Een vlekje in mijn vizier. Een vuiltje in mijn oor. Eens in de paar jaar krijg ik er last van. Toen ik onlangs nietsvermoedend een muziekzaak binnenliep, kwamen het vuiltje en het vlekje in alle hevigheid op mij afgestormd. Het vuiltje en het vlekje maken geluid. Ze noemen zich Bettie Serveert. En verdomd, ik had het kunnen weten. De non-valeurs van de kleffe balpen bewierookten reeds de recentste Bettie Serveertscheet. Men leze de VPRO Gids, het toiletpapier van cultureel correct Nederland. Men leze de OOR, Bettie’s eigen clubblaadje. Ik lees het, ik hoor het, ik ga spontaan pleiten voor herinvoering van de doodstraf.
En zo ziet Bettie Serveert zichzelf: “Als je naar de maatschappelijke norm kijkt zijn wij zijn outsiders. Goedkope huur, geen auto, geen rijbewijs”. Outsiders my ass. Bettie Serveert is de enige Nederlandse band waarvan ik het jammer vind dat ze uit Nederland komt. Laten we vanaf nu afspreken dat het Oostenrijkers zijn. Reserveduitsers.
Oostenrijk dus. Alpenland dat tuintrolletje Bettie jodelend van de gletsjer laat glijden.
Het gekakel van alle schoonmoeders een genot vergeleken met het geschijt van de stukjes klankpoep waarvan de bandleden denken dat het liedjes zijn. Alle albums van Bettie Serveert zijn vele malen erger dan de filmmuziek van Avatar. Zelden werden zulke dikke houten planken gezaagd uit gitaarpop. Bettie Serveert is een gammele boekenkast van Ikea. Belediging voor muziekliefhebbers en houtwormen.
Waarom zijn er toch dingen die er niet toe doen?
Waarom zijn er mensen als Bettie Serveert?
Waar zijn De Artsen nu ik ze zo hard nodig heb om mijn vlekje en mijn vuiltje te verwijderen?
De kont tegen de krib om ruimte te maken voor de wolk van woordkunst. Dwarsliggen door middel van muzieknoten. Niet tegemoet komen aan popmuziek als massaconsumptie. Maar waar zijn ze toch gebleven die bandjes die dat doen? Bands die de invloed van de punk in hun voordeel gebruiken om een autonomie na te streven waarin attitude ten overstaan van alles en iedereen even belangrijk is als jezelf artistiek bekwamen. Stelling nemen voor wie er oog en oor voor heeft. Want voor je het weet ga je kopje onder in de maalstroom van de media en de esthetiek van het rockcliché.
Vroege autonomen zijn Throbbing Gristle, Shock Headed Peters, This Heat, The Fall, Public Image Ltd. Misschien vergeet ik er nu paar. Het estafettestokje wordt min of meer opgepakt door ene Jack Barnett en zijn These New Puritans. Min of meer. Ik ben er nog niet helemaal uit. Twee jaar geleden besprak ik op deze plek debuut Beat Pyramid. Nu is er opvolger Hidden, door popjournalist Paul Morley onthaald als monumentaal meesterwerk. Dat lijkt me wat veel eer voor een album dat weliswaar afwijkt van wat je tegenwoordig in de popmuziek hoort maar aan dat afwijken ook bijna bezwijkt.
Zanger-componist Jack Barnett voldoet met zijn fragiele verschijning niet aan het beeld van de frontman van een rockband. Dat geldt ook voor zijn muziek. Niet voldoen, niet willen meedoen. Gelaagd klappen en slaan de drums en percussie je om de oren, in het luchtledige hangen zijn geprevelde teksten. Dit alles verweven met een blaasensemble. Apart en bijzonder, eigenzinnig en raar, maar pakt het ook goed uit? Mij klinkt het nogal dwangmatig gearrangeerd in de oren. l’Art pour l’art.
Maar wie weet groeit Hidden alsnog uit tot een citaat van muziekessayist Joe Carducci uit zijn boek Rock & the Pop Narcotic. Een boek uit 1991.
“Rock is the place where rhythm and melody battle it out most intensively and in doing so they create something more. In rock, melody is present and its whiff of mood still distinctive, however, here it is pushed along by an explicit physical, even carnal rhythm arrangement. The whole of music then can be said to be a more complete metaphor for the actual human condition; we are higher aspirations pushed along by carnal drives”.
