Het doolhof David Lynch – aanvallen op het onderbewustzijn in het Bonnefantenmuseum

Aan het begin van de tentoonstelling loeit een sirene. Een waarschuwing voor wat de bezoeker te wachten staat. Wat volgt is een metershoge foto van de schilder aan het werk. De meeste mensen zullen hem kennen van zijn films Blue Velvet en Mulholland Drive of de veelgeprezen tv-serie Twin Peaks. Maar voor het eerst in Nederland gaan we uitvoerig kennis maken met de beeldend kunstenaar David Lynch. Het Bonnefantenmuseum pakt flinkt uit: vijfhonderd kunstwerken verdeeld over vijftien zalen. Van de eerste schetsen die hij in de jaren vijftig maakte tot enorme doeken uit 2018. Dan gaat het om schilderijen, tekeningen en foto’s, staande lampen en ja, nogal wat werken met heel veel spulletjes erin.

Dat luchtalarm hoort overigens bij de “moving painting” Six Men Getting Sick, te zien aan de achterkant van de Lynchfoto. Onvermijdelijk zijn er meer raakvlakken met zijn films, want hé, doet dat misvormde hoofdje niet denken aan die monsterachtige baby uit Eraserhead? En ligt daar niet de eerste versie van het scenario voor Blue Velvet? David Lynch dus. Berucht om zijn weigering zijn kunst uit te leggen. Bekend om een voorliefde voor “a damn fine cup of coffee”. In de museumshop is zijn eigen merk koffiebonen te koop.

Snel wordt duidelijk dat hier iemand aan het werk is met een vrije geest. Iemand die alle ruimte en vrijheid neemt om te komen tot een eigen universum, een eigen realiteit als het ware. Om hieraan gestalte te geven gebruikt Lynch gek genoeg alledaagse materialen en voorwerpen. Zo heeft hij op een van de schilderijen enkele sigarettenpeuken uitgeduwd. Objecten die herkenbaar en alledaags zijn worden door Lynch gebruikt in beelden waarvan je niet precies weet wat ze voorstellen. Ze doen denken aan nachtmerries. Eerst raak je nieuwsgierig en word je naderbij gelokt, vervolgens gaan ze aanvallen uitvoeren op het onderbewustzijn. Net als zijn beste films inderdaad. Gelukkig is er ook humor. Een van de bijdragen aan de tentoonstelling heet I Was A Teenage Insect. Fragiel en grappig ogen de sculpturen van staande lampen. Gezellig bijeen in een kring alsof ze familie van elkaar zijn.

Laten we, naar adem happend, verdergaan met herkenning en houvast. In de multimediadoeken ontdekken we een mobiele telefoon half verstopt in een colbertje, een afgescheurde spijkerbroek, boomtakken, een dameshorloge, plastic rozen. Alles vet opgeplakt en vastgekoekt met klodders verf, lijm en klei en wat al niet. Met de kunstenaar zelf gaat het intussen prima. Tijdens de opening vertelt hij via een Skypeverbinding vanuit Los Angeles: “Ik zeg altijd maar: de kunstenaar zelf hoeft niet te lijden om ellende te kunnen tonen. Ik wil het laten zien in verhalen en schilderijen.“

Is het dan allemaal macaber en rauw? Wie de tijd neemt en zich niet laat overrompelen door de hoeveelheid indrukken, merkt dat David Lynch nog meer te bieden heeft. Bijna ontroerend zijn de Distorted Nudes: digitaal bewerkte collages van erotische foto’s uit begin vorige eeuw. Of neem de pentekeningetjes op luciferdoosjes, de zwartwit foto’s van verlaten fabrieken. Niet keurig in passe-partouts, nee lekker op groot formaat, waardoor ze iets spookachtigs en mysterieus krijgen.

