EEN BIJNA VERGETEN ZONDAG

Gepost in Kunst op mei 11, 2008 door Harry Prenger

Hartje zomer. Terwijl de zondag bezig was om van de ochtend over te gaan in de middag, maakten wij ons op voor een autorit naar Rotterdam. Daar zou namelijk de allereerste editie plaats vinden van het Worldportjazzfestival. Typisch zo’n dag waar je je van te voren op verheugt. Om dit gevoel te benadrukken leek het ons gepast de dag te beginnen met een ontbijt bij café Oppidom. De prijs van het volledi­ge ontbijt – slechts twee euro - moest het goede begin onderstrepen.

Onderweg was het rustig. Lange tijd hadden we de autobaan voor onszelf en in het lekkere vaartje waarop de auto over het asfalt rolde kon je merken dat ook hij het naar zijn zin had. Sjekkies hingen re­laxt tussen onze lippen, Miles Davis schal­de uit het dashboard.

Maar ter hoogte van Tilburg was het toch even schrikken gebla­zen. De zwarte rookpluimen die we in de verte al hadden zien opdoemen, bleken afkomstig uit een op de vluchtstrook ge­parkeerde auto. De aanblik van de meters­hoog uitslaande vlammen had iets onwe­zenlijks. Landerige zondagmiddag, auto in de fik. Toen we er langs reden voelden we hoe de intense hitte tegen onze wangen gloeide.

Eenmaal in Rotterdam reden wij pro­bleemloos de voor de gelegenheid opge­kalefaterde Wilhelminakade op, ooit op­stapplaats van de Holland-Amerika-lijn. Pakhuizen en vertrekhallen uit lang vervlo­gen tijden stonden nog fier overeind. Bij een hokje naast de ingang van het festival­terrein konden we onze perskaarten opha­len. Navraag over het al dan niet door­gaan van een interview met Archie Shepp, bleek een hele opgave voor de mevrouw in het pershokje. Archie Shepp, thans een krasse knar, maar ooit als jong, polemisch jazzsaxofonist verantwoordelijk voor de meesterwerken The Magic Of Juju en Bla­sé. Door haar grootformaat walkietalkie kondigde de medewerkster aan dat twee medewerkers van muziekblad Hea­ven waren gearriveerd voor een interview met Archie Shepp. Walkietalkies ruisten en kraakten. Even viel het ouderwets aandoende com­municatieverkeer stil. Na wat piepjes en gekraak gevolgd door een blik in het lucht­ledige werd ons meegedeeld dat meneer Shepp pas laat zou arriveren.

Hierdoor lieten wij ons niet ontmoedi­gen. Gemoedelijk kuierden we over het festivalterrein, een lange rechte straat met aan weerskanten de eerder genoemde ge­bouwen en voor de gelegenheid opgezette circustenten. Wie wel eens een festival be­zoekt wordt geconfronteerd met die ty­pisch Nederlandse kruideniersmentaliteit. Zo rekende de firma Pepsi liefst 3 euro voor een beker cola! Gelukkig konden wij met onze perskaarten om de nek lekker stoer de VIP-ruimte in- en uitlopen, waar zich immers de belangrijkste faciliteit van die dag bevond: gratis bier. Al snel bleken wij frequente bezoekers, wat overigens tot een toenemend feest der herkenning leid­de en de daaraan verbonden vanzelfspre­kendheid de tap maar meteen zelf ter hand te nemen. Aangezien het muziekaan­bod van dien aard was dat we niet alle bands hoefden te zien, werd van deze voor­ziening veelvuldig gebruik gemaakt.


