UIT ONVERWACHTE HOEK: BROADCAST AND THE FOCUS GROUP

Posted 10/11/2009 by Harry Prenger
Categories: Avantgarde, Kunst, Recensie, Vinyl, Weird

Alom gewaardeerd om het consistente hoge peil van albums door bepaald niet de meest voor de hand liggende artiesten. Het Engelse platenlabel Warp heeft zelfs een begin gemaakt met het heruitgeven van klassiekers op vinyl. Misschien is er bij het in elektronische muziek gespecialiseerde label een lichtje gaan branden, want om Warp toch een euveltje te duiden is het jammer dat veel lp’s kort na release niet meer verkrijgbaar zijn. Dat geldt dus ook voor de nieuwe lp van Broadcast.

broadcast_and_the_focus_group

In feite is deze band uit Birmingham één groot eerbetoon aan het debuutalbum van United States Of America uit 1968. Maar Broadcast is ook schatplichtig aan de film- en tvmuziek van Delia Derbyshire’s BBC Radiophonic Workshop. Herinnert u zich de muziek van de tvserie Dr Who? Voor zijn nieuwe album, gepresenteerd als een tussendoortje, is Broadcast een samenwerking aangegaan met The Focus Group, de band van grafisch ontwerper Julian House (verantwoordelijk voor de hoezen van o.a. Oasis).

Het had een album van Stereolab kunnen zijn: Broadcast and the Focus Group Investigate Witch Cults Of The Radio Age. Alsof er niets aan de hand is opent de plaat met die typische spookspacepop die Broadcast eigen is. Daarna gaat het roer volledig om. De rest van het album bestaat uit een collage van zelfgemaakte en geleende geluiden die elkaar uitlokken, opeenstapelen en vermeerderen. Onverwacht en tegelijkertijd vanzelfsprekend ontstaat er veel fraais, excentrieks en kleurrijks. Je reinste avant-garde uit lang vervlogen tijden; muziek voor experimentele films uit het begin van de vorige eeuw. Nee inderdaad, zo hebben we het al een tijdje niet meer gehoord.

Broadcast and the Focus Group – Investigate Witch Cults Of The Radio Age (lp, Warp 2009)

BOB DYLAN EN IK IN AMSTERDAM

Posted 07/11/2009 by Harry Prenger
Categories: Popmuziek

BobDylanreadingBaseballWeeklysm

Wanneer ik uit het raam kijk van hotel Mercure in Amsterdam zie ik in de verte de Bijlmer bajes. Tussen de gevangenisgebouwen en mijn hotelkamer ligt het Amstel Business Park op apegapen. Het begint al aardig te schemeren. De torenspits van het Delta Lloydgebouw lijkt wel een vuurtoren. Enkele honderden meters naar rechts ligt de Heineken Music Hall. Mijn kamer is klein en knus, de minibar goed gevuld. Dan klopt Laura op de deur. Ik heb een sandwich besteld. Op het moment dat ik de deur open, zie ik een ontvankelijke glimlach in een fijn gezicht. De roomservice is vanavond aantrekkelijk en slank.

Maar de avond breng ik niet door met Laura van de roomservice, nee, vanavond ga ik naar een optreden van een schriel mannetje met een stem alsof je stukken behang van de muur scheurt. Op de website belooft de Heineken Music Hall een intiem samenzijn. Nou ja, wat is er intiem aan een kille veehal waar ik later die avond rondloop in het gezelschap van duizenden mannen en vrouwen van middelbare leeftijd. Hee daar loopt Diewertje Blok.

heineken-music-hall-amsterdam

Even later is het zover.

De cast van Once Upon A Time In The West betreedt het podium, gevolgd door een kleine man in een zwart pak. Bob Dylan dus. Opeens krijgen de bijna dertig jaar dat ik naar zijn muziek luister een andere dimensie. Een mythe komt tot leven. Bob is goed bij stem, al hangt het een beetje van het liedje af. Dankzij een flamboyant arrangement is Desolation Row bijna onherkenbaar. Menige song loopt best lekker zo, verpakt in een groovende rock-’n-roll wals. Bob en de muzikanten in lange jassen geven vierduizend toehoorders van katoen. Bob de pianoman schuifelt na elke song vanachter zijn keyboard voor nader overleg; welk nummer spelen we nu lijkt hij te vragen. Intussen nemen wij toeschouwers aan dat Bob zo dadelijk met gitaar en al achter de microfoon vooraan op het podium gaat staan.

