Rivals van Kensington bevat dweepzieke schlagers voor hipstermeisjes

Kensington lp

Prima natuurlijk dat je als artiest hengelt naar doorbraak en succes. Kensington doet dit zo nadrukkelijk en opzichtig dat het de eigen geloofwaardigheid op het spel zet. De groep uit Utrecht zal er ongetwijfeld anders over denken en de drijfveer naar succes beschouwen als een artistieke keuze. Erg gemakkelijk is het niet om deze plaat in zijn geheel te beluisteren. Om te beginnen valt op dat nogal wat nummers inwisselbaar zijn. Op een gegeven moment worden de meebrulrefreinen zo voorspelbaar dat je ze tijdens de intro al hoort aankomen. Alle songs klinken als op maat gesneden schlagers voor hipstermeisjes.

De band kiest dus voor het grote gebaar en voor het geluid dat hierbij het beste past. Daarom is kampioen compressiemixen Tom Lord-Alge ingehuurd. De Amerikaan staat bekend om het scheppen van een klank waarin de instrumenten bijna evenredig hard en ‘in your face‘ zijn. Geschikt om acuut een indruk achter te laten op de radio; een indruk die je het gevoel wil geven dat je van elke twijfel verheven bent.

Het is het geluid met de diepgang en dynamiek van een baksteen, meedogenloos plat, zelfs op de roodgekleurde vinyl lp. Kensington hunkert in alles naar erkenning en publieksparticipatie. Typisch zo’n album waar de übermaterialist Patrick Bateman de loftrompet over zou afsteken in American Psycho. De muziek van Kensington vertoont immers overeenkomsten met sommige bands uit de jaren tachtig, de tijd waarin het boek speelt. Denk aan Men At Work, Big Country en Simple Minds.

Veel beter wordt het er niet op wanneer zanger Eloi Youssef zijn mond opendoet. Hoe meer hij de longen uit zijn lijf schreeuwt, hoe meer hij klinkt als een roepende in de woestijn. Het stembereik is beperkt, de teksten navenant. Hier is iemand aan het woord die telkens een andere persoon nodig heeft om zichzelf een beter gevoel te geven. “Don’t ever leave me out, though you’re rolling you’re eyes again, don’t ever leave me on my own down here”.

En zo gaat het maar door. Rivals is beslist niet de slechtste plaat ooit gemaakt in de Nederlandse popmuziek, maar wel een van de meest dweepzieke.

Kensington – Rivals (Universal Music 2014)

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

Benjamin Herman biedt troost met Trouble

Benjamin_Herman_-_Trouble

Bij de jazz van Benjamin Herman krijg je het gevoel dat je weer een peuk mag opsteken. Zittend aan een tafeltje, zoals in de achterafzaaltjes in het New York van de jaren vijftig, toen jazz voor menigeen de geneugten en ongemakken van het leven mocht verklanken.  Altsaxofonist Benjamin Herman gaat verder op de weg die door de oude meesters werd geplaveid. Op het album Trouble maakt hij met zanger Daniel von Piekartz ingetogen, breekbare jazz voor de troostzoekende medemens. Het duo speelde al vaker samen tijdens sessies in Sociëteit De Kring, de muzikale huiskamer van Amsterdam.

Von Piekartz vult met zijn ietwat androgyne stem de door de muzikanten gecreëerde intimiteit fraai in. Een stem waar je van moet houden, die je niet meteen associeert met swingende jazz, maar juist daarom mooi contrasteert met Herman en zijn trio piano, bas, drums. Instrumenten die op gepaste afstand de hoofdrolspelers begeleiden en bij tijd en wijle van voorzetjes voorzien.

Met zijn altsax fluistert Herman in Blue Velvet zachtmoedige klanken in het oor van de zanger, die op zijn beurt ingetogen en beheerst, nummers vertolkt van Sly Stone, Fats Waller en JJ Cale, de meester van de muzikaal geboetseerde stilstand. Von Piekartz’ versie van Lilac Wine roept herinneringen op aan de uitvoering van Jeff Buckley. Toch is Trouble heel erg jazz en heel erg cool. Het hoesontwerp verwijst naar de buitelende balken van meestergraficus Saul Bass en, met een beetje fantasie, zelfs naar de vlakverdelende geometrie van Mondriaan.

