Three Willow Park: muzikale rariteiten van Raymond Scott

Vanaf industrieterrein Willow Park Center op Long Island, runde Raymond Scott een winkel waar hij experimenteerde met klankmachines. In zijn ‘muzieklaboratorium’, zijn ‘electronic inner space’, spendeerde hij zoveel tijd dat hij amper nog in de openbaarheid trad als componist en performer. Het zou zomaar een van de redenen kunnen zijn waarom de in 1994 overleden Scott altijd de status van cultfiguur is blijven behouden.

Toch behoort hij beslist tot de pioniers van de elektronische muziek. Tegenwoordig keert zijn werk terug in de vorm van samples op platen van rapper-producers Flying Lotus, Madlib, J Dilla en Danny Brown. Een van de door hemzelf in elkaar geknutselde muziekinstrumenten is het Electronium. Gebaseerd op de analoge communicatietechniek in oude telefooncentrales, kan het apparaat gelijktijdig componeren en uitvoeren. Naar verluidt werkte Scott tien jaar aan de enorme houten klankkast.

Veel van de muziek uit dit gevaarte, ontstaan in de jaren zestig, is te horen op deze set van drie lp’s. Zijn composities zijn dikwijls ironisch, frivool, een tikje extravagant. Soms lijken ze vooruit te lopen op wat we nu zouden omschrijven als technopop, zoals Toy Funk uit 1970 of Cindy Flair Look Rhythm, afkomstig uit een ander speeltje van de uitvinder.

Andere titels geven precies aan wat je hoort: Nice Sound #3. Bij Scott is het goed toeven voor wie elektronische muziek academisch of abstract vindt. Al zou je willen dat zijn composities net iets minder ludiek en meer doorwrocht klinken. Vaak neigen ze naar oefeningen in klank, naar muziek die nergens naartoe gaat of gewoon frequentiegeluiden aan elkaar verbindt. Dan worden het schelle deuntjes die wel erg vrijblijvend klinken, zeker voor een beetje avontuurlijk ingestelde luisteraar. Deze albumset moeten we daarom vooral zien als een aanvullend curiosum op het oeuvre van Raymond Scott.

Three Willow Park is een pakket van drie losse lp’s inclusief boekwerk van twintig pagina’s, verzorgd door grafisch ontwerper Piet Schreuders (van o.a. VPRO Gids). Zoals vanouds is er door Basta Music veel aandacht besteed aan de kwaliteit van de persing en de vormgeving van de hoezen. Bij dit Nederlandse label werken muziekarcheologen die doorgaan met spitten waar anderen stoppen. Aldoende legde men de afgelopen decennia een compleet erfgoed bloot met exotische en andere, minder gangbare muziek.

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Raymond Pettibon: kunstpunk in het Bonnefantenmuseum

Raymond Pettibon (foto: Harry Prenger)

Kijken naar het werk van Raymond Pettibon is kijken naar Amerika. Naar de weerbarstige samenleving en cultuur zoals die zich de laatste veertig jaar heeft voltrokken voor het netvlies van de kunstenaar. Dat is nogal wat. Want het Bonnefantenmuseum laat vooral heel veel zien, overdonderend bijna.

Vervelend? Welnee, in A Pen Of All Work zoals de tentoonstelling heet, heerst de verkwikking van het politiek en cultureel incorrecte. Waar kom je dat nog tegen in een museum? Ondanks de hoeveelheid worden Pettibons werken ook nog eens bij elkaar gehouden door een prettig soort satire, sarcasme en zwarte humor. Een beetje kunstenaar refereert uiteraard aan de actualiteit. Reken maar dat er een aantal spotprenten hangen over Donald Trump.

Ondanks dat hij nimmer een kunstopleiding heeft gevolgd, mag Pettibon graag binnen de afgebakende vorm van de cartoon stilistisch uitpakken. Om vervolgens na een blik van herkenning een grimmige draai te geven aan bekende beelden met oneliners of uitgebreid commentaar, die de illustratie eerder tegenspreken dan ondersteunen. Juist zo’n tegenstelling levert momenten op die uitroepteken en kronkel in het denken plaatsen, best raar en altijd spannend. Crimineel Charles Manson afgebeeld als Jezus aan het kruis. Of een prent waarop een dame naakt door de lucht zweeft met opschrift “the revolution sounds like fun”.