Helaas, voor de microfoon is onbedoeld een andere hoofdrol weggelegd. Het ding groeit uit tot een monument van teleurstelling. Zelden in de muziekgeschiedenis werd een zangmicrofoon zo moederziel alleen gelaten. Geen Bob op gitaar, geen Bob frontaal voor de zaal, geen Bob die je in de ogen kunt kijken. Toch maakt Bob Dylan er een onvergetelijke show van.

Na het concert lig ik in het bed van mijn hotelkamer en raak verzeild in een telefoongesprek tussen Larry Sloman en Chet Flippo. Het gesprek is te lezen in On The Road With Bob Dylan, Slomans prachtig, rauwrealistisch relaas van de Rolling Thunder Revuetoer van 1975. Het geklaag van Rolling Stoneredacteur Flippo over de bijdragen van Sloman ontaardt pagina’s lang in een even waanzinnige als hilarische dialoog. Ik laat het allemaal even bezinken: het concert van Bob Dylan, de volzinnen van Sloman, Laura van de roomservice.

Ik leg het boek op het nachtkastje en denk aan de dingen die er niet zijn en er waarschijnlijk nooit zullen komen. Voor het slapen gaan nog even kijken naar Pay TV, de eerste minuut gratis. De volgende ochtend loop ik door het Stedelijk Museum en koop bij de Record Palace een plaat van Cecil Taylor. ’s Middags thuis ga ik maar weer over tot de orde van de dag. Boodschappen bij de Aldi.

KRAKKEMIKKIG VOLHARDEN MET KUNST

Posted 05/11/2009 by Harry Prenger
Categories: Film, Kunst, Literatuur, Raar

Je hoort wel eens over gebouwen of voorwerpen dat ze niet meer voldoen aan de eisen van deze tijd. Na zulk een stoutmoedige constatering wordt zo’n gebouw rigoureus met de grond gelijk gemaakt. Wegens te klein of zo, krappe afmetingen, een ruimteverdeling die ouderwets is. Kortom, de sleet zit er in, weg ermee. Soms denk ik wel eens dat ook ik niet meer voldoe aan de eisen van deze tijd, al vraag ik me af welke eisen dat dan zouden moeten zijn. En in welke tijd leven we als ik niet meer voldoe aan bepaalde eisen?

Zo laat ik mijn gedachten de vrije loop terwijl ik in een boekwinkel nog net niet languit lig maar krakend over de grond kruip om naar een stapeltje boeken te reiken. Dadelijk rustig overeind krabbelen. Mijn gekreun is de aankondiging voor het feit dat ik zo meteen met gekromde rug voorover gebogen loop omdat niet alle rugwervels mijn bovenlichaam een voor een rechtop stapelen. Vooral niet te snel omhoog schieten want dan slaat de duizeligheid toe. Ben ik onderhevig aan slijtage? Moet ik ook worden afgebroken?

bacon_head1961

Head III (1961) Francis Bacon

Er zijn van die momenten dat ik me als Jack Nicholson voel in Five Easy Pieces. Wie de film gezien heeft weet hoe diens personage een naarmate de film vordert, zwaarder wordende bagage aan onuitgesproken frustraties met zich meetorst en, zichzelf flink in de weg zittend, onbegrepen door het leven zwalkt.

Enfin.

Ik ben er achter gekomen dat het luisteren naar muziek en het lezen van boeken zijn artistieke graadmeter vindt aan de hand van leeftijd en levenservaring van toehoorder en lezer. Als een wisselend en subjectief maar zaligmakend criterium. Ik ben mijn eigen maatstaf geworden. Een beetje krakkemikkig, maar volhardend.