Stanley Donwood, Heerlen 2010 (foto: Paul Rondags)
De truc is om kunst niet te zien als kunst. Losgeweekt van context en kunsthistorie. De beelden van Stanley Donwood zijn abstract, verfijnd, rauw en intuïtief. Wat ze bindt is een zekere mate van ongrijpbaarheid. Genoeg om je in het ongewisse te laten, voldoende om kunst niet te zien als kunst. Donwood toont figuren en mensen die geïsoleerd in hun omgeving staan. Vage contouren die neigen naar een amorfe toestand. Ze spatten schreeuwend in het rond, of keren zich berustend om. Mensen verdwaald in visioenen.
Red Maze (rood doolhof) is de eerste complete overzichtstentoonstelling van een Engelse kunstenaar die op de universiteit het geluk had ene Thom Yorke tegen het lijf te lopen. Wie Radioheads artwork, maar ook de uitvergrotingen en de schetsen ervan wil zien moet beslist gaan kijken. Maar deze tentoonstelling behelst meer dan de Stanley Donwood van de Radioheadhoezen. Zijn eigen werk is grotesk, cartoon- en graffiti-achtig, daarbij gebruikmakend van eenvoudige hulpmiddelen en technieken. In de tentoonstellingscatalogus noemt hij ze “een ophoping van ongelukken, een stolling van fouten en rampen”.
Donwood werkt veel met screenprints, al dan niet genummerd, maar ook met koperplaten, karton en papier. Er hangt van alles door- en overelkaar. Lukraak, alsof je in een nieuwe punktijd door een achterafwijk van Londen loopt. Dat lopen moet je op je gemak doen, om alles goed te bekijken, langzaam wandelend door een gangenstelsel, dat je met ondoordringbare, knalrode verf hermetisch afschermt van de buitenwereld. Links en rechts duiken figuren en metaforen op uit mythologieën.
Wat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat is Donwoods commentaar op de financiële crisis. Door de ramen van een deur zien we een tafel met champagneflessen die op punt van ontkurken staan, geldbiljetten, de Herald Tribune, bolknaks in de asbak. Er zitten echter geen bankpresidenten aan tafel, maar stuurs kijkende hoornachtigen, besmeurd met slierten verf. Aangeschoten wild. Voor eeuwig op je netvlies. Een van de hoogtepunten van deze indrukwekkende tentoonstelling.
Stanley Donwood – Red Maze (tentoonstelling, Schunck, Heerlen t/m 14 maart 2010)
Noot van de auteur:Op deze plek had een interview met Stanley Donwood kunnen staan. Mijn interviewaanvraag bij Schunck, de culturele instelling die Donwoods tentoonstelling organiseert, kon op geen enkele medewerking rekenen. Tijdens de week waarin de interviews waren gepland, kwam ik erachter dat communiceren niet de sterkste eigenschap is bij Schunck, in casu de verantwoordelijke ’senior communicatie adviseur’. Een week lang werd ik aan het lijntje gehouden met halve afspraken en toezeggingen die uiteindelijk op geen enkele wijze werden nagekomen.
Lou Reeds Metal Machine Music is de plaat die het vaakst werd terug gebracht naar de winkel. Kopers voelden zich belazerd omdat ze veronderstelden een verkeerde persing te hebben gekocht. Boze tongen beschuldigden Reed ervan het album te gebruiken om van zijn platencontract af te komen. In een interview in 2007 ontzenuwt Reed dit hardnekkige verhaal. Hij was juist erg tevreden over het eindresultaat en zag het als een experiment, omdat “ik me toen kon veroorloven een album zonder songs uit te brengen”. “This record is not for parties, dancing, background, romance”, waarschuwt hij op de binnenhoes.