Totdat Archie Shepp aantrad, een half uur later dan gepland, maar wel met kod­dig hoedje. Shepp vertroetelde het koper, scheerde de blues en liet bij wijze van lite­rair intermezzo een stokoude opa vage gedichten voorlezen. Solerend was Shepp voor iemand van 64 goed op dreef. Het hoedje bleef lekker op zijn plaats, het kaki­colbert ging ondanks de warmte steeds makkelijker om het ronde lijf zitten. Shepp ging zo op in zijn spel dat speeksel bij het mondstuk zich ophoopte tot een klodder zever van indrukwekkende omvang. Hier hadden wij goed zicht op, want als recht­geaarde muziekliefhebbers stonden wij er pal onder. De almaar groeiende klodder ging in sliertvorm onder Shepps kin hang­en en begon daar een eigen leven te lei­den. Dit was dus jazz, live op het podium. Het duurde een tijdje eer Shepp de sliert opmerkte. Als op dat moment het kampi­oenschap onverschilligheid had plaatsge­vonden, had Shepp op de wijze waarop hij zijn zakdoek pakte en de zever afveegde met gemak de overwinning behaald.

Intussen marcheerde zijn rituele blues­jazz voorwaarts. Een dame in het publiek werd het allemaal te veel. Wat haar part­ner ook probeerde om haar met omhel­zingen en knuffels tegen te houden, zoals het een vrouw betaamt bleek zij ontem­baar. Al een tijdje hadden haar dansbewe­gingen iets sensueels in petto, maar de kreten en gebaren die zij slaakte waren allesbehalve erotisch; eerder gaven ze haar een air van lichtzinnigheid, vermoedelijk veroorzaakt door overmatig drankgebruik. Op het moment dat Shepp een liedje be­gon te zingen kon zij zich zoals gezegd niet langer beheersen. Ze sprong op het podi­um en stootte bijna Shepp’s krukje met saxofoon omver. Wat volgde was een om­helzing met Shepp, die bepaald niet we­derzijds was. Erg verbaasd leek de vete­raanmuzikant overigens niet over de vrou­welijke aandacht. Na enkele minuten han­gen, bevrijdde Shepp zich uit de houtgreep en knikte haar goedaardig toe in de hoop dat het hierbij zou blijven. Hierna zette de dame haar enthousiasme elders voort, maar een merkwaardig soort precedent was inmiddels geschapen.

Tijdens het concert was er iets moois gegroeid tussen de jazzmuzikant en een deel van de dames onder de toeschouwers. Dit alles onder het motto: als een vrouw eenmaal haar zinnen ergens op heeft gezet is er geen speld meer tussen te krijgen.

Ondanks de pogingen van de organi­satie het interview na het concert te laten plaatsvinden, bleek dit bij het betreden van de kleedkamer een illusie. En wat men in een oogwenk al niet kan overzien. Door de aanwezigheid van enkele zakjes wiet, minstens vier vrouwen, waarvan er een nadrukkelijk haar telefoonnummer aan Archie overhandigde, wist ik meteen dat ik het interview kon vergeten. Hier was mijn overtuigingskracht niet tegen opgewassen. Meneer Shepp had duidelijk andere ding­en aan zijn hoofd en ik kon hem geen ong­elijk geven. Na gedane arbeid is het vlees zo mogelijk nog zwakker voor de geneugten des le­vens.

Veel zei hij niet toen ik hem op de schouder tikte. ‘Be with you in a minute.’ Die minuut werd een kwartier, een half uur, enzovoorts. De vermoeienissen van een festivaldag eisten hun tol, de VIP-ruim­te was gesloten en een lange terugreis lag in het verschiet.

DE OVERDAAD

Gepost in Raar, popmuziek op mei 8, 2008 door Harry Prenger

Teveel muziek is vast niet goed. Hoeveel muziek kan een mens aan? Wordt een mens gelukkig van een goed gevulde platenkast? Het zijn vragen waar ik nog geen duidelijk antwoord op heb, maar ik vind het wel verdacht dat ik ze opschrijf. Twintig jaar geleden was ik er nooit opge­komen. Waarschijnlijk heeft het antwoord op deze levensvragen te maken met hoe je je voelt op de dag dat de vragen worden gesteld. Het gevoel bepaalt het antwoord en kan dus per dag verschillen. Toch zijn het interessante vragen. Vooral die ene: wordt een mens gelukkig van een kast vol platen?

