Tanja Ritterbex kleurt Kuepers Art

002

De schilderijen van kunstenaar Tanja Ritterbex knallen dankzij de felle kleuren van het canvas. Het zijn beelden die de kijker niet toeroepen maar toeschreeuwen. Soms laten ze iets anders zien dan dat ze bij een eerste blik doen vermoeden. Inspiratie haalt Ritterbex uit het straatleven, haar eigen fantasieën of de nabije omgeving. In 2010 was ze verantwoordelijk voor de officiële Limburgse carnavalsposter.

Tanja Ritterbex2

Eind 2012 verbleef ze enkele maanden in Cuxhaven, een visserijstadje in het uiterste noorden van Duitsland. Zo’n havengebied waar zeemanslui en randfiguren elkaar ontmoeten in de kroeg en hoerenbuurt. Ritterbex beeldde de zelfkant van dit stadje uit in portretten en een schets van een winkel voor seksartikelen. Gewoon recht voor de raap. Wat je ziet is wat je krijgt. Venus Traum is de titel van een van de opvallendste werken. “Een schemerige havenstraat met een ‘erotikwinkel’ en daarboven een metaal- en staalwinkel. Ik hou van de vreemde combinaties die ik tegenkwam in de havenstraten.”

Ritterbex (Heerlen, 1985) was onder de indruk, maar had tijd nodig haar draai te vinden in de nieuwe omgeving. “Toen ik aan kwam stond ik helemaal versteld van de enorme ruimte, een villa in het park naast Schloss Ritzebüttel. Geweldig, maar het heeft wel een week geduurd voordat ik me de ruimte eigen had gemaakt. Een pen op een tafel leggen; je hoorde een minuut lang een echo! Een kunstenaar uit Iran zou mij vergezellen, maar helaas heeft hij geen visum kunnen krijgen en dus zat ik drie maanden alleen in het Künstelhaus. Toen ik dat hoorde heb ik me toch wel even eenzaam gevoeld. Na twee weken heb ik mijn ‘chaos’ gecreëerd, en ben ik aan het schilderen geslagen. ”

Tanja Ritterbex1

Het resultaat van haar verblijf in Cuxhaven hangt aan de kraakwitte muren van een onlangs opgeknapt pand van Kuepers Art. Tot eind vorig jaar werd de bescheiden galerie nog opgeslokt door de enorme ruimten binnenin het industriële complex van het voormalige CBS-gebouw in Heerlen. Een lastige locatie achteraf gezien, net buiten het centrum. Veel mensen konden het niet vinden volgens galeriehoudster Leonie Kuepers. Met de hulp van Urban Ads, een winkelproject dat leegstaande panden wil voorzien van een nieuwe bestemming, vond Kuepers een nieuwe plek in hartje Heerlen. Urban Ads’ mede-initiatiefnemer Sjaak Vinken vertelde eind 2012 aan ZwartGoud: “eerst gaan we aan de slag om de pandeigenaar te laten inzien dat het anders moet en kan en dan helpen we de ondernemer zijn plan op een creatieve en betaalbare manier uit te werken.”

Naast de ruige mannenkoppen schilderde Ritterbex als contrast een serie zelfportretten. De zeemanspet op haar hoofd verwijst naar haar verblijf in Cuxhaven. Door de rode doek die over haar schouders is gedrapeerd krijgen de werken haast een madonna-achtige verschijning, krachtdadig door de drukbeschilderde gezichtsuitdrukking. Wat de portretten extra sterk maakt is het laten zien van het linnen op het canvas om haar hoofd. Subtiel en breekbaar. Onbeschilderd. Onbevlekt.

Meer: kuepers art exposities

Tanja Ritterbex – I Like It Loud (Kuepers Art, Heerlen, t/m 8 juni 2013)

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Solide optreden Eels in Limburgzaal Heerlen

e1

Blijkbaar was het de band Eels goed bevallen in Heerlen. Bijna twee jaar geleden verzorgden de Amerikanen een opvallend en onvergetelijk optreden in het Parkstad Theater. Mede aanleiding voor de terugkeer: het onlangs verschenen tiende album Wonderful, Glorious. Een voor Eelsbegrippen degelijk en weinig excentriek album. Een groot deel ervan werd gespeeld in de niettemin stijf uitverkochte Limburgzaal.

Wie ruim voor aanvang de zaal inliep was getuige van twee opmerkelijke voorprogramma’s: ene Puddles, vermomd als clown, zong sentimentele liefdesballades waarbij vooral zijn panoramische stembereik opviel. Dat laatste ging ook op voor de frêle Nicole Atkins. Per sologitaar deden haar liedjes het opvallend goed, zonder versiering van een bandbezetting; spartaans en doeltreffend. De orkestrale versies van haar debuutalbum Neptune City werden amper gemist. Knap.

Wie Eels zegt, zegt natuurlijk Mark Everett. Maar de inbreng van zijn rechterhand The Chet wordt steeds groter zo bleek uit het optreden waarbij een groot deel van de nieuwe songs werd samengevoegd met bekend materiaal. De goedlachse gitarist vulde aan en nam de leiding over zonder dat hij daadwerkelijk op de voorgrond trad. Dat hij inmiddels tien jaar tourmaatjes is met Everett was aanleiding voor de act van het ter plekke gesloten ‘huwelijk’ tussen de heren. “Ik wil”, hoorden we ze roepen. “That was almost homo-erotic”, lachte Everett. Bij Eels zit het gif in de teksten, die haaks staan op de gestroomlijnde melodieën van de zonder uitzondering pakkende songs. Heeft Everett enkele dagen voor zijn vijftigste verjaardag alle demonen definitief van zich afgeschud? Na de soms erg zwaarmoedige albums uit het verleden, voelt hij zich Kinda Fuzzy, maar waarschuwt: “don’t mess with me, I’m up for the fight”.

Strijdvaardigheid verpakt in pretnummers en een enkele mineurballade. Dat het publiek niet voor teksten naar een concert gaat weten Eels ook wel. Was de band tijdens het vorige bezoek een daverende soulrevue met blazers, nu volstond een solide maar subtiel rockgeluid. Dat gaf aan het optreden eigenlijk iets onspectaculairs. Tijdens een van de drie concerten enkele dagen eerder in Paradiso, lieten de bezonnebrilde bandleden, gekleed in Adidas trainingspakken, nog nachtclubdanseressen tijdens de toegiften opdraven. Everett wierp plakken stroopwafels de zaal in.