Pettibon, geboren in 1957 als Raymond Ginn, zegt dat er wat hem betreft eigenlijk niet zoveel is veranderd sinds zijn begintijd. Hij ziet weinig verschil tussen wat hij nu maakt en eind jaren zeventig. Toen startte zijn broer het punklabel SST en mocht Raymond hoezen en flyers ontwerpen voor bands als Minutemen en Black Flag. Voor die laatste groep (met zanger Henry Rollins) bedacht hij de bandnaam en het embleem met de zwarte ‘bewegende’ balkjes; sindsdien een van de meest getatoeëerde logo’s. Op sommige hoesjes wordt zijn naam nog gespeld als Pettibone. In het museum zijn ook enkele kladjes te bewonderen uit zijn kindertijd. De tentoonstelling maakt duidelijk dat het tekentalent van Pettibon tot op de dag vandaag alsmaar doordendert. Voorafgaand aan de opening heeft hij vlakbij de ingang een muurschildering aangebracht.

De Amerikaan maakt een zachtmoedige indruk. Man van weinig drukte en nog minder woorden. Tussen enkele zinnen laat hij een opvallend lange stilte vallen. Zichtbaar vermoeid. Volgens een medewerkster heeft hij daarom weinig trek in interviews. Met meer plezier deelt hij handtekeningen uit aan fans die stapels albumhoezen hebben meegenomen, boekjes en catalogussen. Pettibons signatuur bestaat trouwens uit het simpel opschrijven van zijn naam, maar dan wel met een sierlijk hupje aan beginletter R. Enkele dagen na de opening vertrekt hij naar Moskou voor wat hij kortweg omschrijft als “een nieuw project”.

No Title (I mean alarmed), 2013,Collection Joseph and Kimberley Mimran. Courtesy David Zwirner, New York

Zoals gezegd kom je ogen tekort. Meer dan zevenhonderd werken verdeeld over elf zalen. Doordat het licht in elke ruimte gedimd is lijken met name de pikzwarte inkttekeningen de bezoeker dichterbij te willen lokken. Veel werken zijn zonder lijst aan de muur bevestigd met pushpins; krul of kreuk zitten nog in het papier. Lekker punk. Om toch een beetje orde te scheppen is hier en daar een verdeling bedacht op stijl en onderwerp. Duidelijk wordt dat Pettibon zijn inspiratiebronnen haalt uit films, literatuur, strips, politiek en sport. Ze keren als een boemerang terug in zijn beelden. Of daar is ineens zo’n tafereel dat je niet verwacht van Pettibon: surfers die worden opgeslokt door een immense, helblauwe zee van golven.

Ondanks de veelheid aan indrukken is deze expositie een bescheiden sensatie. Het is bijna ontroerend om te ontdekken wat Raymond Pettibon nu al veertig jaar bezighoudt. Elk werk gemaakt met een urgentie alsof het zojuist uit zijn atelier komt. Wie de tijd neemt alles te bekijken, neem af en toe pauze, merkt dat hij zijn talent al decennialang op hetzelfde hoge niveau heeft weten vast te houden. En hoeveel kunstenaars die al zolang bezig zijn zeggen hem dat na?

No Title (O.D. a Hippie), 1982. Pen and ink on paper, Collection Bruno Brunnet. Courtesy Contemporary Fine Arts, Berlin
No Title (O.D. a Hippie), 1982. Pen and ink on paper, Collection Bruno Brunnet. Courtesy Contemporary Fine Arts, Berlin

En dan die variatie. Want niet alles is van een rauw geknalde expressie. Soms worden de contouren ingehouden, ja zelfs elegant weergegeven. Of het nu gaat om miniportretjes of schilderijen die alleen al qua afmeting de aandacht trekken. Bovenop de uitvoering is er nog een andere meerwaarde. Pettibon is iemand die onophoudelijk binnen én buiten de lijntjes, bekeken vanuit zijn eigen persoonlijke vizier, telkens de schone schijn doorprikt. Rot op met je iconen, clichés en mythes lijkt hij te willen zeggen. In 1990 tekende hij zijn eigen oogopslag (overigens niet te zien in het museum). Erboven de slogan “sometimes it’s better to see through the eyes of Pettibon”.