Intussen vorderen de jaren en sta ik vaker minutenlang voor de goed gevulde kast. Dan wordt het stil. Heel erg stil. De ruggen van de hoezen staan stijf tegen el­kaar. De kast zwijgt. Kast en collectie wor­den liever niet minutenlang aan gestaard. Ze weten zelf ook wel hoe de zaken er voor staan. Wellicht is het antwoord het rigoureus opschonen van de verzameling, het kaf van het koren, u kent het wel. Wat moet je met lp’s die je niet meer goed vindt en waarvan je nu zeker weet dat je ze nooit meer goed zult vinden. Aaaaah, wacht eens even, voor de zekerheid toch eens even draai­en, je weet maar nooit. Niets is zo erg als een plaat verkopen die je jaren later bij toeval weer hoort en opeens toch wel verdomde goed blijkt. Shit. Natuurlijk is zo’n plaat inmiddels een zeer gewild collector’s item waarop de eBay-biedingen de honderd dol­largrens ruimschoots overschrijden.

Meestal is het omgekeerde het geval. Platen die je ooit goed vond, maar na herbeluistering reeds bij het tweede de naald subiet omhoog doet gaan. Weg ermee. Geplastifi­ceerde binnenhoes vervangen door een papieren binnehoes. Enkele dagen later sjouw ik een stapeltje naar de tweedehands platenwink­el. “Zo, aan het opruimen?”, klinkt het schamper vanachter de toonbank. De pla­tenboer annex aanstormend maatschappe­lijk werker beoordeelt, ervaren als hij is, mijn gemoed aan mijn van wanhoop door­trokken gelaatsuitdrukking en het sta­peltje ruk dat ik uit mijn tas haal. Een we­derzijdse blik is voldoende om er verder geen woorden aan vuil te maken. Wij we­ten: platen uit de kast betekent opruimen in je hoofd.

Dat mag ook best na decennia lang het hoofd te hebben volgepropt met muziek, muziek en nog eens muziek. En wie zegt dat je het allemaal moet bewaren? Het album Aja van Steely Dan kan ik dro­men. Zal ik Aja missen als ze er niet meer is? Als ze geen deel meer uit maakt van mijn religie? Aja, de verstotene, be­vindt zich niet meer in mijn hoofd en… uit de kast is uit het hoofd is uit het hart.

Twij­fel en weemoed strijden om voorrang, maar de opluchting wint op het nippertje. Aja hoef ik godzijdank niet meer te draaien c.q. te dulden. Weg schuldgevoel. Ruimte schep­pen. Orde op zaken stellen.


LEEGLOPER

Gepost in Zonder categorie op mei 6, 2008 door Harry Prenger

Vlak voordat de man bij het meisje dat vertelde 17 te zijn maar in werkelijk­heid 24 is, naar binnendringt, net op dat moment gaat de deurbel. Hij vraagt het meisje de bel te negeren en verder te gaan met het spel der liefkozingen. Maar de deur­bel rinkelt hardnekkig. Tenslotte staat het meisje op uit bed, loopt naar het raam en ziet iemand, gemillimeterde coupe, grij­ze slapen, driedelig zwart pak, onderaan de deur staan. De man in bed bewondert intussen zijn fiere lid. Dan ziet hij het gelaat van het meisje van kleur verschieten. Ze bedenkt zich geen moment, raapt snel haar kleren op en kleedt zich aan. Ze werpt de naakte man een verwijtende blik toe. “Die vent aan de deur is je gevolgd. Ben jij er dus zo een, ik had het kunnen weten, kloot­zak.” “Wat bedoel je?”, vraagt de man verbaasd. “Ik had al zo’n vermoeden dat je een rare was, eerst dacht ik dat je van de politie was, maar nu weet ik het zeker. Je bent een platenverzamelaar! Vies­peuk!” Ogenblikkelijk verschrompelt de fallus van de man tot een omvang waarbij een pincet nodig is om hem terug te vinden in de bos schaamhaar. Het bellen gaat over in een hard en dreigend gebonk op de deur.