Tegenwoordig geldt Metal Machine Music als een van de beruchtste noisealbums aller tijden. Reed zelf zal in interviews niet nalaten dit te beklemtonen. Hetis een album dat zijn eigen legende heeft geschreven, ondanks of misschien wel mede dankzij het feit dat het album drie weken na de release uit de handel werd genomen. Een album dat sterk verdeelt. Voor Reedbiograaf Victor Bockris is het “the ultimate conceptual punk album and the progenitor of New York punk rock.” In 2005 riep het Britse Q Magazine Metal Machine Music uit tot een van de slechtste platen aller tijden. Maar de befaamde criticus Lester Bangs was duidelijk in zijn oordeel: “As a statement it’s great, as a giant FUCK YOU it shows integrity—a sick, twisted, dunced-out, malevolent, perverted, psychopathic integrity, but integrity nevertheless.”
Er is wel meer dat opvalt aan Metal Machine Music. In 1975 verscheen de plaat in dezelfde week als Discreet Music van Brian Eno. De twee albums lijken elkaarsantipolen, snerpende feedback tegenover intieme ambient, maar ze liggen dichter bijelkaar dan je zou vermoeden. Ze bevatten geluidskunst die de omgeving van de luisteraar beïnvloedt, die de luisteraar als het ware uit zijn vertrouwde omgeving haalt.
En nu in 2010, heeft Lou Reed dit album opnieuw uitgebracht. Op vinyl, dvd en blue-ray. “Supervised by Lou Reed and faithfully remastered to the last squeal”. Dat is nog niet alles. Reed brengt hoogstpersoonlijk “the last squeal” live ten gehore. Jammer genoeg niet in Nederland, maar wel op 22 april in Brussel (het volledige tourschema staat onder deze tekst).
Halverwege de jaren tachtig vond ik de originele lp in een platenzaakje in Aken (D). In mijn herinnering moest ik er dertig Duitse marken voor neertellen en sindsdien, dus de afgelopen vijfentwintig jaar, heb ik de plaat toch zeker drie keer gedraaid. Deze plaat zet je niet voor je plezier op. Uit de groeven klinkt een geluid alsof er een hoop stekkertjes verkeerd zijn aangesloten op je apparatuur. Het is de enige plaat in mijn verzameling waar ik vooral vaak aan dénk.
Maar vraag aan noisegeweldenaars Masami Akita (Merzbow) en Sunn O))), naar een van de mijlpalen in geluidskunst, grote kans dat ze Metal Machine Music noemen.
Lou Reed – Metal Machine Music (2lp, RCA 1975)
Lou Reed – Metal Machine Music (2lp, dvd, blue ray, MMM 2010)
04-17 Cambridge, England – The Cambridge Junction
04-18 Oxford, England – O2 Academy
04-19 London, England – Royal Festival Hall
04-21 Paris, France – La Cigale
04-22 Brussels, Belgium – A/B (Domino Festival)
04-24 Copenhagen, Denmark – DR Koncerthuset
04-26 Oslo, Norway – Sentrum Scene
04-27 Bergen, Norway – Ole Bull Scene (Bergen Festival)
04-30 Mallorca, Spain – Teatre Principal de Palma
Luister naar de eerste negen minuten van kant 1 van de originele lp.
Charlotte Gainsbourg vertelt op haar website over de gedrevenheid en productiviteit van Beck. Alsof het hem geen enkele moeite kost, alsof het hem allemaal makkelijk af gaat, zo klinkt de muziek van Beck vaak. En dan is Beck op zijn best. Zoals ook te horen valt op IRM, het album van Gainsbourg waarvoor Beck gewoon even alle songs schreef, ze met zijn vaste bandleden inspeelde, en maar gelijk het hele opnameproces produceerde. Gainsbourg hoefde de nummers alleen nog in te zingen en haar naam op de hoes te zetten. Zo wil ik ook wel een plaat maken.
Dat Beck geen moment stil zit bewijst zijn Record Club. Met leden van zijn eigen band en bekende muzikanten die toevallig in de buurt zijn, speelt Beck andermans albums eens dunnetjes over. De opnamen, te zien op de site van Beck, zien er eenvoudig en opzettelijk amateuristisch en arty uit; alsof je naar een popprogramma uit de jaren zestig kijkt. De bewerkingen klinken zoals we van Beck gewend zijn. Losjes, ongedwongen, soms een beetje lamlendig, trekt hij de originele versies naar zich toe en maakt ze zich eigen. Een keer in de week wordt een liedje opgenomen. Spontaan, zonder repeteren of voorbereiding.
