Graukunst in Schunck: aanvallen van uitersten

Graukunst hoes Kessler

Glenn Kessler – collage voor de albumhoes van de compilatie Grauzone

“Mensen willen altijd het mysterie, ik geef ze de werkelijkheid”. Aldus de beroemde Britse kunstenaar Tracey Emin over haar werk. Een zelfportret waarop ze staat afgebeeld als zestienjarige met new wave look, is te zien tijdens Graukunst: tentoonstelling over tegendraadse kunst uit het begin van de jaren tachtig en nu. Ondertitel: A Shit In The Face Of History. Over de anti-alles houding bij gevestigde en jonge kunstenaars. En waar vindt deze opgeheven middelvinger tegen de gevestigde orde plaats? Nou gewoon, in de entreehal van het voormalige modehuis Schunck in Heerlen. Stad met een traditie van urban art en straatkunst.

Eerder dit jaar was de expositie in Amsterdam onderdeel van het Grauzonefestival. Een muzikale herbeleving van de experimentele kant van de jaren tachtig. Voortvloeiend uit graffiti, maar ook punk en new wave, kende deze periode een sterke hang naar het tegendraadse en subversieve. New York was het epicentrum voor rauwe, alternatieve kunstpunk die in Graukunst wordt vertegenwoordigd door Richard Kern, Alan Vega en John Fekner.

Opvallend. De twee samenstellers van Graukunst werden pas halverwege het decennium waar de expo over handelt geboren. Desondanks koesteren Natasja Alers en Leonor Jonker een grote voorliefde voor muziek en kunst uit dit tijdperk. Jonker: “Graukunst gaat over mensen die het toen en nu verbinden, die een antiautoritaire attitude delen, om hun houding en nonconformisme, dat ze zich niks aantrekken van trends en hypes. Het bijzondere is dat de drie sleutelfiguren in dezelfde jaren actief waren in New York, maar in totaal andere scenes. Toch heeft hun werk eenzelfde ondertoon gemeen.” Jonker is auteur van No Future Nu. In het boek beschrijft ze hoe het gedachtegoed van de punkcultuur onderdeel werd van de Nederlandse samenleving.

Ambiguous-Existence-22

Natasja Alers

Op het leren jack van Natasja Alers prijken buttons van punkbands. De grootste is van de Ramones. Alers over Graukunst: “Het is een bepaald soort sfeer, denken en levensstijl die mij erg aanspreekt. Wat ik herken is hoe zij in de jaren tachtig die onafhankelijke manier van denken hadden. Mijn eigen leven sluit daar heel erg op aan”. Alers is ook beeldend kunstenaar. Fascinerend zijn haar keramieksculpturen in de tentoonstelling. Sterk misvormde lichamen of iets wat er op lijkt. Afstotend en aantrekkelijk tegelijk bevinden ze zich in een staat van stilstaande beweging, in een bevroren houdgreep. Je blijft er geboeid naar kijken als een ramptoerist bij een ongeluk.

In Fingered dendert de werkelijkheid de kunst binnen en omgekeerd. In de grofkorrelige lowbudgetfilm van Richard Kern en zangeres Lydia Lunch wordt het onderscheid tussen seks en geweld opgeheven en evenredig bij de kijker erin geramd. Alers: “Dat gewelddadige is bijna cartoonesk, stripachtig. Kijk ook maar eens naar de eerste punkzines”.Fingered wordt getoond door een ‘peephole’. Dat kijkt tamelijk ongemakkelijk; het geeft vertoning en film onterecht een zweem van voyeurisme.

Waarom geen opvoering in het enkele etages hoger gesitueerde filmhuis? Dat Schunck dagelijks ‘alle leeftijden’ over de vloer krijgt, noodzaakte het cultureel centrum wellicht tot deze noodgreep in de entreeruimte. Anderzijds kan de gekozen plek de niet in afwijkende kunst geïnteresseerde bezoeker prikkelen. Wie bij binnenkomst een blik opzij werpt ziet een foto waarop een bijna naakt meisje een handstand maakt bovenop een wc. Haar hoofd verdwijnt in de toiletpot.