“Ja, ik ben een platenverzamelaar. Nou en? Wie staat er in hemelsnaam be­neden, is dat je vriend?” De platenverza­melaar merkt hoe hij deze vraag hoopvol maar met trillende stem uitspreekt. “Niks vriend”, roept het meisje, terwijl ze op het punt staat de kamer te verlaten. “Zal ik jou eens vertellen wie die vent daar beneden is, ja?” De platenverzamelaar is natuurlijk het een en ander gewend. Zou het fa­milie zijn van die zielige opa wiens zeldza­me sixtiesverzameling hij voor enkele eu­ro’s aftroggelde? Het meisje wacht de sme­kende blik van de platenverzamelaar niet af. Ze schalt met overslaande stem: “Het is die fucking weblogger, je weet wel, hè, hoe heet ie ook weer?” De in zijn armetierige blootje liggende platenverza­melaar, die zijn hele leven nog nooit hy­perventileerde en stotterde, begint spon­taan te hyperventileren en te stotteren. “Maar welke web web weblogger bedoel je? Er zijn zoveel webloggers op het internet”. Het meisje maakt dat ze wegkomt. Op het moment dat ze de trap afrent roept ze: “Harry Prenger!”

Als door een bij gestoken springt de platenverzame­laar uit bed en begint zich als een idioot aan te kleden. “Daarboven zit ie!”, hoort de platenverzamelaar het meisje roepen. Dan wordt het stil. Heel stil. Het enige dat de platenverzamelaar nu hoort is zijn ze­nuwachtige ademhaling en de hartkloppingen in zijn keel. Hij merkt hoe tergend lang­zaam voetstappen de trap oplopen. ‘Mijn god, het is weblogger Harry Pren­ger. Wat wil hij van me, ik heb hem toch niks misdaan?’ En dat net nu, net op het moment dat de platen­verzamelaar een lekkere meid van 17 te grazen dacht te nemen om zichzelf als het ware te belonen voor zijn slinkse aankoop, net op dat mo­ment staat Harry Prenger voor de deur.

Godverdomme. Wegwezen. Nog even en hij staat oog in oog met de weblogger. De platenverzamelaar ziet het bloedbad al voor zich. Wat te doen? ‘Het raam, verdomme, door het raam’, flitst het door zijn hoofd. Meteen voegt de platenverzamelaar de daad bij het woord. Het knappende glas maakt een gigantisch lawaai, gevolgd door gerinkel, dan een doffe plof. Op straat ligt de platen­verzamelaar in kreukels. Hij ziet nog net iemand handenwrijvend van bovenaf uit het raam kijken. ‘Het is hem, het is hem’, denkt de platenverzamelaar, ‘hij heeft me niet te pakken gekregen, loop naar de hel man’. De platenverzamelaar probeert zijn mid­delvinger omhoog te richten, maar dan klinkt een sissend geluid. Pfffieieiejoew. De platenverzamelaar blaast zijn laatste adem uit, hij loopt leeg als een lekke band. Ondanks zijn nauwsluitende aarshol is de lucht onverdraaglijk.

FREMDKÖRPER

Gepost in Kunst, Raar, popmuziek op mei 2, 2008 door Harry Prenger

Nog geen vijf minuten sta ik bij de bushalte of een wildvreemde ziet mij aan voor een praatpaal. Moet mij weer overkomen. Vervang bushalte gerust door bakker, supermarkt, kiosk, whatever. Want er volgt hoe dan ook een niet aflatende stroom opmerkingen over het weer, de toestand in de rest van de wereld en het onvermijdelijke geweeklaag over het te laat zijn van de bus (dat laatste natuurlijk niet bij de bakker, supermarkt, kiosk, alhoewel, tegenwoordig weet je het maar nooit). Uit beleefdheid knik ik mijn hoofd en werp een veelbetekenende blik in de verte. De wildvreemde heeft het niet in de gaten, de wildvreemde is per definitie niet empathisch. Het liefst zou ik de wildvreemde een vuist in zijn gezicht planten, maar ja, mijn moeder heeft me netjes opgevoed en daarom vindt de vuistslag slechts in mijn gedachten plaats.

Het moge duidelijk zijn. Ik hou niet van wildvreemden die ongevraagd hun hele levensverhaal vertellen. Een levenswandel, dat zul je net zien, zonder ook maar een greintje rock & roll. En van het bestaan van de grammofoonplaat heeft de wildvreemde natuurlijk nog nooit gehoord. Jammer, had ik het tenminste over een belangrijk aspect van het aardse bestaan kunnen hebben met de wildvreemde, daar bij de bushalte, de bakker, etc. Zo wordt de wildvreemde in mijn ogen een wereldvreemde.