THE xx EN DE KUNST VAN HET ONDERKOELDE

Posted 02/11/2009 by Harry Prenger
Categories: Popmuziek, Recensie, Vinyl

XXband

Vooralsnog is The xx een oefening in er niet bij willen horen.  Vroegrijp en een tikje dwars, zoals het hoort. Over een laag van beats die afwisselend diep duiken en ritmisch tuimelen prevelt de duozang van The xx. Daaromheen paraderen de gitaarlijntjes om tezamen een ondefinieerbaar soort ontroering te bewerkstelligen. Begintwintigers en de kunst van het onderkoelde.

Zo ontstaan dus de songs van The xx, elf in totaal, op het eerste gehoor schroomvallig, maar bij nader inzien wondermooi van nederigheid. Zelden zo’n effectief pakkend instrumentaaltje als Intro gehoord dat ongetwijfeld als achtergronddeun voor menig tv item gaat dienen. Daarna kondigen Romy Madley Croft en Oliver Sims solo of in duet, met korte zinnen en weinig woorden een naderend isolement aan. Hoe jonger de mens hoe minder de schaamte. Even later weerspiegelen de gedachten in het gedicht Fantasy. Pff, even op je laten inwerken dit zich bijna obsessief onderhuids nestelende debuutalbum van The xx. Klassieker.

The xx – xx (lp, Young Turks 2009)

300

Doet bij vlagen denken aan:
Young Marble Giants – Colossal Youth (1980)
New Order – Movement (1981)
Tricky – Maxinquay (1995)
The Kills – Keep On Your Mean Side (2003)

 

 

PLAATJES KIJKEN BIJ LIVE FOREVER: ELIZABETH PEYTON

Posted 01/11/2009 by Harry Prenger
Categories: Kunst

Grappig. Ze is van 1965 maar ze heeft de stem van een meisje van vijftien. Voorafgaand aan de opening van de unieke overzichtstentoonstelling in het Maastrichtse Bonnefantenmuseum, wandel ik met Elizabeth Peyton langs haar figuratieve miniatuuriconen. Uniek omdat Peytons snel in waarde stijgende schilderijen worden opgekocht door gerenommeerde kunstverzamelaars en museums. Ga er gerust vanuit dat de meeste werken voortaan nog maar zelden te zien zullen zijn. Verspreid over verschillende ruimtes toont het museum zo’n negentig olieverfportretjes die er uitzien als fotografische stillevens. Omdat de paneeltjes een bescheiden omvang hebben, ze meten hooguit 35 bij 25 cm, moet je er nadrukkelijk naar toe lopen om ze goed te bekijken. De kleuren glimmen, de penseelstreken zijn haast tastbaar.

Live+Forever+Elizabeth+Peyton+Preview+New+-_vamwsSxf4l

Elizabeth Peyton

Over de door haar geschilderde personages wil Peyton het beslist niet hebben. “Het is frustrerend als mensen er op die manier over praten, zeker wanneer er zoveel andere dingen te zien zijn. Ik kan de reactie van de mensen niet sturen, maar ik hoop wel dat er ergens een ontmoeting plaatsvindt tussen hoe ik tegen mijn werk aankijk en de mening van de toeschouwer. Ik kan alleen maar zeggen dat alle werken me erg dierbaar zijn”. De schilderijen van Elizabeth Peyton zijn direct en eenvoudig, simpel zelfs. Veel van de afgebeelde figuren lijken inwisselbaar: dezelfde felrode lippen, de dromerige oogopslag. Of het nou Kurt Cobain is, John Lennon of Liam Gallager van Oasis. De wijze waarop Peyton ze schildert is inwisselbaar en op den duur een beetje voorspelbaar. Hoe langer je ernaar kijkt des te uitdrukkingslozer ze worden; beelden zonder verdieping en betekenis. Anderzijds: de gelaatsuitdrukking van überjunkie Pete Doherty is devoot en engelachtig. Behalve de popiconen zijn er portretten van modeontwerper Marc Jacobs, Frida Kahlo en kunstenaar Jake Chapman. Nogal wat schilderijen ontleende Peyton aan foto’s uit tijdschriften. Hierdoor ogen de poses in eerste instantie wat ongebruikelijk, feitelijk zijn ze niet erg bijzonder. Maar wanneer je door de klapdeuren de eerste zaal betreedt zie je recht voor je wellicht het meest geslaagde werk. Met zijn donkerbruine tint en stilering oogt de liefkozing uit de film The Age Of Innocence mooi archaisch.

