Solotentoonstelling David Lynch in Bonnefantenmuseum

Het Bonnefantenmuseum zal vanaf november 2018 een grote solotentoonstelling presenteren met David Lynch. Bij het grote publiek staat hij bekend om zijn filmklassiekers Eraserhead, Blue Velvet, Mulholland Drive, en natuurlijk de tv-serie Twin Peaks. Minder bekend is dat hij ook jarenlang actief is als beeldend kunstenaar, fotograaf en componist. Op zijn Instagrampagina laat Bonnefantendirecteur Stijn Huijts zich eerder vandaag fotograferen met Lynch.

Stijn Huijts: “David Lynch is onmiskenbaar een spilfiguur in de internationale film- en tv-wereld, maar zijn werk als beeldend kunstenaar is veel minder bekend. Terwijl Lynch zelf altijd heeft benadrukt dat hij zichzelf vóór alles ziet als een beeldend kunstenaar. Zijn beheersing en gebruik van een rijkgeschakeerd scala aan media en technieken, van schilderijen tot installaties, maken hem ook in die hoedanigheid invloedrijk. Het is een uitzonderlijke artistieke kant van Lynch, die nog maar zelden is belicht en in musea getoond. Daarmee past hij perfect in het beleid van het Bonnefantenmuseum dat zich richt op de ‘verborgen canon’.”

Gebruikelijk zal een kunstenaar met een grote tentoonstelling in het Bonnefanten zelf ook aanwezig zijn tijdens de opening. Ongetwijfeld zal Lynch worden uitgenodigd om langs te komen in Maastricht. Met het tonen van de kunst van Lynch gaat een lang gekoesterde wens van Bonnefantendirecteur Stijn Huijts in vervulling. Toen hij nog werkzaam was bij Schunck liep hij reeds met plannen rond om de kunstenaar/regisseur te kunnen strikken. In 2010 was er nog een tentoonstelling van Lynch in het Max Ernstmuseum in Brühl, nabij Keulen.

De werken van Lynch (1946) zijn net zo bizar, vervreemdend en ongrijpbaar als veel van zijn films. Lynch maakt multimediadoeken, installatie’s, foto’s van vergane industrie, vrouwelijk naakt of sneeuwpoppen. Het is de eerste keer dat er in een Nederland een grote tentoonstelling te zien is van de regisseur.

David Lynch is eveneens enthousiast over de samenwerking met het museum. Vanuit Los Angeles meldt hij kort: “I am happy and excited to work with the Bonnefanten on this exhibition of my work!”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud en The Post Online)

De realistische droombeelden van filmmaker Kahlil Joseph

De opening is nog typisch hiphopvideo. Een flitsende montage met bijna voorspelbare beelden. Maar na een minuut dendert opeens de zwaarte naarbinnen, uitmondend in een portret over het leven in Compton, Los Angeles. Kahlil Joseph wordt doorgaans in een adem genoemd met Kendrick Lamar. Geïnspireerd op het doorbraakalbum van de rapper, Good Kid m.A.A.d. City, maakte hij een film van een kwartier over de beruchte wijk waarin Lamar opgroeide. De rolprent toont hét handelsmerk van de filmmaker. Kahlil Joseph neemt de tijd. Voor droombeelden vermengd met realisme, hypnotiserend, reflectief. De film was te zien in een museum voor hedendaagse kunst, het MOCA in Los Angeles.

In het werk van Kahlil Joseph (1981) worden gebeurtenissen vertraagd weergegeven en details uitvergroot. Camerastandpunten en geluid lijken buiten de muziek te vallen. Een schets van het alledaagse leven wisselt hij net zo makkelijk af met beelden uit de natuur, duisternis met oogverblindende lichtval. Een video die hij maakte bij de jazzelektronica van Flying Lotus heeft meer weg van een visueel ballet: de camera volgt een neergeschoten buurtbewoner die uit de dood herrijst, waarna hij zich ontpopt tot een danser van elastiek. Ondanks de haast uitbundige stijl, is Josephs beeldkeuze tegelijk verontrustend. Dat wordt nog eens versterkt doordat hij het flikkerende licht dat slowmotionopnamen soms veroorzaken gewoon laat voor wat het is. Of kijk eens naar Video Girl, waarin zangeres FKA Twigs amper de neiging kan onderdrukken de liefde te willen bedrijven met een ter dood veroordeelde. Confronterende beelden in zwart-wit.