Raymond Pettibon – A Pen Of All Work (Bonnefantenmuseum, Maastricht t/m 29 oktober 2017)

(eerder gepubliceerd via The Post Online en ZwartGoud)

50 jaar later klinkt Sgt. Pepper’s van The Beatles als herboren

Dit is de plaat die de popmuziek weer een extra zetje gaf richting vernieuwing en experiment. Volgens Paul McCartney, bedenker van de meeste ideeën voor het album, moest elk liedje klinken alsof het werd gespeeld door de fictieve Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band.

Nadat The Beatles definitief waren gestopt met liveoptredens was er alle tijd voor een grensverleggende muzikale ontdekkingsreis. In 1967 leidde dit tot een gesamtkunstwerk waarin persoonlijke invloeden uitmondden in kleurrijke popsongs, orkestmuziek, vaudevilleliedjes, Indiase psychedelica, studio- en geluidsexperimenten. Ongehoord destijds, letterlijk en figuurlijk. De allereerste lp bovendien met songteksten op de hoes. En net als bij Pet Sounds van The Beach Boys werd opnametechnologie in het compositieproces toegepast. Hét visitekaartje van de Abbey Roadstudio, met zijn state of the art apparatuur en natuurlijk met George Martin, de huisproducer die gaandeweg uitgroeide tot “de vijfde Beatle”.

50 jaar na de officiële releasedatum (1 juni 1967) moest hier uiteraard een jubileumeditie van komen. Ook op vinyl. Voorzien van een vernieuwd stereogeluid en een bonusplaat met niet eerder verschenen probeersels. Mooie gelegenheid om ook een jonge generatie te laten kennismaken met deze klassieker. In de bijlage wordt nog een andere niet onbelangrijke reden genoemd. The Beatles werden in 1967 niet betrokken bij de totstandkoming van de stereomix. Toentertijd lag de voorkeur bij weergave in mono.

Reden voor Giles Martin, zoon van, om na “forensisch” vooronderzoek van de oude opnamebanden, het totaalgeluid te wijzigen. Op platen uit de jaren zestig wordt de muziek vaak weergegeven met een voor het gehoor onnatuurlijke spreiding van het stereobeeld. Drums in de linkerluidspreker, de leadzang rechts. Zo komen op veel vroege persingen van Sgt. Pepper’s de vocalen van John Lennon in Lucy In The Sky With Diamonds hardnekkig uit één speaker. Martin heeft de zang nu meer plaatsing gegeven binnen de muziek. Hierdoor komt het door Paul McCartney gezongen She’s Leaving Home een stuk geloofwaardiger over. Details in arrangementen en studiogeluiden zijn eveneens prominenter hoorbaar. Good Morning Good Morning bezit zelfs een verfrissend soort schwung; die blazers en wat een venijn ineens in die gitaarsolo!

De afwisseling aan klankkleur en sfeer van de nummers, geheel volgens McCartneys albumconcept, komt nu veel beter tot zijn recht dan voorheen. De sound is simpelweg dynamisch en vitaal. Je hoort niet meer de jaren zestig, je hoort niet meer de nostalgie, je hoort The Beatles, het bandje; tijdlozer dan ooit. En wat waren ze goed! Knap dat al die verbeteringen de luisterbeleving niet in de weg is gaan zitten. Volgens een interview met de LA Times wilde Martin per se het gevoel van de muziek handhaven. “But at the end of it, the important thing is: does the song make you feel the same?“ Nou dat is gelukt. De plaat klinkt prachtig.

De Sgt. Pepper’s Sessions op de extra lp bieden een inkijkje in de wijze waarop het album tot stand is gekomen. Terwijl de melodielijn al in de verf staat, schaven en schuren The Beatles in zogenaamde ‘takes’ aan diverse uitvoeringen. Kale versies, deels instrumentaal, studiograpjes, improvisaties met op- en aanmerkingen tussen de bandleden.

Deze ‘anniversary edition’ verschijnt uiteraard in de bekende klaphoes. Binnenin facsimile’s van de kartonnen knip- en plakkaart en de psychedelische beschermhoes, die overigens is ontworpen door de Nederlandse kunstenaars Simon Posthuma en Marijke Koger. Een uitklapbare bijlage bevat een voorwoord van Paul McCartney en uitleg over opnamen en hoesontwerp.