Hotel, 1966 (John Lennon)

Hotel, 1966 (John Lennon)

Door te kiezen voor personen uit de wereld van muziek, kunst en literatuur refereert Peyton aan de in onbruik geraakt portretschilderkunst. In de tentoonstellingscatalogus wordt haar werk vergeleken met dat van Andy Warhol, zelf zegt ze te zijn beïnvloed door de fotografische schilderkunst van David Hockney. In plaats van te spreken over Kurt Cobain of een van de andere popmuzikanten zinspeelt ze op de intieme beleving en ontvankelijkheid bij de toeschouwer. Peyton: “Mij gaat het er om hoe mensen vanbinnen zijn. Wat ze voelen. Dat wil ik uitdrukken met mijn werk. Het is belangrijk als ik de mensen die ik schilder ken en met ze optrek. Het helpt me bij het maken van een schilderij. Ik kan ze zo beter begrijpen zonder dat het meteen visueel wordt. Als je voor een schilderij staat kun je misschien niet altijd zeggen wat je voelt en hoe je je gevoel moet omschrijven. Dat gevoel zal voor iedereen anders zijn. Niet alle mensen zijn in staat hun gevoelens en gedachten uit te drukken. Daar gaan mijn schilderijen over, ook al zijn ze figuratief. Ik kan mijn werk niet voor andere mensen uitleggen en wat ze er bij moeten voelen.”

Live Forever: Elizabeth Peyton, Bonnefantenmuseum Maastricht, tot  21  maart 2010.

http://www.bonnefanten.nl/

VERGETEN KLASSIEKER: REAL GONE DE ECHO VAN TOM WAITS

Posted 31/10/2009 by Harry Prenger
Categories: Kunst, Popmuziek, Vinyl

tom-waits

Naar het schijnt was het Kathleen Brennan die haar echtgenoot Tom Waits een muzikaal vernieuwend zetje gaf. Weg van de ballades die vaak overdreven uitbundig of sentimenteel zijn. Weg van de pathetische songs die veel van zijn albums ondraaglijk maken. Small Change, Blue Valentine, debuut Closing Time; ik draai ze niet meer. Inmiddels verkent Waits naar hartelust de keerzijde van de menselijke psyche; de kant waarin het onverwachte en niet in het minst het onafwendbare, op sleeptouw wordt genomen door schots en scheve (wan)klanken. De kentering betekende een fikse artistieke ommezwaai. In positieve zin wel te verstaan. Alras kwam de beloning in de vorm van het groteske meesterwerk Swordfishtrombones. Waits’ vertellingen over zelfkanttypes uit de onderbuik van de samenleving bleken dankzij de veelzijdige en bijna experimentele instrumentatie gelaagd en indrukwekkend. Inspiratie in huize Waits was er volop getuige de daarop volgende meesterwerkjes Rain Dogs, Franks Wild Years en Bone Machine.

Daarna volgden Real Gone en het magum opus Orphans. Real gone betekent zoveel als een definitief afscheid, een voorgoed einde. Real Gone heet niet voor niets de overlijdensrubriek van het muziekmaandblad Mojo. Waits neemt met de lp Real Gone een diepe duik in het verleden. Om te zien wat er is gebeurd en of er nog wat van te maken valt.

TWRG

Op de binnenhoes herinnert een foto van een oude microfoon aan de jaren vijftig. Het klankbeeld is gecomprimeerd, alsof de songs uit één luidspreker worden geperst: Real Gone is meer mono dan stereo. Waits’ stem klinkt als een krakende 78-toerenplaat, percussie, bas en gitaren bonken claustrofobisch over en vooral door elkaar. Op Real Gone kortom is de eenvoud ver te zoeken. Songs staan stijf van de tekstuele en muzikale vervreemding in een cadans die zwaar uit het lood staat. “Kubistische funk”, volgens de vroegere ballademinstreel.

