoe mooi de markt was, die kiosk.” Huisman wijst op oude foto’s van marktplein de Bongerd, nog niet ontsierd door een mengeling van reclamegevels. En op de afwezigheid van non-descripte, lukraak neergezette gebouwen, die volgens de kunstenaar de verbinding tussen de verschillende stadscentra onderbreken. “Wat onze grootouders wilden vinden wij niet meer belangrijk. We breken het af. Dat is een waanzinnige fout geweest. Wij hebben een moord gepleegd. Dat zou je moeten kunnen herstellen, ware het niet dat in de openbare ruimte privaatrechtelijk gebieden ontstaan die zich als een eiland verhouden tot de gemeenschap. Vastgoedmensen die panden in de stad bezitten kunnen gewoon zeggen: ik doe er niet aan mee….dat is de vrije markt. De vraag is hoe gaan we hiermee om? We hebben onszelf in een crisis geholpen door de rug niet recht te houden en te kiezen voor hetgeen niks kostte en zoveel mogelijk rendement had. Dat is geen waarde, dat is alleen maar functie. Allemaal bedacht vanuit de gedachte: ik heb geen boodschap aan jouw emoties, ik heb iets dat ik verkopen wil.”

rondleiding (27)
(foto Harry Prenger)

Leidraad in Huismans verhaal is het mogelijk verlies van een eigen identiteit tijdens de veranderingen die mens en stad ondergaan. “Als je je identiteit kwijtraakt heb je maar drie manieren om het terug te krijgen. Door reconstructie, het nú definiëren van wat je mooi vindt, of emotionele intelligentie. Dat laatste is een ondergesneeuwd kindje. Die is terecht gekomen bij c-films, daar doen we niet meer aan. Ga er van uit dat onze twee hersenhelften worden gerepresenteerd in het beleven en het bedenken. Wat er tegenwoordig gebeurt is dat die twee hersenhelften niet bij elkaar worden gehouden, nee, die moeten met alle geweld uit elkaar!”

“Marketingmensen zeggen: ik heb geen behoefte aan creativiteit. Kénnis daar gaat het om. Dat is zo onvoorstelbaar dom. Dat is zo’n belediging voor het menselijk brein. Zoals de mystici in de middeleeuwen al zeiden: je leeft voor je ziel en het verstand is daar het gereedschap van. Wij keren het om. We zeggen alle emotie is sentimenteel. Wat rationeel is, is functioneel. En wat is het gevolg? Kijk naar Mark Rutte, die regeert maar met een hersenhelft. Dat is niet omdat hij zelf zo is, maar omdat we dat met zijn allen zo besloten hebben.”

Wanneer we aanstalten maken het gesprek te beëindigen, toont Huisman niet zonder trots zijn maquette van het Maankwartier. In 2003 gepresenteerd tijdens een informatieavond. De laatste steen van het imposante bouwwerk moet worden gelegd in 2018. Het begin van het nieuwe Heerlen, met of zonder leegstand. Huisman: “Ik zie de leegstand als een kans, maar alleen als het die kans ook gegund wordt. Als er leegstand is zakken de huurprijzen. Tenminste, als het goed is. Behalve bij sommige arrogante pandeigenaren die zeggen: ik laat het leeg liggen. Dan zie je dat er boeven bezig zijn om roofbouw te plegen op de gemeenschap.”

“Je moet je voorstellen dat zo’n stad niet zomaar is ontstaan. Daar gaan honderden jaren over heen. Daar is allemaal belastinggeld en gemeenschapsgeld in verdwenen. Dat heeft gezorgd voor een weefwerk, dat ons als een spinnenweb langs de draden leidt van ons bestaan. Overal zie je aspecten van het menselijk bestaan geëtaleerd in etalages waar mensen je vriendelijk te woord staan en proberen je iets te slijten. De stad is een weerspiegeling van wat er allemaal te doen is, van wat er te koop is, wat er verandert, hoe dat aanvoelt en eruit ziet.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Mette Sterre en het ongemak als kunstvorm

8960202_orig
Fishwife 2012 55 x 40 cm digital print on dibond 3

Op het eerste gezicht oogt de kunst die ze maakt bizar, afstandelijk en vervreemdend. Omdat haar werk zich niet meteen in een hokje laat duwen kun je er niet onmiddellijk je vinger op leggen. De kunst van Mette Sterre!? Uitroep en vraagteken tegelijk.