Alan Vega Vision

Alan Vega

Alan Vega werd bekend als zanger van Suicide; pioniers van synthesizerklanken op standje unheimisch. Vega, terugblikkend in een recent interview: “Suicide ging altijd over het leven. Maar we konden de band moeilijk Life noemen. Daarom werd het Suicide, omdat we het leven wilden herkennen.” Weer dat teruggrijpen naar de realiteit, naar het even banale als onontkoombare van alledag. Zoals ook te horen valt in Suicide’s beklemmende nummer Frankie Teardrop, dat handelt over een straatarme fabrieksarbeider die zijn gezin vermoordt. Vega laat hierin de meest angstaanjagende schreeuw uit de popmuziek horen. Immers: “we’re all Frankies”.

Voordat Vega deel uitmaakte van de New Yorkse undergroundmuziek, studeerde hij keurig af als kunststudent Alan Suicide. Zijn bijdrage aan Graukunst bestaat uit bekraste canvasjes met foto’s van boksers, en lichtsculpturen in de vorm van een kruis. Die worden bijeen gehouden door hout, slingers en uiteraard, peertjes in allerlei kleuren. Er zitten zelfs speelgoedpoppetjes in verstopt. De werken zijn typerend voor de anti-alles benadering: van afgedankte ‘troep’ kunst maken. Niet het erkende mooie telt, maar een recht voor de raap authenticiteit. Natasja Alers: “Als je iets bedenkt maak je dat zelf, dat ga je niet in een winkel kopen.”

fekner4

John Fekner

“Art is simply a word or story made visual”, meldt John Fekner in een recent twitterbericht. Fekner had eind jaren zeventig al Lak Aan Braak (titel van een grote Heerlense straatkunstexpositie in 2011). Straten en gebouwen in achterafbuurten waren voor hem decor voor het aanbrengen van sociaal-maatschappelijke, politieke leuzen. Met de spuitbus maakte hij ‘waarschuwingsborden’ waarin hij voorbijgangers attendeerde op milieukwesties en andere volgens hem onfrisse zaken. Later begon hij als de John Fekner City Squad een geëngageerde hiphopgroep. Leuzen en locaties zijn vastgelegd in kleinformaat zwart-witfoto’s. Bevestigd aan een wand die, heel toepasselijk, wél van buitenaf zichtbaar is.

Xenia Graukunst

Xenia Gottenkieny

Leidt het (eigen) leven bij de gevestigde namen tot ambivalente biechtkunst, de jonge Graukunstenaars gaan op een andere manier de verbeelding te lijf. Hun bijdragen zijn er niet minder om. In een schilderij van Xenia Gottenkieny zijn twee mensachtige beesten in gevecht. Wie dichterbij komt ontdekt een collage krantenknipsels en advertenties. Gottenkieny desgevraagd: “In mijn serie Wrestlemania staan relaties, strijd, lust, sex, verlangen, agressie en frustratie centraal in een wereld van schreeuwerige advertenties. We krijgen dagelijks een overdosis aan informatie waarin we dreigen weg te zinken. Door at random collages en krantenknipsels te combineren, kom ik zelf ook tot ontdekkingen. Ik had in Wild Things een Aquafresh-advertentie (te koop voor 1 euro) gekanteld en toen zag ik er opeens een apostelfiguur in. Ik vind het leuk dat mensen mijn schilderijen ook kunnen ‘lezen’. Erin duiken en zo hun eigen verhaal kunnen vormen, zelf verbanden leggen, ermee spelen.”

Glenn Kessler maakt eveneens gebruik van de collagetechniek. Op drie posterprints grijpen vorm, stijl en inhoud knap in elkaar. Veel heeft de jonge Rotterdammer niet nodig. Hij maakt gebruik van de tinten zwart, wit en grijs en het principe: minder is meer. Doordat de beelden er zo stijlvol en beheerst uitzien springen ze meteen in het oog. Spannend sereen is Kesslers artwork voor de hoes van de vinylcompilatie Grauzone, te koop tijdens de Schunckexpo. Een visueel hoogstandje. Eigenlijk geldt dit voor alle werken in deze bescheiden tentoonstelling. Ook zonder context en voorkennis van de jaren tachtigkunst, zijn het beelden die de grenzen van al dan niet persoonlijke realiteit opzoeken of aftasten.

Graukunst – A Shit In The Face Of History: Natasja Alers, Tracey Emin, John Fekner, Richard Kern, Glenn Kessler, Alan Vega, Xenia Gottenkieny (Schunck, Heerlen, t/m 11 mei 2014) (dit is het tweede artikel over de Graukunstexpo in Schunck, Heerlen)

Onderstaand een lijst met publicaties die relateren aan de “anti-alles” houding en de “do it yourself”-esthetiek van de Graukunst-expo. Afkomstig uit de boekenkast van de schrijver van dit artikel.