In een toelichting verklaart Beck niets extra’s aan de oorspronkelijkheid van de songs te willen toevoegen, het is hem vooral te doen om de spontaniteit ter plekke. Dan klinkt Velvet Underground in de handen van Beck c.s. tamelijk curieus; het legendarische debuut gereduceerd tot simpele versies die nog net niet zomers huppelen. Maar Sunday Morning is niet alleen even teerhartig als het origineel, Beck bezorgt zijn uitvoering een ongekend warme gloed. Grappig is dan weer de elektronische, bijna Kraftwerkachtige variant op Run Run Run.
Ingetogen en met eerbied doet Beck het debuut van Leonard Cohen na, evenals de cultklassieker Oar van de vergeten kluizenaar Alexander ‘Skip’ Spence. Dit album uit 1969 geldt als een van de eerste excentrieke platen dat zich compleet van de wereld ‘daarbuiten’ bevond en nog steeds bevindt. Het ongekende schrijverstalent van Spence voorkomt dat zijn liedjes, drugsgerelateerd en wankel, ontaarden in ongeleide projectielen.
Beck coverde in 1999 reeds werk van de voormalige gitarist van Moby Grape, door een bijdrage te leveren aan de cd More Oar: A Tribute To The Skip Spence Album. Met zijn Record Club geeft Beck aan het complete Oar een draai die genaakbaarder overkomt dan de breekbare grimmigheid van Spence. Het duet tussen zangeres Feist en Jeff Tweedy van Wilco in Broken Heart is zonder meer indrukwekkend.
Niet te zien in het filmpje is de lange rij wachtenden voor een ambachtelijke drukpers. Door met een inktroller over een door Donwood gemaakte gravure te rollen, kon je er zelf een afdruk van maken en laten signeren door Donwood. Een echte Donwood dus, en gratis. De man in het rood in het filmpje is overigens niet Stanley Donwood.
Stanley Donwood Red Maze, Heerlen 2010 (foto: Branko Popovic)
Dit is ‘m dan, de prachtige vinylbox van Tom Waits’ magnum opus Orphans: Brawlers, Bawlers & Bastards. Zeven lp’s waarvan eentje met bonusnummers. Ook het boekwerk mag er wezen. De hele set bevindt zich uitschuifbaar ter linkerzijde (!) van een nog grotere, hardkartonnen doos voorzien van een boven- en onderkant van stof. Er is werk van gemaakt, dat moet gezegd. En dat alles voor 85 euro inclusief verzendkosten, want besteld bij Amazon.com. Heb er wel anderhalve maand op moeten wachten!
Eindelijk gerechtigheid. The Unforgettable Fire, U2’s draak van een plaat “omgevouwen” tot wok door kunstenaar OddBob. Andere vinylklassiekers waar OddBob een GrooveBowl van heeft gemaakt kun je hier bekijken: www.etsy.com/shop/OddBob
Door middel van het fenomeen vinyl beijvert The Vinyl Factory zich voor een liaison tussen popmuziek en kunst. Het in 2001 begonnen bedrijfje beschouwt muziek namelijk als een fysieke belevenis dat men graag wil beklemtonen door platen uit te brengen in opvallende verpakkingen. Te koop worden ze aangeboden via de eigen (online)platenzaak Phonica Records. Voor het mogen uitbrengen van de exclusieve en luxueus uitgevoerde vinyledities, gaat The Vinyl Factory een speciale deal aan met de artiest. En dat zijn niet de minsten.
Zo bracht men van Massive Attack de twelve inch The Splitting Atom. Dankzij de weirde hoes en de zeer beperkte oplage was de plaat binnen een mum van tijd uitverkocht en inmiddels een veelgezocht collectors item is. Nog beperkter in oplage was Yes van Pet Shop Boys: elf lp’s in een gesigneerde en handgemaakte boxset. Ook Hot Chip werkt samen met The Vinyl Factory voor de totstandkoming van een gelimiteerde uitgave per vinyl. Afgaande op de site van The Vinyl Factory ziet het er inderdaad allemaal erg fraai uit. Wil je de platen en het artwork eens nader bezichtigen dan kun je een bezoekje brengen aan de Vinyl Factory Gallery gevestigd in de Londense wijk Soho of in Berlijn.