Tom Waits is een groot bewonderaar van componist-muzikant Harry Partch. Met name de ritmeschema’s op Real Gone en zeker op Swordfishtrombones doen denken aan de niet-westerse compositiemodellen zoals Partch’ deze toepaste op zijn zelfgemaakte instrumenten. Behalve Partch hoor ik op Real Gone flarden exotica uit de jaren vijftig zoals gemaakt door Martin Denny en Les Baxter. Toen ik onlangs het album Atlantis van jazzpionier Sun Ra draaide, moest ik tijdens het bizarre trommelwerkje Yucatan eveneens aan Real Gone denken.

Is er dan niks moderns aan deze plaat? Nou, in een van de songs wordt iemand verzocht zijn “cell phone” uit te zetten. Waits orakelt als een beat-dichter in de sporen van Jack Kerouacs bop-prose, korte zinnen, van de hak op de tak, bam, bam, bam, soms onverstaanbaar grommend. Verhalen waar soms geen touw aan vast te knopen valt, waarin wortels omhoog en takken naar beneden groeien. Voor Waits zijn de elementen en de natuur een metafoor ter duiding van naderend onheil. Over mensen die niet weten dat ze hun beste tijd hebben gehad. “An old black tree, scratching up the sky with boney, claw like fingers”.

Wat er precies aan de hand is blijft vaak in het midden, behalve dat mensen de rekening krijgen gepresenteerd voor iets dat plaatsvond in het verleden. Mensen met een destructief karakter, al dan niet met terugwerkende kracht ingehaald door de tijdstrein (door U2-zanger Bono omschreven als “time is a train, making the future the past”).

atomwaitsabol1_small

Op Real Gone wordt het verleden gekoesterd en de toekomst argwanend begroet, “carving out a future with a gun and an axe”. Dan moet je niet raar opkijken als vrouwen er vandoor gaan. Vrouwen blijken opvallend vaak met de noorderzon vertrokken: in How’s It Gonna End, Clang Boom Steam, Baby Gonna Leave Me, Make It Rain.

Real Gone. Helemaal weg. Pleite. Afnokken geblazen. Vrouwen die weglopen van mannen met een destructief karakter. Omdat volgens filosoof Walter Benjamin “het destructieve karakter niets duurzaams ziet. Maar omdat het overal een weg ziet moet het ook de weg ruimen. Niet altijd met grof, soms met subtiel geweld”. Vrouwen die weglopen bij karakters die weer lijken weggelopen uit de boeken van zelfkantchroniqeurs Charles Bukowski en Paul Auster. Tom Waits doet er nog een schepje bovenop. Hij maakt er muziek bij. Real Gone is zijn beste album sinds Swordfishtrombones.

Referenties:
Martin Denny – Exotica lp (Liberty 1957)
Les Baxter – The Exotic Moods Of Les Baxter (Capitol 1996)
Sun Ra Arkestra – Atlantis lp (Saturn 1967)
Harry Partch – Delusion Of The Fury lp (Columbia 1971)
Walter Benjamin – Der Destruktive Charakter (uit Maar Een Storm Waait Uit Het Paradijs, Uitgeverij SUN, 1996)
U2 – Zoo Station (uit de cd Achtung Baby (Island 1991)

RARE CD VERPAKKING: KIM CASCONE & KEITH ROWE

Posted 29/10/2009 by Harry Prenger
Categories: Raar

KrKim Cascone & Keith Rowe – With Hidden Noise (Anechoic 2000)

Niet zozeer vanwege de verpakking alswel om de vormgeving: een van de allereerste vierkante cd’s! Vanaf 2000 bracht Cascone via zijn label Anechoic een handjevol mini-cd’s in dit formaat uit. Toch zijn ze gewoon af te spelen op de meeste cd-spelers.

Ontwerp: Kim Cascone (?)