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

The Wu-Tang Clan: gangsta rap als artistiek statement

Odb_welfare

Ice-T verklaarde onlangs in muziekmagazine Mojo dat hiphop zijn beste tijd heeft gehad. Volgens de rapper-acteur is de muziek “niet meer in staat de wereld op zijn kop te zetten”. “Rap is disco. Er is geen gangsta rap meer, hooguit de ‘ik ben rijk’ rap.” Niet zo lang geleden, gedurende de jaren negentig, lag de wereld nog aan de voeten van nota bene gangsta rap. De muzikale vernieuwing en urgentie van toen smeult na op recente vinylheruitgaven van The Wu-Tang Clan.

De albums van dit notoire gezelschap producer-rappers waren stilistisch gezien veelzijdiger en experimenteler dan de meeste andere releases binnen de hiphop. Teksten bestonden uit een associatieve woordenstroom van humor en sarcasme waarbij niet zelden andere ‘niggas’ de maat werd genomen. Producer The RZA maakte beats muzikaal en haalde geluidsfragmentjes uit obscure gangster- en kungfufilms. De platen klinken ook nu nog allesbehalve gedateerd. Eigenlijk doe je The Wu-Tang Clan te kort met de benaming gangsta rap. Des te jammer dat ze momenteel als een zootje ongeregeld ruziën over de artistieke richting op een gepland nieuw album.

Het beruchtste Clanlid was natuurlijk Russell Jones, alias Ol’ Dirty Bastard. Op zijn soloplaat Return To The 36 Chambers: The Dirty Version laat hij een aanstekelijk soort gekte de vrije loop. Een audiodagboek in de vorm van een dubbel-lp (inclusief twee bonustracks) die soms irriteert maar vaker fascineert. Improviserende woordrijm van iemand die spontaan in zingen uitbarst of in ogenschijnlijke staat verkeert van een naderende psychose. Opvallend genoeg krijgt hij hierdoor iets kwetsbaars, iets innemends.

ODB is in alles het tegendeel van de rapper die zelfverheerlijking predikt. Overeind gehouden door coke, dope en paranoia, baant hij zich hysterisch en klooiend met gekke stemmetjes, een weg door beats die al net zo gedrogeerd onder hem door dreunen. Een ongegeneerde persoonlijkheid deze ODB, officieel gediagnosticeerd als schizofreen. Zijn aanvaringen met justitie deden hem vaker in de gevangenis belanden dan in een muziekstudio. De FBI bezit een negentig pagina’s tellend dossier over hem. ODB overleed in 2004 aan een overdosis. In een studio, dat dan weer wel, bezig aan een album genaamd A Son Unique.

Op het uit vier plakken vinyl bestaande Wu-Tang Forever ligt de nadruk op raps, samples, raps, samples. Teksten waarin er flink op los wordt geouwehoerd. Iedereen mag beurtelings zijn zegje doen, de beats pompen plichtmatig voort, en meer dan eens, zoals in A Better Tomorrow, neemt het opgeheven vingertje de overhand. De in vele opzichten loodzware uitgave is simpelweg wat veel van het goede.

Dan overtuigt The W meer als geheel. De Clanrappers begroeten de beats als oude bekenden. Omdat een minder is meer methode gedoseerd en trefzeker een kijkje komt nemen, lijkt het alsof je bij elke draaibeurt iets ontdekt dat je niet eerder hoorde. Sluipenderwijs word je deelgenoot van de bloemrijke Wu-Tang anthologie. In navolging van Enter The Wu-Tang (36 Chambers), het legendarische debuut uit 1993, is The W zo krachtig en verslavend dat je bijna geen andere muziek meer wilt beluisteren. Het album bevat gastbijdragen van Snoop Dogg, Busta Rhymes en Ol’Dirty Bastard. De laatste verbleef tijdens de opnamen in de gevangenis, maar kon zijn bijdrage aan het nummer Conditioner gewoon doorbellen via de bajestelefoon.