Hoe dan ook is de camera voortdurend in beweging. Gracieus glooiend van onder naar boven en omgekeerd, personages meestal van achteren gevolgd. De aanpak doet denken aan de associatieve cinema van Terrence Malick. Joseph werkte kort samen met de cultregisseur. Ervaring deed hij ook op bij multimediakunstenaar Doug Aitken. Er zijn meer invloeden. Voor de korte film The Mirror Between Us baseerde Joseph zijn script op een gedicht van een soefimysticus. Zelf treedt de jonge filmmaker liever niet op de voorgrond, interviews geeft hij zelden en een eigen website is er evenmin.

Toch krijgt vorm af en toe de overhand in zijn video’s. De openingsshots van de eerder genoemde Flying Lotusclip lijken expliciet bedoeld om een statement te maken. Variety draait er niet lang om heen. Volgens het filmmagazine is zijn eerste full-length documentaire, over de totstandkoming van een album van The Arcade Fire, “een ongeorganiseerd ratjetoe van visuele gimmicks en leeg exotisme”. Een clip die Joseph maakte van Beyoncé’s Sorry oogt zelfs gewoontjes voor zijn doen. Hij houdt zich keurig aan het ritme van de muziek, terwijl de beelden vooral zijn bedoeld ter meerdere eer en glorie van de zangeres.

In een van zijn video’s heeft Joseph een hommage verstopt aan Charles Burnett, voormalig lid van de Black Independent Movement. Dit collectief regisseurs was verantwoordelijk voor enkele geruchtmakende documentaires en speelfilms, waarin politiek en cultuur van de jaren zestig werden gezien vanuit Afro-Amerikaans perspectief. In het werk van Joseph is het engagement eveneens volop aanwezig. Sluimerend, telkens binnen een door hemzelf gevormd cinematografisch raamwerk gesteund volgens een eigen interpretatie: donker tegenover licht, dreiging van stadsgeweld tegenover aardse beeldpoëzie. Ondanks de verschillende invalshoeken en opdrachten, zowel visueel als muzikaal, keert bij Joseph één onderwerp terug: het leven van Afro-Amerikanen in achterstandswijken waar armoede heerst, geweld op de loer ligt en hiphopcultuur de laatste strohalm is.

(Stills uit Josephs video’s waren al eerder te zien in een tentoonstelling. In het Underground Museum in Los Angeles, samen met schilderijen gemaakt door kunstenaar Noah Davis, Josephs jongere broer die op 32-jarige leeftijd overleed aan een zeldzame vorm van kanker.)

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Op Record Store Day graven naar verborgen vinylschatten

Op Record Store Day wordt jaarlijks muziek op vinyl gevierd, maar de dag is vooral bedoeld om deelnemende platenzaken een steuntje in de rug te geven. Ondanks de kritiek die hier en daar valt, met name op social media, blijft de belangstelling voor het fenomeen groot. Ongetwijfeld zullen op zaterdag 22 april liefhebbers ’s ochtends vroeg in de rij staan om zeldzame plaatjes te scoren.

Het gaat immers om vinyluitgaven die alleen op deze dag verkrijgbaar zijn, in beperkte aantallen. Wát je uiteindelijk zult aantreffen en in welke hoeveelheden blijft gissen. Je merkt het pas bij binnenkomst in een van de 99 winkels die in ons land meedoen. Ter plekke geldt een aloud principe: wie het eerst komt… De eerste vijfduizend kopers ontvangen een linnen tasje met gratis single van “ambassadeur” Jett Rebel. Op roze vinyl.