International Discography Of The New Wave 1982-1983 – B. George & Martha DeFoe (Omnibus Press 1982)
ruim 700 bladzijden met vrijwel alle punk-, hardcore- en new waveplaten en labels

Re/Search #4/5 William S Burroughs, Brion Gysin, Throbbing Gristle (A Re/Search Publication 1982)
essays, interviews

Re/Search # 6/7 – An Industrial Handbook, Throbbing Gristle, Non, Monte Cazazza, SPK, Cabaret Voltaire (A Re/Search Publication 1983)
essays, interviews

Film Noir American Style (Ding Dong Tapes 1984)
boekje en twee cassettes in doosje, met o.a. Clock DVA, Twice A Man, The Doodooettes, Der Plan.

Magnetic North (Touch 1986)
audiovisueel magazine met cassette, met o.a. The Residents, Gilbert & George, Cabaret Voltaire, Jon Savage, Neville Brody, Strafe Für Rebellion

Tape Delay – Charles Neal (SAF Publishing 1987)
interviews, o.a. Lydia Lunch, Michael Gira, Mark E. Smith, Foetus, Coil, Genesis P-Orridge, Einstürzende Neubauten, Diamanda Galas

King Ink – Nick Cave (Black Spring Press 1988)
songteksten uit de tijd met The Birthday Party

Lipstick Traces (a secret history of the twentieth century) – Greil Marcus (Penguin Books 1989)

The Consumer – Michael Gira (2.13.61 1994)
autobiografie zanger roemruchte band Swans

Destroy All Monsters – Geisha This (incl. flexidisc) (Forced Exposure/Book Beat Gallery 1995)
verzameling eerste zes uitgaven Destroy All Monsters magazines 1975-1979, artwork van Mike Kelley, Cary Loren, Niagara en Jim Shaw

New York Girls – Richard Kern (Purr Books 1995)

Death Tripping – Jack Sargeant (Creation Books 1995)
interviews met o.a. Richard Kern, Nick Zedd, Lydia Lynch

Los Angeles Free Music Society The Lowest Form Of Music 1972-1980(10cd boxset, Cortical Foundation 1996)
houten boxset met 10 cd’s, boekjes met foto’s, interviews en essays, met o.a. DooDooettes, Smegma, John Duncan, Tom Recchion e.v.a.

Paradoxia – Lydia Lunch (Creation Books 1997)
autobiografie

The Hardcore Collection The Films Of Richard Kern (dvd 1999)

Wreckers Of Civilisation The Story Of Coum Transmissions & Throbbing Gristle – Simon Ford (Black Dog 1999)

England’s Hidden Reverse (a secret history of the esoteric underground: Current 93, Coil, Nurse With Wound) – David Keenan (SAF Publishing 2003)

Club Risiko, de jaren ’80 en nu – Fred de Vries (Nijgh & Van Ditmar 2006)
terugblikkende interviews met internationale muzikale kopstukken uit de jaren tachtig

Factory Records The Complete Graphic Album – Matthew Robertson (Thames & Hudson 2006)

Kill Your Idols (Palm Pictures dvd 2006)
documentaire, met o.a. Lydia Lunch, Suicide, DNA, Theoretical Girls, Swans, Foetus, Glenn Branca, Liars

Panic Attack! Art In Punk Years – Mark Salden & Ariella Yedgar (Merrell 2007)
Britse en Amerikaanse kunst tijdens punk en post-punktijdperk 1974-1983

No Wave (Post-Punk Underground New York 1976-1980) – Byron Coley & Thurston Moore (Abrams Image 2008)
artikelen en interviews met o.a. Lydia Lunch, Glenn Branca, James Chance, Arto Lindsay

It’s Not Only Rock n Roll Baby (Bozar Books 2008)
tentoonstellingsboek met kunstwerken door popmuzikanten, o.a. Laurie Anderson, Antony, David Byrne, Chicks On Speed, Brian Eno, Yoko Ono, The Residents, Patti Smith, Alan Vega

No Future Nu – Leonor Jonker (Lebowski 2012)
over ontstaan van Nederlands kunstpunk en new wave, over hoe het gedachtegoed van de punkcultuur onderhuids deel werd van de Nederlandse samenleving

Punk 45 The Singles Cover Art Of Punk 1976-1980 – Jon Savage & Stuart Baker (Soul Jazz Books 2013)