Mette Sterre wil het liefst alle mogelijke kunsthokjes open gooien door grenzen te verkennen én te overschrijden met kostuums, tekeningen en performances. Daarnaast schuren haar werken langs theater en mode. Met kunstenaarsgroep Crystal Mette & the Fictions voerde ze de afgelopen jaren optredens uit in Berlijn, Londen en New York.

We ontmoeten de kunstenaar ‘s ochtends aan het ontbijt in Villa Eikhold, op enkele minuten van het Heerlense winkelcentrum. De parkachtige tuin om het monumentale pand accentueert de afstand tot de hectiek van de binnenstad. De Rotterdamse maakt een montere indruk. Ze heeft zojuist een boterham gesmeerd met plakjes hardgekookt ei. Op haar hoofd draagt ze een petje, lekker scheef.

Haar werk doet denken aan die andere kunstenaar van de multimedia, Mike Kelley. Kunst als middel om het comfortabele uit de weg te weg te gaan en het ongemak op te zoeken. Al draait het in het universum van Sterre (1983) vooral om het groteske en bizarre. “In het groteske zit veel humor. Ik denk dat humor een belangrijke drager is om dingen aan de kaak te stellen. Humor is een sterk middel om taboes te doorbreken, dat je nadenkt over dingen, waarna je ze minder zwart-wit ziet.” Op haar site legt ze uit dat ze bovendien inspiratie haalt uit sociologie en de culturele geschiedenis van horrorfilms. “Horrorfilms en sociologie zijn eigenlijk heel erg aan elkaar gelinkt. Waar we bang voor zijn is ook afhankelijk van hoe onze maatschappij in elkaar zit.”

20150625_171654-940x529

Belichamen de personages en karakters in haar kostuums de schaduwzijde van mens en maatschappij? Sterre, zelfverzekerd: “Vanaf de eerste dag dat we iets konden bedenken hebben we van alles geprobeerd om dingen te verklaren, vaak met een religieuze insteek. Mensen zoeken voor alles een reden en die reden is er soms ook. Dat merk je nu wel met het opgelaaide debat over asielzoekers. Mensen zijn bang voor het onbekende, bang voor verandering, bang om de controle te verliezen, terwijl je eigenlijk nooit ergens controle over hebt.”

Ondanks het vroege tijdstip spreekt Sterre openhartig over zwaar beladen onderwerpen. Ze praat makkelijk, kiest zorgvuldig haar woorden. Tussendoor neemt ze kleine slokjes van haar thee. Ze beweert dat ze met opzet kleding en kostuums ontwerpt die ongemakkelijk zijn om te dragen en in voort te bewegen. “Ik noem het liever geen kleding. Kleding is voor mij iets wat je aantrekt. Een kostuum is iets wat een karakter opbouwt. Als mensen vragen of ik een jurk wil maken denk ik: je kunt toch ook naar de winkel gaan. Ik zie mezelf als beeldhouwer rondom het lichaam, met sculpturale vormen. De uitdaging is om zoveel mogelijk de menselijke vorm te verstoppen.”

Mette Sterre is net terug van een reis naar New York waar ze meewerkte aan een project van experimenteel theatermaker Robert Wilson. Ze relativeert haar drukke agenda en verre uitstapjes: “Als je veel reist ben je ook wel eens eenzaam. Je leeft dan in het moment, al is voor niemand echt duidelijk wie je bent, waar je vandaan komt of wat je achtergrond is. Iedereen doet gezellig in het begin, dat is leuk, maar je moet zelf weer verder.” Sinds drie jaar verblijft ze beurtelings in Londen en Rotterdam, waar ze achter het centraal station haar atelier heeft. Sterre: “Rotterdam is niet zeiken, lekker werken. Ik heb nu wel het idee dat ik ergens ben waar ik wil zijn.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Armando: “Je maakt werk waar niemand behoefte aan heeft, dat komt pas later”

Van Bommel Van Dam

“Eindelijk rust”. Kan zo op zijn grafsteen zegt Armando. Of: “dat heb ik weer”. 85 is de allroundkunstenaar intussen, hooguit een beetje stram van lijf en leden wanneer hij naar de tafel in de grote zaal loopt. Vooraf bekijkt hij op zijn gemak vanuit een rolstoel Over Oorlog en Vrede, de tentoonstelling waar hij aan deelneemt. Over zijn leven en werk gaat het in een gesprek tussen hem en Rick Vercauteren, directeur van museum Van Bommel Van Dam in Venlo.