Maar goed, die kritiek dus. Een veelgehoorde klacht zijn de hoge verkoopprijzen van de exclusieve platen. Esther Vollebregt, projectleider van Record Store Day Nederland, herkent de kritiek: “Zelf heb ik het idee dat het dit jaar meevalt, maar hier hebben wij als organisatie in Nederland geen invloed op.” Ze hecht juist grote waarde aan de medewerking van de platenmaatschappijen: “Het is een belangrijke samenwerking, zowel qua releases als qua betrokkenheid van de artiesten. We zitten geregeld met elkaar om tafel. Maar het beleid en de keuze ligt bij de organisatie van RSD.”

Platenzaken die dit jaar meedoen maar niet zijn aangesloten bij branchevereniging Nederlandse Vereniging van Entertainment Retailers, hebben vooraf honderd euro moeten betalen. Vollebregt: “RSD is een stichting; we hebben dus geen winstoogmerk. Wel worden de activiteiten voor de winkels elk jaar weer iets verder uitgebreid. Voor RSD zijn we met drie man, bijna fulltime en zo’n vier maanden lang bezig zijn met de organisatie. Alles wat we doen, is voor de winkels. Van gratis posters tot het regelen van de instores (optredens in platenzaken-red). En na RSD stopt dit ook niet. We hebben inmiddels de Platenbon geherintroduceerd, zijn de hitlijst Vinyl33 gestart, komen met exclusieve releases en bereiken dagelijks inmiddels duizenden consumenten met nieuws, tips, instores van en/of over de platenzaken. Dat maakte een bijdrage per jaar een logische keuze. Onze collegalanden doen dat al jaren.”

Esther Vollebregt raakte per toeval betrokken bij Record Store Day. Voorheen werkte ze als projectmanager bij Aangenaam Klassiek, een campagne om klassieke muziek aan de man te brengen. “Een deur verderop zat Record Store Day. Toen mijn voorganger Stephan van Peursem stopte, vroeg ik of ik niet tijdelijk uit de brand kon helpen. Maar eigenlijk viel toen pas echt het kwartje, voor de organisatie en voor mezelf.” Allicht is ze zelf ook groot liefhebber van popmuziek, bij voorkeur op vinyl: “Ik vind bijna alle muziek leuk, ga al vanaf mijn zestiende naar concerten en festivals, ben voor mijn afstudeerscriptie voor een muziekwinkelketen jaren geleden het hele land doorgereden om alle platenzaken te bezoeken. Mijn huis heeft een aparte ruimte die helemaal vol staat met vinyl.”

Een beetje muziekkenner ontdekt dat het op de internationale vinyldag vaak gaat om platen die eerder in een andere vorm of versie zijn uitgekomen. Weer andere titels verschijnen voor het eerst op vinyl. Spannend zijn de muzikale primeurs. Van War On Drugs is er een gloednieuw nummer, het eerste levensteken sinds 2014, toen de band doorbrak met het album Lost In The Dream.

Een van dé uitdagingen is erachter te komen welke artistieke schatten er verborgen gaan in het aanbod van de meer dan vijfhonderd platen op Record Store Day. In 2014 was er opeens een plak vinyl van Gonga. Van wie? De hoes verwees slechts naar het debuutalbum van hardrockpioniers Black Sabbath. Pas wie de plaat draaide hoorde een cover van de song Black Sabbath, uitgevoerd in Gonga’s passende doommetal, met in de rol van Ozzy Osbourne niemand minder dan Portisheadzangeres Beth Gibbons!

Record Store Day tips van Esther Vollebregt

“Ik tip zelf graag de lokale acts: Broederliefde die voor het eerst met een fysieke uitgave komt; Rondé die ook in diverse platenzaken te zien is.
De split 7” single van Mark Lotterman en Harry Merry, alleen al vanwege de geweldige hoes; de dubbel-lp van Urban Dance Squad en Have You Heard The Hype van The Hype, met Yorick van Norden.”