Mensen zonder platen, wat moeten we ermee? Aan de andere kant, een gesprek over muziek heeft sowieso weinig zin. Meestal weet ik meer van muziek dan mijn gesprekspartner, wereldvreemd of niet. Het is de makke van de muziekkenner. Vrijwel elk gesprek over muziek slaat een vroegtijdige dood wegens gebrek aan kennis bij de ander. Filmregisseur Martin Scorsese zei ooit dat hij met vrijwel niemand over film kan praten omdat hij meer films heeft gezien dan wie ook. Zo wordt op den duur ook de muziekkenner een beetje wereldvreemd.

En wat doet de muziekkenner om dit knellende stigma te ontlopen? Immers, wie wil er nou als wereldvreemd door het leven gaan? Laat hij zich abseilen in de Ardennen? Bezoekt hij alle hoerenkasten van Thailand? Ligt hij in een hangmat op het strand van de Malediven? Maakt hij het nachtleven van New Orleans onveilig? Niets van dit alles. Hij schaft zich platen aan die hij normaal gesproken nooit gekocht zou hebben. Dat is het. Zo, zo. Nou, nou. De muziekkenner gaat een avontuur aan dat zijn weerga niet kent. Hij treedt buiten de afbakening van zijn eigen smaak, kortom, de muziekkenner gaat eens lekker vreemd.

Met Bebel Gilberto, Dalida, Kylie Minogue, Chicks On Speed, Vive La Fête. Goede platen, hoor. Een nieuw begin? Een frisse doorstart? Of gewoon het begin van het einde?

ZOMER 2003

Gepost in popmuziek op mei 1, 2008 door Harry Prenger

In een platenzaak zie ik hoe een meisje van een jaar of twintig de hoes van een Sonic Youth-lp te voorschijn haalt. Slank is ze, het haar helblond, met een paar donkerrode sprietjes. In haar navel bungelt een piercingbelletje. Gek, dat je daar naar kijkt en blijft kijken. Zorgvuldig bestudeert het meisje de hoes van de lp Goo, een meesterwerk uit lang vervlogen tijden. Van een afstand herken ik de hoestekening van Raymond Pettibon. Zou het meisje weten hoe de muziek van Sonic Youth klinkt, of bekijkt ze de hoes uit nieuwsgierigheid?

Het zijn vragen die spontaan in me opkomen terwijl buiten de zon meedogenloos schijnt. Pufjesheet is het. We zitten midden in de hete zomer van 2003, de afschùwelijk hete zomer van 2003. Langdurig bekijkt het meisje de achterkant van de hoes. ‘Kopen die plaat’, denk ik bij mezelf. Ik weet het, het is gekkenwerk, met dit weer een platenzaak bezoe­ken. Het meisje en ik zijn dan ook de enige klanten. Juist op zo’n dag wil je met al die duizenden platen om je heen nog wel eens de vraag aller vragen stellen: ‘wat doe ik hier in godsnaam?’ Omdat je het antwoord schuldig moet blijven kun je maar beter met lege handen naar buiten lopen.

Het meisje met de donkerrode strepen in het haar heeft een besluit genomen. Uit vreugde danst het piercingbelletje vrolijk op en neer. Straks wordt de lp Goo gedraaid, zo veel is duidelijk, vanuit een huiskamer of een studentenhuis waar een meisje van twintig woont. Een mooie gedachte. Voordat het zover is maakt ze wellicht een ommetje voor een bezoek aan haar moeder. Een­maal bij haar moeder laat ze niets merken, maar ze voelt zich geprikkeld als ze wordt bijgepraat over ditjes en datjes, of over de buurvrouw die afgelopen nacht levenloos op het toilet werd ge­vonden. ‘Hoe zal ik later gevonden worden’, vraagt het meisje zich af. Meewarig knikt ze. Intussen denkt ze aan de lp in haar tas. Zo gaan die dingen.