RARE CD VERPAKKING: COIL

Posted 27/10/2009 by Harry Prenger
Categories: Raar

CoilCoil – Constant Shallowness Leads To Evil (Eskaton  2000)
Coil – Queens Of The Circulating Library (Eskaton 2000)

Twee legendarische albums van het Britse collectief Coil in charmant roze schelpdoosjes van plastic.

Ontwerp: The Dering Corporation

DE VERZAMELGEKTE EN DE DWANGNEUROSE

Posted 24/10/2009 by Harry Prenger
Categories: Raar

Wie grenzen overschrijdt komt terecht in het universum van de gekte. Zoals we allen weten is het universum van de gekte een wonderlijk fenomeen, op slechts enkele centimeters verwijderd van de totale gekte. De flora en fauna van de totale gekte manifesteert zich bij mensen die op een of andere wijze iets verzamelen. Maakt niet uit wat. Er dient hoe dan ook verzameld te worden net zolang tot verzamelen een dwangneurose wordt waarin je jezelf kunt wegcijferen. Daarom hebben verzamelaars geen flauw benul van hun eigen gekte, laat staan van hun totale gekte. De relativering is ze eveneens vreemd. Laten we zeggen dat de gekte begint bij 10.000 lp’s en de totale gekte bij 25.000.

Out come the wolves

Bij dergelijke aantallen maakt het niet meer uit wat je verzamelt, het kunnen evengoed kanariepietjes zijn. 25.000 tsjilpende pietjes. In een moment van helderheid roept dit vanzelf de vraag op hoe je een kanariepietje met een theelepel kunt doden. 25.000 platen doden met een theelepel is namelijk onbegonnen werk. Wanneer het verzamelen op weg gaat naar zulke aantallen gaat het niet meer om de verzameling maar om de verzamelaar. Hij verzamelt als het ware zichzelf bijeen te midden van zijn verzameling. De verzameling doet er niet meer toe.  De verzamelaar waant zich het middelpunt van zijn eigen gilde. Soms fluit hij er een liedje bij. Zoals we allen weten maakt fluiten het verzamelen draaglijk.

RAMONA FALLS – INTUIT RECENSIE

Posted 22/10/2009 by Harry Prenger
Categories: Popmuziek, Vinyl

RamonaFalls_Intuit2

Dus toch. Ik was al bang dat het er niet meer van zou komen. Maar hij is er en hoe. Als een kathedraal boven veel andere platen uittorenend. Ramona Falls. Niet de naam van een zangeres, wel de naam van een waterval in een natuurgebied van de Amerikaanse staat Oregon èn van een band uit Portland. Speciaal voor het debuutalbum Intuit verzamelde songschrijver-zanger Brent Knopf muziekvrienden bijeen van het meer harmonieuze soort. Een van hen is Theo Ellsworth. Hij tekende de grappiggroteske figuurtjes op de hoes. Intuit, into it, neem een duik in de caleidoscopische kronkelpop van Ramona Falls. Liedjes die voortdurend een sprongetje maken boven een vangnet dat wordt vastgehouden door Patrick Watson aan het ene eind en Sufjan Stevens aan de overkant. Ertussenin buitelen de songs in euforie en in verstild mineur. Ommezwaaien die geheel vanzelfsprekend binnen een en dezelfde song plaatsgrijpen.

Daarnaast wordt de muziek vaak een andere kant uitgestuurd door de delicate, aarzelende zang. En omgekeerd natuurlijk. Maar altijd is er die muziekweelde, het onvoorspelbare van de arrangementen, de weemoed die onderhuids schuilt en na afloop nog een tijdje voelbaar is. Aristoteles ging ooit uit van het associatieve geheugenprincipe. Dat als er dingen tegelijkertijd of kort na elkaar in het bewustzijn komen deze met elkaar geassocieerd worden. Ramona Falls heeft beet en houdt vast. Wat een ongelooflijk mooi album. “If I’m dreaming you and you’re dreaming me, so why don’t we choose”. Muziek tussen droom en daad.

Ramona Falls – Intuit (lp Souterrain Transmission)