Record Store Day tips van Harry Prenger

Thelonious Monk – Les Liaisons Dangereuses
Opnamen uit 1960 met niet eerder verschenen filmmuziek door jazzpianist die bekend staat om zijn flegmatieke speelwijze. Componist van o.a. de klassieker ‘Round About Midnight. Dubbel-lp via het Parijse jazzlabel Sam Records, gespecialiseerd in kwaliteitspersingen.

David Bowie – No Plan
Exclusieve nummers uit de sessie van het album Black Star. Transparant lichtblauw vinyl met op een kant sterretjes gegraveerd.

David Bowie – Bowpromo
Bevat oerversies van zeven songs die later terecht zijn gekomen op Hunky Dory. In 1971 werd Bowpromo verdeeld onder journalisten inclusief presskit. De RSD-versie is een replica. Gaat wel ruim zestig euro kosten.

Pink Floyd – Interstellar Overdrive
Vijftien minuten durende opname uit 1966. De korte versie kwam terecht op het debuutalbum van de Engelse band waar toen nog Syd Barrett deel van uit maakte. Met poster.

Television Personalities – And Don’t The Kids Just Love It
Heruitgave van cultklassieker uit 1981. Bevat de hit I Know Where Syd Barrett Lives. Wie de plaat destijds hoorde begon meteen zelf een bandje. Onbevangen rammelend en tegelijk voorzien van melodieuze schwung. Op de voorkant van de hoes een foto van Twiggy, misschien wel het allereerste superslanke topmodel, en een van de television personalities uit de jaren zeventig, Patrick Macnee, uit tv-serie De Wrekers.

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

 

Kunstenaar Martijn Lucas van Erp: “Ik ben niet zo bezig met kunst maken”

Het imago van landschapsschilderkunst is niet al te best. Velen beschouwen het als wanddecoratie, een manier om je vaardigheden onder de knie te krijgen. Je kunt er inderdaad vele wegen mee bewandelen. Van edelkitsch tot de mystieke cult van bijvoorbeeld Caspar David Friedrich. Dat het genre steeds meer uit de gratie is geraakt binnen hedendaagse kunstopvattingen, lijkt Martijn Lucas van Erp niet te deren. Zijn werk reikt verder dan een blik op de horizon. Zeker de doeken die hij in 2016 maakte bieden ruim baan voor interpretatie en beschouwing. Van Erp: “Ik ben niet zo bezig met kunst maken. Je moet je verhouden tot de wereld waarin je leeft.”

Zijn atelier ligt verscholen in een statig pand aan de Wycker Grachtstraat in Maastricht. Ooit was hier de stoombierbrouwerij De Keyzer gevestigd, waarvan de oorsprong teruggaat naar de 17e eeuw. In een kelderachtige ruimte laat Van Erp canvassen zien die staan ingepakt voor een solo-expositie. Speciaal voor het bezoek wordt de noppenfolie eraf gehaald. Dan blijken de schilderijen vergezichten die opeens dichterbij komen.

Een van de panorama’s bevat bergen en wolken die dreigend opdoemen. Omgevallen containers die de blik op de voorgrond beïnvloeden. Zonlicht straalt strategisch over weidse vlakten. Van Erp: “Voor mij heeft het iets feestelijks. Je oog wordt ernaar toegetrokken, naar de dozen die uit de container zijn gevallen. Net als het zonlicht. Voor je het weet ben je heel frivool aan het kijken naar een gebeurtenis die best dramatisch is. Dat is het ambivalente in mijn werk.”

In de landschappen van Martijn Lucas van Erp (Heerlen, 1975) komen werelden samen die ogenschijnlijk niks met elkaar te maken hebben. Het is de plek, hoe tegenstrijdig soms ook, waar verbeelding van verstilling op heterdaad wordt betrapt. Telkens gemaakt vanuit een gedachte, een motivatie. “Ik wil altijd iets van schoonheid en kritiek in mijn werk. Dat je kan kiezen of je er in mee wilt gaan of niet.” Zijn nieuwe schilderijen ogen fantasierijk en ongrijpbaar. Bedachtzaam impressionisme. Herten die berustend grazen ondanks dat ze plots zijn terecht gekomen in een droomlandschap.