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

Vertrouwd en verontrustend: de foto’s van William Eggleston

William Eggleston Memphis, ca 1965 1968, from the series Los Alamos 1965 1974 – ©Eggleston Artistic Trust 2004 Courtesy David Zwirner New York London

Op de beste foto’s van William Eggleston lijkt het alsof er elk moment iets staat te gebeuren. Of dat we net iets gemist hebben, de gebeurtenis zojuist heeft plaatsgevonden. Kleuren overheersen, net als de warme gloed die eroverheen lijkt te vallen. Eggleston (1939) bekommert zich minder om uitvoering en compositie, maar wil zijn foto’s liever een bepaald gevoel meegeven. Gevoel? Je kunt je gedachten de vrije loop laten bij het kijken naar zijn beelden die vertrouwd en tegelijk verontrustend aandoen.

Samen met kunstcurator Walter Hopps maakte Eggleston in het Amerika van de jaren zestig en zeventig een ‘roadmovie’ die bekend zou worden als de reportage Los Alamos. Hopps achter het stuur, de fotograaf met Leica in de aanslag. Volgens eigen zeggen recht op zijn doel afstappend, zonder teveel na te denken omdat anders de twijfel wel eens zou kunnen toeslaan. Een ervan is zijn allereerste foto in kleur: een jonge winkelbediende die een rij supermarktwagentjes voor zich uitduwt. Verder legde hij vast weidse landschappen, sleeën van auto’s, uitbundige kleding en kapsels. Je krijgt acuut zin om ook zo’n roadtrip door de States te maken.

Het werk van Eggleston doet het ook goed op albumcovers. Neem de lp Like Flies On Sherbert van Alex Chilton (zangergitarist van cultband Big Star). Speelgoedpoppen die lieflijk en onschuldig op de kap van een auto zijn uitgestald. Draai de plaat en je hoort rocksongs die te diep in het glaasje hebben gekeken. Eggleston was ooit bevriend met de ouders van Chilton, die in Memphis een kunstgalerie beheerden. De cover van het Big Staralbum Radio City laat een onheilspellend beeld zien van een gloeilamp aan een knalrood plafond.

Eggleston hééft iets met rood. En met veel andere warmbloedige kleuren die niet vanzelf ontstaan. Hij gebruikte hiervoor de ‘dye-transfer’ techniek die vroeger in reclamefoto’s werd toegepast. Technisch gezien een combinatie van verfijnde belichting en ontwikkeling voor gekleurde filters. Een bijna ambachtelijk proces dat allang in onbruik is geraakt, maar de mogelijkheid biedt om nuance in afbeeldingen aan te brengen of te intensiveren. Komt goed van pas, want Eggleston fotografeert volgens eigen zeggen “the ugly stuff”. Rauwe ‘stillevens’ van verlaten straten, benzinestations, auto’s, supermarkten en leegstaande huizen. Dat het ogenschijnlijk alledaagse toch onuitwisbare indrukken kan opleveren, is een van de grote mysteries in zijn werk.

Zijn fotografie heeft intussen school gemaakt. De rode loper uitgelegd voor de films van bijvoorbeeld David Lynch. En kijk nog eens goed naar No Country For Old Men of meer recent Nocturnal Animals. In een aantal shots herken je onmiddellijk de signatuur van Eggleston. Voor de fotograaf zelf liet erkenning lang op zich wachten. Kleur in kunstfotografie was lange tijd not done.

Pas in 1976 kreeg Eggleston in het Museum Of Modern Art zijn een grote tentoonstelling. De bijgaande catalogus was zelfs de allereerste publicatie van het museum over kleurenfotografie. Best bizar wanneer je bedenkt dat in films begin vorige eeuw al werd geëxperimenteerd met kleur, en de eerste kleurentelevisie zijn intrede deed in de jaren vijftig. Inmiddels wordt Eggleston gezien als de “godfather” van de kleurenfotografie. Voor zijn foto’s worden tegenwoordig tonnen neergeteld.

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Solotentoonstelling David Lynch in Bonnefantenmuseum

Het Bonnefantenmuseum zal vanaf november 2018 een grote solotentoonstelling presenteren met David Lynch. Bij het grote publiek staat hij bekend om zijn filmklassiekers Eraserhead, Blue Velvet, Mulholland Drive, en natuurlijk de tv-serie Twin Peaks. Minder bekend is dat hij ook jarenlang actief is als beeldend kunstenaar, fotograaf en componist. Op zijn Instagrampagina laat Bonnefantendirecteur Stijn Huijts zich eerder vandaag fotograferen met Lynch.