De ontregeling van filmer fotograaf Richard Kern

kern

Geen overdreven stilering, gewoon recht voor de raap. Richard Kern wil in zijn foto’s en films niet per se het vrouwelijke schoonheidsideaal laten zien. Sterker, op het moment dat collegakunstenaars zichzelf een halt toeroepen, mogelijk uit gêne of zelfcensuur, filmt en fotografeert Kern gewoon door. Ver voorbij het fatsoen en ruimschoots over de grenzen van ‘de goede smaak’. Daarom worden zijn beelden vaak als confronterend en ongemakkelijk ervaren. Het begrip porno valt meer dan eens. Onterecht. Het Heerlense Schunck toont tijdens de Graukunstexpositie werk van de Amerikaanse fotograaf en filmer. O.a. de beruchte film Fingered.

Het zijn de groezelige lowbudgetfilms waarmee Richard Kern (1954) begin jaren tachtig in kleine kring naam maakt. Films waarin geen vragen worden gesteld over het hoe en waarom van plot en personage. De toeschouwer zit er mooi mee opgescheept. Of hij wendt zijn hoofd vol walging af, óf blijft toch stiekem kijken naar Kerns duivelse pact tussen seks en geweld. Een platte vorm van provocatie? Inderdaad zijn sommige scènes ongetwijfeld als zodanig bedoeld, maar Kerns oeuvre is te bijzonder en uniek om het af te doen als provocatie om het provoceren.

Al dan niet parodiërend verwijst Kern naar de horrorfilm, naar SM, strips, snuffmovies, en grandguignol, het extravagante horrortheater in het Parijs uit begin vorige eeuw. Anderen leggen een link met de boeken van de Franse schrijver en ‘filosoof van het kwaad’ Georges Bataille. Zowel bij Kern als Bataille overlappen de thema’s angst, geweld, seks en de dood elkaar in een ongrijpbare verstrengeling.

17-5-lydia-lunch-blog480

scène uit Fingered

Bataille beschouwt seks en de dood als drijfveren voor het maken van kunst. Volgens hem bezit de mens een verlangen niet gehinderd te willen worden door regels, om zonder doodsangst het leven te kunnen ondergaan. Elke verbodsregel vraagt om overtreding en overschrijdend onwettelijk gedrag. Het doelbewust overschrijden van taboes noemt Bataille transgressie. De filosoof maakt zijn lezer voyeur én, daar komt het addertje, participant.

Het seksueel afwijkende gedrag van Batailles romanfiguren en de daaruit voortkomende gewelddadige beschrijvingen, is een latente voedingsbodem voor aversie en aantrekking. In de films van Richard Kern zijn de overeenkomsten met de boeken en personages van Bataille duidelijk aanwezig, al beweert de filmer in een interview simpelweg: “Wat ik interessant vind in films haal ik naar boven en laat het samengevat zien. Wat Amerikanen interesseert is seks en geweld en de smerige kant van het leven”.

c

(foto: Richard Kern)

In 1983 koopt de dan nog jonge cineast voor vijf dollar een Super-8 camera. Hiermee filmt hij de ‘belevenissen’ van vrienden en bekenden uit de muziekundergroundscene. De ruige New Yorkse Lower East Side dient als grauw decor. Kerns manier van filmen vindt meteen aansluiting bij de no wave: bands die onder invloed van punk en avant-garde het rockstramien inruilen voor nóg vrijere muzikale opvattingen.

Een van de pioniers is de groep Teenage Jesus & the Jerks van zangeres Lydia Lunch. Aanvankelijk werkt Kern samen met een vriendje van haar, Nick Zedd, die als medegrondlegger van de Cinema Of Transgression wordt gezien. Andere figuren uit de periferie van de New Yorkse underground voelen zich eveneens aangesproken door Kerns werkwijze. Via Lunch komt Kern in contact met o.a. Jim ‘Foetus’ Thirlwell en Henry Rollins.

10150008_471139673013278_1012540623_n

Met name zijn filmbeelden ontregelen dankzij een hardvochtige benadering van het grotestadsleven. De Amerikaan moffelt niets onder het tapijt, elke vorm van suggestie ontbreekt. Omdat de kadrering er nogal primitief uitziet, de beelden grofkorrelig zijn, doen de films denken aan goedkope horrorfilms waarin de hoofdpersonen zonder aankondiging vooraf, elkaar naar het leven staan. Alleen gaat het bij Kern niet om kettingzagende psychopaten, maar om non-conformisten, randfiguren en onruststokers.