Van Erp is sinds 1993 kunstenaar. Dat ging niet vanzelf. “Ik kom uit een marechausseegezin en was niet veel met kunst bezig. Op school deed ik niet heel erg mijn best zoals mijn ouders dat graag hadden gewild. Ik was niet gemotiveerd. Toen ik veertien was heb ik geld van mijn rekening gehaald en een gitaar gekocht. Dat ik elke dag de gitaar kon oppakken en erop spelen was een bevrijding.” In zijn atelier ligt een stapeltje cd’s met bovenop Radiohead.

Van Erp vertelt dat schilderen voor hem ook een zoektocht is naar de werking van het canvas, van vlakverdeling en verf. “Het kan niet alleen maar uit mij komen. Het gaat om de samenwerking, het meewerken in de verf. Als je iets benadrukt merk je dat het spanning genereert. Ik moet er net zo lang mee doorgaan tot het schilderij zichzelf is.”

Terwijl hij nog een recent schilderij laat zien benadrukt hij dat feedback hem helpt bij de artistieke weg die hij momenteel is ingeslagen. “Ik heb dit doek onlangs op Facebook gezet, dan komen er reacties en merk ik: oh wacht, dit wérkt, dan snap ik zelf ook meer hoe het zit. Ik heb iets als Facebook nodig om te zien hoe mensen ernaar kijken en reageren.” Na een korte aarzeling, zijn landschappen bekijkend, zegt hij: “Als de verf mij goed gezind is vind ik dat ik blij mag zijn met het resultaat. Het volgende doek is gewoon weer wit, dan voel ik me weer zo groot (duidt enkele centimeters aan tussen duim en wijsvinger), en hoop ik dat het wonder weer gaat gebeuren.”

Expositie Martijn Lucas van Erp – Huub Hannen Galerie, Boschstraat 50, Maastricht, t/m 22 april 2017

(eerder gepubliceerd via ZwartGoud)

De terugkeer van Big Star op vinyl, meesterwerken tussen gloeilamp en neonletters

De meeste mensen zullen de liedjes van Big Star voor het eerst hebben gehoord in uitvoeringen van anderen. Van This Mortal Coil, The Bangles, Jeff Buckley of R.E.M. Toch behoren de drie albums die de Amerikaanse band in de jaren zeventig maakte tot hoogtepunten uit de popgeschiedenis. Gitaarrock en ballads waarin alles even scherpzinnig als vanzelfsprekend met elkaar verband houdt en in elkaar grijpt.

Big Star had zomaar het Amerikaanse antwoord kunnen zijn op The Rolling Stones. Of The Beatles. Of glamrock. Invloeden die omgekeerd evenredig opduiken in het talent van zanger-componisten Alex Chilton en Chris Bell. Toen ze nog pubers waren hadden ze zich voorgenomen net zo’n songschrijversduo te worden als Lennon en McCartney. Toch doen de zangmelodieën van de heren vooral denken aan The Byrds; in songs waarnaar het telkens weer prettig én uitdagend luisteren is. Eveneens van belang is de herkomst van de band: Memphis, de swingende onderbuik van de popmuziek. Het Memphis van soul en rock waar je zweetplekken van onder je armen krijgt. Bij Big Star schemeren ze voortdurend tussen de composities en melodieën die, om het zomaar eens te zeggen, van zichtzelf al zo sterk zijn dat ze een eigen leven gaan leiden.