Tijdens het verlaten van de platenzaak laat ik mijn gedachten de vrije loop over een meisje dat zojuist een plaat van mijn favo­riete band heeft gekocht. Zoiets maak je niet elke dag mee. Op straat druk ik de stetson van stro op mijn gemillimeterde hoofd, steek over en loop in de richting van het treinstation. Ik denk dat ik vanavond ook maar eens de lp Goo op de platenspeler leg. Je moet toch wat. De avond kan nu al niet meer stuk, ondanks de benauwde temperatuur.

‘s Avonds breekt het moment aan waarop ik de lp uit de hoes haal, in het draaitafelgaatje leg en de naald kalmpjes boven de inloopgroep laat wachten op wat komen gaat. Een cd schuif je in de cd-speler. Niks bijzonders. Zoals de lp op de draaitafel ligt zegt eigenlijk genoeg. Opmerkelijk toch hoe de lp telkens weer een enorme voorsprong neemt op de cd. En dan heb ik de lp nog niet eens gedraaid.

UITGEROOKT

Gepost in Fotografie, Kunst, literatuur op april 26, 2008 door Harry Prenger

Acht jaar geleden stak ik voor het laatst de brand in een strookje tabak. Mijn laatste sigaret. Ik trok aan de peuk en blies de rook voor me uit alsof er niks aan de hand was, alsof het mijn zoveelste pakweg duizendste sigaret betrof. Niet dus. Deze sigaret besefte niet dat hij mijn allerlaatste zou zijn. In 2000 ben ik van de een op de andere dag gestopt met roken. Cold turkey. Drie weken je van nervositeit geen houding weten te geven, de handen onwennig zoekend naar een acceptabele pose. Drie weken allerhande snoepgoed oppeuzelen ter compensatie van het nicotinegebrek, bibberen in het vooruitzicht op het zwarte gat waarin ik ongetwijfeld zou terecht komen. Het moet gezegd, na drie weken afzien openbaarde zich enige soelaas ja zelfs een gelukzalig overwinningsgevoel. Ik had het toch maar mooi klaargespeeld. Van nicotinejunk naar cleane modelburger? Ergens voelde het ongemakkelijk, alsof je toegaf aan een gezond, onberispelijk maar vooral ook burgerlijk bestaan.

Roken an sich mis ik niet. Bijvoorbeeld de kleren vol miniatuurbrandgaatjes, ’s ochtends je huiskamer stinkend van de rook, kuchjes die uitgroeien van proesten tot hoesten. Natuurlijk was er het onvermijdelijke junkiegedrag; de dwangdrang van het tijdige inslaan om te voorkomen dat je opeens zonder pakje sigaretten kwam te zitten na winkelsluiting. Het idee alleen al.

De eerste jaren rookte ik er maar wat op los. Het duurde een tijdje voordat ik het sigarettenmerk ontdekte dat me het beste smaakte en bij me paste. Na de Caballero, de Camel, de Winston en het mondaine maar o zo zoetluchtige Peter Stuyvesant, ging ik over op de alom geroemde Marlborofilter. Opeens wist ik het zeker. Van Marlboro’s ging je minder snel dood.

actrice Jean Seberg

Het ritueel dat onmiskenbaar bij het roken hoort mis ik erg. Ik denk er vaak en met toenemende weemoed aan terug. Aan het kloppen tegen het omgekeerde pakje om de eerste sigaret losjes eruit te kunnen peuteren. Aan de eerste sigaret tussen de lippen. Aan het staren naar het puntje waar de aansteker zijn verlossende werk mag doen. Duimtrekken aan die goedkope aansteker van de Aldi. Aan het inhaleren en het pfff… uitblazen. Die eerste rookpluimen benadrukten toch maar mooi even dat je het gedoe om je heen met gemak aan kon. Stressgedachten rookte je van je af. Roken spoorde aan tot algehele relativering over wat was geweest en wat er komen zou en bood aldus een heel wat luchtiger kijk op de naderende toekomst. Je kon er weer even tegenaan kort gezegd. Nooitrokers zullen dit nooit begrijpen. Het mooiste rookgenot vond wat mij betreft plaats terwijl ik van een muziekje genoot. Dubbel genieten. Kom daar tegenwoordig maar eens om. Mijn god, nu ik dit zo opschrijf, zou ik er zo weer een willen opsteken.