Niets van dit alles in Heerlen. In anderhalf uur deed Eels gewoon haar ding. Niets meer, niets minder. De band leunde op de tijdloze klasse van de songs uit verleden en heden die, het zij nog maar eens gezegd, live én in vlammende gitaarsnit zonder uitzondering geweldig goed tot hun recht kwamen. Dat gold voor de huisvlijtopnamen van sommige vroegere songs en voor de covers: een ingekort Oh Well van Fleetwood Mac en de Small Facesklassieker Itchycoo Park. Aan de stemming lag het niet, het publiek had er zin in, en toch wilde het maar geen écht spectaculaire avond worden.

Gebaren, grappen en knuffels met de bandleden waren duidelijk ingestudeerd (bekijk de concertfilmpjes op YouTube maar eens). Net als het door de roadies quasi afbreken van het podium tijdens de laatste, onverwachte toegift, toen de helft van het publiek al in de garderobe stond. Best een komisch gezicht. Spelen in het volle zaallicht, tussen de af en aan sukkelende roadies, gekleed in iets minder kekke trainingsoutfit dan de band. Everett met sambabal in de aanslag, punknummertje Go Eels! er overheen. Feestje dat eindelijk losging. En? Niet op maar vlak voor het podium drie wulps glunderende dames met stevige Eelsplakker op de bovenarm. Klaar voor de afterparty?

Eels, Nicole Atkins, Puddles (Parkstad Limburg Theaters, Heerlen, 4 april 2013)

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

De Grote Verandering: Russische beeldenstorm in het Bonnefantenmuseum

moscow-i-1916

Aristarch Lentoelov – Moskou (1913, olieverf, kleurenfolie op doek, 179x189cm)

Eeuwenlang waren ze in de greep van de Byzantijnse beelden. Het maken van iconen met de kerk als opdrachtgever bleek van grote invloed op Russische kunstenaars. Totdat de grote Ruslandvernieuwer Peter de Grote er schoon genoeg van had. Hij was van mening dat zijn land aansluiting bij Europa moest zoeken. Kunstenaars werden erop uitgestuurd om in het westen de schilderkunst te bestuderen en opleidingen te volgen.

Die gestage ommekeer rond 1700 vormt min of meer de opmaat voor het tijdperk waarop de tentoonstelling in het Bonnefantenmuseum is gebaseerd. De invloed van het westen plus de culturele inhaalslag van de 18e en 19e eeuw (o.a. muziek en literatuur), barstte in alle hevigheid los tijdens de woelige era van Nicolaas II; de laatste tsaar van Rusland die, zoals bekend, met zijn familie werd vermoord in 1918. Een jaar daarvoor was de Russische Revolutie uitgebroken. De expo in het Bonnefanten blijkt tegelijkertijd de prelude tot de latere avant-garde, gepaard met vernieuwende stromingen, manifesten en shockerende tentoonstellingen.

malevich

Kazimir Malevitsj – Supremus (1915-16, olieverf op doek, 80,5x81cm)

Behalve de kanonnen Kazimir Malevitsj en Wassily Kandinsky toont het Maastrichtse museum tientallen onbekend gebleven Russen. Daaronder opvallend veel vrouwen. Vroeg geëmancipeerd waren ze daar toen in Rusland, ondanks de armoede en economische malaise waarin het land begin vorige eeuw verkeerde. Voor een deel bestond de samenleving uit een kunstminnende bourgeoisie en een sterk groeiende middenklasse. Deze maatschappelijke dynamiek werd na 1918 langzaam maar zeker uitgehold door een duivelse dictatuur; over menig kunstenaar spraken de nieuwe machthebbers, onder aanvoering van Stalin, de banvloek uit. Kunstenaars moesten in een socialistisch-realistische stijl gaan werken ofwel “de werkelijkheid weergeven in haar revolutionaire ontwikkeling”. Reden waarom veel namen nooit of slechts mondjesmaat zijn doorgedrongen tot een plek in de grote kunstgeschiedenis.

De twee grootste Russische musea, het Tretjakovmuseum in Moskou en het Russisch Museum van Sint-Petersburg waren in die tijd nog elkaars concurrenten. In het Ruslandjaar 2013 leveren ze met bijna negentig werken een gezamenlijke bijdrage aan De Grote Verandering, Revoluties in de Russische Schilderkunst 1895-1917, zoals de tentoonstelling officieel heet. Een blockbuster die op deze schaal volgens de samenstellers nooit eerder werd vertoond in ons land. Een deel van de werken verlaat voor het eerst de Russische landsgrenzen.

kandinsky

Wassily Kandinsky – Improvisatie van Koude Vormen (1914, olieverf op doek, 119,5×139,5cm)

Dat beruchte duo Kandinsky en Malevitsj dus. Haalden ze in het begin nog lekker onschuldig inspiratie uit de eigen gelederen, waaronder Russische volkskunst, nadien laten ze in hun werk de volledige abstractie de vrije loop. Weg met landschappen en portretten. Weg met de traditiegetrouwe afspiegeling van de realiteit. Bij Malevitsj was de werkelijkheid net zo schots en scheef als de bevroren bewegingen van cirkels, rechthoeken en vierkanten tegen een monochrome achtergrond. Beide heren maakten door hun eigenzinnig ‘kijk op de werkelijkheid’ naam als vernieuwers van de moderne schilderkunst.

In het Bonnefanten zijn het vooral de onbekende mannen én vrouwen die alle egards krijgen om te schitteren. Dat moeten we letterlijk nemen. De zachtgekleurde muren en warme gloed van de spotlichten maken het kijken ondanks de verspreiding over meerdere kleine zalen en twee grote vleugels, geen moment vermoeiend. Hier rondlopen is een feest voor de geest. Vooruit, niet elk doek schittert van artistieke en experimentele durf. Er zijn aanzetten en overduidelijke, makkelijk te herleiden, invloeden (Gauguin, Braque, Van Gogh).