Ondanks het frontale naakt in expliciete poses zijn Kerns beelden beslist geen porno. Waar porno telkens opnieuw een seksuele stimulans wil oproepen en benadrukken, valt het werk van de Amerikaan nauwelijks erotisch te noemen. Benadrukken de makers van porno hoe en welke handelingen er verricht dienen te worden, Kern laat de poses en de interpretatie ervan over aan de fantasieën van zijn actrice of model.

Niet iedereen zal zich identificeren met Kerns vrouwen, die in zijn werk openlijk fantaseren over ongehinderde seks, bondage en agressie. Het scenario van Fingered werd mede geschreven door Lydia Lunch. In de onrustbarende koortsdroom over seks en geweld, gooit de koningin van de New Yorkse subcultuur, net als in het al even beruchte The Right Side Of My Brain, het begrip lustobject radicaal om. Zo is het maar net. In het oeuvre van Richard Kern heeft de man weinig tot niets in te brengen. Hij staat letterlijk in zijn hemd én voor lul.

TEFAF 2014: in de greep van de kunsthistorie

Wenders

op de achtergrond werk van Wim Wenders (foto: HP)

De verleiding is groot de TEFAF te omarmen met cijfers. De hoeveelheid getoonde kunstwerken (30.000) geeft al een idee van de omvang van de Maastrichtse kunstbeurs. Dat laatste woord maakt duidelijk dat het in de eerste plaatst draait om geld, om veel geld. Voor een schilderij van Francis Bacon wordt 25 miljoen euro gevraagd. Naast een zeldzame Van Gogh uit 1887, is de Bacon een van de vele topstukken van deze TEFAF. Ieder jaar komen min of meer de vaste galeriehouders en verzamelaars naar Maastricht. Daarom voelt elke uitvoering bijna identiek aan de vorige editie. Het jaarlijkse onderscheid zit ‘m vooral in keuze van de werken en de diversiteit aan kunstenaars, tussen begrippen, (her)ontdekkingen of opkomende talenten.

Wie wil meedoen wordt door de organisatie verplicht de beste waar te tonen. De meeste galeriehouders draaien daar hun hand niet voor om. Wandel door de gangpaden van het MECC en je voelt de kunstgeschiedenis aan je voorbij trekken. Er is zoveel te bewonderen dat je er soms even bij moet gaan zitten. Geen overbodige luxe dus die waterautomaten met bekertjes naast de zitbankjes. Ook voor gevorderden legt de TEFAF elk jaar de lat hoog. Eigenlijk valt de entreeprijs van 55 euro gezien het immense aanbod best mee. Eerder dit jaar vroeg het Stedelijk Museum voor de Malevichexpositie nog 20 euro.

step0002

Francis Bacon – Study From The Human Body (1986, 198 x 147,5 cm)

Een andere reden om de TEFAF te bezoeken is het verschil in galerie- en museumcollecties. De vaak prestigieuze internationale kunsthuizen bezitten andere werken van een kunstenaar dan een museum. Bovendien zie je kunstenaars waarvan de werken in waarde stijgen steeds minder vaak in grote tentoonstellingen; het maken van belangrijke overzichtsexpo’s wordt voor een gemiddeld museum simpelweg onbetaalbaar.

Fotograaf en schilder Richard Prince staat bekend om zijn “retrografie” van o.a. de Marlborocowboy. Een foto afgeleid uit de iconische sigarettenreclame. Bij de Zuid Koreaanse Kukje Gallery, sinds 1982 gespecialiseerd in grote namen, hangt een van zijn Nurse Paintings; oorspronkelijk een omslag van een doktersroman. De met computer gescande cover is door de Amerikaan met acrylverf op canvas bewerkt.

Tijdens deze TEFAF is er minstens één Banksy. Bij de Leslie Smith galerie de Barcode Leopard; een luipaard ontsnapt uit een kooi van streepjescode. Goedgekeurd door Pest Control, de organisatie die als enige Banksy’s werk mag controleren vooraleer een garantie van echtheid af te geven.