Schrijver Luc Sante heeft een indrukwekkend fotoboek samengesteld over beroemde rokers. Het boekwerk verscheen weliswaar reeds in 2004 maar is sinds kort te koop voor minder dan een pakje sigaretten. Er staan niet alleen rokers in in passend gefotografeerde coole houding, afgewisseld met afbeeldingen van vergeten sigarettenmerken, kunstvoorwerpen waarin op de een of andere manier de sigaret of de sigaar is verwerkt. Vanzelfsprekend zien we verstokte rokers aan het werk, zoals Serge Gainsbourg gehuld in een walm van Gitanes. Veel aandacht voor Europese kunstenaars en beroemdheden ook. Plots zie ik een foto van een jongeman die een pakje uit een automaat trekt. Zo’n muurautomaat kan ik me nog goed herinneren. Hoe je na het inwerpen van enkele kwartjes aan een ijzeren bakje stevig moest trekken om het pakje eruit te halen.

No Smoking gaat over de opkomst van het roken, uit de tijd toen niemand vermoedde dat nicotine schadelijk was en longkanker kon veroorzaken, toen roken cool was en status afdwong, maar het boek toont ook de teloorgang van het roken en van de sigaret. Wie er eentje opsteekt wordt met de nek aangekeken.

Sante’s prachtig geschreven essayistische ode aan de sigaret is al reden voor de aanschaf van dit curieuze boek. De laatste foto’s zijn een kruisiging met sigarettenpeuken door Damian Hirst en een aanplakbiljet in het New York van 2004. Een rood verbodsbord over een brandende sigaret.

No Smoking is verpakt in een grootformaat sigarettenpakje met goudkleurige binnenflap. Je dient het pakket ondersteboven te houden om het boek eruit te laten glijden. Dat is mooi.

Korte noot voor muziekliefhebbers: Luc Sante maakte als tekstschrijver korte tijd deel uit van The Del-Byzanteens uit New York. Van deze miskende groep verscheen in 1982 het fraaie album Lies To Live By. Een ander bandlid was regisseur Jim Jarmusch, maker van o.a. de film Coffee & Cigarettes.

INTERVIEW ROEL BENTZ VAN DEN BERG

Gepost in Kunst, literatuur, popmuziek op april 22, 2008 door Harry Prenger

Wat is de grandeur van een kunstenaar, een popmuzikant, een schrijver? Antwoord: de optelsom en verfijning, ofwel perfectionering van zulks ondefinieerbaars als talent, het eigen geluid en de eigen stijl. Roel Bentz van den Berg (1949) is zo’n schrijver. Hij schrijft in een voor Nederlandse begrippen unieke stijl, waarin de invloed van de gonzo-journalistiek herkenbaar is. Deze term werd gemunt door journalist Bill Cardoso, maar door Hunter S. Thompson, schrijver van de mindtrip Fear And Loathing In Las Vegas, gebruikt om zijn eigen verteltrant te duiden. In gonzo zijn de auteur en zijn onderwerp onlosmakelijk met elkaar verbonden. De schrijver kleurt zijn verhaal met persoonlijke gevoelens en invloeden.