8QiZLim8Gx

Pavel Filonov – De Duitse Oorlog (1914-15, olieverf op doek, 176×156,3cm)

De bovengemiddelde kunstliefhebber is natuurlijk verwend. Tip: zie de werken in de context van de tijd en probeer voor even de pioniers weg te denken. Verwelkom de ontdekkingen. Want die zijn er in overvloed. Neem de man die pas eind vorige eeuw werd herontdekt. Uitgekotst door de Russische autoriteiten, vroegtijdig van de kunstacademie gebonjourd: autodidact Pavel Filonov, kameraad van de subversieve schrijfstilist Vladimir Majakovksi. Zelf mocht hij de erkenning niet meer meemaken. Filonov stierf in de Tweede Wereldoorlog een hongerdood tijdens het Beleg van Leningrad. Maar hoe indrukwekkend is zijn werk. Grote doeken propvol minutieus gestapelde blokjes die het beeld als een hallucinerende trekharmonica in beweging lijken te zetten. Ernaar kijken is een andere dimensie worden ingetrokken.

mkWozazXlQ

Olga Rozanova – Groene Streep (1917, olieverf op doek, 71,5x49cm)

Olga Rozanova. Nog zo’n cultfiguur binnen de kunstkringen in die tijd. Ook zij overleed op jonge leeftijd. Opmerkelijk is haar kleine doek Groene Streep. Dat is wat ze wil laten zien. Een staande balk die wat wegheeft van een eenzame boomstam, in een groenige donkere tint. Rozanova’s werken variëren via eenvoudige kleurrijke stadsbeelden naar de suprematistische stijl à la Malevitsj, naar schilderijen die door de afwezigheid van een eenduidig object, zich moeilijk laten omschrijven. Groene Streep is een volstrekt radicaal werk, zelfs ten overstaan van de andere doeken in de tentoonstelling. Zelf omschreef ze haar latere werk als “tsv’etopis”: geen schilderijen maar psychologie voor het oog, een provocatieve kijkervaring.

Burl

David Boerljoek

Archip Koeïndzji experimenteerde met kleurtechnieken. Ondanks de geringe afmetingen laten zijn canvassen een monumentaal vergezicht zien, waarvan de vurige gloed afkomstig van de zonsondergang bijna voelbaar is. Geen clichébeeld van het overbekende natuurverschijnsel maar de natuur ‘uitgekleed’ tot een ontzagwekkend panorama.

Soms was schilderen niet genoeg. David Boerljoek ging met onder meer Majakovski op tournee langs Russische salons met futuristische voorstellingen, waarbij ze met veel omhaal ophefmakende gedichten voordroegen. “Poëzie, dat is een gehavende hoer en schoonheid, godslasterlijke rotzooi”, riep de markante Boerljoek. Vrouw Met Spiegel is zijn nogal bescheiden doek van een vrouw met drie borsten. Het materiaal bestaat uit fluweel, kant en een minuscuul spiegeltje met barstjes. Bijna poëtisch van structuur. Best een gevoelige man die Boerljoek.

Want ook dat toont De Grote Verandering: hoe divers de tentoonstelling is, hoe verschillend de kunstenaars ten opzichte van elkaar en vaak contrasterend binnen hun eigen oeuvre werken; de vele stijlen, kleurgebruiken en technieken. De Grote Verandering gaat niet alleen over de ‘missing link’ waarin traditie overgaat van verandering in vernieuwing. Ze is een eerbetoon aan de kunstenaars die lang onbekend zijn gebleven, in de kiem werden gesmoord, of pas na hun dood erkenning kregen. Over de inhaalslag van deze Russen op hun Europese geestverwanten, de op elkaar botsende stijlen, ontwikkelingen en tegenstrijdigheden in de werken. Met terugwerkende kracht een imposante beeldenstorm in het Bonnefanten.

De Grote Verandering, Revoluties in de Russische Schilderkunst 1895-1917 (Bonnefantenmuseum, Maastricht t/m 11 augustus 2013)

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Tefaf 2013: oog in oog met de kunstgeschiedenis

JxbUUBWUgJe6amK

Sommige gangpaden zijn vernoemd naar bekende straten in New York. Wellicht een verwijzing naar Amerika dat, blijkens een onderzoek, in 2013 de nieuwe marktleider is op het gebied van kunsthandel. Onder de naam Tefaf vindt in het Maastrichtse MECC het jaarlijkse onderonsje plaats van kunsthandelaren, verzamelaars en liefhebbers. En niet te vergeten van beroemdheden en andere vips; onder meer rapper Kanye West werd gesignaleerd. Volgens het toonaangevende Amerikaanse blog The Huffington Post geldt de Tefaf immers als ‘Europe’s art mecca’. Voor even mag Maastricht zich de kunstschatkamer van de wereld noemen. Wie eenmaal op de Tefaf is geweest hoeft de rest van het jaar niet meer naar het museum hoor je wel eens gekscherend zeggen.

Ondanks de drukte op de eerste dag, twintig minuten in de rij voor de garderobe, is het wandelen langs de honderden galerieën prettig ongedwongen. Bezoekers houden halt bij een van de plattegronden of pauzeren op een tweezitsbankje met bloemschikking. Mannen in maatpakken, vrouwen in sjiek en sjoen. Ook de vrijetijdskleding rukt op. De verslaggever houdt het bij een donkerblauw fluwelen colbertje en spijkerbroek.

WQIKDV3AL2

Rondlopen tussen de meer dan 35.000 werken is de kunstgeschiedenis aan je voorbij zien trekken. Luxe probleem: na een poosje kun je het aanbod nauwelijks meer verwerken. Een eiken ‘fassadenschrank’ uit 1650, klavecimbel en mahoniebruin bureautje uit het Parijs van Lodewijk XVI, een Russisch icoon uit 1600, antiquarische kunstboeken en manuscripten, tot actuele kunst van nu nog jonge onbekenden. Sommige hedendaagse kunstenaars betonen eer aan een grootmeester.

Neem Rudolf Stingel. Hij portretteert Picasso door met olieverf een foto ‘over’ te schilderen. Het betreft een zeldzame kiek uit 1932 van Albert Eugene Gallatin. De legendarische kunstenaar in grijs pak, de blik terloops, de houding nonchalant. Sigaret in de aanslag. Van veraf lijkt het een foto, met je neus er bovenop zie je de laag verf. Ook Vik Muniz speelt een spel met de werkelijkheid. De Braziliaan stelt de vraag wat werkelijkheid is in kunst, hoe een beeld verandert naarmate de afstand tot het beeld wordt aangepast. Meestal reproduceert hij met stukjes gescheurd papier of afval een bekend kunstwerk. The Sower, After Van Gogh bestaat uit twee enorme ‘doeken’ waarin we de hand van Van Gogh herkennen. Een boer zaaiend op het platteland. Het werk van een paar centimeter afstand bekijken is de bestanddelen ontdekken: het zijn foto’s waarop het landschap en de figuur zijn gemaakt van groente en fruit.