In een grote zaal bevinden zich een soort hangende vitrines van twee bij drie meter. Nog meer voorwerpen en materialen, maar dan op lappen karton. Eromheen of onderdoor stuiteren schots en scheve lettertjes die niet alleen de titel van het werk aangeven maar tegelijk de aanzet vormen tot een verhaal. Ook in deze beelden maakt het daglicht plaats voor schemer. “Dat fascineert me, zaken als insecten, vlees, verrotting. Ik houd ook van natuur die bloeit, maar wat ik wil schilderen is verval”, aldus Lynch in NRC Handelsblad. Soms is het net of je zit te kijken naar een staat van ontbinding. Niettemin branden in de canvassen vrolijk gekleurde lampjes.

In meerdere opzichten is dit museumbezoek een verademing. Lynch is geen kunstenaar die de tijdgeest wil vatten of er alles aan doet om een plek op te eisen in de kunstcanon. Lynch dringt niks op, maar tart meedogenloos de verbeelding en het voorstellingsvermogen. De titel van dit retrospectief had daarom net zo goed anders kunnen heten. Niet Someone Is In My House maar ‘someone is in my head’. Deze tentoonstelling is een belevenis die prikkelt en de geest verruimt. Goede zet van het Bonnefanten om in de zalen alvast het licht te dempen. A damn fine exhibition.

David Lynch – Someone Is In My House (Bonnefantenmuseum, Maastricht t/m 28 april 2019)

Someone Is In My House is tevens de titel van de fraaie Nederlandstalige tentoonstellingscatalogus. Ook aan te bevelen is het in 2007 verschenen The Air Is On Fire. Dit lijvige boekwerk bevat eveneens afbeeldingen van schilderijnen, foto’s en filmscènes, inclusief twee cd’s waarop Lynch uitgebreid vertelt over zijn werk.

Solotentoonstelling David Lynch in Bonnefantenmuseum

Het Bonnefantenmuseum zal vanaf november 2018 een grote solotentoonstelling presenteren met David Lynch. Bij het grote publiek staat hij bekend om zijn filmklassiekers Eraserhead, Blue Velvet, Mulholland Drive, en natuurlijk de tv-serie Twin Peaks. Minder bekend is dat hij ook jarenlang actief is als beeldend kunstenaar, fotograaf en componist. Op zijn Instagrampagina laat Bonnefantendirecteur Stijn Huijts zich eerder vandaag fotograferen met Lynch.

Stijn Huijts: “David Lynch is onmiskenbaar een spilfiguur in de internationale film- en tv-wereld, maar zijn werk als beeldend kunstenaar is veel minder bekend. Terwijl Lynch zelf altijd heeft benadrukt dat hij zichzelf vóór alles ziet als een beeldend kunstenaar. Zijn beheersing en gebruik van een rijkgeschakeerd scala aan media en technieken, van schilderijen tot installaties, maken hem ook in die hoedanigheid invloedrijk. Het is een uitzonderlijke artistieke kant van Lynch, die nog maar zelden is belicht en in musea getoond. Daarmee past hij perfect in het beleid van het Bonnefantenmuseum dat zich richt op de ‘verborgen canon’.”

Gebruikelijk zal een kunstenaar met een grote tentoonstelling in het Bonnefanten zelf ook aanwezig zijn tijdens de opening. Ongetwijfeld zal Lynch worden uitgenodigd om langs te komen in Maastricht. Met het tonen van de kunst van Lynch gaat een lang gekoesterde wens van Bonnefantendirecteur Stijn Huijts in vervulling. Toen hij nog werkzaam was bij Schunck liep hij reeds met plannen rond om de kunstenaar/regisseur te kunnen strikken. In 2010 was er nog een tentoonstelling van Lynch in het Max Ernstmuseum in Brühl, nabij Keulen.

De werken van Lynch (1946) zijn net zo bizar, vervreemdend en ongrijpbaar als veel van zijn films. Lynch maakt multimediadoeken, installatie’s, foto’s van vergane industrie, vrouwelijk naakt of sneeuwpoppen. Het is de eerste keer dat er in een Nederland een grote tentoonstelling te zien is van de regisseur.