Verzamelobject voor de toekomst wordt de variant op het debuut van The xx. Zoals bekend mag worden verondersteld debuteerde The xx in 2009 met een schitterend album dat door The Vinyl Factory wordt bekroond met een luxe editie. Deze bestaat uit een pikzwarte klaphoes waarin twee platen: eentje voor de reguliere songs en eentje voor een remix van een van de nummers met op de achterkant een gravure. Voorts bevinden zich foto’s van de bandleden in de hoes, elk individueel gesigneerd en genummerd. Schrijver dezes is in het bezit van nummer 246. Toch jammer dat uitgerekend deze uitgave die in artistiek opzicht ongetwijfeld tot de betere Vinyl Factoryreleases behoort, de minst spectaculaire is qua vormgeving. Op het moment van dit schrijven is de plaat nog leverbaar.
Mensen hebben de gewoonte van alles en nog wat te categoriseren. Dit ter voorkoming van de chaos die veroorzaakt wordt door de overdaad. Vanuit dat indelen ontstaat duidelijkheid, waarna we als vanzelf uitkomen bij de perceptie. De perceptie wordt gestuurd door nostalgie, omgeving, opvoeding en vast nog een hoop andere factoren. Ook het vastklampen aan het verleden is een factor die niet onderschat mag worden, temeer omdat de perceptie hier vaak zijn sterkste drijfveer aan ontleend.
Wanneer de gedachte aan het verleden maar lang genoeg duurt wordt het besef over datzelfde verleden geleidelijk aan positiever. Al het andere, het negatieve, zal uiteindelijk selectief worden opgeschoond. Daarbij komt ook nog de premisse dat de mens een betere observator van de werkelijkheid is dan van het verleden, waardoor de neiging bestaat om gebeurtenissen uit datzelfde verleden te gaan vergelijken met het heden.
Woodstock Before 1969 (foto: Henry Diltz)
Mensen die in het verleden een traumatische ervaring hebben gehad proberen dit naarmate ze ouder worden te vergeten of op te sluiten in de kerker van het geheugen. Traumatisch kan ook het heden zijn waarin gebeurtenissen uit het verleden telkens worden benadrukt zonder dat er specifieke aanleiding voor is. Voor een jonge generatie muziekliefhebbers kan het benadrukken van het vermeende belang van de jaren zestig, de jaren zeventig en eventueel de jaren tachtig knap vervelend zijn. Het zijn decennia die je niet bewust hebt meegemaakt maar die wel dagelijks opwachting maken in het heden. Je kunt geen artikel in de popbladen lezen of er wordt wel gerefereerd aan een of meerdere van deze decennia.
Het principe van bovengenoemde geheugenfilter wordt vaak gebruikt in de media. Ze suggereert dat de jaren zestig, de jaren zeventig en aanstonds de jaren tachtig periodes waren van uitsluitend goede muziek. Dat er toen ook een hoop slechte muziek werd gemaakt daar hoor je niemand over. Vergeten, gekerkerd door de tijd.
Wat mij betreft leidt dit alles tot de volgende conclusies:
Iedereen die beweert dat in de jaren zestig goede muziek werd gemaakt liegt.
Iedereen die beweert dat in de jaren zeventig goede muziek werd liegt.
Iedereen die beweert dat in de jaren tachtig goede muziek werd gemaakt liegt.
Iedereen die beweert dat er nu goede muziek gemaakt wordt spreekt de waarheid.
Het is waar, het is triest, het is onontkoombaar. Langzaam maar zeker gaan we met zijn allen de pijp uit. De een wat eerder dan de ander. Het zij zo. Eerst krijgen we natuurlijk de vergrijzing. En hoe meer grijze haren, hoe meer kwalen en pijntjes. Wat ook steeds meer pijn doet is de platenverzameling. En dan bedoel ik het niet de rugpijn tijdens een verhuizing. Bijzonder pijnlijk is de ontdekking dat je sommige lang gekoesterde lp’s opeens niet meer goed vindt.