Araki

De Duitse-Engelse galerie Daniel Blau heeft naast de vroege én prachtige tekeningen van Andy Warhol, vorig jaar ook al te zien, uitgebreid met polaroidfoto’s van onder meer David Bailey (wazige portretjes van Warhol), en de Japanner Nobuyoshi Araki. Close-ups van bloemen en een enkel halfnaakt meisje beschaafd gestoken onder piepkleine passe-partouts. Araki is de man over wie bijna vijfhonderd fotoboeken zijn verschenen en nóg is zijn oeuvre in veelheid nauwelijks te bevatten. Hij heeft zo’n beetje alles gefotografeerd wat er te fotograferen valt.

schiele_wienerroither

Egon Schiele – Mutter und Kind I, 1909-1910

Een van de topstukken is Mother And Child I van Egon Schiele. Het werk van de Oostenrijker is naar het schijnt sinds 1953 niet meer op de markt geweest. Even zoeken geblazen. Stand 706 van galerie Wienerroither & Kohlbacher ligt op de bovenverdieping; de afdeling Paper. Wie obscure en waardevolle tekeningen, prints, fotografie (o.a. de uitgebrande sigarettenpeuken van Irving Penn), wil zien moet hier zeker een kijkje nemen. De vraagprijs voor een zwartwitfoto uit 1965 van actrice Tuesday Weld door fotograaf Dennis Hopper, bedraagt 9500 euro.

FfwRZrHB2K

Een groepje bezoekers stopt bij een drie meter hoog turquoizen standbeeld gemaakt door Jeff Koons. Volgens Koons verwijst het naar de marmeren statuur van liefdesgodin Aphrodite Kallipygos, letterlijk ‘Venus van de mooie billen’. Koons in een interview: “Je ziet je eigen reflectie, het bevestigt je eigen bestaan, maar je kunt er ook in verdwalen, in deze rijkdom van kleur.” Ongeacht de hypergestileerde glans van het chroommetaal wordt deze Venus dankzij de onophoudelijke rondingen bijna sensueel. De bewaker ernaast houdt voor de zekerheid een oogje in het zeil.

Wie het over Koons heeft, heeft het over geld. Volgens recent onderzoek is de crisis nu ook toegeslagen in de kunstwereld. Het is maar wat je crisis noemt. De kunstmarkt schijnt met 7% te zijn gekrompen, maar genereerde alsnog een omzet van 43 miljard euro. Een andere, opmerkelijkere conclusie van marktonderzoeker Clare McAndrew is dat Amerika weer het voortouw heeft genomen in de kunstwereld. In het crisisland stijgt de kunsthandel ten koste van China, dat de voorbije jaren de toon aangaf. McAndrew: “de belangrijkste redenen voor het teruglopende marktaandeel van China waren zowel afname van de vraag door een vertraging van de economische groei en aanhoudende beperkte liquiditeit, als een geringer aanbod van kwalitatief hoogwaardige kostbare werken.”

JW

Dream Of Drowing (detail) (2010-2012) – Jan Worst (olieverf, 180×290 cm)

Van een crisis valt weinig te merken op de Tefaf. Een jonge Duitse verzamelaar telt meer dan 1,5 miljoen euro neer voor een penschilderij van de maritieme kunstenaar Willem van de Velde de Oude (1611-1693). Voor Dream Of Drowning van de in ons land niet al te bekende Jan Worst wordt 125.000 betaald. Zijn oeuvre is met name in trek bij buitenlandse galeriehouders. In zijn doeken schildert de Nederlander fragmenten uit verschillende werkelijkheden bijelkaar: kinderen en jonge vrouwen omgeven door nadrukkelijk gemeubileerde kamers. Worst zet de realiteit een beetje scheef door er een schijnwereld aan toe te voegen. Telkens blijft er iets verborgen of is er de suggestie van een onthulling.

Suggestie. Onthulling. Woorden die bij de kunst horen als verf en canvas. Het bedrag voor Worst is een schijntje vergeleken bij Picasso’s Homme Au Chapeau dat voor 6 miljoen euro naar een telg van het Estée Lauder cosmeticabedrijf gaat. Een van de vele peperdure werken die tijdens de eerste Tefafweek verkocht worden.

Tefaf (MECC, Maastricht, t/m 24 maart 2013)

(eerder verschenen op ZwartGoud)

Deeldeliers houden onder aanvoering van Jules Deelder oude jazz in ere

Voor de meeste mensen bestaat jazz uit noten die klinken alsof ze van de trap vallen. Ingewikkeld, te lange solo’s. Zoniet bij de Deeldeliers. Bij deze gelegenheidsband danst de jazz een groove die niet lang genoeg kan duren. Vroeger was alles beter lijken ze te willen zeggen. Met vroeger bedoelen ze de jaren vijftig, hooguit begin jaren zestig. Toen jazz nog niet ‘free’ was maar wel ‘swingde’. En muzikanten nog gewoon rookten tijdens het spelen.

Nederhorst den Berg. Het Noord-Hollandse dorpje is in de nacht van 6 februari 2012 locatie voor de improvisaties van de Deeldeliers met gastmuzikanten. De muziek wordt net als destijds in een zucht en een vloek opgenomen, de camera loopt mee. Daar is nu een plaat en een dvd van. Het optreden in de Heerlense Nieuwe Nor is een film die tot leven komt. Jules Deelder neemt plaats achter de snaredrum. We kennen hem van zijn staccato voorgedragen speedpoëzie, het potje gel in het strak achterover gekamde haar en het verwoed verzamelen van jazzplaten. Om thuis bij de bovenste rij te kunnen heeft hij een trapje nodig.

Omdat hij zijn brushes zachtploffend en aaiend op het drumvel laat neerdalen zit hij slagwerker Erik Kooger niet in de weg. Kooger klapwiekt zich zo los van de typische jazzstijl dat er een aanstekelijke groove ontstaat; als een naald die in de plaat blijft hangen. De andere Deeldeliers zijn Bas van Lier, die het Hammondorgel bespeelt alsof het een piano is, terwijl saxofonist Boris van der Lek de jazztraditie in ere houdt met dat typisch flamboyante geluid van de tenor. Oude jazz levend en actueel houden, dat is wat ze doen de Deeldeliers. En dat doen ze goed. Van der Lek steekt nog maar eens peuk op.

“Jezus was best oké, alleen van zijn grondpersoneel klopte geen klote.” Weliswaar declameert Deelder geen gedichten tijdens het optreden, de bijna 70-jarige nachtburgemeester van Rotterdam veroorlooft zich toch enkele verbale oprispingen. Inhakend op de actualiteit noemt hij de nieuwe paus “die paardelul”. Over diens herkomst: “alsof ze in Argentinië niet al niet genoeg kinderen geschonden hebben.” No Room For Squareswordt ingezet. Geen ruimte voor hokjesdenken. Hank Mobley is de naam. Een van Deelders favoriete tenorblazers. De uitvoering is er naar. Dampend, swingend, uitgelaten. Omhoog kringelende rookpluimen blijven hangen tussen de spotlichten. Voor even wordt De Nieuwe Nor zo’n rokerige achterafkroeg uit de jaren vijftig. Tot slot een fuifnummer: The Hooker. Vroeger was alles beter.