David Lynch is eveneens enthousiast over de samenwerking met het museum. Vanuit Los Angeles meldt hij kort: “I am happy and excited to work with the Bonnefanten on this exhibition of my work!”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud en The Post Online)

De realistische droombeelden van filmmaker Kahlil Joseph

De opening is nog typisch hiphopvideo. Een flitsende montage met bijna voorspelbare beelden. Maar na een minuut dendert opeens de zwaarte naarbinnen, uitmondend in een portret over het leven in Compton, Los Angeles. Kahlil Joseph wordt doorgaans in een adem genoemd met Kendrick Lamar. Geïnspireerd op het doorbraakalbum van de rapper, Good Kid m.A.A.d. City, maakte hij een film van een kwartier over de beruchte wijk waarin Lamar opgroeide. De rolprent toont hét handelsmerk van de filmmaker. Kahlil Joseph neemt de tijd. Voor droombeelden vermengd met realisme, hypnotiserend, reflectief. De film was te zien in een museum voor hedendaagse kunst, het MOCA in Los Angeles.

In het werk van Kahlil Joseph (1981) worden gebeurtenissen vertraagd weergegeven en details uitvergroot. Camerastandpunten en geluid lijken buiten de muziek te vallen. Een schets van het alledaagse leven wisselt hij net zo makkelijk af met beelden uit de natuur, duisternis met oogverblindende lichtval. Een video die hij maakte bij de jazzelektronica van Flying Lotus heeft meer weg van een visueel ballet: de camera volgt een neergeschoten buurtbewoner die uit de dood herrijst, waarna hij zich ontpopt tot een danser van elastiek. Ondanks de haast uitbundige stijl, is Josephs beeldkeuze tegelijk verontrustend. Dat wordt nog eens versterkt doordat hij het flikkerende licht dat slowmotionopnamen soms veroorzaken gewoon laat voor wat het is. Of kijk eens naar Video Girl, waarin zangeres FKA Twigs amper de neiging kan onderdrukken de liefde te willen bedrijven met een ter dood veroordeelde. Confronterende beelden in zwart-wit.

Hoe dan ook is de camera voortdurend in beweging. Gracieus glooiend van onder naar boven en omgekeerd, personages meestal van achteren gevolgd. De aanpak doet denken aan de associatieve cinema van Terrence Malick. Joseph werkte kort samen met de cultregisseur. Ervaring deed hij ook op bij multimediakunstenaar Doug Aitken. Er zijn meer invloeden. Voor de korte film The Mirror Between Us baseerde Joseph zijn script op een gedicht van een soefimysticus. Zelf treedt de jonge filmmaker liever niet op de voorgrond, interviews geeft hij zelden en een eigen website is er evenmin.

Toch krijgt vorm af en toe de overhand in zijn video’s. De openingsshots van de eerder genoemde Flying Lotusclip lijken expliciet bedoeld om een statement te maken. Variety draait er niet lang om heen. Volgens het filmmagazine is zijn eerste full-length documentaire, over de totstandkoming van een album van The Arcade Fire, “een ongeorganiseerd ratjetoe van visuele gimmicks en leeg exotisme”. Een clip die Joseph maakte van Beyoncé’s Sorry oogt zelfs gewoontjes voor zijn doen. Hij houdt zich keurig aan het ritme van de muziek, terwijl de beelden vooral zijn bedoeld ter meerdere eer en glorie van de zangeres.

In een van zijn video’s heeft Joseph een hommage verstopt aan Charles Burnett, voormalig lid van de Black Independent Movement. Dit collectief regisseurs was verantwoordelijk voor enkele geruchtmakende documentaires en speelfilms, waarin politiek en cultuur van de jaren zestig werden gezien vanuit Afro-Amerikaans perspectief. In het werk van Joseph is het engagement eveneens volop aanwezig. Sluimerend, telkens binnen een door hemzelf gevormd cinematografisch raamwerk gesteund volgens een eigen interpretatie: donker tegenover licht, dreiging van stadsgeweld tegenover aardse beeldpoëzie. Ondanks de verschillende invalshoeken en opdrachten, zowel visueel als muzikaal, keert bij Joseph één onderwerp terug: het leven van Afro-Amerikanen in achterstandswijken waar armoede heerst, geweld op de loer ligt en hiphopcultuur de laatste strohalm is.