Wie voor het eerst kennismaakt met Big Star, hoort wellicht een feest der herkenning. In de jaren tachtig en later klonken veel Amerikaanse gitaarbands precies zo. Bedenk echter dat de eerste twee platen dus al begin jaren zeventig verschenen. Het complete oeuvre van R.E.M. kun je sowieso inruilen voor alleen al deze Big Star albums. Tijdlozer dan dit kom je het zelden tegen in de popmuziek.

Aan de muziek heeft het nooit heeft gelegen. Het uitblijven van succes werd toentertijd vooral veroorzaakt door alles wat er om die muziek heen gebeurde. Ondanks goede recensies waren de lp’s wegens slechte distributie onvindbaar. Andere randzaken groeiden eveneens uit tot hindernissen die een doorbraak in de weg stond. Vechtpartijen tussen bandleden, opnamebanden die zoek raakten, toenemende frustraties en een platenmaatschappij die zich geen raad wist met dit alles.

Typisch dat het debuut opent met een liedje genaamd Feel, waarin de zin “I feel like I’m dying” terugkeert. De wapperende gitaarrimpels aan het einde van het nummer waren ook heel mooi geweest als intro, maar nee, die worden dus als slotakkoord bewaard, klaterend als een bevrijdende douche. Thirteen gaat over het verlies van jeugdige onschuld via een meisjeskamer; luisterend naar de Stonesklassieker Paint It Black, dat ook al handelt over de zielenroerselen van de innerlijke adolescent. Bij het ondergaan van deze akoestische ballad kan het gebeuren dat er zomaar ineens een traantje wordt weggepinkt. Strohalm: “rock ’n roll is here to stay”, zingt Chilton.

Radio City wordt opgenomen zonder Chris Bell, maar met uitbreiding van kroegpiano, mellotron, en voorzien van licht experiment met opnametechnieken. Chilton neemt de band op sleeptouw. Gitaren gaan als hartjes kringelen om liedjes die zonder uitzondering fraai, kwetsbaar en weerbarstig zijn. Op de hoes een gloeilamp aan een plafond dat bloedrood kleurt. Zo rood dat het pijn doet aan je ogen, licht geeft in de duisternis, als een kaars die dooft maar telkens weer oplaait. Herbeluistering aan de hand van deze platen leert dat de muziek van Big Star op de een of andere ondoorgrondelijke manier er alleen maar indrukwekkender op is geworden.

De drie cultklassiekers van Big Star zijn meerdere malen opnieuw uitgebracht. Nu zijn de eerste twee weer verkrijgbaar in de overigens uitstekende reissueserie Back To Black van Universal Nederland. Het 180-grams vinyl zit in antistatische kunststofvoering en buitenhoezen van solide karton. Dat je wat in handen hebt. De persingen zijn schoon en vrij van oneffenheden. De klank van deze opgepoetste opname is direct, fris en urgent. Het komt de muziek alleen maar ten goede. Jammer genoeg is met het hoesontwerp van Radio City slordig omgesprongen. De foto’s van William Eggleston zijn op zowel de voor- als achterkant in afmeting iets kleiner dan op het originele album. In feite is deze nieuwe versie een herpersing van een reissue uit 2010. Een fout van toen is helaas niet hersteld: het nummer Back Of A Car wordt wederom tweemaal op de hoes vermeld.

Chris Bell komt in 1978 op zijn 27ste om bij een auto-ongeluk. Bassist en somtijds co-componist Andy Hummel sterft in 2010 aan kanker. Alex Chilton overlijdt datzelfde jaar aan een hartaanval. Als zanger van The Box Tops heeft hij op jonge leeftijd zijn claim to fame met de wereldhit The Letter. Als eerbetoon aan zijn song September Gurls, wijzigt Katy Perry, op verzoek van haar manager én Big Starfan, de spelling van haar hitsingle in California Gurls.