Vreemd genoeg worden het er steeds meer naarmate je ouder wordt. Om de verwarring compleet te maken gebeurt het tegenovergestelde eveneens. Wanneer je jezelf nog een beetje serieus neemt als muziekliefhebber sta je open voor platen waarvan je vroeger nooit had gedacht dat je ze ooit zou kopen. Dus draaide ik onlangs, weliswaar met verdeeld genoegen, we moeten het niet overdrijven, de eerste twee lp’s van The Beatles. Nee, ik geef het toe, die kende ik nog niet.
Neil Young, Nashville 2005 (foto: Danny Clinch)
En nu ik toch bezig ben: ik draaide onlangs Bob Dylans zo vaak verfoeide reli-albums Slow Train Coming en Saved. Beide platen vielen me reuze mee en zijn lang niet zo erg als wat Dylan nadien in de jaren tachtig maakte. Misschien wordt dit alles veroorzaakt omdat “het leven voorwaarts wordt geleefd maar achterwaarts begrepen”. Je kijkt naar de toekomst maar leeft telkens in het heden dat in een oogwenk verleden tijd wordt. Een ongrijpbaar fenomeen dat me al lang bezighoudt; luisteren naar muziek, omgaan met platen, het op orde houden van de verzameling.
Enfin, ik heb er wel eens vaker over geschreven, misschien heeft u er langzamerhand schoon genoeg van. Het kan ook anders. Een tijdje geleden bezocht ik een filmbeurs. Daar komt, om het maar eens plat te zeggen, ander soort volk dan op een platenbeurs. Filmbeursbezoekers hebben bijvoorbeeld een veel minder gejaagde blik in de ogen. Van stand naar kraam loopt men vrij gemoedelijk. Geen drukte van belang, geen nerveus zoeken naar collectors items, geen duw- en trekwerk of afgunstige blikken. Affiches en filmsterrenfoto’s, dvd’s, Star Wars prullaria, het wordt met opvallende rust en veel geduld bekeken. Zoiets ontdek je dan al mijmerend tussen het filmvolk.
Deze bijzondere foto werd gemaakt door opnametechnicus Eddie Kramer in The Record Plant studio in New York, in 1968. Let op die intense blik in de ogen van Jimi Hendrix. Kramer heeft de “nieuwe” lp van Hendrix, Valley Of Neptune, samengesteld en geproduceerd.
David Lynch, Brühl, november 2009 (foto Henning Kaiser)
Wie de grote overzichtstentoonstelling van David Lynch in Parijs van maart 2007 gemist heeft, kan de schade nu inhalen. Een groot deel van die spraakmakende exhibitie is momenteel te zien in het Duitse stadje Brühl, gelegen onder de rook van Keulen. Brühl staat vooral bekend om zijn Phantasialand, een Eftelingachtige attractie voor het hele gezin. Een stuk verderop, vlakbij het winkelcentrum, ligt het Max Ernst Museum. Brühl is de geboorteplaats van deze kunstenaar die begin vorige eeuw droombeelden en het alledaagse aan elkaar koppelde maar ze toch ook weer in een andere context wist te plaatsen. Niet helemaal toevallig dus deze plek voor de absurdistisch surrealist David Lynch.
Op de dag dat wij de tentoonstelling David Lynch – Dark Splendor bezoeken is Brühl bedekt met een deken van grauwsluier. Voortdurend is er de dreiging van een plensbui. Het Max Ernst Museum ziet er zo smetteloos uit dat je aarzelt om naar binnen te gaan. De gelijkenis met een tandartspraktijk is dan ook niet ver weg. Binnen is het stil, bedaard zelfs. De medewerker van het museumrestaurant serveert onze koffie net op tijd. Eenmaal terug achter de bar barst hij uit in een fikse niesbui. Wat opvalt is de sanseveria op de toonbank. Zo’n zelfde soort kamerplant bevindt zich ook in de woning van Dorothy Vallens in de film Blue Velvet. Na de niesbui maakt de medewerker zich uit de voeten. Aan de bar zit een dame van ruimschoots de middelbare leeftijd die eruit ziet alsof ze elk moment haar levensverhaal aan ons gaat vertellen. Brühl kortom, bezit een hoog David Lynchgehalte.