(Stills uit Josephs video’s waren al eerder te zien in een tentoonstelling. In het Underground Museum in Los Angeles, samen met schilderijen gemaakt door kunstenaar Noah Davis, Josephs jongere broer die op 32-jarige leeftijd overleed aan een zeldzame vorm van kanker.)

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Kunstenaar Martijn Lucas van Erp: “Ik ben niet zo bezig met kunst maken”

Het imago van landschapsschilderkunst is niet al te best. Velen beschouwen het als wanddecoratie, een manier om je vaardigheden onder de knie te krijgen. Je kunt er inderdaad vele wegen mee bewandelen. Van edelkitsch tot de mystieke cult van bijvoorbeeld Caspar David Friedrich. Dat het genre steeds meer uit de gratie is geraakt binnen hedendaagse kunstopvattingen, lijkt Martijn Lucas van Erp niet te deren. Zijn werk reikt verder dan een blik op de horizon. Zeker de doeken die hij in 2016 maakte bieden ruim baan voor interpretatie en beschouwing. Van Erp: “Ik ben niet zo bezig met kunst maken. Je moet je verhouden tot de wereld waarin je leeft.”

Zijn atelier ligt verscholen in een statig pand aan de Wycker Grachtstraat in Maastricht. Ooit was hier de stoombierbrouwerij De Keyzer gevestigd, waarvan de oorsprong teruggaat naar de 17e eeuw. In een kelderachtige ruimte laat Van Erp canvassen zien die staan ingepakt voor een solo-expositie. Speciaal voor het bezoek wordt de noppenfolie eraf gehaald. Dan blijken de schilderijen vergezichten die opeens dichterbij komen.

Een van de panorama’s bevat bergen en wolken die dreigend opdoemen. Omgevallen containers die de blik op de voorgrond beïnvloeden. Zonlicht straalt strategisch over weidse vlakten. Van Erp: “Voor mij heeft het iets feestelijks. Je oog wordt ernaar toegetrokken, naar de dozen die uit de container zijn gevallen. Net als het zonlicht. Voor je het weet ben je heel frivool aan het kijken naar een gebeurtenis die best dramatisch is. Dat is het ambivalente in mijn werk.”

In de landschappen van Martijn Lucas van Erp (Heerlen, 1975) komen werelden samen die ogenschijnlijk niks met elkaar te maken hebben. Het is de plek, hoe tegenstrijdig soms ook, waar verbeelding van verstilling op heterdaad wordt betrapt. Telkens gemaakt vanuit een gedachte, een motivatie. “Ik wil altijd iets van schoonheid en kritiek in mijn werk. Dat je kan kiezen of je er in mee wilt gaan of niet.” Zijn nieuwe schilderijen ogen fantasierijk en ongrijpbaar. Bedachtzaam impressionisme. Herten die berustend grazen ondanks dat ze plots zijn terecht gekomen in een droomlandschap.

Van Erp is sinds 1993 kunstenaar. Dat ging niet vanzelf. “Ik kom uit een marechausseegezin en was niet veel met kunst bezig. Op school deed ik niet heel erg mijn best zoals mijn ouders dat graag hadden gewild. Ik was niet gemotiveerd. Toen ik veertien was heb ik geld van mijn rekening gehaald en een gitaar gekocht. Dat ik elke dag de gitaar kon oppakken en erop spelen was een bevrijding.” In zijn atelier ligt een stapeltje cd’s met bovenop Radiohead.

Van Erp vertelt dat schilderen voor hem ook een zoektocht is naar de werking van het canvas, van vlakverdeling en verf. “Het kan niet alleen maar uit mij komen. Het gaat om de samenwerking, het meewerken in de verf. Als je iets benadrukt merk je dat het spanning genereert. Ik moet er net zo lang mee doorgaan tot het schilderij zichzelf is.”