Stijn Huijts: “David Lynch is onmiskenbaar een spilfiguur in de internationale film- en tv-wereld, maar zijn werk als beeldend kunstenaar is veel minder bekend. Terwijl Lynch zelf altijd heeft benadrukt dat hij zichzelf vóór alles ziet als een beeldend kunstenaar. Zijn beheersing en gebruik van een rijkgeschakeerd scala aan media en technieken, van schilderijen tot installaties, maken hem ook in die hoedanigheid invloedrijk. Het is een uitzonderlijke artistieke kant van Lynch, die nog maar zelden is belicht en in musea getoond. Daarmee past hij perfect in het beleid van het Bonnefantenmuseum dat zich richt op de ‘verborgen canon’.”

Gebruikelijk zal een kunstenaar met een grote tentoonstelling in het Bonnefanten zelf ook aanwezig zijn tijdens de opening. Ongetwijfeld zal Lynch worden uitgenodigd om langs te komen in Maastricht. Met het tonen van de kunst van Lynch gaat een lang gekoesterde wens van Bonnefantendirecteur Stijn Huijts in vervulling. Toen hij nog werkzaam was bij Schunck liep hij reeds met plannen rond om de kunstenaar/regisseur te kunnen strikken. In 2010 was er nog een tentoonstelling van Lynch in het Max Ernstmuseum in Brühl, nabij Keulen.

De werken van Lynch (1946) zijn net zo bizar, vervreemdend en ongrijpbaar als veel van zijn films. Lynch maakt multimediadoeken, installatie’s, foto’s van vergane industrie, vrouwelijk naakt of sneeuwpoppen. Het is de eerste keer dat er in een Nederland een grote tentoonstelling te zien is van de regisseur.

David Lynch is eveneens enthousiast over de samenwerking met het museum. Vanuit Los Angeles meldt hij kort: “I am happy and excited to work with the Bonnefanten on this exhibition of my work!”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud en The Post Online)

De realistische droombeelden van filmmaker Kahlil Joseph

De opening is nog typisch hiphopvideo. Een flitsende montage met bijna voorspelbare beelden. Maar na een minuut dendert opeens de zwaarte naarbinnen, uitmondend in een portret over het leven in Compton, Los Angeles. Kahlil Joseph wordt doorgaans in een adem genoemd met Kendrick Lamar. Geïnspireerd op het doorbraakalbum van de rapper, Good Kid m.A.A.d. City, maakte hij een film van een kwartier over de beruchte wijk waarin Lamar opgroeide. De rolprent toont hét handelsmerk van de filmmaker. Kahlil Joseph neemt de tijd. Voor droombeelden vermengd met realisme, hypnotiserend, reflectief. De film was te zien in een museum voor hedendaagse kunst, het MOCA in Los Angeles.

In het werk van Kahlil Joseph (1981) worden gebeurtenissen vertraagd weergegeven en details uitvergroot. Camerastandpunten en geluid lijken buiten de muziek te vallen. Een schets van het alledaagse leven wisselt hij net zo makkelijk af met beelden uit de natuur, duisternis met oogverblindende lichtval. Een video die hij maakte bij de jazzelektronica van Flying Lotus heeft meer weg van een visueel ballet: de camera volgt een neergeschoten buurtbewoner die uit de dood herrijst, waarna hij zich ontpopt tot een danser van elastiek. Ondanks de haast uitbundige stijl, is Josephs beeldkeuze tegelijk verontrustend. Dat wordt nog eens versterkt doordat hij het flikkerende licht dat slowmotionopnamen soms veroorzaken gewoon laat voor wat het is. Of kijk eens naar Video Girl, waarin zangeres FKA Twigs amper de neiging kan onderdrukken de liefde te willen bedrijven met een ter dood veroordeelde. Confronterende beelden in zwart-wit.

Hoe dan ook is de camera voortdurend in beweging. Gracieus glooiend van onder naar boven en omgekeerd, personages meestal van achteren gevolgd. De aanpak doet denken aan de associatieve cinema van Terrence Malick. Joseph werkte kort samen met de cultregisseur. Ervaring deed hij ook op bij multimediakunstenaar Doug Aitken. Er zijn meer invloeden. Voor de korte film The Mirror Between Us baseerde Joseph zijn script op een gedicht van een soefimysticus. Zelf treedt de jonge filmmaker liever niet op de voorgrond, interviews geeft hij zelden en een eigen website is er evenmin.