De reissues van Wu-Tang Forever en The W verschijnen in een eerste oplage van doorschijnend vinyl.

The Wu-Tang Clan – Wu Tang Forever en The W (Music On Vinyl)

Ol’ Dirty Bastard - Return To The 36 Chambers: The Dirty Version (Music On Vinyl)

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

Bij Zig-Zags doen punk en hardrock lepeltje lepeltje

zig-zags-st-lp-2014-in-the-red-records

Zo vaak gebeurt het niet dat muziek spontaan tussen je oren explodeert. Dat een band je weer eens alle hoeken van de kamer laat zien. Uiteraard luisteren zulke muzikanten naar namen als Jed, Patrick en Bobby, tezamen Zig-Zags en komen ze uit Los Angeles. Zoals wel meer mensen in de Amerikaanse stad van beloftes, probeert zanger-gitarist Jed Maheu aan de bak te komen als acteur. Tot nu toe reikte zijn ster echter niet verder dan lowbudget horrorfilms. Zig-Zags zijn vernoemd naar een merk schoenen, die in Amerika ook wel ‘winos’ worden genoemd omdat ze zo goedkoop zijn. De band bestaat sinds 2010. Hun enige claim to fame is dat ze ooit een nummer mochten opnemen met Iggy Pop.

Zig-Zags zijn intussen bedreven in alles wat garagepunk geweldige muziek maakt. Meestal hebben garagebandjes een probleem waarvan ze niet weten dat het een probleem is, of dat het hoe dan ook een probleem gaat worden. Bands die het goed bedoelen met garagepunk, of wat er volgens hen voor door moet gaan. Dat op een debuutalbum hooguit de eerste twee, drie nummers fuifknallen maar daarna de dood van de hoop zijn intrede gaat doen. Eveneens goed fout zijn pogingen waarin een zangeres en of orgeltje door de punkgedachte heen krankjorumen en gewoon alles kapot maken.

Zig-Zags hebben het wél goed begrepen. Gitaar, bas, drums. Bliksemende S in bandlogo. Goedkoop ogend hoesje om de plaat. Teksten? Bloemrijke pulp waarin dood en dreiging de boventoon voeren in aangrijpend maar net niet overdreven meebrulgehalte. Geniaalste songtitel? I Am The Weekend. Muziek? Punk en hardrock die lepeltje lepeltje doen. Powerakkoorden die als vanzelf overgaan in powerakkoorden. Geproduceerd door cultpunker Ty Segall in zijn thuisstudio te Glassell Park; een afgelegen buurt in het noordoosten van Los Angeles waar de huren laag zijn en de autodiefstal hoog. Easy & sleazy. Zig-Zags doen het gewoon. De punkattitude van 1977 en de onverwoestbare degelijkheid van de hardrock. Deze plaat kan je leven veranderen. Koop ‘m. Nu is nu.

Zig-Zags – Zig-Zags (lp, In The Red Records 2014)

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

Guru, de chroniqueur van Brooklyn

Guru - Jazzmatazz, Vol. 1 -

Begin jaren negentig moest je recensies en informatie over nieuwe albums nog opzoeken in tijdschriften. Een recente vinylreissue van Guru’s Jazzmatazz Volume 1 is een meer dan goede reden om nog eens terug te blikken op dit album, dat oorspronkelijk in 1993 uitkwam. Een Nederlandstalige bespreking zul je er niet over vinden op internet. Terugblikken is niet eens nodig. De ‘experimental fusion of hiphop and jazz’ is nog altijd een actueel en urgent klinkend meesterwerkje. Gelaagder en organischer dan het verbaal straatvechten van de gangsta rap, kladde rapper Guru muzikaal graffiti op de muren van de hiphop.

Jazzmatazz was de opmaat van een project waarvan met name Volume 1 invloedrijk zou worden en hiphopfans voor het eerst liet kennismaken met jazz. De muziek kwam niet van samples uit andermans platen, maar werd gespeeld door muzikanten van vlees en bloed. En niet de minsten. O.a. jazz- en funkveteranen Donald Byrd en Roy Ayers waren van de partij. Ondanks hun status legden ze zich gedwee neer bij een rol als gastmuzikant.