Roel Bentz van den Berg

BOOGIE NIGHTS

Wanneer ik in de lift stap en op knopje elf druk, neemt Roel Bentz van den Berg een slokje van zijn koffie verkeerd. De lift brengt mij naar de elfde verdieping van het voormalige stationspostkantoor in Amsterdam. In Club 11 is het trendy toeven na een bezoek aan het Stedelijk Museum enkele verdiepingen lager. Het uitzicht over onze hoofdstad is indrukwekkend, ook op een mistroostige donderdagmiddag in januari. Aan een van de tafels, met zijn rug naar het raam, zie ik hem zitten. De begroeting is hartelijk. Nadat ik een kop koffie heb besteld druk ik nogmaals op een knopje. Ditmaal van de opnamerecorder. Het schelle geluid van lepeltjes en schoteltjes wordt opgezogen en overstemd door de welluidende stem van Boogie Nights. Niet zomaar een radioprogramma dat Bentz van den Berg maakt met zijn vaste muziekmaatje Martijn Stoffer; menigeen beschouwt het vervolg op de legendarische programma’s Stompin’ en Heartlands, als schatbewaarder van elementaire kwaliteitspopmuziek. Door liefhebbers wordt het duo reeds jaren omarmd als ‘Stoffer & Bentz’. “Martijn en ik zijn als het ware één persoon. We werken al 25 jaar samen en zullen dat altijd samen blijven doen.”

De vorige programma’s van ‘Stoffer & Bentz’ werden om uiteenlopende omroepperikelen vroegtijdig van de zender gehaald, maar Boogie Nights lijkt een schot in de roos. “Gebleken is dat het programma een relatief succes is. Boogie Nights is zelfs het best beluisterde programma van Radio 6. Dat is wel leuk om te weten, dat je binnen vrij korte tijd, de zender bestaat nog maar sinds kort, een publiek hebt waarvoor het bedoeld is”.

Lees meer »

NICOLE ATKINS. WOW!

Gepost in popmuziek op april 19, 2008 door Harry Prenger

Oei. Dit maakt indruk. Wat een zangeres, wat een stem. Iemand die kan zingen! Dat hoor je niet vaak in de popmuziek. Nicole Atkins, 28 jaar, afkomstig uit New Jersey, USA. Zopas verscheen haar fraaie debuutalbum Neptune City. Beetje kitsch misschien, tikje sentimenteel. Nou ja, en?

HÉ, KIM GORDON

Gepost in Kunst, popmuziek op april 18, 2008 door Harry Prenger

Op de eerste etage van het Heerlense Glaspaleis, opende vrijdagavond Kim Gordon haar tentoonstelling voor vervreemdende waterverfschilderijtjes, Sway: A Way In. Minstens 150 bezoekers werden muisstil toen Gordon bovenaan de trap voorlas uit eigen werk, alvorens ze luidruchtig loos ging op de elektrische gitaar. Dit in de beste noisetraditie van Sonic Youth, de legendarische band waarmee ze sinds 1981 de ene prachtplaat na de andere maakt.

Sway: A Way in is nog te zien tot en met 15 juni.

BESTE MATTHIJS,

Gepost in Zonder categorie op april 16, 2008 door Harry Prenger

Eén ding moet ik je nageven Matthijs, je bent verrekte hardleers. Ik heb nog eens gekeken naar jouw programma De Wereld Draait Door. Tot mijn spijt kom ik tot de conclusie dat je niks hebt bijgeleerd. Elk onderwerp verpruts je in een handomdraai. En ach, soms begint een conversatie alleraardigst, maar na enkele minuten verzandt het in ijdele kletspraat. Je wilt het zonodig over een zalvend populaire boeg gooien. Komt wellicht door je oppervlakkige inborst. Ieder, ja werkelijk ieder gesprek weet je met behulp van niet ter zake doende terzijdes en misplaatste grappen volledig te laten verzanden. Voorwaar een prestatie die niet voor iedereen is weggelegd. Je moet maar durven.

Eigenlijk zit het zo. Gasten en gespreksonderwerpen buig je naar eigen goeddunken om met vooronderstellingen. Zo word jij je eigen gesprekspartner. Iemand die tegenover jou zit zit er eigenlijk niet. Jij maakt van die iemand jouw evenbeeld, waar jij je ego aan spiegelt en je onkunde in verbergt. Dat laatste heb je misschien niet zo in de gaten Matthijs. Omdat je ongedierte bent vergeef ik het je. Ongedierte heeft zichzelf nooit in de gaten, wel is het de mens tot last, kruipt en sluipt het op plekken waar het ongewenst is. Zoals jij kruipt en sluipt over de beeldbuis is zeer ongewenst Matthijs, zeer ongewenst.

PS. Doe je namens mij de groeten aan de fundamentalist?

Je stalkertje,

Harry Prenger