Toch krijgt vorm af en toe de overhand in zijn video’s. De openingsshots van de eerder genoemde Flying Lotusclip lijken expliciet bedoeld om een statement te maken. Variety draait er niet lang om heen. Volgens het filmmagazine is zijn eerste full-length documentaire, over de totstandkoming van een album van The Arcade Fire, “een ongeorganiseerd ratjetoe van visuele gimmicks en leeg exotisme”. Een clip die Joseph maakte van Beyoncé’s Sorry oogt zelfs gewoontjes voor zijn doen. Hij houdt zich keurig aan het ritme van de muziek, terwijl de beelden vooral zijn bedoeld ter meerdere eer en glorie van de zangeres.

In een van zijn video’s heeft Joseph een hommage verstopt aan Charles Burnett, voormalig lid van de Black Independent Movement. Dit collectief regisseurs was verantwoordelijk voor enkele geruchtmakende documentaires en speelfilms, waarin politiek en cultuur van de jaren zestig werden gezien vanuit Afro-Amerikaans perspectief. In het werk van Joseph is het engagement eveneens volop aanwezig. Sluimerend, telkens binnen een door hemzelf gevormd cinematografisch raamwerk gesteund volgens een eigen interpretatie: donker tegenover licht, dreiging van stadsgeweld tegenover aardse beeldpoëzie. Ondanks de verschillende invalshoeken en opdrachten, zowel visueel als muzikaal, keert bij Joseph één onderwerp terug: het leven van Afro-Amerikanen in achterstandswijken waar armoede heerst, geweld op de loer ligt en hiphopcultuur de laatste strohalm is.

(Stills uit Josephs video’s waren al eerder te zien in een tentoonstelling. In het Underground Museum in Los Angeles, samen met schilderijen gemaakt door kunstenaar Noah Davis, Josephs jongere broer die op 32-jarige leeftijd overleed aan een zeldzame vorm van kanker.)

(eerder gepubliceerd via The Post Online)

Op Record Store Day graven naar verborgen vinylschatten

Op Record Store Day wordt jaarlijks muziek op vinyl gevierd, maar de dag is vooral bedoeld om deelnemende platenzaken een steuntje in de rug te geven. Ondanks de kritiek die hier en daar valt, met name op social media, blijft de belangstelling voor het fenomeen groot. Ongetwijfeld zullen op zaterdag 22 april liefhebbers ’s ochtends vroeg in de rij staan om zeldzame plaatjes te scoren.

Het gaat immers om vinyluitgaven die alleen op deze dag verkrijgbaar zijn, in beperkte aantallen. Wát je uiteindelijk zult aantreffen en in welke hoeveelheden blijft gissen. Je merkt het pas bij binnenkomst in een van de 99 winkels die in ons land meedoen. Ter plekke geldt een aloud principe: wie het eerst komt… De eerste vijfduizend kopers ontvangen een linnen tasje met gratis single van “ambassadeur” Jett Rebel. Op roze vinyl.

Maar goed, die kritiek dus. Een veelgehoorde klacht zijn de hoge verkoopprijzen van de exclusieve platen. Esther Vollebregt, projectleider van Record Store Day Nederland, herkent de kritiek: “Zelf heb ik het idee dat het dit jaar meevalt, maar hier hebben wij als organisatie in Nederland geen invloed op.” Ze hecht juist grote waarde aan de medewerking van de platenmaatschappijen: “Het is een belangrijke samenwerking, zowel qua releases als qua betrokkenheid van de artiesten. We zitten geregeld met elkaar om tafel. Maar het beleid en de keuze ligt bij de organisatie van RSD.”

Platenzaken die dit jaar meedoen maar niet zijn aangesloten bij branchevereniging Nederlandse Vereniging van Entertainment Retailers, hebben vooraf honderd euro moeten betalen. Vollebregt: “RSD is een stichting; we hebben dus geen winstoogmerk. Wel worden de activiteiten voor de winkels elk jaar weer iets verder uitgebreid. Voor RSD zijn we met drie man, bijna fulltime en zo’n vier maanden lang bezig zijn met de organisatie. Alles wat we doen, is voor de winkels. Van gratis posters tot het regelen van de instores (optredens in platenzaken-red). En na RSD stopt dit ook niet. We hebben inmiddels de Platenbon geherintroduceerd, zijn de hitlijst Vinyl33 gestart, komen met exclusieve releases en bereiken dagelijks inmiddels duizenden consumenten met nieuws, tips, instores van en/of over de platenzaken. Dat maakte een bijdrage per jaar een logische keuze. Onze collegalanden doen dat al jaren.”