Terwijl hij nog een recent schilderij laat zien benadrukt hij dat feedback hem helpt bij de artistieke weg die hij momenteel is ingeslagen. “Ik heb dit doek onlangs op Facebook gezet, dan komen er reacties en merk ik: oh wacht, dit wérkt, dan snap ik zelf ook meer hoe het zit. Ik heb iets als Facebook nodig om te zien hoe mensen ernaar kijken en reageren.” Na een korte aarzeling, zijn landschappen bekijkend, zegt hij: “Als de verf mij goed gezind is vind ik dat ik blij mag zijn met het resultaat. Het volgende doek is gewoon weer wit, dan voel ik me weer zo groot (duidt enkele centimeters aan tussen duim en wijsvinger), en hoop ik dat het wonder weer gaat gebeuren.”

Expositie Martijn Lucas van Erp – Huub Hannen Galerie, Boschstraat 50, Maastricht, t/m 22 april 2017

(eerder gepubliceerd via ZwartGoud)

Grayson Perry in Bonnefantenmuseum: engagement als lust voor het oog

persprevie w GP
Bonnefantendirecteur Stijn Huijts en Claire/Grayson Perry (foto: Harry Prenger)

Natúúrlijk bezit Sir Elton John werk van Grayson Perry. Na het winnen van de prestigieuze Turner Prize sta je in kunstminnend Engeland algauw in hoog aanzien bij celebrities. En je kunt je best iets voorstellen bij de flamboyante popster en de bonte kermis die Grayson Perry heet. De kunstenaar is er eentje van het ambacht, van ouderwets vakwerk met blote handen. De vaas van keramiek die bij Elton John thuis staat, is in het Bonnefantenmuseum onderdeel van een grote overzichtstentoonstelling.

Grayson Perry (1960) verdeelt zijn uiterst kleurrijke beelden over materiaal dat door de moderne kunst lange tijd met de nek werd aangekeken. Vazen! Wandtapijten! Keramiek! Kleding! Tot voor kort waren het bijna scheldwoorden. Perry werkt dus met benodigdheden die normaal gesproken worden geassocieerd met populaire cultuur. En populaire cultuur wil natuurlijk graag behagen, maar dan zijn we bij Perry mooi aan het verkeerde adres. De thema’s in zijn werk liegen er namelijk niet om: identiteit, religie, mondiale conflicten, klassensysteem, mannelijkheid. Om er maar eens paar te noemen. Omdat zijn afbeeldingen een scherp contrast vormen met het genoemde materiaal, krijgt zijn kunst net die extra esthetische meerwaarde. Andere bijkomstige troef is dat hierdoor zijn immer actuele engagement plaatsvindt zonder opgeheven vingertje.

GP-750x263

Perry mag bovendien graag de spot drijven met de boven ons gestelden. Op een geldbiljet van tien pond in de vorm van een wandtapijt staat Queen Elizabeth afgebeeld zoals de Britten haar volgens Perry het liefst zien; als “je tante”. Of neem het symbool van de stoere biker. Perry heeft een motorvoertuig voorzien van kleuren en details met een hoog kitschgehalte. De benzinetank siert aan weerskanten geen afbeeldingen van weelderige dames, maar de woorden ‘humility’ en ‘patience’. Op de passagierszit een minivitrine met het knuffelbeertje uit zijn kindertijd.

Het Bonnefantenmuseum toont misschien wel het meest opzienbarende deel uit het oeuvre van Perry. Of van diens alter ego, verkleed als vrouw. Tijdens de perspreview komt de kunstenaar doodgemoedereerd aangelopen als de wandelende knalfuif Claire. Opvallend is het schoeisel; een soort orthopedische kistjes met plateauzolen van twintig centimeter. Perry zelf leidt overigens een betrekkelijk normaal gezinsbestaan; hij is getrouwd, met een psychotherapeute.

Grayson-Perry-tapestry-009-1-940x550

Wie door het fraaie Sketchbooks bladert, ziet hoe de schetsen van de excentrieke kunstenaar leiden tot de uiteindelijke wandkleden en andere kunstwerken, die al dan niet verwijzen naar beelden uit de mythologie. In de enorme tapijten dartelen teksten en figuurtjes over elkaar als een hedendaagse equivalent op de satirische doeken van Jheronimus Bosch. Door de kakelbonte details heb je alleen al om één tapijt in je op te nemen een half uur nodig. Het ontwerp voor de ‘doeken’, die je niet even thuis aan de muur hangt zo groot zijn ze, bedenkt Perry via zijn computer, waarna ze bij een gespecialiseerde weverij uit België er als wandtapijten ‘uitrollen’. Je komt ogen tekort en voelt je al snel nietig wanneer je er tegenover of onder staat.