De Deeldeliers (De Nieuwe Nor, Heerlen, 14 maart 2013)

(eerder verschenen op ZwartGoud)

Expo Stadslab Sittard: Jeroen Elsen tussen stillevens en partygirls

About To Boogie

About To Boogie (olieverf en acryl op polyester) (2011)

De zusters van het voormalige klooster aan de Leyenbroekerweg in Sittard hadden vast nooit gedacht dat er nog eens kunst met schaars geklede vrouwen zou komen te hangen. About To Boogie heet het. Ook dat nog. Op de vijfde verdieping in wat tegenwoordig cultureel centrum Stadslab is, toont kunstenaar Jeroen Elsen dit en ander werk van hem.

JE

Allegory (olieverf en acryl op polyester) (2012)

Na Antwerpen, Amsterdam en Heerlen heeft hij sinds twee jaar een atelier in Gent. Volgens de kunstenaar een inspirerende stad om te verblijven en te werken. De geboren Sittardenaar wekt met zijn prettige no-nonsense houding niet de indruk dat de omzwervingen zijn creativiteit in de weg hebben gestaan. Integendeel. Onlangs wist hij van de nood weer een deugd te maken. “Vorig jaar brak ik bij een valpartij mijn sleutelbeen. Tijdens het revalideren was het maken van groot werk lastig. Wel kon ik stillevens maken.” Elsen geeft uitleg bij een van zo’n stilleven dat in alles een contrast vormt met de werken die bij het betreden van de ruimte in het oog springen: de feestende meiden op About The Boogie, om maar te zwijgen van de tegenstelling met het canvas waarop een bomaanslagmoment in de Filipijnse stad Manilla is vastgelegd.

Die stillevens ogen bescheidener, zowel in afmeting, kleurgebruik als onderwerp. Een spiegeltje, speelgoedpoppetje en vaasje op een bijzettafeltje. Elsen: “Het is persoonlijker, dit zijn allemaal spullen van mij die je ziet. Dit maakt het fijner om aan te werken, omdat het zo privé is. De mensen die ik op de andere doeken schilder ken ik verder niet.” Een ander werkje is geïnspireerd door het invallende licht van het camera-obscura effect, dat vaak gebruikt werd door de oude meesters.

JE1

Jeroen Elsen (foto: Marion Elsen)

Wie goed naar About To Boogie kijkt ziet vanuit de achtergrond een man die ons recht in het gezicht kijkt. Zijn veelzeggende blik is gehuld in schaduwtint. Elsen plaatste niemand minder dan Bill Hicks in het wilde tafereel, de controversiële Amerikaanse stand-up comedian die in 1994 overleed. Het doek is een interpretatie op een sketch van Hicks die zijn medemens vaak genadeloos op de korrel nam. Ook Elsen staat er om bekend dat hij momenten uit de samenleving onder een vergrootglas legt. Mensen op heterdaad betrappen in het uitoefenen van de zinloosheid van de eigen verrichtingen. “Verontrustende tekenen van een vermoeide en verveelde soort die zich sleept in de richting van de finishlijn”, zei hij er ooit over.

Elsen is nu iets genuanceerder.“Ik dacht dat ik er iets mee moest zeggen, zoals de titel van de tentoonstelling aangeeft, maar het is veel meer het beeld, de doorkijk die er in zit. Ik heb heel lang gedacht dat het ging om bloot en partygirls. Eigenlijk gaat het meer over de handeling. In de loop der jaren is mijn kijk op dit werk veranderd. De reddingsoperatie in Manilla kan net zo goed een crowdsurfer zijn die uit het publiek wordt gehaald door iemand van de security. Er zit dus veel meer in. Toen ik eenmaal die klik had gemaakt was het makkelijker om dat los te laten.”

Jeroen Elsen – A Lot To Say, A Lot Of Nothing To Say (Stadslab Sittard, t/m 17 maart 2013)

(eerder verschenen op ZwartGoud) 

De kunstpunk van Gregor Wintgens

GW

Doe maar ruig. In het digitale gemak van nu terugkeren naar het ambachtelijke knip- en plakwerk van toen. Het métier van het zelfdoen laten herleven en in ere houden. Punk, maar dan op canvas. Of liever gezegd op karton. Ook al haalt hij plaatjes uit tijdschriften en andere bronnen, Gregor Wintgens wil dat kunst zíjn kunst wordt. Niet het resultaat telt maar de zoektocht ernaar, waarbij hij ons de ontwikkelingen van zijn werk, de uitdagingen en invloeden wil laten zien. Van bestaande beelden een nieuwe beeldtaal creëren op zoek naar kunst die bij hem past. “Mijn werk is een doorlopend experiment”.

Op de grond liggen lange stukken op maat gesneden karton. In de hoek staat een grote stapel verhuisdozen klaar voor het stanleymes. Wintgens, gekleed in oldskool trainingsjack en alpinopet, legt de laatste hand aan zijn tentoonstelling bij Etage 32 in hartje Heerlen. Voor diehardHeerlenaren: het gebouw waar ooit aankomende kappers werden opgeleid. Tegenwoordig is Etage 32 een opgeruimde antikraak waar creatieve ondernemers en kunstenaars zich hebben bijeen gepakt.

GW

Wintgens zegt dat hij zijn werk niet aan de muur wil hangen maar aan het plafond, zodat de bezoeker die langs de plakkaten wandelt tegen iets aanloopt. Letterlijk en figuurlijk. Zijn beelden vormen een explosie van punktypografie en collage-achtige graffiti. Foto’s, tekeningen en leuzen gaan lukraak bewerkt en overgeplakt tegen elkaar aan schuren. Herkenning tegenover verandering. Een mix die zijn werk fris en spannend maakt.

De titel van de expo Tijdelijke Iconen refereert volgens Wintgens aan het gerecyclede en goedkope materiaal waar hij mee werkt. “Het gaat over de tijdelijkheid van het werk. Het materiaal is beperkt houdbaar.” Ook gereed voor hergebruik is  een portret van een gezichtsloos meisje met Paris Hilton zonnebril. Over de lengte van een meter lang karton plakt de kunstenaar een serie anatomische prenten; de mens van binnen bekeken.

GW

Opvallend zijn de grote vellen met vette zwarte lijnen. Wat begint bij een herkenbare letter gaat bijna als vanzelf over in een nieuw soort geometrisch handschrift. Sierlijk en hoekig tegelijk. Wintgens: “wat ik er zelf zo mooi aan vind is de vorm die hieruit ontstaat, juist omdat je niet kunt lezen wat er staat. Het begint met letters die elkaar aanvullen, daarna zoek je naar het gewicht van de lijnen, naar de verdeling. Voor mij voelde het als een creatieve doorbraak, iets nieuws dat mij als het ware is overkomen zonder dat ik het door had. Dit is eigenlijk nog maar het begin.”