Distorted Nudes
Het Max Ernst Museum pakt prestigieus uit met een multi- mediavoorstelling over Lynch. Enkele van zijn vroege, korte films worden getoond, doeken die voor het eerst te zien zijn en Lynch zelf was aanwezig bij de opening in november. Als vertrekpunt voor de tentoonstelling wandelen we door een wat koddig uitziende inloop met cartoonachtige kleuren en bankjes. De installatie lijkt doelbewust een waarschuwing voor het contrast met wat verderop te zien is. Grote, mixed-media doeken, foto’s met vergane industrie, collages van lichaamsdelen, de zogeheten Distorted Nudes, tekeningen en prenten uit Lynch’ privébezit.
Lopend langs de beelden hoor je constant een brommen en knarsen. Door een knopje in te drukken van een Klankstation kun je er plofjes noise aan toevoegen. Opvallend zijn Small Boy In His Room en Pete Goes To His Girlfriend, werken uit 2009. Je kijkt ernaar, verwondert je over iets zonder meteen te weten waarover je je verwondert. Gauw doorlopen om de werken later nog eens te bekijken. En nog eens. Figuren die in stilte schreeuwen en verontrusten omdat ze onheil lijken aan te kondigen.
Distorted Nudes 2004
Handelen de films van David Lynch over het onbenoembare en de acceptatie van het onbenoembare, zijn kunstwerken lijken verzamelpunt van visioenen waarin het absurdisme, het ongrijpbare en het surreëele om voorrang strijden. Elk beeld lijkt te willen zeggen: het maakt niet uit wat van je me vindt, probeer me vooral niet te duiden. Dialogen met de toeschouwer veroorzaakt doordat Lynch zijn beelden brengt met ironie en absurdisme, met het mysterieuze en het macabere.
(Hier een korte impressie die ik maakte met mijn mobieltje. Gauw stiekem gefilmd want fotograferen en filmen was volstrekt uit den boze liet de suppoost mij tot driemaal toe weten)
“…and I love bad painting. I like to make room for accidents. I think in some bad bad painting, and organic phenomenon, there is more room to dream.”
David Lynch – Dark Splendor (Max Ernst Museum, Brühl, Dld. t/m 21 maart 2010)
Eén ding moet ik je nageven Matthijs, je bent verrekte hardleers. Ik heb nog eens gekeken naar jouw programma De Wereld Draait Door. Tot mijn spijt kom ik tot de conclusie dat je niks maar dan helemaal niks hebt bijgeleerd. Elk onderwerp weet je in een handomdraai te verprutsen. Soms begint een conversatie alleraardigst maar verzandt het binnen enkele minuten in ijdele kletspraat.
Jij wilt het zonodig over een zalvend populaire boeg gooien. Jij met je oppervlakkige inborst. Ieder, ja werkelijk ieder gesprek dat jij in je programma voert, weet je met behulp van niet ter zake doende terzijdes en misplaatste grapjes volledig te laten verzanden. Voorwaar een prestatie die niet voor iedereen is weggelegd. Je moet maar durven.
Eigenlijk zit het zo. Gasten en gespreksonderwerpen buig je naar eigen goeddunken om met vooronderstellingen. Zo word jij je eigen gesprekspartner. Iemand die tegenover jou zit zit er eigenlijk niet. Jij maakt van die iemand jouw evenbeeld, waar jij je ego aan spiegelt en je onkunde in verbergt. Dat laatste heb je misschien niet zo in de gaten Matthijs. Omdat je ongedierte bent vergeef ik het je. Ongedierte heeft zichzelf nooit in de gaten, wel is het de mens tot last, kruipt en sluipt het op plekken waar het ongewenst is. Zoals jij kruipt en sluipt over de beeldbuis is zeer ongewenst Matthijs, zeer ongewenst.
Bezoek ik de in aanbouw zijnde website van kunstenaar Damien Hirst, zie ik dat de site is gehackt door een of andere militante groepering ter ondersteuning van de Palestijnse zaak. Althans afgaand op de afbeeldingen. Het ziet er nogal eh, authentiek uit dus het zal wel geen geen kunstuiting van Hirst zelf zijn.
Internet:
Kindamuzik 2003
De Afgrond 2004-2007
Cut-Up 2002-2009
Blogue 2007-
Gesproken woord:
VPRO Radio 1: Grensverkeer presentatie en samenstelling 2001 (gelegenheidsuitz.)
De Concertzender: Pop Art, Pakrammel, samenstelling 2000-2006