Bij alles wat Perry doet blijft zijn beeldenallegorie lichtvoetig, sarcastisch en vol (zwarte) humor. Dat de kunstenaar niet door bijt maakt zijn werk juist krachtig en geloofwaardig. Zo blijven er genoeg prikkels over om de toeschouwer te overtuigen van het engagement in het duizelingwekkende universum van de Engelsman. Hold Your Beliefs Lightly luidt de titel van de tentoonstelling. Voor meerdere uitleg vatbaar, maar daarom niet minder spectaculair.

Grayson Perry – Hold Your Beliefs Lightly (Bonnefantenmuseum, Maastricht, t/m 5 juni 2016)

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Grayson-Perry-Motorbike-750x422

Grote tentoonstelling kunstenaar Raymond Pettibon in Bonnefantenmuseum

 

Het Bonnefantenmuseum organiseert in de zomer van 2017 een grote tentoonstelling met werk van Raymond Pettibon. Volgens museumdirecteur Stijn Huijts zal het museum vanaf 2 juni ruim baan bieden aan tekeningen en schilderijen van de Amerikaanse kunstenaar. Titel van de tentoonstelling? A Pen Of All Work. Deze overzichtstentoonstelling geschiedt in samenwerking met het New Museum in New York. Er zal bovendien een gezamenlijke catalogus worden gepubliceerd

Raymond Pettibon (1957) is een rasechte kunstpunker. In zijn beelden refereert hij allesbehalve subtiel aan de facetten van de Amerikaanse samenleving en cultuur. Meer in het bijzonder is zijn werk beïnvloed door punkmuziek, sport, literatuur, religie en seksualiteit. Pettibon, die eigenlijk Ray Ginn heet, begon omstreeks 1980 tekeningen te maken voor de platen van het underground muzieklabel SST Records. Vanaf het moment dat Pettibon albumhoezen is gaan ontwerpen voor bands als Sonic Youth en Foo Fighters is zijn naam bekend geworden bij een groter publiek

Veel van zijn tekeningen lijken op fragmenten uit tv-series en filmnoir cinema. Dankzij de zwarte humor en de losse, primitief ogende benadering bieden ze echter voldoende ruimte voor een eigen interpretatie. Ondanks zijn toenemende populariteit blijft Pettibon medewerking verlenen aan releases van jonge, onbekende punkbands. Een van de recentste voorbeelden is een hoesontwerp voor The Mons uit Chicago.

De kunstenaar zelf maakt muziek met The Niche Makers. Deze gelegenheidsband laat jazz- en bluegrassmuziek vergezeld gaan van expliciete teksten, al dan niet gezongen door Pettibon.

De laatste twintig jaar wordt zijn werk regelmatig en wereldwijd getoond in grote en kleine musea.

(eerder gepubliceerd via ZwartGoud)

Armando: “Je maakt werk waar niemand behoefte aan heeft, dat komt pas later”

“Eindelijk rust”. Kan zo op zijn grafsteen zegt Armando. Of: “dat heb ik weer”. 85 is de allroundkunstenaar intussen, hooguit een beetje stram van lijf en leden wanneer hij naar de tafel in de grote zaal loopt. Vooraf bekijkt hij op zijn gemak vanuit een rolstoel Over Oorlog en Vrede, de tentoonstelling waar hij aan deelneemt. Over zijn leven en werk gaat het in een gesprek tussen hem en Rick Vercauteren, directeur van museum Van Bommel Van Dam in Venlo.