In de ruimte van de gebroeders Tomasso is het bijna pikdonker. Slechts met enkele spotjes zijn de beelden in de met zwarte stof behangen panelen verlicht. De Tomasso’s verkopen vroege Renaissance en neoklassiek. Maar omdat ze sinds hun jeugd bevriend zijn met Damien Hirst mogen ze van de kunstenaarprovocateur een schaap op sterk water verkopen. De Brit was tijdens de opbouw van de TEFAF aanwezig om een handje te helpen bij de preparatie voor de vitrine met formaldehyde.

Pamela Golden – Ready For A Dip (2013, 5 x 7,5 cm)

Prettig bescheiden is het allerkleinste schilderij van deze TEFAF. Pamela Golden maakte een olieverfdoekje met de afmetingen van 5 x 7,5 cm. Omdat het tafereeltje gevangen zit in een ruime passe-partout, zie je pas van heel dichtbij dat een groepje kinderen in badkleding is afgebeeld.

De TEFAF-organisatie mag graag pochen over bezoekersaantallen en andere verkoopcijfers. In het eerste weekend zullen er vermoedelijk opnieuw bezoekersrecords worden gehaald. Toch staat of valt The European Fine Art Fair voor de liefhebber met de aantrekkingskracht van beelden en kunstenaars. Neem het paar klompen bewerkt door Paul Gauguin: vraagprijs vier ton. De fotografieafdeling toont onder meer Germaine Krull, Otto Steiner, Dennis Hopper en Lee Friedlander. Evenmin vaak aanwezig: een foto gemaakt door filmregisseur Wim Wenders. Erlangs lopen is net of je zelf door de afgebeelde verlaten straat van een Amerikaanse stadje wandelt.

Tot slot is er de onstuitbare opmars van Aziatische kunstenaars. Yi Hwan-Kwon bijvoorbeeld, met zijn langwerpige, platte sculpturen.  De Koreaan gaat met frisse moed de werkelijkheid te lijf via een visueel dieptespel, via 2D dimensies van mensfiguren. Behalve van het werk Beach. Bovenaf lijkt het een voorwerp met plat deksel, wanneer je door je knieën zakt, ontdek je een baby met duikersbril en zwembroekje.

TEFAF (MECC, Maastricht, maart 2014)

Thomas van Aalten maakt indruk met familieroman Leeuwenstrijd

(foto: Robert Lagendijk)

Over enkele jaren draait in de bioscoop de speelfilm Leeuwenstrijd. Het betreft de verfilming van de gelijknamige familieroman door Thomas van Aalten. Wie het boek leest ziet de scènes en beelden aan zich voorbij trekken als in een film, compleet met dialogen en verborgen spionageplot. Vooralsnog is Leeuwenstrijd een lijvige roman over de Italiaanse migrantenfamilie Dona.

Een van de belangrijkste leden van die familie is Gino Dona. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog ziet hij kans Nederland te ontvluchten, vermomd in een leeuwenpak als onderdeel van een circusact. Nadien zoekt hij zijn ouders en broer weer op in Kerkrade waar een klein deel van het boek zich afspeelt. Het gezin belandde in Zuid Limburg nadat de vader van Gino begin vorige eeuw als jongeling in de Domianale Steenkolenmijnen en een Kerkraadse briketfabriek kwam te werken.

Gino wordt door Van Aalten nauwgezet gevolgd. Zijn relaas over ontberingen en schuldgevoelens wegens zijn verblijf in het vrije Amerika tijdens de oorlog, wordt fraai neergezet en gedoseerd opgebouwd. Langzaam maar zeker ontstaat het beeld van een avonturier en overlever tegen wil en dank. Alleen al rond deze Gino had Van Aalten een complete bildungsroman kunnen maken.

Gelijklopend met de familiegeschiedenis schetst Van Aalten de invloedrijkste ontwikkelingen van de twintigste eeuw. Van de Tweede Wereldoorlog naar de vele politiek en sociaal-maatschappelijke omwentelingen, tot en met het huidige sociale mediagebruik van de jongste Dona-telg, de 14-jarige Luca. Met het engagement van Eduard Dona ontstaat een beeld van de jaren zestig en zeventig. Van Aalten doet tamelijk veel aan namedropping en andere verwijzingen. Personen vertoeven vaak in het middelpunt van historische momenten.

Soms lijkt het of een personage pas tot leven komt door het noemen van namen, locaties en gebeurtenissen. Of er wordt plots iemand geïntroduceerd ter illustratie van een tijdsgewricht. Maart 1966 ontmoet Eduard ‘kosmies psychonaut’ Matthijs die in het bezit is van de boeken van William Burroughs en Allen Ginsberg. Enkele regels verderop wordt de Nederlandse dichter Simon Vinkenoog geciteerd, een van de aanstichters van de bekendheid rond de beatschrijvers in Nederland.