Gregor Wintgens – Tijdelijke Iconen (Etage 32, Geleenstraat 32, Heerlen, 2, 3, 9 en 10 maart 2013)

(eerder verschenen op ZwartGoud)

Mike Kelley in het Stedelijk Museum: de werkelijkheid als atelier

843557

Kunst die het comfortabele uit de weg gaat hoort natuurlijk thuis op de bodem van een badkuip. Het vernieuwde Stedelijk Museum komt met de eerste overzichtstentoonstelling over Mike Kelley, alleskunner onder de kunstenaars. De schaduwzijde van onze samenleving, persoonlijke (jeugd)herinneringen en het uiteenvallen van de American Dream: in zijn werken zit Kelley dichter op de werkelijkheid dan hij ooit had kunnen bedenken. De kunstenaar zelf maakt deze viering van nachtmerries en uitelkaar gespatte dromen niet meer mee. Tijdens de voorbereidingen van de tentoonstelling pleegde hij in januari 2012, op 57-jarige leeftijd, zelfmoord. Volgens zijn vrienden leed hij jarenlang aan depressies.

Natuurlijk ligt het voor de hand om ‘s mans depressieve geest te verbinden aan zijn werk. Onterecht. De beelden van Kelley bevatten meer zelfspot dan zelfbeklag. En zwarte humor. En complexe ideeën en vondsten met onverwachte invalshoeken. Om complete verwarring te voorkomen is enige voorkennis geen overbodige luxe; het begrip multimediakunst schiet in elk geval ernstig tekort wanneer je een beschrijving zou moeten geven van de meer dan tweehonderd werken in de benedenverdieping van het nieuwbouwgedeelte. Je tuimelt kortom van de ene verbazing in de andere.

Dit is geen kunst meer, maar een tegengif voor de buitenwereld zoals Kelley die moet hebben ervaren. De samenleving als materiaal, canvas en atelier. Alle zintuigen op volle kracht voor een kritische reflectie op de gevoelens van ongemak oproepende werkelijkheid. “In mijn werk komt het verstand altijd na de realiteit”, beweerde de schepper van zijn eigen universum. Kelley besefte natuurlijk dat zijn poging die amorfe toestand genaamd werkelijkheid buiten de deur te houden, vergeefs was.

67781951

Ergens tussen al die kunstwerken bevindt zich telkens de mens Kelley met zijn particuliere emoties en (jeugd)herinneringen. Juist die persoonlijke noot geeft de tentoonstelling iets speels. Neem de enorme paspop die astronaut John Glenn moet voorstellen. Het lichaam gedrapeerd met uit de bodem van de Detroit River opgeviste scherven keramiek. Het kunstwerk herinnert aan een gedenkteken van Glenn bij de school van Kelley in Detroit, de stad waar hij opgroeide. Op de schuifpanelen naast de met stukken servies en rivierafval bedekte ‘wandel’paden, zien we kopieën van krantenknipsels met lokale nieuwsberichten. Herinnering, archeologie en historische context lopen in deze patio-achtige installatie subtiel over- en doorelkaar.

Eveneens tot de verbeelding spreekt een rijtje vogelhuisjes. Eentje heeft niet één, maar twee gaten aan de voorzijde. De bovenste opening is een nauwe doorgang met erboven de tekst The Hard Road, het gat eronder is beduidend ruimer: The Easy Road. Simpel en doeltreffend. Even bekruipt je het gevoel dat Kelley zich hier stiekem schuilhoudt. Serieuzer is Pay For Your Pleasure, dat eerder in 2001 te zien was in het Stedelijk. In een als eregalerij verpakt gangpad hangen aan weerszijden spandoeken met beroemde schilders, denkers en dichters. Van Oscar Wilde tot Mondriaan. Boven hun hoofden citaten over het overschrijden van creatieve en morele grenzen. Aan het einde van de gang een naïef uitziend schilderij, gemaakt door iemand voor wie creativiteit en moraal een heel andere betekenis heeft: de Amsterdammer Jan Willem van E. Beroep: misdadiger. Waagt Kelley kunst en criminaliteit over een kam te scheren? Op zijn minst een vraag die niet elke dag gesteld wordt.

Kelley laat zijn werken associërend op de loop gaan binnen een en dezelfde installatie. Installaties, want dat zijn het, in iedere ruimte een, gemaakt van elk denkbaar materiaal. En ja, reken maar dat ook de zintuigen van de bezoeker worden geprikkeld en getest. Zo’n installatie blijkt een totaalervaring, bijeengehouden door een ongrijpbare lasso van tegenstellingen; een lus die net zo makkelijk weer loslaat om de getoonde contrasten om te buigen of tegenover andere onzekerheden te plaatsen. Wat je er ook van vindt, de beelden van Kelley kennen zonder meer een rijkgeschakeerde beeldesthetiek; een audiovisueel ‘pretpark’. Lekker irritant soms. De galm van een snerpend gefluit uit een van de luidsprekers blijft je door bijna de hele zaal achtervolgen.

Dat Kelley de schone schijn wilde doorprikken, was overigens niet altijd vertrekpunt van zijn werk. Zijn eerste verzameling vervormde knuffelpoppen waren oorspronkelijk bedoeld om het materialisme in de jaren tachtig aan de kaak te stellen. Tot zijn verbazing dachten media en publiek dat hij kindermisbruik en seksueel onderdrukte trauma’s becommentarieerde. Niet eens zo’n gekke gedachte vond Kelley. “Ik ben een voorstander om andermans ideeën te jatten. Mensen hebben ook uit mijn werk ideeën gehaald. Zo worden dingen gemaakt. Zo ontstaat cultuur”. Dus nam hij de theorie over om deze verder te ontwikkelen. Wat volgde waren tentoonstellingen waarin de speelgoedbeesten in hun macaberheid inderdaad seksueel misbruik reflecteerden.

Mike-Kelly-Aah-Youth-Cibachrome-prints-

De misvormde knuffeldieren keren ook terug in een boekje bij het album Dirty van gitaarband Sonic Youth. Evenals een portret van een wat schuchter ogende jongeman: Kelley als zeventienjarige scholier. Ook nu weer worden buiten- en binnenwereld in elkaar geschoven. Bij de eerste oplage zit trouwens een foto uit een performance waarop een naakte man en vrouw hun kont afvegen aan de beestjes. In een gesprek met Interviewmagazine in 2009, merkt Mike Kelley op dat jonge kunstenaars het blijkbaar vanzelfsprekend vinden dat ze van kunst kunnen leven. Gevolgd door een opmerkelijke uitspraak: “Ik koos ervoor een kunstenaar te worden, omdat ik een mislukkeling wilde zijn”. Het typeert de fuck-de-mythe houding van Kelley.