Big Star – #1 Record (Universal/Back To Black 1972/2017)
Big Star – Radio City (Universal/Back To Black 1974/2017)

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Boek Art Record Covers toont liefdevolle relatie popmuziek, beeldende kunst en vinyl

art-record-covers-omslag

De band tussen popmuziek en beeldende kunst is meer dan innig sinds Andy Warhols iconische bananenhoes voor de Velvet Underground. Of anders wel sinds de Beatlesplaat Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band. Kunstenaars Peter Blake en Jann Haworth bedachten in 1967 de beroemde collage-enscenering op de voorkant. Popmuziek en beeldende kunst zijn intussen uitgegroeid tot een complementaire verstrengeling van massacultuur en museumkunst. Ondanks dat er niet altijd een verband bestaat tussen het artwork op de hoes en inhoud van de plaat, zijn beide kunstdisciplines in een echelon beland waarin ze elkaar versterken. Dan gaat het om opdrachthoezen, samenwerking tussen artiest en kunstenaar, of licentiegebruik van een bestaand schilderij (Gerhard Richters Kerze voor Daydream Nation van Sonic Youth).

De omvangrijke Taschenuitgave Art Record Covers bevat niet alleen de klassiekers, maar, heel prettig, een lichte voorkeur voor de “post-internet generatie”. Relatief nog onbekende kunstenaars die internet en digitale technologie als onderwerp en medium gebruiken. Die keuze leidt tot verrassingen en ontdekkingen. Albumhoezen vanaf pakweg 2000 waarvan je niet eens wist dat ze gemaakt zijn door kunstenaars. In de ruim vijfhonderd afbeeldingen wordt daarnaast geen onderscheid gemaakt tussen arrivés en autodidacten, tussen museumkunst en graffiti.

Af en toe glippen er in tegenspraak met de titel van het boek cd-hoesjes tussendoor. Ongeacht de bescheiden afmeting komen we werk tegen van grote namen uit de kunstgeschiedenis (Gilbert & George, Anish Kapoor).

julian-schnabel-madre
Julian Schnabel – Red Hot Chili Peppers

Uitgebreid vertellen kunstpunkers Shepard Fairey en Raymond Pettibon over hun werkwijze in verhouding tot hun voorliefde voor popmuziek. Pettibon bekent dat hij vrijwel nooit geld vraagt voor zijn bijdragen aan een albumhoes. Ook Kim Gordon, Tauba Auerbach en Albert Oehlen (van de anarchistische kunstbeweging Neue Wilden) komen aan het woord. Overigens bevat het boek niet alleen rockalbums. Bij een handjevol rapplaten tonen de samenstellers oprechte belangstelling voor graffitikunstenaar Futura 2000. Ruim aandacht is er ook voor een van de zeldzaamste uitgaven op vinylgebied. In 1976 vervaardigde multimediakunstenaar Jack Goldstein een audiosuite van negen gekleurde vinylsingles met o.a. geluiden van The Tornado en Two Wrestling Cats.

Hoezen fotograferen én realistisch weergeven over een hele pagina blijkt niet eenvoudig. Sommige afbeeldingen missen de ‘sfeer’ van de originele hoes. Zo blijft er van het metallic artwork op Lady Gaga’s Art Pop door Jeff Koons, weinig over dan een fletse weergave. Maar dit zijn slechts minpuntjes. Er valt zoals gezegd heel veel te ontdekken: bij elke hoes wordt uitleg verschaft over muzikant en kunstenaar, beknopt en inzichtelijk. Bovendien zijn de samenstellers niet over een nacht ijs gegaan. Tien jaar onderzoek ging aan de inhoud van het bijna vier kilo wegende boek vooraf. Verzamelingen en muziekarchieven werden doorgespit, waaronder het 47.000 platen tellende ARChive Of Contemporary Music in New York en de ongetwijfeld eveneens omvangrijke discotheek van Radio France.

Art Record Covers is een prachtig boek voor liefhebbers van popmuziek, beeldende kunst en vinyl. De keuze van de albums nodigt uit je eigen platencollectie nog eens na te kijken op hoezen met kunst én kan mogelijk aanzetten tot een nieuwe verzamelwoede.

taschen art_record_covers

(eerder gepubliceerd via The Post Online)