Belevenissen van Eduard volgen elkaar in razend tempo op. Vanaf de pagina’s 123 t/m 163 gaat het in een ruk door: van discussie naar bijeenkomst en demonstratie, situaties in de DDR en Europa, het Polygoonjournaal, Vietnam, provo’s, het vrije onderwijs, de Russische inval in Praag, etc. Als lezer kun je het nauwelijks bijbenen. Natuurlijk bruiste het eind jaren zestig-begin jaren zeventig wereldwijd van de politieke onrust. Maar om Eduard er nadrukkelijk en tegelijk hinkstapspringend in te situeren komt een beetje ongeloofwaardig over.

Het idee om de personages zelf aan het woord te laten over hun eigen geschiedenis, is hét sterke punt van het boek. Tussen de belevenissen van Gino Dona lezen we over de onzekerheden van Eduard en de toenemende frustraties bij diens zoon, de copywriter Salvador. Van Aalten heeft de lezer dan sluipenderwijs toch in de greep gekregen. En hoe. Naarmate het verhaal vordert wordt Van Aaltens imponerende schrijftalent onontkoombaar. De geschiedenis van de familie, verhaalconstructie, persoonlijke emoties en inlevingsvermogen gaan als een haarfijne lappendeken om de lezer zitten. Want laat een ding duidelijk zijn. Ondanks de bovengenoemde bezwaren maakt Van Aalten als schrijver en ‘verteller’ grote indruk. Leeuwenstrijd is een boek dat hoe dan ook gelezen moet worden. Al was het maar om na de filmversie te kunnen zeggen: het boek was beter.

Boekenweek_Aalten-Leeuwenstrijd-web

Thomas van Aalten – Leeuwenstrijd (Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2014)

Met Corporeal maakt Hadassah Emmerich haar eigen Gesamtkunstwerk

HADASSAH-14

(foto: Anita Hondong)

Hadassah Emmerich laat iets zien dat zich niet meteen gewonnen geeft. Wat op het eerste oog een bont spektakel lijkt waarin kleuren en vrije vormen overheersen, is in werkelijkheid een samenpakkend Gesamtkunstwerk. Achter de schilderijen, tekeningen, linosnedes en muurschilderingen gaan begrippen schuil als vrouwelijke identiteit, exotisme en zelfreflectie. Emmerich toont ze onnadrukkelijk. Toch voel je dat er meer aan de hand is, veel meer. Corporeal heet haar tentoonstelling in Schunck. Een Engelse aanduiding voor het lichaam dat niet kan bestaan zonder het fysieke en het persoonlijke.

Lees verder

Film Only Lovers Left Alive lamlendig en voorspelbaar

only-lovers-left-alive

In zijn films zet Jim Jarmusch het liefst buitenstaanders in de schijnwerpers. Outsiders die een bestaan leiden langs de rafelranden van stad en maatschappij. Bij Adam en Eve is de regisseur aan het goede adres. Het echtpaar gaat namelijk door het leven als vampier. Ondanks dat ze geen deel uitmaken van het aardse en alledaagse is aan het stel niks menselijks vreemds; twee uur lang babbelen ze er flink op los. Gespreksstof genoeg. Adam en Eve hebben in de honderden jaren dat ze hier ronddwalen veel beroemdheden persoonlijk ontmoet. Goed voor leuke anekdotes wanneer ze commentaar geven op het leven van onze kunsthelden en op ons de “zombies”. Dat het duo moeite heeft met de tijd van nu, is misschien het belangrijkste thema van Only Lovers Left Alive.

Lees verder

Nederlandse acteur Frank van Putten in The Wolf Of Wall Street: ‘Mijn karakter is een mens van vlees en bloed’

1534297_629126223819980_799798068_n

In Martin Scorsese’s daverende snuif-, sjoemel- en seksepos The Wolf Of Wall Street is ook een rolletje weggelegd voor de Nederlander Frank van Putten. Halverwege de drie uur durende Hollywoodproductie duikt hij op als assistent van een Zwitserse bankier. Het personage van Van Putten is de enige man in de film die niet met zijn neus in de cocaïne of een jongedame zit. Wel draagt hij het mooiste maatpak van allemaal. En maakt hij, in tegenstelling tot alle doorgesnoven types om hem heen, een beschaafde en gedistingeerde indruk. Schijn natuurlijk. In een ander shot zien we hem geobsedeerd achter een geldteller. De aandelenzwendel van de louche Wall Street firma Stratton Oakmont is zo uit de klauwen gelopen dat in allerijl koffers met cash naar een Zwitserse bank zijn vervoerd. Tijdens de onderhandeling over de transactie bevindt Van Putten zich in een kantoor met de voornaamste hoofdrolspelers, waaronder steracteur Leonardo DiCaprio.