Tegenover zo’n honderd bezoekers vertelt Armando (1929) over zijn schilderijen waarvan er enkele prominent in het museum hangen. Af en toe serieus, dan weer met humor, licht van toon en relativerend. Vercauteren helpt de kunstenaar waar nodig met het ophalen van persoonlijke herinneringen. Waar hij opgroeide in Amersfoort zag de jonge Armando (“mijn Italiaanse grootmoeder gaf me die bijnaam”), op weg naar school hoe steeds meer gevangenen in een kamp verbleven, wachtend op doorvoer naar Duitsland. Dat maakte een onuitwisbare indruk. Zijn kunst is doordrenkt van de Tweede Wereldoorlog, maar hij ziet zichzelf niet als oorlogskunstenaar. Toch beheersen de oorlogsjaren zijn leven, tot op de dag vandaag beweert hij.

A

Nadat het begin van het gesprek wat moeizaam op gang komt, over de fascinatie van macht in sport, o.a. naar aanleiding van de Champions Leaguefinale de avond ervoor, praat Armando gaandeweg meer over zijn kunstenaarschap. De zelfspot komt telkens als prettige kwinkslag met enige regelmaat om de hoek kijken. Soms geeft hij maar meteen een antwoord op vragen die hij zichzelf hardop stelt. “Wannéér maak je iets? De invloed van jezelf is zo klein, een schilderij overkomt je. Je dénkt dat je het denkt.” En: “Je maakt werk waar niemand behoefte aan heeft. Dat komt pas later”.

Iemand uit het publiek wil weten waar hij naar hij luistert in zijn atelier. Met gemak somt hij een aantal namen op uit de klassieke muziek (Bach, Ravel). Arvo Pärt is echter favoriet. Componist van muziek die verstild en minimaal getoonzet, vernuft haar weg zoekt volgens het adagium minder is meer. “Muziek die het dichtst bij mijn werk komt.”

De in Amsterdam geboren Armando was in zijn leven betrokken bij meerdere kunstbewegingen. Daarnaast is hij schrijver en dichter, beeldhouwer en muzikant, een tijdje was hij columnist bij NRC Handelsblad. Vrijwel vergeten is zijn periode in de jaren vijftig, toen hij uitsluitend met felle kleuren werkte. Onder invloed van zwart-wit fotografie veranderden zijn doeken in omarmingen van de gebalde drie-eenheid zwart, wit en grijs.

 

De kunstenaar woont alweer geruime tijd in Potsdam nabij Berlijn. Op de vraag hoe Duitsers tegenwoordig tegen zijn werk aankijken, antwoordt hij nuchter dat er maar een paar zijn die geïnteresseerd zijn. Het is volgens hem immers allemaal beperkt en klein, die wereld van de kunst. Hij beschouwt het ontstaan van een werk nog altijd als “raadselachtig”. Dat komt goed van pas: “anders heeft het leven geen zin.” “Wat moet je anders? Zie je me al op mijn reet aan het strand liggen?”

Behalve werk van Armando toont Van Bommel Van Dam kunst van onder meer Anselm Kiefer, Ger Lataster, Julia Winter en Jef Diederen. Volgens het Venlose museum vertonen ze hun visie en betrokkenheid op het beladen onderwerp van de tentoonstelling. De intensiteit van de beelden zindert er in geval flink op los. De variatie in materiaalgebruik, de verschillende invalshoeken die de kunstenaars aanwenden om de kijker hun werk in te zuigen zorgen ervoor dat de tentoonstelling nergens zwaar op de hand wordt. Niet de boodschap maar de kunst heeft het hier voor het zeggen.

TP

Neem de marmeren statuur van Thom Puckey, man van innemende kwetsbaarheid gevangen in een sculptuur. Een bijna naakte jongedame, wijdbeens gehurkt. Pistool van het merk Luger in de aanslag. Van Duitse makelij, veelgebruikt tijdens de oorlog. Zie houding en uitdrukking en voel de wat ongemakkelijke mengeling tussen de hardheid van het materiaal en het tedere van het model. Charismatisch, fragiel, stoer! Onoverwinnelijk? Op 6 september vertelt Puckey er meer over tijdens een gesprek over de relatie tussen de Tweede Wereldoorlog en zijn beeldend werk.

vanbommelvandam   overoorlogenvrede

Over Oorlog En Vrede (Museum Van Bommel Van Dam, Venlo t/m 6 september 2015)

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)