Toen Guru als Keith Edward Elam in New York woonde gaf hij zijn ogen goed de kost. Jazzmatazz bevat zijn verwondering over wat hij zag en meemaakte in zijn habitat Brooklyn. Hoe hij die stad beleefde viel al te horen in The Planet van Gang Starr, het hiphopduo dat hij in de jaren tachtig formeerde. Guru is een rapper zonder ‘bitches’ binnen handbereik die de afmeting van zijn lul bewonderen. Ook de gouden ketting om de hals ontbreekt. Guru is chroniqueur van de zelfkant. Gortdroog en sarcastisch rapt hij de problemen en criminaliteit van het stadsdeel aanelkaar, terwijl de muziek deinend en opvallend melodieus het decor vult.

Ritje met de New Yorkse metro? “Don’t smile at anyone cause people out there they like to travel with handguns”. Schietincident om de hoek? “He fired, they fired, all at the same time. Now there’s a funeral on Wednesday, a quarter to nine”. Als observator van zijn persoonlijk getto gebruikt hij doeltreffend hiphop ‘slang’ waarvan sommige woorden een zin mogen beëindigen puur en alleen om hun fonetische kracht. Jazzmatazz Volume 1 is weer te beluisteren op de plek waar het thuishoort, op de draaitafel, verpakt in een ode aan de Blue Note-albumhoezen. Guru overleed in april 2010 aan kanker, maar hij was wel de man “who put the jazz in the hiphop funk”.

Guru-Jazzmatazz (Music On Vinyl lp 1993/2014)

(eerder gepubliceerd op The Post Online)

Schunck expo Tussenbeelden is ongrijpbare kijkervaring

Juul Kraijer –  zonder titel (2005, kalk op blauw papier)

“Goede kunst is genereus”, aldus Paul van Eerden. Voor het Heerlense cultuurpaleis Schunck maakte de gastcurator een tentoonstelling die hij samenstelde uit meerdere collecties. Dat Van Eerden zelf ook verzamelt kwam goed van pas. “Ik ben een liefhebber van alles”, beweert hij, maar relativeert meteen: “ik heb niet die bezetenheid die ik wel eens aantref bij andere verzamelaars.”

Veel kunstwerken in Tussenbeelden zijn afkomstig uit de omvangrijke Schunckcollectie, als bruikleen van verschillende musea en uit privé-verzamelingen, waaronder die van Van Eerden. Terugkerende thema’s in de expo zijn religie, de dood, en al het ondoorgrondelijke daar tussenin. Van Eerden’s opstelling van de getoonde werken moet bezoekers aansporen een verbinding te maken tussen wat ze zien, voelen en ervaren. “Bezoekers moeten wel hun best doen, ze moeten hun eigen interpretatie vinden.”

Wie de tijd neemt om de uiteenlopende beeldesthetiek van bijna honderdvijftig kunstwerken in zich op te nemen, komt misschien wel tot de gewenste bezinning of onverhoedse, spirituele gedachten. Een enkele keer haal je je schouders op, zie of ervaar je geen enkele klik, andere keren blijf je gefascineerd kijken dankzij de confrontatie met het onbekende. Dit laatste wordt veroorzaakt door een nadrukkelijke interactie tussen voorwerpen en kunstwerken, tussen hedendaagse kunst en oude, religieuze beelden. Een gouache van Johan van Oord naast een Boeddhabeeld. Zulke combinatie’s leiden tot onverwachte contexten en situaties. Omdat de bezoeker de expo vrijelijk mag interpreteren wordt hij als het ware curator en onderzoeker van zijn eigen gevoel. Van Eerden: “het gaat om beelden die terugkijken”.