Mike Kelleys universum bestond ook uit muziek en film. En het maken van experimentele muziek. Daarin voelde hij zich volgens eigen zeggen minder geremd dan bij het creëren van kunst. Die muziek ontstond zo spontaan, omdat hij zich niet gedwongen voelde na te denken over kwaliteit. Begin jaren zeventig speelde hij in de band Destroy All Monsters en nadien, met kunstenaar Tony Oursler, in The Poetics. Muziek: collages van omgevingsgeluiden en ander tumultueuze audiovérité. Jammer genoeg wordt aan de muzikant Kelley geen aandacht besteed in het Stedelijk. Ruim een jaar voor zijn dood bezocht hij Amoeba Records in San Francisco, een van de grootste platenzaken van Amerika. In een video op Youtube zwaait hij als een kind zo blij met zijn aanwinsten. Kelley voor even terug in de werkelijkheid met muziek en films uit lang vervlogen tijden. Onder het filmpje staat een ontroerende reactie: “hope you were happy that day.”

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

Parkstad Limburg Prijs 2013: niet geschikt voor kunstenaars en liefhebbers

jvb

detail werk van Jeroen van Bergen

Vooraf werden geen al te hoge eisen gesteld door de Parkstad Limburg Prijs 2013: “beeldend kunstenaars die een professionele kunstopleiding succesvol hebben afgesloten, maximaal 35 jaar oud zijn en een kunstzinnige relatie hebben met Nederlands of Belgisch Limburg.” Navraag leerde dat de “kunstzinnige relatie” inhield dat de kunstenaar in het gebied woonachtig of werkzaam moest zijn geweest, of een tentoonstelling moest hebben gehad. Uit een selectie van tachtig inzendingen en acht genomineerden koos de jury Jeroen van Bergen tot winnaar. Hij houdt atelier in Maastricht. Alle genomineerde werken zijn momenteel te zien in Schunck* Heerlen.

Het criterium “kunstzinnige relatie” heeft natuurlijk de rekbaarheid van elastiek. Hoe lang moet de kunstenaar in Belgisch of Nederlands Limburg hebben gewoond of gewerkt? Een week, een maand of jaar? Kennelijk wilde de organisatie gewoon zoveel mogelijk kunstenaars laten meedingen. Voor een stichting (initiatief van een groep ondernemers) die zich met een vierjaarlijkse prijstoekenning openlijk beijvert voor kunst, is het jammer dat het publiek pas na de bekendmaking de genomineerde werken mag bekijken. Aanbeveling voor de toekomst: geef iedereen vooraf de gelegenheid de ingezonden werken te bezichtigen en maak tijdens zo’n lopende tentoonstelling de winnaar bekend.

Een dergelijke procedure wordt immers met succes toegepast bij literaire prijzen. In de periode tussen bekendmaking en uitreiking krijgen publiek en pers de tijd zich te verdiepen in de kwaliteit van de genomineerde boeken. Discussie, polemieken en media-aandacht verzekerd. De Parkstad Limburg Prijs genereerde hooguit enkele dagen rondom de uitreiking publiciteit. Dat het Limburgs Dagblad paginagroot uitpakte was begrijpelijk: de krant bleek een van de deelnemende investeerders. Volgens de organisatie zouden investeerders met naamsvermelding worden beloond in een catalogus. Die tentoonstellingscatalogus bleek een krantje van vijftien pagina’s.

logo

Jeroen van Bergen is al jaren bijna obsessief bezig met ‘bouwpakketten’ die de vaststaande orde van de architectuur bekritiseren. Op bestaande afmetingen maakt hij eigenzinnige variaties. In een vitrine tijdens de tentoonstelling zien we filmopnamen en foto’s van de Stalin Allee in Berlijn, de huidige Karl Marx Allee. Van Bergen nam de straat in verschillende dimensies op; door er te filmen en de 2,3 km heen en terug te lopen probeerde hij de Allee, gebouwen en geschiedenis te herinterpreteren.

Geen makkelijke kost. Geen makkelijke opgave. Van Bergen: “wat mij interesseert is hoe zich het denken zoals in dit geval het communistisch-marxistische gedachtegoed, verhoudt als een modulair systeem. Het is een ideeënstelsel bestaande uit verschillende elementen die op elkaar bouwen, zich vermenigvuldigen, stapelen, herhalen en tenslotte beslag leggen op de werkelijkheid in de vorm van zo’n straat. Daarmee oefenen zij vervolgens wederom invloed uit op het denken van de mensen die er doorheen lopen. Hoe functioneert zo’n systeem, waar zitten de weeffouten, hoe is het te manipuleren, hoe kun je je eraan onttrekken?”

Klinkt interessant. Maar wat wordt ingezet als een meervoudig stedenbouwkundig en historisch onderzoek naar de voormalige DDR pronkstraat, draait uit op een interpretatie met subjectieve laag en conclusie. Ergens wringt dat. Had Van Bergen niet beter kunnen aantonen wat die ‘invloed op het denken van de mensen die er doorheen lopen’ zou zijn geweest? Antwoorden op de vragen die hij zichzelf stelt krijg je evenmin. Het is de makke van kunstenaars die iets willen ‘onderzoeken’. Omdat onderzoekskunst vaak blijft hangen in het particuliere, wordt het nooit een wetenschap waar mens en maatschappij iets aan hebben. Van Bergens werk houdt niet meer dan een vage belofte in waardoor de artistieke waarde en relevantie onduidelijk blijft.

Je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat de jury zich heeft laten meeslepen door de toewijding van de kunstenaar, waarbij idee en totstandkoming, hoe bewonderenswaardig ook, belangrijker lijken dan het eindresultaat. Er werden door de jury “bijna 80 inzendingen in een tweetal beoordelingsronden bekeken”. Maar in haar rapport prijst de jury echter het oeuvre van Van Bergen aan; niet zozeer zijn tentoongestelde, ingezonden werk. In feite had Van Bergen dus niks hoeven in te zenden. Net als de andere kunstenaars. Zijn bekroning tot winnaar stond blijkbaar al bij voorbaat vast.