Frank van Putten (1952) woont en werkt in Amerika, maar heeft een achtergrond in de theaterwereld. “Ik heb de regieopleiding gedaan aan de theaterschool in Amsterdam. Mijn beste herinnering daar was werken met Ton Lutz. Na afloop wilde ik meer leren over het acteren. Eind jaren zeventig ben ik toen naar New York gegaan om bij Stella Adler te studeren. Dat was een fantastische tijd. Stella Adler was een fenomenale invloed; zij heeft mij met open armen ontvangen, en me aangemoedigd als acteur.”

In contact met de makers van The Wolf Of Wall Street kwam hij via zijn agent. “Eerder had ik casting-director Meghan Rafferty ontmoet van Ellen Lewis Casting. Dat hielp.” Dat hijzelf geen tekst heeft in de film deert hem allerminst. Voor Van Putten speelde het feest zich voornamelijk af op de set tijdens de opnamen. “Dat was een geweldige belevenis. Scorsese is de onbetwiste meester, zonder zichtbare inspanning had hij alles volledig onder controle. Ik was in een scène met Leonardo DiCaprio, Jonah Hill, Jean Dujardin en PJ Byrne. Iedereen was geconcentreerd met zijn werk, respectvol, geen ego’s. Scorsese gaf mij een aanwijzing: hij wilde van mij een contrast, dat ik een tegenwicht was tegen de ongebreidelde energie van de anderen. De scène werd gefilmd met vier verschillende camera-instellingen. De laatste camera-instelling die dag was op mij, maar alle acteurs speelden toen die scène weer opnieuw en ten volle uit.”

De filmmomenten met Van Putten suggereren opnamen in een zonovergoten Genève. Niets is minder waar. “Onze bankkantoren werden gebouwd in een studio in Brooklyn. De begroetingsscène in de lobby werd gefilmd op een locatie in Manhattan.” Wat vindt hij inhoudelijk van The Wolf Of Wall Street en zijn eigen bijdrage; een rustpunt te midden van de overdetop bacchanalen? “Van de film heb ik enorm genoten en veel gelachen. Ik zie ‘m als een catalogus van de dwaasheid van onze hoogste ambities. Leonardo is fantastisch. Mijn karakter is een mens van vlees en bloed: hij gelooft in de respectabiliteit van geld. Helaas blijkt dat illusoir. Geld hebben is niet een van de zeven deugden. Als acteur moet je dat met of zonder tekst kunnen zeggen.”

Had je ondanks je kleine rol voldoende contact met regisseur Martin Scorsese en je medespelers? “Vanaf het begin voelde ik mij deel uitmaken van de film. Dat is Scorsese. En ook Dicaprio. Hij zei tegen mij dat iedereen naar de rushes had gekeken waar ik het geld aan het tellen was in de bank. Dat moment kwam later in de trailer van de film. Aan ’t eind van mijn drie dagen zei Scorsese dat dit mijn laatste dag was en vroeg iedereen om mij applaus te geven. Onmogelijk om je iets beters te wensen!”

Tijdens de Oscaruitreikingen op 2 maart zal The Wolf Of Wall Street ongetwijfeld prijzen gaan binnenslepen. Voor Van Putten is er gewoon meer werk in het vooruitzicht. Nou ja, gewoon. Acteren in films en series die in ons land nog niet te zien zijn of nog in productie moeten. Van Putten: “Ik speel een nazicommandant in een internetserie, Small Miracles. In februari ben ik te zien een rol in I Dream Too Much, en als ‘the cleaner’ in Pick-Up, iemand die sporen wist voor een gangsterbende; dat zijn beide independentfilms. En ik speel een juwelier in The Knick, een tv-serie voor HBO, geregisseerd door Steven Soderbergh.”

(met dank aan Rebecca van Putten)

(eerder gepubliceerd door The Post Online, 17-1-2014)