Tegenover zo’n honderd bezoekers vertelt Armando (1929) over zijn schilderijen waarvan er enkele prominent in het museum hangen. Af en toe serieus, dan weer met humor, licht van toon en relativerend. Vercauteren helpt de kunstenaar waar nodig met het ophalen van persoonlijke herinneringen. Waar hij opgroeide in Amersfoort zag de jonge Armando (“mijn Italiaanse grootmoeder gaf me die bijnaam”), op weg naar school hoe steeds meer gevangenen in een kamp verbleven, wachtend op doorvoer naar Duitsland. Dat maakte een onuitwisbare indruk. Zijn kunst is doordrenkt van de Tweede Wereldoorlog, maar hij ziet zichzelf niet als oorlogskunstenaar. Toch beheersen de oorlogsjaren zijn leven, tot op de dag vandaag beweert hij.

A

Nadat het begin van het gesprek wat moeizaam op gang komt, over de fascinatie van macht in sport, o.a. naar aanleiding van de Champions Leaguefinale de avond ervoor, praat Armando gaandeweg meer over zijn kunstenaarschap. De zelfspot komt telkens als prettige kwinkslag met enige regelmaat om de hoek kijken. Soms geeft hij maar meteen een antwoord op vragen die hij zichzelf hardop stelt. “Wannéér maak je iets? De invloed van jezelf is zo klein, een schilderij overkomt je. Je dénkt dat je het denkt.” En: “Je maakt werk waar niemand behoefte aan heeft. Dat komt pas later”.

Iemand uit het publiek wil weten waar hij naar hij luistert in zijn atelier. Met gemak somt hij een aantal namen op uit de klassieke muziek (Bach, Ravel). Arvo Pärt is echter favoriet. Componist van muziek die verstild en minimaal getoonzet, vernuft haar weg zoekt volgens het adagium minder is meer. “Muziek die het dichtst bij mijn werk komt.”

De in Amsterdam geboren Armando was in zijn leven betrokken bij meerdere kunstbewegingen. Daarnaast is hij schrijver en dichter, beeldhouwer en muzikant, een tijdje was hij columnist bij NRC Handelsblad. Vrijwel vergeten is zijn periode in de jaren vijftig, toen hij uitsluitend met felle kleuren werkte. Onder invloed van zwart-wit fotografie veranderden zijn doeken in omarmingen van de gebalde drie-eenheid zwart, wit en grijs.

Armando

De kunstenaar woont alweer geruime tijd in Potsdam nabij Berlijn. Op de vraag hoe Duitsers tegenwoordig tegen zijn werk aankijken, antwoordt hij nuchter dat er maar een paar zijn die geïnteresseerd zijn. Het is volgens hem immers allemaal beperkt en klein, die wereld van de kunst. Hij beschouwt het ontstaan van een werk nog altijd als “raadselachtig”. Dat komt goed van pas: “anders heeft het leven geen zin.” “Wat moet je anders? Zie je me al op mijn reet aan het strand liggen?”

Behalve werk van Armando toont Van Bommel Van Dam kunst van onder meer Anselm Kiefer, Ger Lataster, Julia Winter en Jef Diederen. Volgens het Venlose museum vertonen ze hun visie en betrokkenheid op het beladen onderwerp van de tentoonstelling. De intensiteit van de beelden zindert er in geval flink op los. De variatie in materiaalgebruik, de verschillende invalshoeken die de kunstenaars aanwenden om de kijker hun werk in te zuigen zorgen ervoor dat de tentoonstelling nergens zwaar op de hand wordt. Niet de boodschap maar de kunst heeft het hier voor het zeggen.

TP

Neem de marmeren statuur van Thom Puckey, man van innemende kwetsbaarheid gevangen in een sculptuur. Een bijna naakte jongedame, wijdbeens gehurkt. Pistool van het merk Luger in de aanslag. Van Duitse makelij, veelgebruikt tijdens de oorlog. Zie houding en uitdrukking en voel de wat ongemakkelijke mengeling tussen de hardheid van het materiaal en het tedere van het model. Charismatisch, fragiel, stoer! Onoverwinnelijk? Op 6 september vertelt Puckey er meer over tijdens een gesprek over de relatie tussen de Tweede Wereldoorlog en zijn beeldend werk.

vanbommelvandam   overoorlogenvrede

Over Oorlog En Vrede (Museum Van Bommel Van Dam, Venlo t/m 6 september 2015)

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)