(de citaten zijn afkomstig van de website van de PLP)

Parkstad Limburg Prijs 2013 (Schunck* Heerlen, t/m 7 april 2013)

Tekst juryrapport
“Na langdurig en zorgvuldig beraad heeft de jury unaniem besloten de Parkstad Limburgprijs 2013 toe te kennen aan een kunstenaar wiens werk zich onderscheidt door een secuur en stringent uitgevoerd onderzoek dat in een opmerkelijke combinatie van media is vormgegeven. Het werk geeft blijk van een scherp observatievermogen en van aandacht voor maatschappelijke dieptestructuren. De kunstenaar weet deze in relatie te zetten tot ‘vormen’ en ‘vormgeving’ die zowel het terrein van de kunsten beslaan alsook de – onze – gebouwde omgeving. Hier ontvouwt zich een doorwrochte gedachten- en ideeënwereld waarvan de grenzen nog niet in zicht zijn. Het is een oeuvre – en hier mag wel degelijk nu al van een oeuvre worden gesproken – dat tevens inneemt door decente schoonheid. De jury is onder de indruk van de manier hoe deze jonge kunstenaar in de afgelopen jaren zijn artistieke praktijk op constant hoog niveau heeft ontwikkeld en heeft doorgezet vanuit het besef van een geheel eigen urgentie en noodzaak, ook tegen de weerbarstigheden van zo’n bestaan in de huidige tijden in. Met buitengewone waardering voor het werk kent de jury de Parkstad Limburg Prijs 2013 toe aan: Jeroen van Bergen.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Film Zero Dark Thirty zit de waarheid op de hielen

zdt

Zelfs in de strijd tegen het terrorisme nemen de vrouwen het over. Als er een ding duidelijk wordt uit de film Zero Dark Thirty, is dat Osama Bin Laden kon worden opgespoord dankzij de doortastende inzet van een CIA-agente. Lijkt dit op een goedkope publiciteitsstunt? Geen sprake van. Na het uitkomen van de film moest de CIA toegeven dat deze Maya, zoals haar dekmantel luidt, direct verantwoordelijk is voor de vindplaats van de Al Qaidavoorman in de Pakistaanse stad Abbottabad. De afloop is genoegzaam bekend.

Op haar aanwijzingen hoefden de commando’s van de Navy SEALs slechts het vuile werk op te knappen. Voor de CIA is Zero Dark Thirty zo pijnlijk waarheidsgetrouw dat de inlichtingendienst onlangs een intern onderzoek inlaste om te achterhalen wie de informatie aan de filmmakers, waaronder regisseur Kathryn Bigelow, doorspeelde. Die ontkennen dat er sprake is van geheime bronnen. In Amerika kortom is men zich rot geschrokken van de film.

Een ander voor veel Amerikanen ongemakkelijk thema is de in de film expliciet getoonde link tussen de door CIA-agenten uitgevoerde martelingen en de hieruit verkregen informatie die naar het spoor van Osama Bin Laden leidt. Volgens een aantal senatoren, onder aanvoering van de voormalige presidentskandidaat John McCain, zouden deze ‘enhanced interrogation techniques’ “misleidend” zijn en zeker niet overeen komen met de werkelijkheid. Echter, de film laat aan duidelijk niks te wensen over; de openingsbeelden tonen diverse folteringen waaronder het beruchte waterboarding. Locatie: een zogenaamde ‘black site’, een geheime buitenlandse gevangenis beheerd door de Amerikaanse geheime dienst.

Ondanks alle commotie en voorpubliciteit blijft de belangrijkste vraag natuurlijk of Zero Dark Thirty een bezoek aan de bioscoop waard is. Het antwoord kan met een volmondig ja worden beantwoord. De film dingt zelfs mee naar de belangrijkste categoriëen Oscars. Kathryn Bigelow was trouwens de eerste vrouwelijke regisseur die zo’n gouden beeldje won. Haar bekroonde oorlogsfilm The Hurt Locker speelde zich eveneens af in het Midden-Oosten. Doorgewinterde filmliefhebbers kennen wellicht haar neo-sciencefictionfilm Strange Days (1995), waarin ze de mannelijke hoofdfiguur neerzette als een onbetrouwbare ‘held’.

zdt

Ervan uitgaand dat Zero Dark Thirty daadwerkelijk de waarheid op de hielen zit, is het knap dat Bigelow je ondanks de overbekende afloop, toch twee en een half uur naar indrukwekkende cinema laat kijken. Spectaculair in zijn bescheidenheid doet de film verslag van een antiterreur-divisie die ondanks tegenslagen stapje voor stapje het netwerk rondom Osama Bin Laden weet te ontrafelen. Stoïcijns omzeilt Bigelow het triomfantelijk patriottisme dat verwante Hollywoodfilms aankleeft. Het sterke camerawerk wisselt subtiele op details gerichte close-ups af met een meer rationeel in beeld gebrachte verhaallijn over de hoofdrolspeelster. De film toont alleen wat echt belangrijk en noodzakelijk is.

Stoere mannenpraat en een vette beeldenretoriek blijven achterwege. Geholpen door een evenwichtig gemonteerd ritme raak je tijdens het kijken ondergedompeld in een film waarin het gevoel van beklemming alleen maar toeneemt. Muziek wordt gebruikt om enkele scènes van mineurtinten te voorzien. Behalve tijdens de apotheose waarin de soundtrack schittert door afwezigheid. De belegering van Bin Ladens vesting behoort tot de meest zenuwslopende actiescènes ooit verfilmd. Kenmerkend voor het karakter van de film is het gevoel dat overheerst nadat Bin Laden is geliquideerd: gelatenheid, op het ontnuchterende af. En niet alleen bij de kijker.

Ook bij de CIA-agente bespeuren we amper een greintje overwinningsgevoel. Over deze Maya, kordaat vertolkt door Jessica Chastain, komen we niet veel meer te weten dan dat ze uiterst vastberaden te werk gaat. In haar leven lijkt geen plaats voor gezin of ‘love interest’. Een ‘nee’ van haar meerderen accepteert ze steeds minder vaak. Zo’n vrouw dus die door mannelijke collega’s uit pure wanhoop dan maar ‘een pittige tante’ wordt genoemd. Er is een moment in de film waarop ze een verzoek om materiële ondersteuning als vanzelfsprekend ziet ingewilligd. Niemand legt haar meer een strobreed in de weg; haar reputatie is haar inmiddels vooruitgesneld.

Volgens CNN-analist Peter Bergen werkt de CIA al langer met vrouwelijke agenten. Bergen sprak een oprichter van een antiterreur-eenheid: “Vrouwen lijken een uitzonderlijk gevoel te bezitten voor details, om patronen te ontdekken en relaties te doorgronden. En heel eerlijk gezegd verspillen ze veel minder tijd aan het vertellen van oorlogsverhalen en kletspraatjes en wandelingetjes naar buiten om een sigaret op te steken dan de mannen.”

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.