Tussenbeelden4

Toch is Tussenbeelden allesbehalve zweverig, eerder visueel prikkelend. Er is rituele kunst uit Afrika, 18e-eeuwse devotieprenten, Ghanese grafhoofden, rouwkledij en dodenplanken uit Limburg. Een dameshoedje en een deftig paar handschoenen stammen uit het Museum van de Vrouw in Echt, dat overigens ook drijft op een privéverzameling. “Het zijn werken die functioneren als bemiddelaar tussen ons en in sommige gevallen God”, beweert de Rotterdammer.

Alle beelden zijn afzonderlijk ingedeeld in eigen ruimtes, als het ware een soort ‘nisjes’, die ogenschijnlijk niet bij elkaar horen, maar waarvan de indeling tersluiks aan elkaar refereert. Immers, goede kunst is genereus. Het samenstellen van de Schunck-expo leidde bij Van Eerden tot een voor hem bijzondere ontdekking: “van die dodenplanken had ik nooit gehoord. Die werden in Limburg gebruikt als iemand stierf. Buiten werd zo’n plank neergezet. Dan wisten de mensen in de buurt dat er iemand was overleden.”

schunck tussenbeelden

Tussenbeelden (tentoonstelling, Schunck, Heerlen, t/m 7 september 2014)

(eerder gepubliceerd op ZwartGoud)

Philip Glass maakt David Bowie-klassieker plat en pathetisch

PG

Samen met zijn muzikale maatje Brian Eno zocht en vond David Bowie aan het einde van de jaren zeventig artistieke herbezinning. Tegelijkertijd begon de ‘thin white duke’ met afkicken van zijn cocaïneverslaving. Plek van handeling was de Hauptstrasse 155, een Altbau appartementencomplex in het Berlijnse stadsdeel Schöneberg. Tevens uitvalsbasis voor wat later is gaan heten de Berlijn-trilogie: drie baanbrekende albums uit de toen al indrukwekkende Bowie-canon, waarvan overigens alleen Heroes daadwerkelijk in de Duitse stad is opgenomen. Onlangs blikte Bowie met Where Are We Now weemoedig terug op die voor hem zo belangrijke plek en periode.

Hij had zich in die tijd vast nooit kunnen voorstellen dat componist Philip Glass in 1993 een herbewerking zou maken van Low, die andere befaamde Berlijnplaat. Door Pitchfork uitgeroepen tot beste album van de jaren zeventig. Philip Glass geldt als een der pioniers van de ‘minimal music’: een snel repeterend patroon van ritmisch-harmonische motiefjes die leiden tot een telkens verschuivende basisstructuur. Het jaar waarin Low Symphony verscheen was verrassend. Bowie had in tijden geen album gemaakt dat paste bij zijn status als vernieuwer. Platenmaatschappijen waren in de ban van het cd-virus; het vinyl werd door hen collectief in het verdomhoekje gezet.

Nu, ruim twintig jaar na de cd-release verschijnt Low Symphony voor het eerst op lp. Dankzij het Haarlemse Music On Vinyl, dat zich sinds kort ook op klassieke muziek richt. Dat verdient extra zorg. De platen zijn verpakt in een plastic beschermhoes.

Als vertrekpunt voor drie composities gebruikt Philip Glass het meer avontuurlijke deel van Bowie’s album. Niet met de dwingende dynamiek van de ‘minimal music’, maar met een symfonieorkest dat zich nadrukkelijk laat gelden. In Bowie’s kaal en mistroostig klinkend synthesizer-experiment werd het Berlijn van de Koude Oorlog tastbaar gemaakt. Glass transformeert deze instrumentale muziek naar een interpretatie die opvallend toegankelijk is, zelfs een hoge amusementswaarde kent, alsof je zit te luisteren naar een soundtrack van een Hollywoodblockbuster. Strijkers spelen met een schwung die niet zou misstaan in het orkest van André Rieu. In de Brian Eno-compositie Warszawa sijpelt nog wat van de oorspronkelijke melodielijn door, die bij Glass meteen plat en pathetisch klinkt. Het is simpelweg tenenkrommend nietszeggend wat de vermaarde componist hier allemaal laat horen. Een curieuze mislukking deze Low Symphony.

(eerder gepubliceerd op The Post Online)