Esther Vollebregt raakte per toeval betrokken bij Record Store Day. Voorheen werkte ze als projectmanager bij Aangenaam Klassiek, een campagne om klassieke muziek aan de man te brengen. “Een deur verderop zat Record Store Day. Toen mijn voorganger Stephan van Peursem stopte, vroeg ik of ik niet tijdelijk uit de brand kon helpen. Maar eigenlijk viel toen pas echt het kwartje, voor de organisatie en voor mezelf.” Allicht is ze zelf ook groot liefhebber van popmuziek, bij voorkeur op vinyl: “Ik vind bijna alle muziek leuk, ga al vanaf mijn zestiende naar concerten en festivals, ben voor mijn afstudeerscriptie voor een muziekwinkelketen jaren geleden het hele land doorgereden om alle platenzaken te bezoeken. Mijn huis heeft een aparte ruimte die helemaal vol staat met vinyl.”

Een beetje muziekkenner ontdekt dat het op de internationale vinyldag vaak gaat om platen die eerder in een andere vorm of versie zijn uitgekomen. Weer andere titels verschijnen voor het eerst op vinyl. Spannend zijn de muzikale primeurs. Van War On Drugs is er een gloednieuw nummer, het eerste levensteken sinds 2014, toen de band doorbrak met het album Lost In The Dream.

Een van dé uitdagingen is erachter te komen welke artistieke schatten er verborgen gaan in het aanbod van de meer dan vijfhonderd platen op Record Store Day. In 2014 was er opeens een plak vinyl van Gonga. Van wie? De hoes verwees slechts naar het debuutalbum van hardrockpioniers Black Sabbath. Pas wie de plaat draaide hoorde een cover van de song Black Sabbath, uitgevoerd in Gonga’s passende doommetal, met in de rol van Ozzy Osbourne niemand minder dan Portisheadzangeres Beth Gibbons!

Record Store Day tips van Esther Vollebregt

“Ik tip zelf graag de lokale acts: Broederliefde die voor het eerst met een fysieke uitgave komt; Rondé die ook in diverse platenzaken te zien is.
De split 7” single van Mark Lotterman en Harry Merry, alleen al vanwege de geweldige hoes; de dubbel-lp van Urban Dance Squad en Have You Heard The Hype van The Hype, met Yorick van Norden.”

Record Store Day tips van Harry Prenger

Thelonious Monk – Les Liaisons Dangereuses
Opnamen uit 1960 met niet eerder verschenen filmmuziek door jazzpianist die bekend staat om zijn flegmatieke speelwijze. Componist van o.a. de klassieker ‘Round About Midnight. Dubbel-lp via het Parijse jazzlabel Sam Records, gespecialiseerd in kwaliteitspersingen.

David Bowie – No Plan
Exclusieve nummers uit de sessie van het album Black Star. Transparant lichtblauw vinyl met op een kant sterretjes gegraveerd.

David Bowie – Bowpromo
Bevat oerversies van zeven songs die later terecht zijn gekomen op Hunky Dory. In 1971 werd Bowpromo verdeeld onder journalisten inclusief presskit. De RSD-versie is een replica. Gaat wel ruim zestig euro kosten.

Pink Floyd – Interstellar Overdrive
Vijftien minuten durende opname uit 1966. De korte versie kwam terecht op het debuutalbum van de Engelse band waar toen nog Syd Barrett deel van uit maakte. Met poster.

Television Personalities – And Don’t The Kids Just Love It
Heruitgave van cultklassieker uit 1981. Bevat de hit I Know Where Syd Barrett Lives. Wie de plaat destijds hoorde begon meteen zelf een bandje. Onbevangen rammelend en tegelijk voorzien van melodieuze schwung. Op de voorkant van de hoes een foto van Twiggy, misschien wel het allereerste superslanke topmodel, en een van de television personalities uit de jaren zeventig, Patrick Macnee, uit tv-serie De Wrekers.

(eerder gepubliceerd via The Post Online)